Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AX1049

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
20-04-2006
Datum publicatie
12-06-2006
Zaaknummer
AWB 05/1989
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor de vraag of een alleenstaande bijstandsgerechtigde kosten kan delen met een ander is niet zozeer van belang of hij deze kosten ook feitelijk met een ander deelt, maar of het redelijk is ervan uit te gaan dat deze kosten kunnen worden gedeeld. Daarbij is wel van belang of de ander daartoe financieel ook in staat is.

Verweerder kan onder omstandigheden niet volstaan met een verwijzing naar de verordening als bedoeld in artikel 30 WWB. Verweerder dient op grond van artikel 18 van de WWB de bijstand afwijkend vast te stellen als de individuele omstandigheden van de betrokkene daartoe aanleiding geven. De rechtbank wijst in dit verband tevens op artikel 30, vierde lid, van de WWB, waarin is bepaald dat verhoging of verlaging van de bijstandsnorm of afwijkende vaststelling van de toeslag plaatsvindt onverminderd artikel 18, eerste lid, van de WWB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:66 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr: WWB 05/1989

Inzake: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Het besluit van verweerder van 15 juli 2005.

2. Zitting

Datum: 27 maart 2006.

Eiseres is in persoon verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde [...], juridisch medewerker bij de gemeente Hoorn.

3. Ontstaan en loop van het geding

Eiseres ontvangt vanaf 7 december 2004 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% van het wettelijk minimumloon. Eiseres is per 1 april 2005 verhuisd naar het adres aan de [adres] te [woonplaats] en woont daar tezamen met haar [Familielid] (hierna te noemen: [Familielid]), geboren op [datum].

Verweerder heeft bij besluit van 4 mei 2005 de voor eiseres geldende bijstandsnorm ongewijzigd laten voortbestaan.

Eiseres heeft bij brief van 11 juni 2005, door verweerder ontvangen op 14 juni 2005, bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Op 1 juli 2005 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij besluit van 15 juli 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 24 augustus 2005, door de rechtbank ontvangen op 25 augustus 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 11 oktober 2005, door de rechtbank ontvangen op 12 oktober 2005, heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 maart 2006.

4. Motivering

4.1. De rechtbank dient in de onderhavig zaak te beoordelen of het besluit van 15 juli 2005 in

rechte stand kan houden. Daarbij ligt de vraag voor of verweerder eiseres terecht heeft aangemerkt als kostendeler zoals bedoeld in de Wet werk en bijstand (hierna: WWB). Verweerder heeft het bestreden besluit gemotiveerd met – kort gezegd – de vaststelling dat [Familielid] een meerderjarige huisgenoot van eiseres is, zodat eiseres ingevolge de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand (hierna: de verordening) als kostendeler moet worden aangemerkt. Eiseres heeft dit in beroep gemotiveerd betwist.

4.2. In artikel 21 van de WWB is de bijstandsnorm voor alleenstaanden vastgelegd.

Ingevolge artikel 25 van de WWB verhogen burgemeester en wethouders de bijstandsnorm voor alleenstaanden voorzover deze hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.

4.3. Artikel 30, eerste lid, van de WWB bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening vaststelt voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd, en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Ter uitvoering hiervan heeft de raad van de gemeente Hoorn op 7 juli 2005 de verordening vastgesteld.

4.4. Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar artikel 1, eerste lid, onder c. van

de Bijstandverordening. Dit betreft een kennelijke verschrijving. De rechtbank begrijpt uit de tekst van het bestreden besluit dat verweerder dit (terecht) heeft gebaseerd op artikel 2 van de verordening, die op 7 juli 2005 de Bijstandsverordening 2004 heeft vervangen. Ingevolge artikel 2, onder c. van de verordening – voor zover hier van belang – is er sprake van kostendeling bij alle gevallen van woningdeling, waarbij de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan zoals woonkosten, belastingen, vaste lasten, contributies, abonnementen e.a. kunnen worden gedeeld.

4.5. Het bestreden besluit ontbeert om twee redenen een deugdelijke motivering. De

rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.6. Ten eerste overweegt de rechtbank dat artikel 2, onder c, van de verordening wat de

strekking betreft overeenkomt met artikel 25 van de WWB. Uit de tekst van en de toelichting op artikel 25 van de WWB, gelezen in samenhang met de toelichting op artikel 30 van de WWB (Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 52-53), kan worden afgeleid dat wat het "kunnen delen" betreft de wetgever niet zozeer de situatie voor ogen stond dat een belanghebbende deze kosten ook feitelijk met een ander deelt, maar of het redelijk is ervan uit te gaan dat deze kosten kunnen worden gedeeld. De rechtbank merkt daarbij op dat de wetgever hierbij de situatie voor ogen stond dat de "ander" daartoe wel financieel in staat is.

4.7. Ter beantwoording van de vraag of [Familielid] kon worden aangemerkt als iemand waarmee

eiseres ingevolge de verordening de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kon delen, had verweerder dus ten eerste behoren te beoordelen of [Familielid] daartoe financieel in staat was. Van een dergelijke toets blijkt niet in het bestreden besluit. Dat verweerder in het verweerschrift wel heeft verwezen naar de inkomsten van [Familielid], kan daaraan niet afdoen. De gronden van een besluit kunnen niet in het verweerschrift worden aangevuld.

4.8. Ten tweede laat het voorgaande onverlet dat verweerder op grond van artikel 18 van de

WWB de bijstand afwijkend dient vast te stellen als de individuele omstandigheden van de betrokkene daartoe aanleiding geven. De rechtbank wijst in dit verband tevens op artikel 30, vierde lid, van de WWB, waarin is bepaald dat verhoging of verlaging van de bijstandsnorm of afwijkende vaststelling van de toeslag plaatsvindt onverminderd artikel 18, eerste lid, van de WWB.

4.9. Tussen partijen is niet in geschil dat [Familielid] ten tijde van de bestreden beschikking nog

schoolgaand was. Voorts ontving zij maandelijks, naast een uitkering van € 150,- ingevolge de Algemene nabestaandenwet, een bedrag van € 175,- uit arbeid in loondienst. Voorts staat vast dat [Familielid] ten tijde van het bestreden besluit 18 jaar was, en dat eiseres voor haar zorgde zoals een moeder voor haar kind. Ten slotte heeft eiseres onbetwist gesteld dat de vader van [Familielid] niet bereid was haar financieel te ondersteunen.

4.10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder ook wat dit betreft niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar de verordening. Naar het oordeel van de rechtbank hadden de bijzondere omstandigheden van dit geval – die door eiseres alle aan het beroep ten grondslag zijn gelegd – voor verweerder aanleiding moeten vormen zich te buigen over de vraag of eiseres ingevolge het bepaalde in artikel 30, vierde lid, van de WWB in aanmerking moest worden gebracht voor een hogere toeslag dan 10% van het wettelijk minimumloon.

4.11. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd.

4.12. De rechtbank is niet gebleken van proceskosten van eiseres die voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank zal wel bepalen dat het griffierecht moet worden vergoed.

5. Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit zal nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

- gelast dat verweerder aan eiseres het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 37,- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. [...], lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van [...], als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2006 door voornoemd lid, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige kamer,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.