Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AW3534

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
25-04-2006
Zaaknummer
14/810622-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging ISD-maatregel; wettelijke vereisten.

De rechtbank overweegt dat uit de bewoordingen van artikel 38m Sr eerste lid, alsmede uit de wetsgeschiedenis, blijkt dat de ISD-maatregel primair een beveiligingsmaatregel is. Uit het vierde lid van genoemd artikel volgt dat er een advies dient te zijn uitgebracht over de wenselijkheid en noodzakelijkheid van oplegging, maar deze bepaling biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit onder alle omstandigheden over de behandeling van de verdachte dient te gaan. Het derde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid van artikel 38m Sr, dient naar het oordeel van de rechtbank zo uitgelegd te worden dat de maatregel als nevendoel heeft aan een verslaving van de verdachte te werken, een plan voor behandeling vormt echter geen noodzakelijke voorwaarde voor oplegging.

Het opstellen van een concreet behandelplan wordt thans door de houding van verdachte gefrustreerd. Verdachte ziet zijn drankgebruik niet als problematisch. Zijn veelvuldige contacten met Justitie wijzen op het tegendeel. Bescherming van de maatschappij staat thans voorop. Daarnaast bestaat binnen de ISD-maatregel de mogelijkheid om met verdachte, indien hij zich daartoe bereid verklaart, te werken aan de achterliggende oorzaak van zijn delictgedrag.

In de onderhavige zaak is sprake van drie onherroepelijke veroordelingen in vijf jaar tijd waarvan de tenuitvoerlegging heeft plaatsgevonden vóór de pleegdatum van het huidige delict. Hiermee is voldaan aan het wettelijke vereiste van artikel 38m, eerste lid, onder 2, Sr. Het feit dat er nog een aantal veroordelingen van verdachte niet onherroepelijk is, of dat enkele straffen nog worden dan wel dienen te worden geëxecuteerd, doet daar niet aan af. De rechtbank is niet gebleken dat het totale strafrestant van de onherroepelijke veroordelingen groter is dan vier maanden. Daargelaten de vraag of de officier van justitie onder omstandigheden mag afwijken van het beleid neergelegd in een strafvorderingsrichtlijn, heeft reeds daarom de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer : 14/810622-05

Datum uitspraak : 4 april 2006

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

thans gedetineerd in PI Noord-Holland Noord – HvB Schutterswei te Alkmaar.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 maart 2006.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L.P. Ridderbeks, die ertoe strekt dat de rechtbank

- het primair tenlastegelegde zal bewezen verklaren

- aan de verdachte voor het primair tenlastegelegde feit zal opleggen de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna te noemen: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren, met een tussentijdse beoordeling na één jaar, zonder aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en mr. T. de Bont, raadsman van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

primair

hij op of omstreeks 08 december 2005 in de gemeente Alkmaar in/uit een winkel aan de Johanna Naberstraat met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fles wijn en/of een fles Port en/of een pakket vlees, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de "C 1000", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair

hij op of omstreeks 08 december 2005 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel aan de Johanna Naberstraat weg te nemen een fles wijn en/of een fles Port en/of een pakket vlees, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de "C 1000", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, genoemde fles(sen) drank en/of genoemd pakket vlees uit de voorraad heeft genomen en in een of meer van zijn zakken heeft gedaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VOORVRAGEN

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman stelt het volgende.

Op 12 december 2005 heeft de verdediging de beelden van de bewakingscamera('s) opgevraagd bij de officier van justitie. Blijkens het proces-verbaal van verbalisant [naam] zijn de beelden pas op 27 december 2005 bij de C1000 opgevraagd. Naar toen bleek worden dergelijke beelden slechts twee weken bewaard en waren deze inmiddels gewist. De beelden hadden meteen, in ieder geval meteen na 12 december 2005, moeten worden opgevraagd. Door het verzuim van het openbaar ministerie is er met grove veronachtzaming van het belang van de verdediging een inbreuk gemaakt op het recht van verdachte op een “fair trail” en derhalve sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Primair verzoekt de verdediging het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren. Subsidiair is het standpunt dat er sprake dient te zijn van strafmatiging.

De rechtbank overweegt het volgende.

De enkele omstandigheid dat in de bewijsgaring een handeling niet is verricht leidt op zichzelf niet tot een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte bij en van diens recht op een eerlijke behandeling van diens zaak, zodat hem een beroep op artikel 359a Sv niet toekomt. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

3. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

hij op 8 december 2005 in de gemeente Alkmaar in een winkel aan de Johanna Naberstraat met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fles wijn en een fles port en een pakket vlees, toebehorende aan de “C-1000”.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. BEWIJSMIDDELEN

? Het proces-verbaal met nummer PL1010/05-290643 van 9 december 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam verbalisant].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 december 2005 tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van [naam aangever]:

Ik doe aangifte van diefstal en verklaar u het volgende. Het weggenomene behoort in eigendom toe aan winkelbedrijf C1000, gevestigd in de Johanna Naberstraat te Alkmaar.

Pleegdatum/-tijd: 8 december 2005 tussen 21.30 uur en 21.40 uur.

Vermiste goederen: zie goederenbijlage.

? Een geschrift, zijnde een goederenbijlage behorende bij het proces-verbaal van aangifte van [naam aangever], proces-verbaal nummer PL1010/05-290643 van 9 december 2005.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Benadeelde C1000

Vlees 1 stuks;

Wijn 1 stuks;

Port 1 stuks.

Het geschrift is slechts gebezigd in verband met de inhoud van de overige genoemde bewijsmiddelen.

? Het proces-verbaal met nummer PL1071/05-018542 van 9 december 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam verbalisant].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als het relaas van verbalisant:

Op 8 december 2005 omstreeks 21.35 uur bevond ik mij in de C1000, gevestigd aan de Johanna Naberstraat te Alkmaar. Ik zag en hoorde, dat de mij ambtshalve bekende en nader te noemen verdachte [naam verdachte] voorbij één van de kassa’s stond te discussiëren met een winkelpersoneelslid van de C1000. Ik hoorde dat hij [naam verdachte] verzocht zijn zakken leeg te maken. Ik zag dat [naam verdachte] uit zijn jaszakken een fles wijn en een fles port haalde.

? Het proces-verbaal met nummer PL1010/05-290643 van 9 december 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam verbalisant].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 9 december 2005 tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 1]:

Ik was op 8 december 2005 ’s avonds in de C1000 aan de Johanna Naberstraat te Alkmaar aan het werk. Om ongeveer 21.15 uur was ik klaar. Ik zag in het gangpad waar de wijn staat een donkere man staan. Ik zag dat hij een fles met drank in zijn handen had. Ik zag dat hij deze fles in de binnenzak van zijn jas stopte. Ik hoorde dat [getuige 2] tegen die man zei: ”Vind je dit normaal?” Ik hoorde dat die man wat tegen ons zei. Ik verstond zoiets van: “Het is toch kerst en ik moet eten.”

? Het proces-verbaal van 30 januari 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 2]:

Ik was op 8 december 2005 om ongeveer 21.30 à 21.45 uur klaar met werken. Ik liep met mijn collega [getuige 1] door het pad van de wijn om naar huis te gaan. Ik zag een man een flesvormig voorwerp in zijn jaszak stoppen. Tegen mijn collega zei ik de chef te gaan halen. Ik hield de man aan de praat. De man zei dat het voor hem toch ook kerst was en dat hij iets moest eten. Door de bukkende beweging die hij maakte viel er een pak vlees vanuit de binnenkant van zijn jas op de grond. Hij pakte het pak vlees op en stopte het terug in zijn jas. De fles drank zat in zijn binnenzak. De man liep naar de kassa. Toen [naam aangever] bij de man kwam, was de man voorbij de kassa’s. De jas van de man was dichtgeritst. De spullen die hij bij zich had kon je niet zien. [naam aangever] vroeg of hij in de zakken van die man mocht kijken. De man zei dat hij niets bij zich had. [naam aangever] haalde vervolgens een stuk vlees en een fles drank uit zijn zakken.

? Het proces-verbaal van 30 januari 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [naam aangever]:

[Getuige 2] heeft op 8 december 2005 [naam] geroepen en die heeft mij weer ingelicht dat er gestolen was. De man zou wat in zijn jaszakken hebben. Hij stond op dat moment bij het alarmpoortje. Het alarmpoortje passeer je direct na het afrekenen. Ik sprak de man aan en zei hem dat collega’s hadden gezien dat hij iets gestolen had. Hij pakte een stuk vlees en gaf dat aan mij. Ik vroeg de man of hij nog meer had. Hij ontkende dat. Op dat moment was hij voorbij de alarmpoortjes op weg naar de uitgang. Ik hield hem met een armgebaar tegen en zei dat ik de politie zou bellen. Hij haalde twee flessen uit zijn zak, een fles port en een fles wijn. Deze waren niet zichtbaar.

? De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 21 maart 2006 afgelegd, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Ik was op 8 december 2005 ’s avonds in de C1000 in Daalmeer te Alkmaar. Ik heb toen een fles wijn uit een schap in de winkel gepakt. Ook heb ik een fles port uit de schappen genomen. Ik heb ook een pak vlees uit een vitrine gepakt.

6. BEWIJSVERWEREN

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde stelt de raadsman dat verdachte door de filiaalchef werd aangesproken vóór de alarmpoortjes en dus nog in de gelegenheid was om te betalen, hetgeen hij stelt van plan te zijn geweest. Voorts stelt de raadsman dat verdachte de flessen zichtbaar bij zich droeg. Verdachte had geen opzet op het stelen van de flessen drank, ook niet in voorwaardelijke vorm. Daarom dient vrijspraak te volgen.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde geldt hetzelfde wegens het ontbreken van het opzet.

De rechtbank overweegt het volgende.

Verdachte ontkent de kassa te zijn gepasseerd en zegt dat hij in de rij, waarin ongeveer vijf mensen stonden, is gaan staan. Bovendien herinnert hij zich, ondanks zijn gedetailleerde verklaring over hetgeen er in de winkel is voorgevallen, niet dat hij is aangesproken door de vakkenvullers [getuige 2] en [getuige 1] en dat hij toen heeft gereageerd met de opmerking dat hij ook eten moest hebben.

Gelet op deze omstandigheden hecht de rechtbank geen waarde aan de verklaring van verdachte. Voorts blijkt uit de getuigenverklaringen van genoemde [getuige 2] en [getuige 1] dat verdachte probeerde het wegnemen van de goederen te verheimelijken, waaruit zijn opzet kan worden afgeleid.

Daargelaten de vraag of het onder deze omstandigheden nog relevant is of verdachte de kassa’s was gepasseerd, blijkt bovendien nog uit diverse verklaringen dat verdachte voorbij de kassa’s de goederen overdroeg aan getuige [naam aangever].

7. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal.

8. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

9. MOTIVERING VAN DE MAATREGEL EX ARTIKEL 38M VAN HET WETBOEK VAN STRAFRECHT.

De rechtbank zal aan de verdachte de door de officier van justitie gevorderde ISD-maatregel opleggen. De rechtbank grondt deze beslissing op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Dit is een ergerlijk feit, dat bij winkeliers in het bijzonder en de maatschappij in het algemeen voor veel schade en overlast zorg draagt.

Blijkens het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van 17 maart 2006 is verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het plegen van het onderhavige feit tenminste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld. Tevens blijkt hieruit dat verdachte sinds 1998 doorlopend met Justitie in aanraking is geweest. Uit het nader te noemen maatregelrapport van de Brijder Verslavingszorg gedateerd 16 maart 2006 en de toelichting daarop ter terechtzitting van mevrouw A.D. Sombroek, casemanager GAVO, blijkt het volgende. De thans 31-jarige verdachte gebruikt sinds zijn 23e jaar overmatig alcohol en verdachte verkeert bij het plegen van delicten veelal onder invloed. Verdachte heeft sinds 2004 contact met Brijder Verslavingszorg. Verdachte heeft een ambulante behandeling aangeboden gekregen en gebruik gemaakt van de afdeling maatschappelijk herstel van Brijder Verslavingszorg. Op 12 mei 2005 is de voorlopige hechtenis van betrokkene geschorst onder de voorwaarde dat hij zich zou laten opnemen in de Brijder kliniek ter behandeling van zijn alcoholproblematiek. Verdachte is echter niet gegaan. In juli 2005 heeft verdachte het GAVO-contract getekend. Verdachte werd binnen het GAVO-contract als voorwaarde gesteld dat hij eerst zijn taakstraffen zou doen. Verdachte belde echter vaak af. Ondanks dat verdachte inmiddels beschikte over een huis, een dagbesteding in de vorm van te volbrengen werkstraffen en budgettering is verdachte toch weer overgegaan tot het plegen van een delict. Brijder Verslavingszorg ziet op dit moment geen alternatief omdat verdachte zich niet aan de afspraken houdt. Uit het aanvullend maatregelrapport van mevrouw A.D. Sombroek van de Brijder Verslavingszorg van 21 maart 2006 blijkt dat verdachte meermalen zijn afspraken met reclasseringafdeling van de Brijder Verslavingszorg niet is nagekomen. Dit geldt zowel voor door hem uit te voeren taakstraffen als voor een aan hem opgelegd toezicht met als bijzondere voorwaarde dat hij zich binnen de Brijder Verslavingszorg klinisch laat behandelen.

De raadsman heeft namens verdachte verweer gevoerd tegen de oplegging van de ISD-maatregel en hiertoe het volgende aangevoerd.

1. De ISD-maatregel moet gezien worden als een ultimum remedium. In het geval van cliënt behoort het hulpverleningstraject nog tot de mogelijkheden. Cliënt wilde wel gebruik maken van hulp, maar dit is niet gelukt. Hij wil ook nu wel hulp.

2. De verdediging zet zijn vraagtekens bij de RISc rapportage. De heer Kaatman van Brijder Verslavingszorg heeft als getuige/deskundige ter zitting aangegeven dat er fouten zitten in het systeem als gevolg van de software. Daarbij ontbreekt tevens de zelfrapportage. Volgens het beleidsprogramma dient deze meegewogen te worden.

3. Is het adviesrapport afdoende? Volgens recente jurisprudentie dient er een concreet behandelprogramma te liggen, hetgeen in casu ontbreekt.

4. Een andere eis is dat er niet meer dan vier maanden aan strafrestanten mag openstaan. (Bron: Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige zeer actieve veelplegers) In de huidige zaak staat volgens de verdediging meer dan vier maanden aan strafrestant open. Voorts lijkt uit de uitspraak van Rechtbank Alkmaar gedateerd 28 februari 2006 opgemaakt te kunnen worden dat deze rechtbank er een strengere maatstaf op na houdt, te weten dat er geen onherroepelijke vonnissen meer mogen openstaan. In het geval van verdachte staan er nog 113 uren taakstraf open.

De rechtbank overweegt het volgende.

1. Verdachte heeft sinds 2004 contact met Brijder Verslavingszorg. Middels het zorgmentoraat en de afdeling maatschappelijk herstel zijn de randvoorwaarden zoals een huis, budgettering, een dagbesteding, gerealiseerd. In 2005 heeft verdachte het GAVO contract getekend en is verdachte ambulante behandeling aangeboden. Verdachte heeft hier geen gebruik van gemaakt en hij heeft steeds weer gerecidiveerd. Ook in 2005 zijn hierop veroordelingen gevolgd. Het feit dat verdachte zijn alcoholverslaving bagatelliseert blijkt een groot obstakel bij de behandeling van verdachte en het voorkomen van recidive. Brijder Verslavingszorg ziet thans als enige mogelijkheid voor verdachte een lang klinisch traject. Binnen de toepassing van de maatregel bestaat de mogelijkheid om met verdachte het gesprek aan te gaan over zijn problematische alcoholgebruik en voor nadere diagnose. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de eis van subsidiariteit.

2. Uit het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat er nog veel onduidelijkheden bestaan met betrekking tot de wetenschappelijke validiteit van het RISc instrument. Wat daar ook van zij, de rechtbank is van oordeel dat reeds de justitiële documentatie van de verdachte aanleiding geeft om te oordelen dat er bij verdachte een hoge kans op recidive bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank kan het enkele ontbreken van zelfrapportage er niet toe leiden dat de rapportage onvoldoende bruikbaar zou zijn voor de beoordeling van het recidivegevaar.

3. De rechtbank overweegt dat uit de bewoordingen van artikel 38m Sr eerste lid, alsmede uit de wetsgeschiedenis, blijkt dat de ISD-maatregel primair een beveiligingsmaatregel is. Uit het vierde lid van genoemd artikel volgt dat er een advies dient te zijn uitgebracht over de wenselijkheid en noodzakelijkheid van oplegging, maar deze bepaling biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit onder alle omstandigheden over de behandeling van de verdachte dient te gaan. Het derde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid van artikel 38m Sr, dient naar het oordeel van de rechtbank zo uitgelegd te worden dat de maatregel als nevendoel heeft aan een verslaving van de verdachte te werken, een plan voor behandeling vormt echter geen noodzakelijke voorwaarde voor oplegging.

Het opstellen van een concreet behandelplan wordt thans door de houding van verdachte gefrustreerd. Verdachte ziet zijn drankgebruik niet als problematisch. Zijn veelvuldige contacten met Justitie wijzen op het tegendeel. Bescherming van de maatschappij staat thans voorop. Daarnaast bestaat binnen de ISD-maatregel de mogelijkheid om met verdachte, indien hij zich daartoe bereid verklaart, te werken aan de achterliggende oorzaak van zijn delictgedrag.

4. Wat er ook zij van de concrete situatie die zich heeft voorgedaan in de door de raadsman aangehaalde zaak, waarin deze rechtbank op 28 februari 2006 uitspraak heeft gedaan, in de onderhavige zaak is sprake van drie onherroepelijke veroordelingen in vijf jaar tijd waarvan de tenuitvoerlegging heeft plaatsgevonden vóór de pleegdatum van het huidige delict. Hiermee is voldaan aan het wettelijke vereiste van artikel 38m, eerste lid, onder 2, Sr. Het feit dat er nog een aantal veroordelingen van verdachte niet onherroepelijk is, of dat enkele straffen nog worden dan wel dienen te worden geëxecuteerd, doet daar niet aan af. De rechtbank is niet gebleken dat het totale strafrestant van de onherroepelijke veroordelingen groter is dan vier maanden. Daargelaten de vraag of de officier van justitie onder omstandigheden mag afwijken van het beleid neergelegd in een strafvorderingrichtlijn, heeft reeds daarom de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen.

Gelet op de door verdachte steeds weer veroorzaakte overlast staat thans de bescherming van de maatschappij voorop. De veiligheid van goederen eist het opleggen van de maatregel. Nu ook overigens aan de wettelijke voorwaarden voor de maatregel is voldaan, zal de rechtbank gelasten dat de verdachte wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders. De maatregel beoogt een middel te zijn om verdachte alsnog te bewegen mee te werken aan een langdurig en intensief behandeltraject. Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden verbindt de rechtbank aan oplegging van de maatregel de maximale duur van twee jaar.

Gelet op het karakter van deze maatregel en op het feit dat het van groot belang is dat voldoende tijd wordt genomen om de maatregel ten uitvoer te leggen, ziet de rechtbank aanleiding om de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet op de duur van de maatregel in mindering te brengen.

Voorts zal de rechtbank, in afwijking van de termijn genoemd in het advies van Brijder Verslavingszorg en de vordering van de officier van justitie, bepalen dat na negen maanden een tussentijdse beoordeling plaatsvindt. De officier van justitie dient derhalve negen maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis de rechtbank te berichten over de noodzakelijkheid of wenselijkheid van het voortduren van de maatregel.

10. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 38s en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

11. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee (2) jaren.

Bepaald dat het openbaar ministerie negen (9) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis de rechtbank zal berichten over de noodzakelijkheid of wenselijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.M. Steinhaus, voorzitter,

mr. J. Westdorp en mr. Y.M.I. Greuter-Vreeburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 april 2006.