Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AW8127

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
18-04-2006
Datum publicatie
04-05-2006
Zaaknummer
Awb 05/655
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet meer beantwoorden van brieven en niet nemen van besluiten na eerdere beledigende brieven.

Ofschoon de rechtbank de geformuleerde uitgangspunten uit de uitspraak van de Nationale ombudsman onderschrijft kan een verwijzing hiernaar als motivering om niet te voldoen aan het verzoek van eiser niet slagen, reeds niet omdat de onderhavige aanvraag een verzoek in het kader van de WOB behelst. Anders dan in de voormelde uitspraak van de Nationale ombudsman gaat het in dit geval dan ook niet (alleen) om het weigeren om correspondentie te beantwoorden in het algemeen, maar is hier sprake van een weigering om te beslissen op een aanvraag om een besluit.

De rechtbank acht het onder omstandigheden -maar niet licht- denkbaar dat een aanvraag om een besluit te nemen een zodanig beledigende inhoud heeft dat van een bestuursorgaan niet kan worden gevergd dat het daarop inhoudelijk beslist. Dit neemt niet weg dat het bestuursorgaan in dat geval gemotiveerd en in de vorm van een besluit zal moeten aangeven dat en op welke gronden het geen aanleiding ziet om inhoudelijk op de aanvraag te beslissen. De rechtbank stelt vast dat verweerder daartoe in het onderhavige geval ten onrechte niet is overgegaan, ook niet nadat eiser een bezwaarschrift had ingediend tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Reeds om die reden is het beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:66 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr: 05/665

Inzake: [eiser], wonende te [plaatsnaam], eiser,

tegen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente], verweerder.

1. Zitting

Datum: 24 januari 2006.

Eiser is in persoon verschenen.

Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigden [...], burgemeester, en [...], ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 5 november 2004, ingekomen bij verweerder op 5 november 2004, heeft eiser aan verweerder verzocht om inzage in:

- het volledige dossier inzake de subsidieaanvraag betreffende de bouw van 18 woningen, inclusief de faxen;

- de exploitatieovereenkomst alsmede de definitieve overeenkomst van de gemeente [gemeente] met [...] vastgoed;

- het rapport inzake het indicatief bodemonderzoek bedrijfsterrein [adres] te [plaatsnaam], project [nr.], [...], d.d. maart 1995 en het bodemonderzoek uitgevoerd door [...] en [...] van 7 maart 1995, nummer [nr.].

Bij brief van 14 januari 2005, ingekomen bij verweerder op diezelfde dag, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek om informatie over de betreffende gesubsidieerde bedrijfsverplaatsing.

Bij brief van 29 maart 2005, ingekomen bij de rechtbank op 30 maart 2005, heeft eiser beroep ingesteld tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift van 14 januari 2005.

Verweerder heeft bij brief van 27 april 2005, verzonden op 3 mei 2005, de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden alsmede een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft bij brieven van 11 december 2005 en 10 januari 2006 zijn standpunt verder toegelicht alsmede nog een aantal nadere stukken aan de rechtbank gezonden.

Het beroep is ter zitting gevoegd behandeld met het beroep dat bij de rechtbank bekend is onder nummer 05/1635. Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank aanleiding gezien in beide zaken afzonderlijk uitspraak te doen.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

3. Motivering

3.1 In dit geding dient te worden beoordeeld of het met een besluit gelijk te stellen schriftelijk weigeren een besluit te nemen dan wel niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

3.2 Ingevolge artikel 6:2 Awb worden voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld:

a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en

b. het niet tijdig nemen van een besluit.

3.3 De rechtbank stelt eerst vast dat eisers verzoek om inzage van stukken aangemerkt dient te worden als een verzoek om informatie zoals is bedoeld in de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB).

In artikel 6, eerste lid, van de WOB is bepaald dat het bestuursorgaan op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk beslist, doch uiterlijk binnen twee weken na de dag waarop het verzoek is ontvangen. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste twee weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de verzoeker.

Aangezien verweerder niet binnen de genoemde termijn heeft beslist op het verzoek en evenmin mededeling van verdaging heeft gedaan, is er aanleiding eiser ontvankelijk te achten in zijn beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen schriftelijk weigeren een besluit te nemen, dan wel niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

3.4 Verweerder is onder verwijzing naar de uitspraak van de Nationale ombudsman van

22 december 2002, gepubliceerd in AB met kenmerk 2003/55, van mening dat hij terecht niet meer reageert op brieven van eiser vanwege een bovenmatig beledigende toonzetting in eisers brief van 28 november 2002. Verweerder wijst er op dat hij eiser reeds bij brief van 5 december 2002 heeft medegedeeld dat eiser de meest essentiële normen die in het maatschappelijk verkeer betamelijk zijn, heeft overtreden. Verweerder heeft eiser bij die gelegenheid tevens medegedeeld dat hij heeft besloten zowel voor het bestuurlijk als voor het ambtelijk apparaat schriftelijk noch mondeling meer met eiser te communiceren.

3.5.1 In vorenbedoelde uitspraak van de Nationale ombudsman is overwogen dat een bestuursorgaan in beginsel altijd gehouden is inhoudelijk te reageren op reguliere correspondentie van burgers. Dit vereiste van een tijdige en adequate beantwoording van aan overheidsinstanties gerichte brieven kan, aldus de Nationale ombudsman, onder bepaalde omstandigheden uitzondering leiden. Eén van deze omstandigheden doet zich voor wanneer de correspondentie een eerder aangehaald en al gemotiveerd beantwoord onderwerp betreft. Hetzelfde geldt voor brieven die gaan over een feitelijk meningsverschil waarover al langdurig is gecorrespondeerd en waarbij van de overheid geen nieuwe standpunten zijn te verwachten. Op een dergelijke brief hoeft geen inhoudelijke reactie te worden gegeven, behalve wanneer de betrokkene nieuwe feiten of omstandigheden naar voren brengt. Aan de betrokkene dient in zo'n geval te worden meegedeeld dat en waarom er geen nader inhoudelijk antwoord volgt. Blijft betrokkene desondanks schrijven, dan kan worden volstaan met de schriftelijke mededeling dat brieven die inhoudelijk hetzelfde zijn als eerder ontvangen brieven, niet meer zullen worden beantwoord. Een andere omstandigheid op grond waarvan brieven van burgers niet inhoudelijk hoeven te worden beantwoord, is aan de orde wanneer brieven een beledigende toonzetting hebben. Ook in dat geval is een schriftelijke mededeling dat en waarom niet inhoudelijk wordt gereageerd, voldoende, aldus de Nationale ombudsman.

3.5.2 Ofschoon de rechtbank de hiervoor geformuleerde uitgangspunten onderschrijft, kan een verwijzing door verweerder naar de uitspraak van de Nationale ombudsman als motivering om niet te voldoen aan het verzoek van eiser niet slagen, reeds niet omdat de onderhavige aanvraag een verzoek in het kader van de WOB behelst. Anders dan in de voormelde uitspraak van de Nationale ombudsman gaat het in dit geval dan ook niet (alleen) om het weigeren om correspondentie te beantwoorden in het algemeen, maar is hier sprake van een weigering om te beslissen op een aanvraag om een besluit.

3.5.3 De verplichting van een bestuursorgaan om te reageren op aanvragen tot het geven van een beschikking, zoals bedoeld in artikel 4:1 van de Awb, en de termijn waarbinnen die beschikking dient te worden gegeven, vloeit rechtstreeks voort uit artikel 4:13 van de Awb. Voor zover het daarbij gaat om herhaalde verzoeken om een beschikking staat een bestuursorgaan in eerste instantie het instrument van artikel 4:6 van de Awb ten dienste. De rechtbank stelt vast dat in dit geval sprake is van een nieuw verzoek van eiser om inzage van stukken waarop – voor zover uit de stukken blijkt – nog niet eerder is beslist.

In artikel 4:5 van de Awb zijn de bevoegdheden van het bestuursorgaan geregeld om een aanvraag niet te behandelen. Dat is aan de orde als de aanvrager niet voldoet aan enig wettelijk vereiste voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen. Van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake.

De rechtbank stelt dan ook vast dat de Awb geen grondslag biedt om op grond van de door verweerder aangevoerde reden de aanvraag van eiser buiten behandeling te laten.

3.5.4 De rechtbank acht het onder omstandigheden -maar niet licht- denkbaar dat een aanvraag om een besluit te nemen een zodanig beledigende inhoud heeft dat van een bestuursorgaan niet kan worden gevergd dat het daarop inhoudelijk beslist. Dit neemt niet weg dat het bestuursorgaan in dat geval gemotiveerd en in de vorm van een besluit zal moeten aangeven dat en op welke gronden het geen aanleiding ziet om inhoudelijk op de aanvraag te beslissen. De rechtbank stelt vast dat verweerder daartoe in het onderhavige geval ten onrechte niet is overgegaan, ook niet nadat eiser een bezwaarschrift had ingediend tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Reeds om die reden is het beroep gegrond. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat eisers brief van 5 november 2004 en zijn bezwaarschrift van 14 januari 2005 niet dermate beledigend zijn dat verweerder een inhoudelijke behandeling van eisers verzoek en zijn bezwaarschrift achterwege heeft mogen laten.

3.5.5 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is en dat verweerder met inachtneming van artikel 6:20, eerste en tweede lid, van de Awb alsnog gehouden is een besluit op bezwaar te nemen.

3.5.6 De rechtbank merkt tenslotte nog op dat als verweerder zich in verband met eerdere briefwisselingen met eiser al in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bepaalde correspondentie van eiser met een beroep op de voormelde uitspraak van de Nationale ombudsman niet beantwoord behoeft te worden, verweerder dit standpunt niet zonder meer tot in lengte van dagen en ten aanzien van elk verzoek van eiser kan handhaven. De rechtbank is van oordeel dat elk verzoek van eiser op zijn eigen merites moet worden beoordeeld. Bij elke correspondentie moet dan ook worden beoordeeld of sprake is van een situatie als hiervoor in rechtsoverweging 3.5.1 omschreven.

3.6 De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

5. Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- bepaalt dat verweerder alsnog een besluit op eisers bezwaarschrift dient te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen;

- bepaalt dat de gemeente [gemeente] aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 138,00 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. [rechter], lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. [griffier], als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 18 april 2006

door voornoemd lid, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige kamer,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.