Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2006:AU9554

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
11-01-2006
Datum publicatie
12-01-2006
Zaaknummer
80466/HA ZA 05-436
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

sexueel misbruik; immateriële schadevergoeding toegewezen; indienen voegingsformulier in strafzaak stuit de verjaring; vorderen immateriële schadevergoeding stuit ook de verjaring van (nog) niet gevorderde materiële schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 370
JA 2006/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

zaak- en rolnummer: 80466 / HA ZA 05-436

datum: 11 januari 2006

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

toev.nr.

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

EISERES bij dagvaarding van 11 april 2005,

procureur mr. H.S.K. Komen,

tegen:

toev.nr.

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

GEDAAGDE,

procureur mr. Th.C.J. Kaandorp,

Partijen zullen verder worden genoemd "[eiseres]" respectievelijk "[gedaagde]".

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

1.1 [eiseres] heeft gesteld en gevorderd overeenkomstig de dagvaarding, waarbij producties zijn overgelegd.

1.2 [gedaagde] heeft een conclusie van antwoord genomen.

1.3 Op 27 juli 2005 heeft de rechtbank een in deze zaak tussen partijen gewezen vonnis uitgesproken. Ter uitvoering van het vonnis heeft op 14 november 2005 een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Bij gelegenheid van deze comparitie heeft [eiseres] haar eis vermeerderd.

1.4 Ten slotte is op 30 november 2005 vonnis gevraagd. De inhoud van al deze stukken geldt als hier ingelast.

2.

DE FEITEN

Tussen partijen staat het volgende vast:

a. [gedaagde] is bij vonnis d.d. 22 oktober 2003 door de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van de rechtbank Alkmaar veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk in verband met het meermalen plegen van ontucht met de destijds minderjarige [eiseres]. [eiseres] heeft zich in deze procedure als benadeelde partij gesteld en een vordering ingediend. Deze vordering werd voor het grootste deel, Euro 4.138,81, toegewezen.

b. [gedaagde] is van het vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam. Dat hof heeft hem bij arrest d.d. 17 september 2004 in verband met hetzelfde feit tot dezelfde straf veroordeeld. Hierbij heeft het hof de overtreding van art. 249 van het wetboek van strafrecht (Sr.) bewezenverklaard, meermalen gepleegd in de periode van 1 september 1982 tot en met 10 november 1990. [eiseres] heeft zich ook in deze procedure als benadeelde partij gesteld en een vordering ingediend. Haar vordering werd tot een bedrag van Euro 4.138,81 toegewezen (waarin een bedrag van Euro 3.500,- was opgenomen als "voorschot smartengeld") en tevens werd een bedrag van Euro 243,- (eigen bijdrage proceskosten) en Euro 953,71 (extra proceskosten hoger beroep) aan haar als schadevergoeding toegewezen.

Het arrest is inmiddels in kracht van gewijsde gegaan.

3. HET GESCHIL

3.1 [eiseres] heeft -na eis vermeerdering- gevorderd dat het de rechtbank behage bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht te verklaren dat [gedaagde] aansprakelijk is uit hoofde van

onrechtmatige daad ten aanzien van [eiseres];

- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van Euro 878.681,74 aan gederfde arbeidsinkomsten, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening;

- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van Euro 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening;

- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van Euro 18.345,60 aan (proces)kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening;

- [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2 [eiseres] heeft daaraan - verkort en zakelijk weergegeven - het navolgende ten grondslag gelegd.

Door het plegen van het sexueel misbruik heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres]. Als gevolg daarvan heeft [eiseres] (im)materiële schade geleden. De materiële schade bestaat uit gederfde inkomsten. Expertisebureau De Groot heeft deze schade begroot op Euro 878.681,74.

In enigszins vergelijkbare gevallen hebben rechters als voorschot op immateriële schadevergoeding ƒ 20.000,- toegewezen. [eiseres] verzoekt de rechtbank in haar geval een hogere vergoeding vast te stellen, aangezien het misbruik langer heeft geduurd dan in de reeds besliste gevallen. [eiseres] vordert thans een bedrag van Euro 10.000,-.

In totaal heef [eiseres] Euro 18.345,60 aan kosten en proceskosten gemaakt, die [gedaagde] dient te vergoeden.

3.3 [gedaagde] heeft de vordering en de gronden daarvan weersproken op gronden die hierna, voor zover van belang, aan de orde zullen komen.

4. DE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

4.1 Verjaring

Als verst strekkend verweer zal de rechtbank allereerst het beroep van [gedaagde] op verjaring van de vordering behandelen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de verjaringstermijn 12 jaar bedraagt, gelet op het bepaalde in art. 3: 310 lid 4 van het burgerlijk wetboek (BW) en de artikelen art. 249, 70 en 71 Sr.

Evenmin is in geschil dat de verjaringstermijn aanvangt op 11 november 1992, de datum waarop [eiseres] meerderjarig is geworden.

De verjaring van een rechtsvordering kan worden gestuit door een daad van rechtsvervolging, door een schriftelijke aanmaning of mededeling, waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt of door erkenning door degene die wordt aangesproken.

Voorafgaande aan de comparitie van partijen heeft [eiseres] een brief d.d. 11 april 2003 in het geding gebracht. Deze brief was opgesteld door haar raadsvrouw en gericht aan [gedaagde], per adres van zijn broer in Arnhem. De enkele stelling van de raadsman van [gedaagde] tijdens de comparitie van partijen dat zijn cliënt deze brief niet kent, is onvoldoende, nu daartegenover door [eiseres] is aangevoerd dat uit latere correspondentie van mei 2003 blijkt dat de brief wel door [gedaagde] is ontvangen, terwijl [gedaagde] zelf heeft verklaard dat hij ten tijde van het verzenden van de brief bij zijn broer verbleef.

Aangenomen moet dan ook worden dat [gedaagde] de brief heeft ontvangen. Uit de inhoud van de brief blijkt ondubbelzinnig dat [eiseres] haar recht op schadevergoeding van [gedaagde] wilde uitoefenen:

"Hierdoor stel ik u namens cliënte aansprakelijk voor alle materiële en immateriële schade die zij door het seksueel misbruik tijdens haar jeugd heeft geleden, lijdt en in de toekomst zal lijden (...)"

Door deze mededeling is de verjaring op 12 april 2003 gestuit.

Daarnaast overweegt de rechtbank nog het volgende.

Ook door het indienen van een vordering in het strafproces tegen [gedaagde] heeft [eiseres] naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar te kennen gegeven dat zij schadevergoeding wenste van [gedaagde]. Het indienen bij de officier van justitie van een voegingsformulier, waarop (een deel van) de schade staat gespecificeerd, vormt een jegens [gedaagde] ingestelde eis. Het voegingsformulier is op 7 oktober 2003 ingezonden, zodat op die datum de verjaring van de onderhavige vordering - opnieuw - is gestuit.

Gelet op het voorgaande wordt het beroep van [gedaagde] op verjaring van de vordering verworpen.

4.2 Vervolgens heeft [gedaagde] als verweer gevoerd dat in ieder geval de vorderingen met betrekking tot schade wegens gederfde arbeidsinkomsten en wegens (proces)kosten zijn verjaard.

Dat verweer gaat evenmin op. Wanneer een eisende partij een deel van de vergoeding van door hem geleden schade vordert en nadien van dezelfde wederpartij een ander deel van de vergoeding van diezelfde schade vordert, en de tweede vordering berust op dezelfde feitelijke en juridische grondslag als de eerste, geldt het instellen van de eerste eis als een daad van rechtsvervolging, die de verjaring stuit, ook met betrekking tot het later gevorderde deel van de schade (zie HR 23 mei 1997, NJ 1997, 531 en HR 19 februari 1999, NJ 2000, 328).

Zoals onder 4.1 is overwogen beschouwt de rechtbank het door [eiseres] als benadeelde partij indienen van een vordering in een strafproces tegen [gedaagde] als het instellen van een eis. Gelet op de datering van het desbetreffende voegingsformulier is die eis op 7 oktober 2003 ingesteld.

De in het onderhavige geding door [eiseres] tegen [gedaagde] ingestelde vordering tot schadevergoeding berust op dezelfde feitelijke en juridische grondslag (het plegen door [gedaagde] van seksueel misbruik levert een onrechtmatige daad jegens [eiseres] op) als de door haar bij het voegingsformulier tegen [gedaagde] ingestelde vordering. Door die vordering werd de verjaring gestuit, ook met betrekking tot het pas in dit geding gevorderde deel van de schadevergoeding.

4.3 Immateriële schadevergoeding

Dit onderdeel van de vordering is gebaseerd op het seksueel misbruik van [eiseres] door [gedaagde] en de gevolgen die [eiseres] daarvan ondervindt en heeft ondervonden.

[gedaagde] heeft als verdachte tegen de politie onder meer verklaard (proces-verbaal, overgelegd als prod. 2 bij dagvaarding):

- dat hij [eiseres] op jonge leeftijd, zeven, acht of negen jaar, over haar geslachtsdelen had gestreeld, haar in haar kutje had gevingerd en aan haar schaamdelen had gelikt;

- dat het likken en vingeren van [eiseres]'s schaamdelen en het vingeren van [eiseres] jaren was doorgegaan;

- dat hij wel eens met zijn geslachtsdeel langs de geslachtsdelen van [eiseres] was gegaan toen zij met vakantie op Mallorca waren;

- dat hetgeen hij met [eiseres] heeft gedaan min of meer onder dwang is gebeurd omdat [eiseres] hem in zijn macht had;

- dat die dwang van [eiseres] al was begonnen toen zij vier jaar oud was.

Het gerechtshof heeft in hoger beroep evenals de rechtbank bewezen verklaard dat [gedaagde] op verschillende tijdstippen in de periode van 1 september 1982 ([eiseres] was toen 7 jaar) tot en met 10 november 1990 ([eiseres] was toen 16 jaar) ontucht heeft gepleegd met [eiseres].

Het verweer in de conclusie van antwoord waarin de duur en de frequentie van het seksueel misbruik wordt ontkend, wordt daarom als onbegrijpelijk gepasseerd.

Gelet op:

- de jonge leeftijd waarop het seksueel misbruik is begonnen,

- de langdurige periode waarin het misbruik heeft voortgeduurd,

- het feit dat [eiseres] aan de zorgen van [gedaagde] als (stief)vader was toevertrouwd, waarbij zij veiligheid en vertrouwdheid mocht verwachten, maar dat [gedaagde] van dat vertrouwen misbruik heeft gemaakt,

- het feit dat [eiseres] geen erkenning krijgt van [gedaagde] voor het leed dat hij haar heeft toegebracht,

- het feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van incest daarvan nog lange tijd de psychische gevolgen ondervinden,

acht de rechtbank het door [eiseres] in deze procedure gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding geheel op zijn plaats, naast het reeds in de strafrechtelijke procedure toegewezen bedrag van Euro 3.500,-.

Het gevorderde bedrag van Euro 10.000,- zal daarom worden toegewezen.

4.4 Verlies aan arbeidsvermogen

Ten aanzien van dit onderdeel van de vordering zal de rechtbank de beslissing aanhouden. De zaak wordt verwezen naar de hieronder te bepalen rolzitting voor het nemen van een conclusie van repliek.

4.5 Vergoeding van (proces)kosten

Omtrent de gevorderde kosten ter zake van griffierecht beslagrekest, griffierecht verlenging en deurwaarderskosten zal bij de uiteindelijke beslissing ten aanzien van de proceskosten worden geoordeeld.

De kosten van het psychiatrisch rapport, verzend- en vertaalkosten van in totaal Euro 572,86 zullen reeds thans worden toegewezen, omdat dit de redelijke kosten ter vaststelling van de immateriële schade betreffen.

Omtrent de kosten van expertisebureau Groot en de advocatenkosten zal worden beslist, tegelijk met de beslissing ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding.

5. DE BESLISSING

De rechtbank:

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van Euro 10.572,86 (zegge: tien duizend vijf honderd twee en zeventig euro en zes en tachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 april 2005, tot aan de voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen:

verwijst deze zaak naar de rolzitting van 22 februari 2006 voor het nemen van een conclusie van repliek.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 11 januari 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.