Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2005:AU6412

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
09-11-2005
Datum publicatie
17-11-2005
Zaaknummer
167074\04-3164
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De gedaagde partij doet een geslaagd beroep op de door de echtgenoot gedane buitengerechtelijke vernietiging van de efffectenlease-overeenkomst met Dexia NV wegens het ontbreken van een schriftelijke toestemming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Alkmaar

zaak/rolnr.: 167074\04-3164

uitspraakdatum: 9 november 2005

Vonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V. te Amsterdam, rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., eveneens handelend onder de handelsnaam Legio, en op haar beurt rechtsopvolgster van Legio Lease B.V.

eisende partij in (voorwaardelijke) conventie / gedaagde partij in reconventie

verder ook te noemen: Dexia

gemachtigde: C.Th. Snijder van Snijder Gerechtsdeurwaarders GGN te Beverwijk

- tegen -

[Gedaagde] te Warmenhuizen, gemeente Harenkarspel

gedaagde partij in (voorwaardelijke) conventie / eisende partij in reconventie

verder ook te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: voorheen mr. B.M. Dijkstra, thans mr. A.R. van Dolder, advocaat te Alkmaar.

Het incidenteel vonnis

Bij incidenteel vonnis d.d. 7 juli 2004 heeft de rechter van de civiele sector, enkelvoudige kamer, van deze rechtbank zich onbevoegd verklaard van het geschil kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin zij zich bevond, verwezen naar de sector kanton, locatie Alkmaar van deze rechtbank.

Het verdere procesverloop

in (voorwaardelijke) conventie en in reconventie

- Bij exploot van 19 juli 2004 (met betekening van een afschrift van voormeld incidenteel vonnis) is [gedaagde] opgeroepen voor deze rechtbank, sector kanton, locatie Alkmaar, ter openbare civiele terechtzitting (rolzitting) van 4 augustus 2004 om voort te procederen.

- Ter rolle van 13 oktober 2004 heeft Dexia van repliek in conventie gediend, tevens akte voorwaardelijke wijziging van eis, en in reconventie bij antwoord verweer gevoerd.

- Daarna heeft [gedaagde] gediend van dupliek in conventie, tevens antwoordakte voorwaardelijke wijziging van eis en van repliek in reconventie.

- Dexia heeft vervolgens gediend van dupliek in reconventie.

- [Gedaagde] heeft afgezien van het nemen van een akte uitlating producties, die bij dupliek in reconventie in het geding waren gebracht.

- De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

- Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

in (voorwaardelijke) conventie en in reconventie

1. Ter zake wordt kortheidshalve verwezen naar, en overgenomen, de feiten, zoals die onder 1. a. t/m c. in het incidenteel vonnis van 7 juli 2004 zijn vermeld.

In aanvulling op de in voormeld incidenteel vonnis vastgestelde feiten wordt van het volgende uitgegaan:

2. [Gedaagde] heeft - m.u.v. de volgens de eindafrekening nog te betalen inhaalincasso van € 113,73, zoals hierna onder rov. 18 is overwogen - de tijdens de looptijd van de overeenkomst (overige) verschuldigde bedragen tijdig voldaan.

3. Door het verstrijken van de looptijd is de overeenkomst geëindigd. Dexia heeft de aandelen die ten grondslag lagen aan de overeenkomst verkocht. De opbrengst van de aandelen ad € 8.091,72 was echter niet voldoende om het restant c.a. ad € 19.626,54 aan Dexia te voldoen, waardoor een bedrag ad € 11.534,82 resteerde.

4. Dexia heeft aan [gedaagde] voor laatstvermeld bedrag een eindafrekening gezonden, die onbetaald is gebleven.

5. Bij aangetekend verzonden brief van 10 februari 2003 heeft [echtgenote van gedaagde] onder verwijzing naar art. 1:89 BW buitengerechtelijk een beroep op de vernietigbaarheid van de overeenkomst gedaan. Tevens is Dexia daarbij verzocht/gesommeerd de door [gedaagde] betaalde termijnen binnen veertien dagen na dagtekening van de brief terug te betalen.

De vordering en de grondslag daarvan

in (voorwaardelijke) conventie

6. Dexia vordert - zakelijk samengevat - betaling van [gedaagde] van € 12.817,35, rente en kosten rechtens, en stelt ter onderbouwing daarvan dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst door de hem toegezonden eindafrekening ad € 11.534,82 onbetaald te laten. Daarom wordt tevens aanspraak gemaakt op € 353,14 aan vervallen contractuele rente ad 0,96% per maand, berekend vanaf 22 mei 2003 tot en met 10 september 2003, en op € 929,39 inclusief BTW aan buitengerechtelijke incassokosten.

7. Onder de voorwaarde dat haar vordering in conventie wordt afgewezen en het beroep van [gedaagde] op de buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst geheel of deels slaagt, beroept Dexia zich - zakelijk samengevat - op het bepaalde in art. 6:278 BW en vordert op grond daarvan [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag gelijk aan het verschil tussen de aankoopwaarde van de in art. 1 van de overeenkomst genoemde effecten minus de waarde van bedoelde effecten op de datum van gehele of gedeeltelijke vernietiging of ontbinding van de overeenkomst althans de datum van verkoop van de bedoelde effecten, kosten rechtens.

De vordering en de grondslag daarvan

in reconventie

8. Kort gezegd, vordert [gedaagde] - uitvoerbaar bij voorraad -

primair:

8.1. veroordeling van Dexia tot terugbetaling van de door [gedaagde] betaalde termijnen ad in totaal € 4.094,28 als gevolg van de vernietiging van de overeenkomst, met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2004 tot de dag van algehele terugbetaling,

subsidiair:

8.2. veroordeling van Dexia tot betaling van een schadevergoeding van € 4.094,28, met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2004 tot de dag van algehele terugbetaling,

(in conventie en) in reconventie (voorts):

8.3. veroordeling van Dexia in de kosten van de procedure.

9. Ter zake voert [gedaagde] - zakelijk weergegeven - in de eerste plaats aan dat de overeenkomst gekwalificeerd kan worden als een overeenkomst van koop op afbetaling, meer in het bijzonder een overeenkomst van huurkoop op grond van art. 7A:1576h BW en dat de overeenkomst zonder toestemming van zijn echtgenote, [echtgenote van gedaagde], is aangegaan. Zijn echtgenote heeft bij aangetekende brief van 10 februari 2003, blijkens productie 2 bij antwoord door Dexia ontvangen op 20 februari 2003, onder verwijzing naar art. 1:89 BW de vernietiging van de overeenkomst (buitengerechtelijk) ingeroepen. Met referte aan art. 1:88 BW, het ontbreken van de toestemming van zijn echtgenote, beroept [gedaagde] zich er dan ook op dat er in het geheel geen overeenkomst tot stand is gekomen en vordert daarom de door hem reeds betaalde termijnen ad € 113,73 per maand gedurende 36 maanden of € 4.094,28 met de wettelijke rente terug als zijnde onverschuldigd betaald.

Voorts doet [gedaagde] een beroep op bedrog of dwaling dan wel misbruik van omstandigheden en voert ten slotte aan dat Dexia de op haar rustende zorgplichten heeft geschonden en dat hij daardoor schade heeft geleden. Hij vordert ter fine van schadevergoeding subsidiair de restitutie van de door hem reeds betaalde termijnen ad in totaal € 4.094,28, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het verweer

in (voorwaardelijke) conventie en in reconventie

10. Partijen hebben elkaars vorderingen over en weer gemotiveerd bestreden. Daarop zal - voor zover van belang - bij de beoordeling van de geschillen nader worden ingegaan.

De beoordeling van de geschillen

in (voorwaardelijke) conventie en in reconventie

11. De vorderingen in (voorwaardelijke) conventie en in reconventie lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

12. Als het meest verstrekkende verweer tegen de vordering van Dexia heeft [gedaagde] aangevoerd dat bedoelde overeenkomst door zijn echtgenote bij aangetekend verzonden brief van 10 februari 2003 buitengerechtelijk is vernietigd onder verwijzing naar de artikelen 1:88 en 1:89 BW, welk feit hij tevens aan het primair in reconventie gevorderde ten grondslag heeft gelegd.

13. Met betrekking tot de vraag of de op 23 mei 2000 tussen partijen gesloten lease-overeenkomst ter zake van het product 'WinstVerDriedubbelaar' onder contractnummer 74413047 is aan te merken als huurkoopovereenkomst, overweegt de kantonrechter dat die overeenkomst voldoet aan de wettelijke definitie van huurkoop in art. 7A:1576h juncto 1576 BW. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de kantonrechter naar het vonnis van de sector civiel van deze rechtbank d.d. 7 juli 2004 in het in deze zaak door [gedaagde] opgeworpen bevoegdheidsincident en de daarin genoemde processtukken, welke rechtsoverwegingen de kantonrechter hier overneemt en tot de hare maakt.

14. De vervolgens te beantwoorden vraag of art. 1:88 lid 1 onder d BW van toepassing is op de onderhavige aandelenlease-overeenkomst is bevestigend beantwoord in rov. 9 van het vonnis van 25 augustus 2004 van de kantonrechter te Amsterdam, rolnummer 03-5323, op www.rechtspraak.nl te vinden onder LJN AQ 7412. De overwegingen in dat vonnis worden hier overgenomen en bevestigd. Er is geen aanleiding om in de onderhavige zaak tot een ander oordeel te komen. De beschermingsfunctie van het toestemmingsvereiste dient van toepassing te zijn op de gehele wettelijke regeling van de koop op afbetaling, met inbegrip van de in de artt. 7:47 BW en 7A:1576 lid 5 BW bedoelde vermogensrechten, zoals die van de onderhavige aandelen.

15. Het standpunt van Dexia dat [gedaagde] zich in deze procedure niet op de vernietiging zou kunnen beroepen, is onjuist. Uit het bepaalde in artikel 3:51 lid 3 BW kan immers worden afgeleid dat bij wijze van verweer in rechte door een ieder te allen tijde een beroep kan worden gedaan op het reeds vernietigd zijn van de overeenkomst waarop de rechtsvordering is gebaseerd.

16. Aan het door Dexia aangeboden bewijs van haar stelling dat de echtgenote van [gedaagde] wèl haar toestemming ex art. 1:88 BW heeft gegeven, door het horen van [gedaagde], de echtgenote van [gedaagde] en hun eventuele overige gezinsleden, wordt voorbijgegaan op grond dat art. 1:88 lid 3 BW ten enenmale vergt dat de toestemming schriftelijk had moeten zijn gegeven, hetgeen niet het geval is.

17. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat moet worden uitgegaan van een op de voet van de artt. 1:88 en 1:89 BW rechtsgeldige buitengerechtelijke vernietiging door de echtgenote van [gedaagde] van de tussen partijen gesloten effectenlease-overeenkomst met betrekking tot het product 'WinstVerDriedubbelaar' onder contractnummer 74413047, welke vernietiging de rechtsverhouding tussen [gedaagde] en Dexia rechtstreeks treft en tot gevolg heeft dat de vordering van Dexia dient te worden afgewezen.

18. Voorts heeft het vorenstaande tot gevolg dat de rechtsverhouding tussen partijen wordt hersteld in de staat waarin deze vóór het aangaan van de bewuste overeenkomst was.

Hoewel [gedaagde] ter zake van Dexia in totaal een bedrag vordert van € 4.094,28 (36 maal € 113,73 per maand, heeft hij op het verweer van Dexia dat uit de aan hem gezonden eindafrekening blijkt dat een inhaalincasso van € 113,73 nog door [gedaagde] betaald dient te worden, niet meer gereageerd. Op grond daarvan wordt er dezerzijds derhalve van uitgegaan dat [gedaagde] dienaangaande aan Dexia zonder rechtsgrond 35 maal € 113,73 dan wel € 3.980,55 heeft betaald en hij ingevolge art. 6:203 leden 1 en 2 BW tegenover Dexia aanspraak heeft op teruggave van een gelijk bedrag en voorts niet tot verdere betalingen tegenover Dexia gehouden is.

19. Het beroep van Dexia op toepassing van art. 6:278 BW (voorwaardelijke conventie) wordt verworpen. Daargelaten of in dit geval wordt voldaan aan de voorwaarden als genoemd in gemeld artikel, verdragen de gevolgen van dat artikel zich niet met de door de wetgever beoogde bescherming van de echtgenoot die geen partij was bij de overeenkomst en daarvoor evenmin toestemming heeft gegeven. Dat de echtgenote van [gedaagde] eerst een beroep op de nietigheid heeft gedaan nadat de koersverliezen waren opgetreden, doet daar niet aan af nu die koersverliezen nu juist behoren tot het soort omstandigheden die aanleiding plegen te zijn voor een beroep op de door de wetgever beoogde bescherming.

20. De slotsom is dat de vorderingen van Dexia in conventie en in voorwaardelijke conventie zullen worden afgewezen en dat de vordering van [gedaagde] in reconventie - voor zover hiervoor vermeld bij 8.1. - zal worden toegewezen.

21. Dexia heeft ten verwere op de door [gedaagde] gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad in hoofdzaak gewezen op haar zwaarwegender belang bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel (ingesteld tegen dit vonnis) is beslist en voorts op het restitutierisico dat uitvoerbaarverklaring bij voorraad voor haar meebrengt.

Een veroordeling strekkende tot betaling van een geldsom, als in deze het geval, leent zich in beginsel tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Bedoelde verklaring heeft tot doel de gerechtigde niet langer te laten wachten op hetgeen hem - althans voorshands na een volledig en afgesloten onderzoek in één of meer instanties - toekomt, en zolang het tegendeel niet blijkt, heeft hij het vereiste belang bij een zodanige verklaring.

In de omstandigheden van het geval ziet de kantonrechter geen aanleiding af te wijken van de regel dat bij een beoordeling van een vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel, zoals Dexia mede ter weerlegging heeft aangevoerd, buiten beschouwing behoort te blijven. Bovendien moet daarbij worden geoordeeld dat tot dusverre niet is gebleken dat Dexia, zijnde de meest gerede partij, met voortvarendheid ter zake de onderhavige kwestie een beslissing van het Gerechtshof te Amsterdam dan wel de Hoge Raad heeft weten te verkrijgen.

Onder die omstandigheden is er onvoldoende grond om in deze zaak af te wijken van de regel dat de partij aan wie een geldvordering wordt toegewezen in beginsel aanspraak heeft op uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Dit geldt evenzeer het vermeende restitutierisico dat uitvoerbaarverklaring bij voorraad voor haar zou meebrengen nu Dexia onvoldoende heeft gemotiveerd waarom [gedaagde], indien de veroordeling uiteindelijk niet in stand zou blijven, niet in staat zou zijn tot terugbetaling van het uitgekeerde bedrag. Immers, Dexia heeft slechts in algemene bewoordingen, en aldus niet toegespitst op de (financiële) situatie t.a.v. [Gedaagde] zelf, naar voren gebracht dat het door haar na een voor haar succesvol hoger beroep alsdan telkens ten onrechte betaalde weer terug te vorderen in een groot aantal gevallen, bij gebrek aan verhaal, niet mogelijk zou kunnen zijn.

Ook het subsidiaire verzoek van Dexia om [gedaagde] ingeval van uitvoerbaarverklaring bij voorraad zekerheid te doen stellen, moet om die reden sneuvelen.

22. Dexia zal zowel in (voorwaardelijke) conventie als in reconventie als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld (waarin begrepen is het door [gedaagde] betaalde vastrecht nu de zaak ten onrechte is aangebracht bij de sector civiel van deze rechtbank), met dien verstande dat de proceskosten in reconventie wegens de nauwe samenhang van de zaak in (voorwaardelijke) conventie en die in reconventie worden vastgesteld op nihil.

De beslissing

De kantonrechter:

in conventie en in voorwaardelijke conventie

Wijst de vorderingen van Dexia af.

in reconventie

Veroordeelt Dexia om aan [gedaagde] bij wege van restitutie tegen kwijting te betalen € 3.980,55, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2004 tot de dag van betaling.

in conventie en in reconventie

Veroordeelt Dexia in de proceskosten, die tot heden voor [gedaagde] worden vastgesteld op een bedrag van € 291,-- aan verschotten (zijnde door [gedaagde] betaald griffierecht sector civiel) en op € 540,-- voor salaris van de gemachtigde van [gedaagde] [waarover Dexia geen BTW verschuldigd is]

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Friedberg, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op woensdag 9 november 2005.

De griffier

De kantonrechter