Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2005:AU4873

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
10-10-2005
Datum publicatie
26-10-2005
Zaaknummer
AWB 04/2280
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Twee beslissingen genomen en één voornemen tot volgen vrijstellingsprocedure kenbaar gemaakt; slechts één besluit.

Weigering om gebruik te maken van binnenplanse wijzigingsbevoegdheid t.a.v. bedrijfswoning strijdig met 3:4 en 7:12 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:66 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr: WW44 04/2280

Inzake: [naam], wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zijpe, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Het besluit van verweerder van 9 november 2004.

2. Zitting

Datum: 29 augustus 2005.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door [naam], architect te [plaats].

Verweerder is verschenen bij gemachtigden E. Boots en drs. J. Hamersma, beiden werkzaam bij de gemeente Zijpe.

3. Ontstaan en loop van het geding

Op 22 november 2003 heeft eiseres een reguliere bouwvergunning 1e fase aangevraagd voor de bouw van een bedrijfswoning en schuur op het perceel [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente Zijpe, sectie B nummer 1447 en 1449 (hierna: het perceel), ten behoeve van de uitoefening van een bloembollenbedrijf.

Bij brief van 28 januari 2004, verzonden door verweerder op 29 januari 2004, heeft verweerder eiseres meegedeeld geen medewerking te verlenen aan het oprichten van een bedrijfswoning en bedrijfsruimte op het perceel.

Tegen deze brief heeft eiseres bij brief van 20 februari 2004, ontvangen door verweerder op 9 maart 2004, bezwaar gemaakt.

Bij brief van 5 maart 2004, verzonden op 8 maart 2004, heeft verweerder de door eiseres aangevraagde reguliere bouwvergunning 1e fase geweigerd wegens strijd van het bouwplan met het bestemmingsplan.

Bij brief van 15 april 2004 heeft de Stichting Agrarische beoordelingscommissie (hierna: de Stichting Abc) desgevraagd aan verweerder advies uitgebracht ten aanzien van de aanvraag van eiseres.

Bij brief van 19 mei 2004 heeft verweerder, naar aanleiding van bovenvermeld advies van de Stichting Abc, aan eiseres onder meer meegedeeld voornemens te zijn op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling te verlenen voor de vestiging van een “agrarisch bebouwingsvak Ad (geen bedrijfswoning toegestaan)” met een oppervlakte van 500 m2 op het perceel.

Bij brief van 18 juni 2004 is namens eiseres aan verweerder meegedeeld dat de brief van

19 mei 2004 geen aanleiding vormt om het bezwaarschrift in te trekken, aangezien een bedrijfswoning noodzakelijk wordt geacht.

Bij brief van 22 juli 2004 heeft eiseres aanvullende gronden van het bezwaar ingediend.

De Commissie voor de bezwaar- en klaagschriften (hierna: Cbk) heeft eiseres op

25 augustus 2004 gehoord en op 21 september 2004 verweerder geadviseerd om de bezwaren gegrond te verklaren en het verzoek om vrijstelling voor een bedrijfswoning opnieuw te beoordelen.

Daarop heeft de Stichting Abc op verzoek van verweerder op 27 oktober 2004 een aanvullend advies uitgebracht aan verweerder.

Bij besluit van 8 november 2004, verzonden op 9 november 2004, heeft verweerder conform het advies van de Cbk de bezwaren van eiseres gegrond verklaard wegens een motiveringsgebrek. Verweerder heeft daarbij vervolgens in de heroverweging de weigering om medewerking te verlenen aan de oprichting van een bedrijfswoning in stand gelaten onder aanvulling van de motivering en onder verwijzing naar het aanvullende advies van de Stichting Abc.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 16 december 2004, bij de rechtbank ingekomen op 21 december 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 7 januari 2005, verzonden op 19 januari 2005, heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden alsmede een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het geding op 29 augustus 2005 ter zitting behandeld.

4. Motivering

4.1.1. De rechtbank stelt voorop dat het in deze procedure gaat om de weigering van verweerder om mee te werken aan de verlening van een reguliere bouwvergunning 1e fase ten behoeve van het bouwplan, zoals dat is opgenomen in de aanvraag van eiseres van

22 november 2003. Dat bouwplan voorziet in de realisering van een bedrijfswoning en een schuur met koelcel op het perceel.

4.1.2. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder naar aanleiding van die aanvraag twee beslissingen heeft genomen, te weten de beslissingen die zijn vervat in de brieven van

28 januari 2004 en van 5 maart 2004. De rechtbank is van oordeel dat alleen de beslissing van

28 januari 2004 kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Dit besluit behelst de weigering van verweerder om ten behoeve van het bouwplan van eiseres de gevraagde reguliere bouwvergunning 1e fase te verlenen vanwege strijdigheid van het bouwplan met het vigerende bestemmingsplan. Het besluit behelst tevens een weigering om gebruik te maken van de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid, die het mogelijk maakt om ten behoeve van het bouwplan op het perceel een nieuw agrarisch bebouwingsvak te realiseren.

Nu de brief van 5 maart 2004 slechts een herhaling betreft van het besluit van 28 januari 2004, zij het in iets andere bewoordingen, houdt die brief geen publiekrechtelijke rechtshandeling in en is het dus geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Aan de brief van 5 maart 2004 komt in het kader van deze procedure dan ook geen betekenis toe.

Ook de brief van 19 mei 2004 houdt geen publiekrechtelijke rechtshandeling in, zodat die brief evenmin kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Die brief omvat immers niet meer dan de aankondiging van een voornemen van verweerder om ten behoeve van de in het bouwplan voorziene bouw van een schuurkas met koelcel de in artikel 19, eerste lid, van de WRO neergelegde vrijstellingsprocedure te volgen, zodat met die brief geen wijziging is gebracht in het besluit van 28 januari 2004 tot weigering van een bouwvergunning voor het door eiseres op 22 november 2003 ingediende (meeromvattende) bouwplan.

4.1.3. Gelet op het voorgaande vormt het besluit van 28 januari 2004 het voorwerp waartegen het bezwaarschrift van eiseres is gericht. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verweerder met het bestreden besluit van 8 november 2004 heeft beoogd om het tegen het besluit van

28 januari 2004 gerichte bezwaar uitsluitend gegrond te verklaren voor zover het is gericht tegen de gebrekkige motivering van dat besluit en het bezwaar voor het overige, onder aanvulling van de motivering, ongegrond te verklaren.

4.1.4. Concluderend stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit in deze procedure betreft de in bezwaar (onder aanvulling van de motivering) gehandhaafde weigering van verweerder om mee te werken aan de verlening van een reguliere bouwvergunning 1e fase ten behoeve van het bouwplan van eiseres dat voorziet in de realisering van een bedrijfswoning en een schuur met koelcel op het perceel.

4.2. De reden voor verweerder om niet te willen meewerken aan de vergunningverlening is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Verweerder zou de strijdigheid met het bestemmingsplan kunnen opheffen door gebruik te maken van de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid, die het mogelijk maakt om ten behoeve van het bouwplan op het perceel een nieuw agrarisch bebouwingsvak voor zowel bedrijfsruimten als een bedrijfswoning te realiseren.

Verweerder heeft van die bevoegdheid geen gebruik gemaakt, omdat dat volgens verweerder in dit geval strijdig is met het gemeentelijke en provinciale beleid dat erop is gericht om dichtslibbing van het buitengebied te voorkomen. Daarbij heeft verweerder van belang geacht dat er sprake is van een startend bedrijf en dat er onvoldoende zekerheid bestaat of het bedrijf zal (door)groeien naar een volwaardig agrarisch bedrijf. Bovendien kan het toestaan van het bouwen van een bedrijfswoning bij een bedrijf dat tot nu toe slechts op papier bestaat leiden tot precedentwerking, aldus verweerder.

4.3. Eiseres heeft in beroep in de eerste plaats betoogd dat verweerder gaandeweg de procedure de voorwaarden voor het verlenen van medewerking aan het bouwplan heeft gewijzigd. In de tweede plaats heeft zij betoogd dat zij door de weigering om een bedrijfswoning toe te staan onevenredig zwaar wordt beperkt in haar bedrijfsvoering. Eiseres meent dat de bezwaren die voor haar kleven aan de weigering van een bedrijfswoning niet kunnen worden opgelost met behulp van de door de Stichting Abc gesuggereerde beveiligings- en alarmeringssystemen en communicatiemiddelen. Daarbij komt dat op het perceel een boerderij heeft gestaan, die door (de familie van) eiseres in 1996 is gesloopt vooruitlopend op de realisering van de door haar gewenste nieuwe bedrijfswoning.

4.4. De rechtbank vat het eerste bezwaar van eiseres op als een beroep op het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet in strijd met die rechtsbeginselen heeft gehandeld. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat verweerder eiseres steeds heeft voorgehouden dat zij aan vele voorwaarden moest voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor medewerking aan haar bouwplan. Hoewel op verschillende momenten aan verschillende voorwaarden is getoetst, valt er geen enkel moment aan te wijzen waarop verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat aan alle voorwaarden is voldaan. Eiseres heeft aan de handelwijze van verweerder dan ook niet de verwachting mogen ontlenen dat de door haar verlangde bouwvergunning zou worden verleend.

Voor zover eiseres heeft betoogd dat uit het besluit van 28 januari 2004 moet worden afgeleid dat met het afsluiten van een nieuw (doorlopend) pachtcontract aan alle voorwaarden voor medewerking aan haar bouwplan is voldaan, kan de rechtbank dat betoog niet onderschrijven. Uit hetgeen in dat besluit is vermeld onder de kopjes ‘continuïteit’ en ‘conclusie’ valt af te leiden dat verweerder de medewerking aan het bouwplan weigert omdat de continuïteit van het door eiseres op te richten bedrijf onvoldoende is gewaarborgd. Verweerder heeft in dit verband niet alleen gewezen op het feit dat er onzekerheid bestaat over het grondbezit van eiseres in de (nabije) toekomst, maar ook op het feit dat eiseres nog niet is aangevangen met het bedrijf. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook uit dat besluit kan worden afgeleid dat het bedrijf van eiseres – net als in het thans bestreden besluit – als startend bedrijf wordt aangemerkt.

4.5. Ten aanzien van het tweede bezwaar overweegt de rechtbank als volgt.

Op het perceel waarop eiseres het bouwplan wil realiseren rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan Landelijk Gebied 1989, eerste herziening, de bestemming "agrarische productiegebieden b". Niet in geschil is en vaststaat dat de bedrijfsactiviteiten die eiseres op het perceel wil ontplooien in overeenstemming zijn met de gebruiksbepalingen van het bestemmingsplan. Het bouwplan is echter in strijd met de bebouwingsvoorschriften van het bestemmingsplan, omdat slechts mag worden gebouwd binnen een bebouwingsvak en het perceel niet (meer) over een bebouwingsvak beschikt. Verweerder kan de strijdigheid met het bestemmingsplan opheffen door gebruik te maken van de in artikel 5, vijfde lid, onder a, van de planvoorschriften neergelegde wijzigingsbevoegdheid.

4.6. Artikel 5, vijfde lid, onder a, van de planvoorschriften luidt als volgt:

“Binnen gebieden op de kaart aangegeven door de grens van wijzigingsbevoegdheid I kunnen burgemeester en wethouders de bestemming "agrarische productiegebieden a en b" wijzigen in de bestemming "agrarische bebouwingsvakken Aa" voor de vestiging van nieuwe bebouwingsvakken of de vergroting, dan wel vormverandering van bebouwingsvakken. Door deze wijzigingsbevoegdheid mag een bebouwingsvak niet groter worden dan 1,5 ha.”

4.7. De rechtbank overweegt dat zij een besluit van een bestuursorgaan om al dan niet gebruik te maken van een haar toegekende bevoegdheid slechts terughoudend mag toetsen. Verder dient een dergelijk besluit, gelet op de artikelen 3:4 en 7:12 van de Awb, te berusten op een afweging van alle betrokken belangen en een deugdelijke motivering.

4.8. De rechtbank stelt vast dat de enige beperking die is verbonden aan de wijzigingsbevoegdheid de (in dit geval niet in geding zijnde) voorwaarde betreft dat gebruikmaking van die bevoegdheid er niet toe mag leiden dat een bebouwingsvak ontstaat dat groter is dan 1,5 ha. Voor het overige is verweerder geheel vrij om al dan niet gebruik te maken van die bevoegdheid.

4.9. 1.De rechtbank stelt verder vast dat verweerder – zoals onder meer blijkt uit het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting – bij besluiten omtrent de gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid het beleid hanteert dat de in artikel 5, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften neergelegde beschrijving in hoofdlijnen als toetsingskader geldt.

4.9.2. Artikel 5, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, luidt als volgt.

“Het beleid is erop gericht agrarische bedrijfsactiviteiten uitsluitend mogelijk te maken voor volwaardige agrarische bedrijven. Degene die agrarische bedrijfsactiviteiten wil beginnen of bestaande wil uitbreiden, moet, als voor deze plannen op basis van het bestemmingsplan medewerking vereist is van het gemeentebestuur, de volwaardigheid aantonen door middel van een bedrijfsplan.

Ingevolge deze bepaling wordt onder een volwaardig agrarisch bedrijf in principe verstaan een agrarisch bedrijf met een arbeidsomvang van ten minste één volledige arbeidskracht. Maar dit standpunt vergt van geval tot geval een genuanceerde benadering. Niet altijd zal meteen bij het begin van een agrarische activiteit of na uitbreiding een arbeidsomvang van één arbeidskracht mogelijk zijn. […] De strekking van dit deel van het beleid is dat in ieder geval moet vaststaan dat het agrarisch karakter een substantieel aandeel levert in iemands inkomensvorming.

Verder zijn bij de beoordeling belangrijk: veebezetting, grondareaal en tijdsbesteding, evenals de verwachte ontwikkeling van deze factoren op afzienbare termijn. Daarnaast zal iemand met een agrarische herkomst een zeker voordeel worden gegund.

Startende agrarische bedrijven die (nog) niet als volwaardig bedrijf aangemerkt kunnen worden zullen gebruik dienen te maken van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. Hiervan kan worden afgeweken indien het uitgroeien naar een volwaardig agrarisch bedrijf reëel geacht kan worden en het niet mogelijk maken van nieuwe agrarische bedrijfsbebouwing een dergelijke ontwikkeling ernstig belemmert.

Uiteindelijk berust de beoordeling van de volwaardigheid op een weging van de diverse hiervoor genoemde aspecten.”

4.9.3. De rechtbank acht verweerders beleid om de beschrijving in hoofdlijnen als toetsingskader te hanteren niet onredelijk.

4.10.1. De rechtbank overweegt vervolgens dat verweerder in het bestreden besluit het advies van de Cbk van 21 september 2004 heeft overgenomen en dat dat advies deel uitmaakt van het bestreden besluit. Uit het advies van de Cbk volgt dat verweerder zich op het standpunt stelt dat het – gelet op het advies van de Stichting Abc van 15 april 2004 – mogelijk wordt geacht dat het bedrijf van eiseres zal uitgroeien naar een volwaardig agrarisch bedrijf. Voorts volgt uit het overnemen van het advies van de Cbk dat verweerder zich op het standpunt stelt dat aan de in het bouwplan van eiseres opgenomen (eerste) bedrijfswoning, gelet op de terzake geldende bestemmingsplanvoorschriften en de beschrijving in hoofdlijnen, niet de eis mag worden gesteld dat deze noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Uit het advies volgt verder dat in het beleid van de provincie Noord-Holland de eis van noodzakelijkheid wel als toetsingscriterium geldt voor tweede bedrijfswoningen, maar dat een eerste bedrijfswoning bij volwaardige agrarische bedrijven mogelijk wordt geacht.

De Cbk heeft kennelijk vanwege de onjuiste maatstaf die is aangelegd bij de beoordeling van het verzoek om vergunningverlening ten behoeve van de bedrijfswoning geadviseerd de bezwaren gegrond te verklaren wegens een motiveringsgebrek. Voorts heeft de Cbk geadviseerd het verzoek om vrijstelling (lees: gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid) voor de bedrijfswoning opnieuw te beoordelen en daarbij in te gaan op de stelling van eiseres dat zij door het niet mogelijk maken van een bedrijfswoning onevenredig zwaar in haar bedrijfsvoering wordt beperkt.

4.10.2. Verweerder heeft ter uitvoering van het advies van de Cbk een aanvullend advies gevraagd aan de Stichting Abc. Dat aanvullende advies is uitgebracht op 27 oktober 2004 en door verweerder mede ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit.

In dat aanvullende advies heeft de Stichting Abc geoordeeld dat de aanwezigheid van een bedrijfswoning geen rol speelt bij het welslagen van de teelt van bloembollen. Voor de in het bedrijfsplan opgenomen bollenbroeierij wordt het houden van toezicht noodzakelijk geacht. Dat toezicht kan volgens de Abc zowel wat betreft de opslag- en teeltomstandigheden als wat betreft de aan- en afvoer tijdens de gebruikelijke arbeidsuren probleemloos worden uitgeoefend indien de ondernemer op afstand van het bedrijf woont. Buiten de gebruikelijke arbeidsuren is het volgens de Stichting Abc met behulp van moderne beveiligings- en alarmeringssystemen en de huidige communicatiemiddelen heel goed mogelijk de ondernemer tijdig te waarschuwen, zodat deze snel ter plaatse kan zijn. Voor de aan- en afvoer buiten de gebruikelijke arbeidsuren bestaat de mogelijkheid gebruik te maken van een electronisch cijferslot, waarmee leveranciers en afnemers de toegang kan worden gegeven tot de laad- en losruimte. Om die reden wordt geconcludeerd dat het bedrijf van eiseres kan worden opgestart zonder bedrijfswoning en dat op termijn, indien het bedrijf volop in productie is conform het bedrijfsplan en sprake is van een volwaardig bedrijf, een verzoek om een bedrijfswoning positief kan worden beoordeeld.

4.10.3. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn weigering om gebruik te maken van de wijzigingsbevoegdheid in het bestreden besluit verder – kort samengevat – het volgende overwogen.

Als uitgangspunt geldt dat terughoudend moet worden omgegaan met het creëren van mogelijkheden om nieuwe agrarische bedrijfswoningen toe te staan om dichtslibbing van het buitengebied te voorkomen. Verweerder meent dat in dit geval – gelet ook op het advies van de Stichting Abc – sprake is van een startend bedrijf en dat het, mede gezien de economische ontwikkelingen in de bollensector van de laatste jaren, nog maar zeer de vraag is of de in het bedrijfsplan van 2001 opgenomen groeiverwachting kan worden gehaald. Verder heeft verweerder overwogen dat, gelet op het provinciale en gemeentelijke beleid, voor bedrijven die nog niet volwaardig zijn maar wel een duidelijk perspectief hebben op groei naar volwaardigheid, bedrijfsgebouwen kunnen worden vergund, maar dat een bedrijfswoning pas kan worden toegelaten indien de volwaardige staat daadwerkelijk is bereikt. Nu blijkens het aanvullende advies van de Stichting Abc het toezichthoudende karakter van de bedrijfsvoering niet zodanig zwaar weegt dat het bedrijf niet zonder bedrijfswoning kan worden opgestart, acht verweerder zijn belang om dichtslibbing van het buitengebied te voorkomen zwaarder wegen dan het belang van eiseres. Daarbij wijst verweerder erop dat hij het een onwenselijke ontwikkeling acht als veel bedrijfswoningen in het buitengebied overblijven nadat de daarbij behorende bedrijven er niet in zijn geslaagd te overleven.

4.11.1. De rechtbank stelt, in navolging van het door verweerder overgenomen advies van de Cbk, vast dat aan de in het bouwplan van eiseres opgenomen bedrijfswoning niet de eis mag worden gesteld dat deze noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Gelet op het door verweerder gehanteerde beleid om bij besluiten omtrent de gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid de beschrijving in hoofdlijnen als toetsingskader te hanteren, geldt in het onderhavige geval – waarin het uitgroeien naar een volwaardig agrarisch bedrijf reëel geacht kan worden – voor de beoordeling van zowel de schuur met koelcel als de bedrijfswoning als maatstaf of het niet mogelijk maken van nieuwe agrarische bedrijfsbebouwing een dergelijke ontwikkeling ernstig belemmert. De rechtbank merkt in dit verband op dat onder de term ‘nieuwe agrarische bedrijfsbebouwing’ ook een nieuwe agrarische bedrijfswoning moet worden verstaan.

4.11.2. De rechtbank kan zich evenwel niet aan de indruk onttrekken dat in het aanvullende advies van de Stichting Abc (gelet op de bewoordingen daarvan) en daarmee tevens in het bestreden besluit voor de beoordeling van de bedrijfswoning toch is uitgegaan van het noodzakelijkheidscriterium. Daarbij komt dat de rechtbank van oordeel is dat de door eiseres in haar beroepschrift aangevoerde bezwaren tegen het niet toestaan van een bedrijfswoning bij de aanvang van de bedrijfsactiviteiten, wijzen in de richting van een ernstige belemmering van de bedrijfsvoering die niet kan worden ondervangen met behulp van moderne beveiligings- en alarmeringssystemen en de huidige communicatiemiddelen. De rechtbank wijst in dit verband onder meer op de volgende in het beroepschrift aangevoerde argumenten:

- bij het ‘koken’ van narcisbollen, hetgeen van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat plaatsvindt, moet om de twee uur worden gewisseld;

- laden en lossen geschiedt, met het oog op bezorging bij de veiling, in de regel buiten de gebruikelijke arbeidsuren;

- chauffeurs laden en lossen niet zelf vanwege de verantwoordelijkheid en het Rijtijdenbesluit;

- de verzekering zal niet toestaan dat codes van electronische cijfersloten worden onthuld aan leveranciers en afnemers.

4.11.3. De rechtbank stelt voorts vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder bij de belangenafweging rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat op het perceel tot 1996 een boerderij heeft gestaan en dat kort daarna het bebouwingsvlak, mogelijk mede als gevolg van onoplettendheid van (de familie van) eiseres, is komen te vervallen. Deze omstandigheid relativeert naar het oordeel van de rechtbank het belang van verweerder bij het voorkomen van dichtslibbing van het buitengebied alsmede het gevaar van precedentwerking. Evenmin blijkt uit de in het bestreden besluit weergegeven belangenafweging dat rekening is gehouden met het feit dat het door eiseres op te richten bedrijf het resultaat is van de splitsing van een familiebedrijf, zodat eiseres een bijzonder belang heeft bij het realiseren van een bedrijfswoning op dit perceel en gebruikmaking van elders vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing (waaronder mede moet worden begrepen: een bedrijfswoning) geen reëel alternatief is. Ten slotte dient volgens de beschrijving in hoofdlijnen iemand met een agrarische herkomst een zeker voordeel te worden gegund, maar valt uit het bestreden besluit niet op te maken dat verweerder de agrarische herkomst van eiseres heeft meegewogen in de besluitvorming.

4.11.4. Gelet op hetgeen is vermeld in de rechtsoverwegingen 4.11.1. tot en met 4.11.3. is de rechtbank van oordeel dat in het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd waarom het toestaan van de bedrijfswoning niet past binnen het te hanteren toetsingskader en dat verweerder niet alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen heeft afgewogen. Hierdoor is het bestreden besluit strijdig met de artikelen 7:12, eerste lid, en 3:4, eerste lid, van de Awb.

4.12. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd en verweerder dient, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van eiseres. De rechtbank zal daartoe een termijn stellen.

4.13. Nu niet is gebleken dat eiseres voor de behandeling van dit beroep kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Wel dient het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te worden vergoed.

5. Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing neemt op het bezwaarschrift van eiseres, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat de gemeente Zijpe aan eiseres het griffierecht ten bedrage van € 136,00 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. drs. W.P. van der Haak, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.H. Riemeijer, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 10 oktober 2005.

door voornoemd lid, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige kamer,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.