Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AV7081

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
14-03-2006
Datum publicatie
27-03-2006
Zaaknummer
14.810586-05 en 15.630139-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval op een drogisterij waarbij hij, onder bedreiging van een drogisterijmedewerker met een mes, een geldbedrag heeft buitgemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummers : 14.810586-05

15.630139-05 (tul)

Datum uitspraak: 14 maart 2006

OP TEGENSPRAAK

VONNIS van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

gedetineerd in PI N-H, Schutterswei te Alkmaar.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 februari 2006.

De rechtbank heeft kennisgenomen van

- de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank

- het ten laste gelegde zal bewezen verklaren

- de verdachte zal veroordelen tot een vrijheidsbenemende straf voor de duur van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- de tenuitvoerlegging zal gelasten van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd, bij vonnis van 25 mei 2005 van de politierechter te Haarlem;

- hetgeen door de verdachte en mr. G.P.R. Conté, raadsvrouw van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat hij op of omstreeks 15 november 2005 te Zwaag, gemeente Hoorn, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een kassa van [benadeelde partij], behorende bij Dekamarkt, gelegen aan de [adres], heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) 264 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Dekamarkt, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, die [slachtoffer] een (groot) mes heeft getoond en/of dat (grote) mes in de richting heeft gehouden van (de buik van) die [slachtoffer], terwijl hij, verdachte tegen die [slachtoffer] zei: "snel kassa openmaken!" en/of "meer geld, meer geld!"

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. BEWEZENVERKLARING

Gelet op de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting en het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (p 37), acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij op 15 november 2005 te Zwaag, gemeente Hoorn, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een kassa van drogisterij Bubbles, behorende bij supermarkt "Dekamarkt", gelegen aan de [adres], heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 264 euro toebehorende aan de Dekamarkt, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die [slachtoffer] een groot mes heeft getoond en dat grote mes in de richting heeft gehouden van de buik van die [slachtoffer], terwijl hij, verdachte tegen die [slachtoffer] zei: "snel kassa openmaken!" en "meer geld, meer geld!"

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

4. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

5. MOTIVERING VAN DE STRAF

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval op een drogisterij, waarbij onder bedreiging van een mes een geldbedrag is buitgemaakt.

Zulke berovingen veroorzaken naast schade voor de benadeelden, bij de slachtoffers daarvan veelal gevoelens van onveiligheid en brengen in de samenleving grote onrust teweeg.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 16 november 2005;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 23 januari 2006 van D. de Wit als reclasseringswerkster verbonden aan de Brijder Stichting.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op haar plaats is.

De rechtbank merkt hierbij het volgende op.

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat zij de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf te hoog acht.

In dit verband heeft zij naar voren gebracht dat zij voor verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van kortere duur en daarvan eventueel een gedeelte in voorwaardelijk vorm met daaraan gekoppeld een proeftijd van twee jaren, passend vindt.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit de inhoud van bovengenoemd uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister blijkt dat verdachte ter zake van geweldsdelicten reeds eerder tot (gedeeltelijke) onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen is veroordeeld.

Laatstgenoemde omstandigheid heeft verdachte er niet van weerhouden te recidiveren. Een vrijheidsstraf in gedeeltelijk voorwaardelijke vorm acht de rechtbank, mede gelet op de ernst van het bewezen verklaarde, derhalve thans niet meer aangewezen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, zoals door de officier van justitie gevorderd en zoals hieronder vermeld in de rubriek BESLISSING, passend en geboden.

6. VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE STRAF

De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van de politierechter te Haarlem van 25 mei 2005 in de zaak met parketnummer 15.630139-05 aan de verdachte opgelegde straf voor zover voorwaardelijk opgelegd, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, op grond van het feit dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is om over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 23 juni 2005 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 9 juni 2005 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering gegrond, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

Daarom behoort de gevorderde tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde straf te worden gelast.

7. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht. De last tot tenuitvoerlegging is gegrond op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht.

8. BESLISSING

De rechtbank:

? Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

? Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

? Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

? Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

? Gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van 89 (negen en tachtig) dagen, opgelegd bij voormeld vonnis van 25 mei 2005 van de politierechter te Haarlem in de zaak met parketnummer 15.630139-05 aldus, dat die straf geheel wordt ten uitvoer gelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.M. Schothorst, voorzitter,

mr. H. de Klerk en mr. G.W.A. Lamsvelt, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van der Vecht, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 maart 2006.

Mrs. S.M. Schothorst en G.W.A. Lamsvelt zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.