Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2005:AU5961

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
10-11-2005
Datum publicatie
10-11-2005
Zaaknummer
05-382
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering van eiser tot schorsing van de executie van dwangsommen afgewezen. Het eerdere kort geding vonnis berust niet op een kennelijke misslag. Daarnaast zijn er voldoende aanwijzingen dat eiser zich niet aan dat eerdere vonnis heeft gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

KG nummer: 05-382

datum: 10 november 2005

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [plaatsnaam],

EISER IN KORT GEDING,

procureur mr. F.P. Klaver,

advocaat mr. J.F.M. Verheij te Amsterdam,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PARACENTRUM TEXEL B.V.,

gevestigd en kantoor houdende te De Cocksdorp, gemeente Texel,

GEDAAGDE IN KORT GEDING,

procureur mr. C.H.P. de Boer,

advocaat mr. F.R. Duijn te Zaandam.

Partijen zullen verder ook worden genoemd "[eiser]" respectievelijk "PCT".

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

Ter terechtzitting van 1 november 2005 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

PCT heeft de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van [eiser] de originele dagvaarding en van beide zijden pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2. DE UITGANGSPUNTEN

2.1 Tot 1 mei 2005 heeft tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaan. In die overeenkomst is een concurrentiebeding opgenomen dat er op neerkomt dat het [eiser] gedurende 12 maanden na het einde van het dienstverband niet is toegestaan om, zonder toestemming van PCT, in dienst te treden bij een onderneming die in Nederland gelijke of soortgelijke diensten als PCT aanbiedt.

2.2 Bij dagvaarding van 4 mei 2005 heeft PCT [eiser] in kort geding gedagvaard. PCT vorderde in die procedure, kort gezegd, een verbod tegen [eiser] om bij Blue Side Up B.V. (hierna ook: BSU BV) in dienst te treden of op welke wijze dan ook voor dat bedrijf of enig ander gelijksoortig bedrijf diensten te verrichten, in strijd met het concurrentiebeding.

2.3 Bij vonnis -uitvoerbaar bij voorraad- van 19 mei 2005 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is de vordering van PCT grotendeels toegewezen. Daarbij is bepaald dat [eiser] een dwangsom verbeurt van Euro 1.000,- per dag dat hij niet aan die veroordeling voldoet, met een maximum van Euro 45.000,-.

2.4 Het vonnis is op 25 mei 2005 aan [eiser] betekend. [eiser] heeft tegen voormeld vonnis geen hoger beroep ingesteld.

2.5 Bij brief van 13 juli 2005 heeft PCT aan [eiser] onder meer te kennen gegeven dat zij heeft geconstateerd dat [eiser] het vonnis van 19 mei 2005 heeft overtreden. Zij heeft hem verder bericht dat hij dientengevolge de dwangsommen tot het maximum bedrag heeft verbeurd.

2.6 PCT heeft [eiser] vervolgens bij exploot van 3 oktober 2005 de dwangsommen aangezegd. Op 5 oktober 2005 heeft PCT executoriaal beslag gelegd op de woning van [eiser]. Dit beslag is ondertussen door PCT opgeheven.

2.7 [eiser] heeft inmiddels tegen PCT een bodemprocedure aanhangig gemaakt.

3. DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [eiser] vordert, verkort weergegeven, schorsing van de executie van de dwangsommen, totdat in een bodemprocedure mocht worden beslist dat hij de dwangsommen heeft verbeurd, kosten rechtens.

3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het vonnis van 19 mei jl. berust op een kennelijke misslag, omdat met dat vonnis de reikwijdte van het concurrentiebeding ambtshalve is opgerekt. Immers, het concurrentiebeding bevat uitsluitend een verbod om in dienst te treden bij een concurrerende onderneming, terwijl het bij vonnis opgelegde verbod ook ziet op het verrichten van diensten en werkzaamheden voor derden. Dit laatste verbod gaat veel verder dan hetgeen is opgenomen in het beding.

3.3 Verder stelt [eiser] zich op het standpunt dat hij na het vonnis uitsluitend nog zijn hobby heeft uitgeoefend en is opgetreden als voorzitter van de parachutistenvereniging. Dit zijn handelingen die niet in strijd zijn met het concurrentiebeding of het vonnis, aldus [eiser]. [eiser] stelt daarnaast dat hij in grote financiële problemen komt als PCT de executie voortzet.

3.4 PCT bestrijdt dat het vonnis van 19 mei 2005 op een kennelijke misslag berust en voert in dat kader aan dat zij destijds naast het overtreden van het concurrentiebeding ook onrechtmatig handelen van [eiser] aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. PCT maakt derhalve geen misbruik van haar bevoegdheid, aldus PCT. Daarnaast voert PCT aan dat [eiser] het vonnis herhaaldelijk heeft overtreden, hetgeen blijkt uit de door haar overgelegde producties. Zo is op verschillende foto's zichtbaar dat [eiser] regelmatig in kleding van BSU BV rondloopt en dat hij ook springt met parachutes van die organisaties. Daarnaast zijn er verschillende derden die op hun websites of anderszins expliciet verwijzen naar [eiser] in direct verband met BSU BV, aldus PCT.

3.5 Partijen hebben hun wederzijdse standpunten nader uiteengezet, onder meer aan de hand van de overgelegde pleitnotities. Voor zover nodig voor de beslissing zal daarop hierna afzonderlijk en uitdrukkelijk worden ingegaan.

4. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

4.1 Op zichzelf is juist de stelling van [eiser] dat het concurrentiebeding hem slechts verbiedt bij een gelijke of gelijksoortige onderneming als die van PCT in dienst te treden. Het aan hem in het kort geding-vonnis d.d. 19 mei 2005 opgelegde verbod gaat veel verder en verbiedt hem tevens "op welke wijze dan ook voor Blue Side Up B.V. of enig ander soortgelijk bedrijf diensten te verrichten". Deze stelling - die hij overigens pas voor het eerst, maar zeer prominent, tijdens de behandeling van het thans te beslechten kort geding, en dus niet in de inleidende dagvaarding heeft voorgedragen - ziet er echter aan voorbij dat dat beding niet de enige grondslag was van de toenmalige vorderingen van PCT. Namens laatstgenoemde is aangevoerd dat deze vorderingen tevens waren gebaseerd op "onrechtmatige daad" en daarvoor bevat de overgelegde tekst van de eerdere kort geding-dagvaarding inderdaad de nodige aanwijzingen. PCT heeft naar aanleiding van [eiser] stelling voorts geciteerd uit de pleitnota van haar advocaat in genoemd kort geding en uit de betreffende citaten blijkt dat deze grondslag destijds uitvoerig is toegelicht en gespecificeerd. De voorzieningenrechter merkt op dat PCT door de hiervoor tussen gedachtestreepjes aangeduide wijze van procederen van [eiser] zich op de betreffende stelling niet heeft kunnen voorbereiden en daardoor niet in staat was een kopie van bedoelde pleitnota te produceren. Gegeven deze uitgebreidere grondslag dan slechts het concurrentiebeding kon de voorzieningenrechter in het eerder kort geding beslissen als hij heeft gedaan en is van een misslag geen sprake.

4.2 Tussen partijen is verder in geschil de beantwoording van de vraag of [eiser] wegens overtreding van het desbetreffende vonnis dwangsommen heeft verbeurd. [eiser] heeft betoogd dat dit niet het geval is, omdat hij na het vonnis uitsluitend nog bij wijze van hobby tandemsprongen heeft gemaakt of in zijn hoedanigheid van voorzitter van de parachutistenvereniging BSU op het terrein aanwezig was. Dit standpunt kan echter niet worden gevolgd. [eiser] heeft ter zitting immers 2 overtredingen erkend. Verder is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] het verbod ook op andere wijze heeft overtreden, gelet op de inhoud en de aard van de door PCT overgelegde verklaringen. Daarnaast valt niet in te zien waarom [eiser], indien hij daadwerkelijk slechts hobbymatig zou springen, hij dat met parachutes van BSU BV zou moeten doen. Verder is opvallend dat [eiser] beweert slechts werkzaam te zijn in het vliegveldrestaurant, terwijl uit de overgelegde stukken blijkt dat tandemsprongen, de specialisatie van [eiser], bij BSU BV in datzelfde restaurant te boeken zijn. Voorts is opmerkelijk dat op verschillende websites van derden, waaronder die van de KNVvL verwezen wordt naar [eiser] in verband met vorenbedoelde holding. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat hij verzocht heeft dat die verwijzing komt te vervallen maar dat hij daarop geen invloed heeft. Dit betoog kan niet worden gevolgd, omdat PCT onweersproken heeft gesteld dat [eiser] binnen de KNVvL betrokken is bij verschillende commissies. Daarmee is voldoende aannemelijk dat hij die invloed wel zou kunnen uitoefenen. Hierbij is mede in aanmerking genomen een e-mail afkomstig van de KNVvL gedateerd van 16 juni 2005 en daarmee van na het vonnis, waarin van de zijde van de KNVvL aangegeven wordt dat [eiser] chef instructeur is van BSU BV. Ten aanzien van de foto's van het voltallige personeel van BSU BV, waar [eiser] ook op staat, geldt dat onvoldoende aannemelijk is dat die foto dateert van vóór het vonnis. [eiser] heeft dat weliswaar gesteld, maar niet nader onderbouwd. Bovendien is van belang dat die foto in oktober jl. en daarmee na het desbetreffende vonnis, nog op internet stond. Alle vorenomschreven omstandigheden leveren voldoende aanwijzingen op dat [eiser] zich niet aan het vonnis van 19 mei 2005 heeft gehouden.

4.3 Voor zover [eiser] van de executie financiële moeilijkheden ondervindt, heeft hij het risico daarop, door het begaan van de overtredingen, over zichzelf afgeroepen.

4.4 Op basis van al hetgeen hiervoor is overwogen, bestaat er vooralsnog geen aanleiding om de executie van het vonnis van 19 mei 2005 te schorsen. De vordering van [eiser] wordt derhalve afgewezen. [eiser] wordt daarbij, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding.

5. DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- weigert de gevorderde voorziening;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van PCT begroot op Euro 244,- aan verschotten en op Euro 816,- aan salaris procureur;

- verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door mr. H. Warnink, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2005 in tegenwoordigheid van mr. F. Vermeij, griffier.