Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AW0471

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
06-04-2006
Datum publicatie
11-04-2006
Zaaknummer
84960/HA RK 05-80
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorkeurspositie, gemeente, samenwerkingsovereenkomst, beschikkingsmacht, belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK TE ALKMAAR

Meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 84960 / HA RK 05-80

Beschikking van 6 april 2006

in de zaak van

DE GEMEENTE HEERHUGOWAARD,

zetelend te Heerhugowaard,

verzoekster,

procureur mr. H.R.M. Jenné,

advocaat mr. P.L.G. Haccou te Arnhem,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[VERWEERDER SUB 1],

gevestigd te Heerhugowaard,

2. [VERWEERDER SUB 2],

wonende te Heerhugowaard,

3. [VERWEERDER SUB 3],

wonende te Heerhugowaard,

4. [VERWEERDER SUB 4],

wonende te Heerhugowaard,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[VERWEERDER SUB 5],

gevestigd te IJmuiden en kantoorhoudende te Alkmaar,

verweerders,

procureur mr. J. Tophoff,

advocaat mr. R.A.M. Schram te Haarlem.

Verzoekster zal verder "de gemeente" worden genoemd, terwijl verweerders onder 1 tot en met 4 "[verweerders sub 1 t/m 4]" en verweerder onder 5 "[verweerder sub 5]" zullen worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Op 15 december 2005 heeft de rechtbank een verzoekschrift met vier bijlagen ontvangen van de gemeente.

1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 16 februari 2006. Voorafgaand aan deze zitting hebben [verweerders sub 1 t/m 4] en [verweerder sub 5] gezamenlijk een verweerschrift ingediend.

1.3. Ter zitting van 16 februari 2006 hebben partijen bij monde van hun advocaten hun standpunt nader toegelicht. Mr. Haccou heeft daarbij pleitnotities overgelegd.

1.4. Ten slotte hebben partijen de rechtbank verzocht een beschikking te geven.

De inhoud van voornoemde stukken geldt als hier herhaald en ingelast.

2. De feiten

Tussen partijen staat het volgende vast.

2.1. [verweerders sub 1 t/m 4] is eigenaar van de percelen, kadastraal bekend als gemeente Heerhugowaard sectie P, nummers 19, 20, 21, 33, 34 en sectie P, nummer 6278 (ged.), tezamen groot ca. 13.53.75 ha.

2.2. Deze percelen zijn gelegen in het gebied waarvoor de gemeenteraad van Heerhugowaard bij besluit van 25 januari 2005 het bestemmingsplan "De Draai" heeft vastgesteld. Dit bestemmingsplan voorziet in de gefaseerde bouw van circa 2.500 woningen.

2.3. Bij besluit van 25 januari 2005, gepubliceerd in de Staatscourant op

26 januari 2005, heeft de Raad van de gemeente gelijktijdig met de vaststelling van het hiervoor genoemde bestemmingsplan onder meer de onder 2.1. genoemde percelen, aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) van toepassing zijn. Tot de aanwijzing werd besloten op voorstel van 7 september 2004 van burgemeester en wethouders van de gemeente.

2.4. [verweerders sub 1 t/m 4] heeft met [verweerder sub 5] een samenwerkingsovereenkomst gesloten, die schriftelijk is vastgelegd op 6 september 2005 en door hen is ondertekend. Hierin zijn onder meer de volgende overwegingen en artikelen opgenomen:

"IN AANMERKING NEMENDE:

[verweerders sub 1 t/m 4] is eigenaar van een aantal percelen grond als nader in deze overeenkomst aangeduid welke gronden [verweerders sub 1 t/m 4] wenst te ontwikkelen en tot exploitatie te brengen;

[verweerder sub 5] beschikt over de benodigde kennis en ervaring in ontwikkelingen en is bereid tot samenwerking met [verweerders sub 1 t/m 4] waarover overeenstemming is bereikt;

Partijen wensen een vennootschap onder firma op te richten teneinde voor gemeenschappelijke rekening en risico en onder gemeenschappelijke naam te komen tot projectontwikkeling en exploitatie van de onroerende zaken als in deze overeenkomst genoemd.

ZIJN OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

1. [verweerder sub 5] en [verweerders sub 1 t/m 4] gaan met ingang van heden een vennootschap onder firma aan, welke zal zijn gevestigd te Alkmaar onder de naam [verweerder sub 5]-[verweerders sub 1 t/m 4] Projectontwikkeling v.o.f.

2. De vennootschap onder firma heeft ten doel het voor gezamenlijke rekening en risico ontwikkelen en exploiteren van de onroerende zaken gelegen te Heerhugowaard zoals hierna omschreven in artikel 3.1.(..)

Artikel 2

(..)

2. Het is aan de vennoten niet toegestaan hun aandeel in de vennootschap over te dragen aan een derde zonder schriftelijke toestemming van de andere vennoot.

Artikel 3

1. Door [verweerders sub 1 t/m 4] zullen in de vennootschap onder firma worden ingebracht de percelen grond, gelegen te Heerhugowaard, kadastraal bekend gemeente Heerhugowaard sectie P 19 groot 2 ha 35 a 50 ca, P 20 groot 2 ha 41 a 10 ca,

P 21 groot 4 ha 44 a 80 ca, P 33 groot 1 ha 6 a, P 34 groot 1 ha 95 a 70 ca, P 6278 (ged.) groot ca. 1 ha 30 are 65 ca (..), totaal derhalve ca. 13.53.75 ha; (..)

2. Door [verweerder sub 5] wordt in de vennootschap ingebracht haar volledige kennis, arbeid en vlijt, diploma's en vergunningen, en zal tevens per datum van inbreng van de onroerende zaken bedoeld in lid 1 inbrengen een bedrag gelijk aan de inbrengwaarde van de onroerende zaken, voor welk bedrag [verweerder sub 5] op haar kapitaalrekening in de boeken van de vennootschap zal worden gecrediteerd. (..)

Artikel 4

1. [verweerder sub 5] is bevoegd de vennootschap onder firma te vertegenwoordigen, voor haar te handelen en te tekenen en de vennootschap aan derden en derden aan de vennootschap te verbinden, alsmede gelden voor de vennootschap te ontvangen en uit te geven, terwijl [verweerders sub 1 t/m 4] uitsluitend daartoe bevoegd is gezamenlijk met [verweerder sub 5]. (..)

Artikel 6

(..)

4. Het restant van de netto winst van de vennootschap wordt tussen partijen gelijkelijk verdeeld elk voor 50 %. (..)

5. Eventuele verliezen komen eveneens gelijkelijk ten laste van partijen, en eventuele kapitaaltekorten veroorzaakt door verliezen zullen zo spoedig mogelijk door de vennoten gelijkelijk worden aangezuiverd.(..)

Artikel 8

1. [verweerders sub 1 t/m 4] is verplicht op eerste verzoek van [verweerder sub 5] de percelen grond als bedoeld in artikel 3 van deze overeenkomst in te brengen in de vennootschap.

2. [verweerders sub 1 t/m 4] is voorts verplicht op eerste verzoek van [verweerder sub 5] mee te werken aan alle feitelijke en/of rechtshandelingen (waaronder begrepen juridische levering van de percelen of gedeelten daarvan) in het kader van de exploitatie van de vennootschap. (..)

2.5. Als bijlage bij de brief van 21 oktober 2005, ontvangen door de gemeente op 24 oktober 2005, heeft de heer [naam], namens [verweerder sub 5], aan de gemeente een exemplaar van deze samenwerkingsovereenkomst gezonden.

2.6. Bij besluit van 22 november 2005 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente besloten een verzoekschrift bij de rechtbank in te dienen teneinde de nietigheid van bedoelde samenwerkingsovereenkomst in te roepen.

3. Grondslag van het verzoek

3.1. De gemeente verzoekt de rechtbank de door [verweerders sub 1 t/m 4] en [verweerder sub 5] verrichte rechtshandeling -zoals hiervoor onder 2.4. weergegeven- nietig te verklaren (op grond van artikel 26 van de Wvg). Zij heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat [verweerders sub 1 t/m 4] en [verweerder sub 5] met het sluiten van de samenwerkingsovereenkomst een rechtshandeling hebben verricht met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan het voorkeursrecht van de gemeente. Met het sluiten van de samenwerkingsovereenkomst komt de feitelijke beschikkingsmacht ten aanzien van de de percelen namelijk bij [verweerder sub 5] te liggen en loopt de gemeente het risico dat haar regiefunctie wordt doorkruist. Daarnaast wordt het voorkeursrecht dat de gemeente op grond van de Wvg geniet door een dergelijke feitelijke vervreemding illusoir, aldus de gemeente.

4. Het verweer

4.1. [verweerders sub 1 t/m 4] en [verweerder sub 5] hebben naar voren gebracht dat het verzoek van de gemeente tot nietigverklaring moet worden afgewezen. Zij voeren daartoe zakelijk weergegeven het volgende aan.

a. Vooropgesteld moet worden dat [verweerders sub 1 t/m 4] als eigenaar van de percelen in kwestie gerechtigd is de daarop rustende bestemming zelf te realiseren en in dat verband ook een samenwerkingsovereenkomst aan te gaan met een ontwikkelaar en/of bouwer.

De met [verweerder sub 5] aangegane overeenkomst kan niet worden gekwalificeerd als een rechtshandeling die feitelijk hetzelfde resultaat heeft als een gehele of een gedeeltelijke vervreemding.

b. De gemeente heeft geen belang bij haar verzoek. Zij heeft met name niet aannemelijk gemaakt dat haar voorkeurspositie in het geding is.

c. De gemeente heeft de vestiging van het voorkeursrecht gehanteerd voor andere belangen dan die waarvoor de Wvg bescherming biedt en kan om deze reden geen beroep doen op haar voorkeursrecht.

Ten slotte hebben [verweerders sub 1 t/m 4] en [verweerder sub 5] nog aangevoerd dat zij bij gebrek aan wetenschap betwisten dat het bestemmingsplan in werking is getreden en dat publicatie heeft plaatsgevonden van het raadsbesluit, inhoudende de vestiging van het voorkeursrecht.

5. De beoordeling

De rechtbank overweegt naar aanleiding van het voorgaande als volgt.

5.1. Vooropgesteld moet worden dat op de percelen van [verweerders sub 1 t/m 4] een voorkeursrecht rust. Onder de vaststaande feiten heeft de rechtbank reeds opgenomen dat het raadsbesluit, inhoudende de vestiging van het voorkeursrecht, is gepubliceerd in de Staatscourant van woensdag 26 januari 2005. Het met betrekking tot deze publicatie gevoerde verweer dient derhalve te worden verworpen. Hetzelfde geldt voor het verweer ten aanzien van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Zoals door de gemeente opgemerkt kan een voorkeursrecht op grond van de Wvg worden gevestigd met de vaststelling van een bestemmingsplan door de gemeenteraad.

5.2. Op de procedure is het thans, na de inwerkingtreding van de Wet van 14 juni 2002, Stb. 326, geldende artikel 26, eerste lid, van de Wvg van toepassing.

Ingevolge dit artikel kan de gemeente de nietigheid inroepen van rechtshandelingen, die zijn verricht met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan haar in de Wvg geregelde voorkeurspositie.

5.3. De rechtbank is van oordeel dat de samenwerkingsovereenkomst tussen [verweerders sub 1 t/m 4] en [verweerder sub 5] aldus is opgezet dat de beschikkingsmacht over en het economisch belang bij de grond door [verweerders sub 1 t/m 4] in een zodanige mate wordt overgedragen aan [verweerder sub 5] dat een resultaat wordt bereikt dat materieel op hetzelfde neerkomt als vervreemding.

Immers, op grond van het bepaalde in artikel 8 van de samenwerkingsovereenkomst is [verweerders sub 1 t/m 4] gehouden op eerste verzoek van [verweerder sub 5] de percelen grond, waarop het voorkeursrecht van de gemeente rust, in te brengen in een vennootschap onder firma.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel is [verweerders sub 1 t/m 4] voorts gehouden op eerste verzoek van [verweerder sub 5] mee te werken aan alle feitelijke en/of rechtshandelingen (waaronder begrepen juridische levering van de percelen of gedeelten daarvan) in het kader van de exploitatie van de vennootschap.

Voorts is in de samenwerkingsovereenkomst opgenomen dat [verweerder sub 5] bevoegd is de vennootschap onder firma te vertegenwoordigen, voor haar te handelen en te tekenen en de vennootschap aan derden en derden aan de vennootschap te verbinden, alsmede gelden voor de vennootschap te ontvangen en uit te geven, terwijl [verweerders sub 1 t/m 4] daartoe uitsluitend gezamenlijk met [verweerder sub 5] bevoegd is. Uit deze bepaling vloeit voort dat [verweerder sub 5] het, zo niet geheel dan toch grotendeels, feitelijk in haar macht heeft de te realiseren opbrengsten van de grondexploitatie in positieve of negatieve zin te beïnvloeden. [verweerders sub 1 t/m 4] neemt daarbij een ondergeschikte positie in.

5.4. [verweerders sub 1 t/m 4] en [verweerder sub 5] hebben nog aangevoerd dat het een eigenaar van een perceel waarop een voorkeursrecht is gevestigd, in beginsel vrij staat om de aan dat perceel toegekende bestemming - al dan niet door middel van samenwerking met een projectontwikkelaar - zelf te realiseren. Uit de hiervoor reeds genoemde bepalingen in de samenwerkingsovereenkomst vloeit evenwel voort dat het [verweerders sub 1 t/m 4] niet meer vrij zou staan zelf tot het realiseren van de bestemming over te gaan. [verweerders sub 1 t/m 4] kan immers slechts tezamen met [verweerder sub 5] handelen. Aan het gestelde met betrekking tot het door [verweerders sub 1 t/m 4] zelf realiseren van de bestemming wordt dan ook voorbijgegaan.

5.5. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de samenwerkingsovereenkomst kennelijk de strekking heeft het voorkeursrecht van de gemeente te ontgaan.

5.6. Het verweer van [verweerders sub 1 t/m 4] en [verweerder sub 5], inhoudende dat de gemeente geen belang heeft bij het inroepen van de nietigheid, moet worden gepasseerd.

5.7. De rechtbank overweegt in dit verband dat onder het huidige recht niet langer het criterium geldt, zoals voorheen in artikel 26, eerste lid, van de Wvg neergelegd, dat de gemeente de nietigheid kan inroepen van rechtshandelingen "die zijn verricht met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan het belang van de gemeente bij haar voorkeurspositie". De woorden " het belang van de gemeente bij" zijn bij de wetswijziging van 14 juni 2002 komen te vervallen. De consequentie hiervan is - zulks blijkt ook uitdrukkelijk uit de wetsgeschiedenis - dat het belang van de gemeente bij haar voorkeurspositie niet (meer) ter beoordeling is van de rechtbank.

Aan de stellingen van [verweerders sub 1 t/m 4] en [verweerder sub 5], betrekking hebbende op de zogenoemde regiefunctie van de gemeente, komt de rechtbank dan ook niet toe.

5.8. De stelling van [verweerders sub 1 t/m 4] en [verweerder sub 5] dat de gemeente geen belang zou hebben bij het inroepen van de nietigheid, vindt zijn weerlegging in het feit dat de gemeente onweersproken naar voren heeft gebracht dat zij een actieve grondpolitiek voert en dat zij de gronden van [verweerders sub 1 t/m 4] wenst te verwerven in het kader van de door haar voorgestane ontwikkeling van het bestemmingsplan.

5.9. De verwijzing ten slotte van [verweerders sub 1 t/m 4] en [verweerder sub 5] naar de in artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde belangenafweging wordt door de rechtbank als niet relevant gepasseerd. Het desbetreffende wetsartikel ziet immers slechts op besluiten in de zin van genoemde wet. Het inroepen van de nietigheid op grond van artikel 26 van de Wvg kan niet als een dergelijk besluit worden aangemerkt.

5.10. Ter onderbouwing van het hiervoor onder 4.1. sub c weergegeven verweer, inhoudende dat de gemeente misbruik maakt van haar bevoegdheid ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Wvg, hebben [verweerders sub 1 t/m 4] en [verweerder sub 5] aangevoerd dat het voorkeursrecht in kwestie is gevestigd ter vergroting van de verwervingsmogelijkheden ten behoeve van volledig kostenverhaal. De Wvg zou daarvoor niet zijn bedoeld. Het verweer gaat niet op, reeds omdat uit het besluit van de gemeenteraad van 25 januari 2005 blijkt dat het kostenverhaal, wat daar verder ook van zij, geen op zichzelf staand doel is geweest bij de vestiging van het voorkeursrecht.

5.11. De slotsom is dat het verzoek van de gemeente voor toewijzing gereed ligt.

[verweerders sub 1 t/m 4] en [verweerder sub 5] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden verwezen.

6. De beslissing

De rechtbank

- verklaart nietig de samenwerkingsovereenkomst gesloten op 6 september 2005 tussen [verweerders sub 1 t/m 4] en [verweerder sub 5] met betrekking tot de percelen gelegen te Heerhugowaard, kadastraal bekend gemeente Heerhugowaard sectie P, nummers 19, 20, 21, 33, 34 en sectie P, nummer 6278 (ged.);

- verwijst [verweerders sub 1 t/m 4] en [verweerder sub 5] in de kosten van de procedure, tot heden aan de zijde van de gemeente begroot op Euro 244,= aan verschotten en op Euro 904,= aan salaris voor de procureur.

Deze beschikking is gegeven door de rechters mr. S.M. Jongkind-Jonker, voorzitter, mr. M.E. Allegro en mr. D.D.M. Hazeu en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.