Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2005:AU3709

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
20-09-2005
Datum publicatie
04-10-2005
Zaaknummer
14010625-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van deelneming aan een criminele organisatie en hem ter zake van het medeplegen van moord, het uitvoeren van cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2005, 41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer : 14.010625-04

Datum uitspraak: 20 september 2005

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte 3],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord, Huis van Bewaring Groningen te Groningen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 24 maart 2005, 10 juni 2005 en 6 september 2005.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank de verdachte terzake van de onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest en TBS met dwangverpleging. Voorts vordert zij dat de rechtbank zal beslissen ten aanzien van de in beslaggenomen goederen. Terzake van feit 3 vordert de officier van justitie vrijspraak.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en mr. J.J. Jorna, de raadsman van verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is onder 1. ten laste gelegd, dat hij op of omstreeks 16 september 2004 te Wieringerwerf, gemeente Wieringermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer], in elk geval een man zich noemende [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben

verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer], althans voornoemde man zich noemende [slachtoffer], meermalen (met zeer veel kracht) met een mes en/of een riek, in elk geval een of meer scherpe en/of puntige voorwerp(en), in diens lichaam gestoken en/of met een schep op/tegen diens hoofd, en/of elders tegen het lichaam, geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer], althans voornoemde man zich noemende [slachtoffer], is overleden;

Aan de verdachte is, nadat een tweetal vorderingen van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, onder 2. ten laste gelegd, dat (zaak 3 + 4) hij op of omstreeks

A: 22 juli 2004, in elk geval in of omstreeks de periode van 22 juli 2004 tot en met 24 juli 2004 (zaak 4)

B: 27 augustus 2004 (zaak 3)

in elk geval in het jaar 2004, te IJmuiden, gemeente Velsen, en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, te weten

A: (ongeveer) 2000 gram cocaïne

B: (ongeveer) 1600 gram cocaïne

in elk geval (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, (telkens) zijnde cocaïne (een) middel(en) vermeld op de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers is/zijn verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) (telkens), opzettelijk, in het bezit van die cocaine, met een (ferry)boot vanaf IJmuiden naar het Verenigd Koninkrijk (New Castle) gereisd en/of (vervolgens) heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) die cocaïne in het Verenigd Koninkrijk (in elk geval buiten Nederland) gebracht;

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, onder 3. ten laste gelegd, dat (zaak 5)

hij op of omstreeks 12 juli 2004 te IJmuiden, gemeente Velsen, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, te weten

(ongeveer) 2000 gram cocaïne in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) vermeld op de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

immers is/zijn verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s), opzettelijk, in het bezit van die cocaine, met een (ferry)boot vanaf IJmuiden naar het Verenigd Koninkrijk (New Castle) gereisd en/of (vervolgens) heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn

mededader(s) die cocaïne in het Verenigd Koninkrijk (in elk geval buiten Nederland) gebracht;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[verdachte 1] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 5] en/of een of meer andere perso(o)n(en) op of omstreeks 12 juli 2004 te IJmuiden, gemeente Velsen tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht ongeveer 2000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

tot en/of bij welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 09 juli 2004, in de gemeente Groningen, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest, en/of opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,

immers heeft hij, verdachte, een bootreis en/of een huurauto (merk Volkswagen) en/of een stacaravan (standplaats Schotland) geboekt voor die [verdachte 1] en/of [verdachte 2] en/of een of meer andere perso(o)n(en) (ter realisering van bovengenoemd cocaïnetransport);

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, onder 4. ten laste gelegd, dat (zaak 3)

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 07 september 2004 tot en met 09 september 2004 in de gemeente Velsen en/of in de gemeente Groningen, in elk geval in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt (aan [verdachte 4]) en/of vervoerd, en/of aanwezig heeft gehad, ongeveer 349 gram, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, onder 5. ten laste gelegd, dat (zaak 9)

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 15 december 2004 in

de gemeente Groningen en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een (duurzaam) samenwerkingsverband van personen te weten hij, verdachte, en/of [verdachte 7] en/of [verdachte 5] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 6] en/of een of meer andere perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk - de misdrijven als omschreven in artikel 2 lid 1 onder A en/of B en/of C van de Opiumwet en/of 10a Opiumwet, te weten het meermalen binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van cocaïne, althans (een) middel(en) vermeld op de lijst I behorende bij die Opiumwet, en/of de strafbare voorbereidingshandelingen hiertoe en/of

- de misdrijven als omschreven in artikel 420 bis en/of artikel 420 ter en/of artikel 420 quater Wetboek van Strafrecht, te weten het witwassen van gelden afkomstig van de uitvoer en/of verkoop van cocaïne en/of hash en/of hennep, in elk geval een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 en/of het vijfde lid van artikel 3a van die wet) en/of lijst II (dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet), in elk geval afkomstig uit/van een of meer misdrij(f)v(en).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VOORVRAGEN

Ontvankelijkheid van de officier van justitie terzake van feit 4.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie niet ontvankelijk

dient te worden verklaard in de vervolging terzake van feit 4 omdat het hier gaat om een

uitvloeisel van feit 2. De hoeveelheid cocaïne bedoeld in feit 4 is het onverkoopbare

restant van de cocaïne bedoeld in feit 2, dat door verdachte mee terug moest worden

genomen van het Verenigd Koninkrijk naar Nederland. Het terug naar Nederland brengen

van deze hoeveelheid cocaïne is, aldus de raadsman, geen op zichzelf staand afleveren,

verstrekken, vervoeren of aanwezig hebben van cocaïne maar een voortzetting van

hetzelfde bezit van een deel van de hoeveelheid cocaïne als bedoeld in feit 2.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de feiten 2 en 4 afzonderlijke

strafbare feiten zijn. Eerst besluiten verdachte en zijn mededaders een hoeveelheid

cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk uit te voeren en geven ook gevolg aan dit besluit.

Wanneer dit delict voltooid is, blijkt dat niet de hele hoeveelheid verkocht kan worden.

Er is sprake van een nieuw wilsbesluit op een nieuw tijdstip wanneer verdachte de

beslissing neemt het restant van de cocaïne in de auto mee terug te nemen naar Groningen

en derhalve van een op zichzelf staand delict.

De rechtbank stelt dan ook vast dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de

Vervolging ten aanzien van feit 4.

Voor het overige heeft de rechtbank vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennismening van de zaak en dat er uit het onderzoek ter terechtzitting geen gronden zijn gebleken die moeten leiden tot schorsing van de vervolging.

3. VRIJSPRAAK

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 en 5 is ten laste gelegd.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Motivering vrijspraak feit 5:

Niet iedere groep personen die tezamen misdrijven pleegt kan worden aangemerkt als een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Naar vaste rechtspraak is hiervan onder meer sprake indien die organisatie het plegen van misdrijven voor ogen heeft, de deelnemers aan die organisatie van dat oogmerk op de hoogte zijn en die organisatie zich kenmerkt door een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. Aangenomen moet worden dat daarvan sprake is indien binnen het samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling bestaan, waaraan de in die organisatie participerende personen gebonden zijn, zodanig dat op hen een zekere druk kan worden uitgeoefend zich aan die regels te houden en zich aan die doelstelling te committeren. De organisatie moet een afzonderlijke eenheid vormen waarin de deelnemers niet ieder voor zich, onafhankelijk van de overige deelnemers, maar in onderlinge samenwerking participeren. Het samenwerkingsverband moet een zekere bestendigheid en duurzaamheid bezitten en zodoende de gelegenheid krijgen een eigen dynamiek te ontplooien.

Blijkens de stukken en het verhandelde op de terechtzitting hebben de medeverdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] op enig moment het plan opgevat om een cocaïnelijn vanuit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk op te zetten. In dat kader hebben vijf of wellicht zes cocaïnetransporten plaatsgevonden. [verdachte 1] had contact met een persoon die cocaïne kon leveren en [verdachte 2] had connecties met potentiële afnemers in het Verenigd Koninkrijk. Nadat [verdachte 1] en [verdachte 2] eerst samen één en wellicht twee transporten hadden uitgevoerd hebben zij anderen bij de volgende transporten betrokken. [verdachte 4] reed eenmaal met een auto waarin cocaïne was verborgen naar het Verenigd Koninkrijk. Hij hielp bij een ander transport door met gebruikmaking van zijn creditcard een auto te huren. Verdachte trad tweemaal op als chauffeur van de smokkelauto. [verdachte 5] was betrokken bij de huur van auto’s waarmee de cocaïne werd vervoerd, zij boekte overtochten naar Engeland en regelde vliegtickets voor [verdachte 1] en [verdachte 2]. Bovendien was zij betrokken bij het tellen van het geld. [verdachte 6] heeft na het laatste drugstransport naar het Verenigd Koninkrijk een plak van circa 400 gram cocaïne bewaard. Tevens heeft hij zich blijkens een aantal afgeluisterde telefoongesprekken bemoeid met de financiële afwikkeling van een van de transporten.

De rechtbank heeft weliswaar vastgesteld dat deze personen in samenwerking met elkaar betrokken zijn bij een aantal drugstransporten, maar de rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat er sprake is van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat kan worden beschouwd als een afzonderlijke eenheid waarvoor een gemeenschappelijke doelstelling en gemeenschappelijk regels gelden waaraan de deelnemers werden gehouden. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van een criminele organisantie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

4. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

ten aanzien van feit 1:

hij op 16 september 2004 te Wieringerwerf, gemeente Wieringermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer], zich noemende [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg voornoemde [slachtoffer] meermalen met zeer veel kracht met een mes en een puntig voorwerp in diens lichaam gestoken en met een schep op diens hoofd en elders tegen het lichaam geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

ten aanzien van feit 2:

hij op

A: 24 juli 2004, en

B: 27 augustus 2004

te IJmuiden, gemeente Velsen, en elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, te weten

A: een hoeveelheid cocaïne, en

B: ongeveer 1600 gram cocaïne,

immers zijn verdachte en meerdere van zijn mededaders telkens opzettelijk, in het bezit van die cocaïne, met een ferryboot vanaf IJmuiden naar het Verenigd Koninkrijk, Newcastle, gereisd en hebben verdachte en meerdere van zijn mededaders die cocaïne buiten Nederland gebracht;

ten aanzien van feit 4:

hij in de periode van 7 september 2004 tot en met 9 september 2004 in Nederland, opzettelijk heeft afgeleverd aan [verdachte 4] en vervoerd en aanwezig gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

6. NADERE MOTIVERING

terzake van feit 1:

De verdediging heeft gesteld dat verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van de moord op [slachtoffer]. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake was van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking en dat de verdachte slechts medeplichtig was.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij al dagen voor het overlijden van [slachtoffer]/[slachtoffer] op de hoogte was van de omstandigheid dat zijn medeverdachten, [verdachte 1] en [verdachte 2], [slachtoffer] van het leven wilden beroven en dat hij meermalen aanwezig was bij overleg tussen [verdachte 1] en [verdachte 2] over de wijze waarop [slachtoffer] om het leven zou worden gebracht. Bovendien was hij direct betrokken bij de voorbereidingshandelingen daartoe.

Verdachte is immers samen met [verdachte 2] en [verdachte 1] op de dag van de moord naar Assen gereden om daar een mes aan te schaffen, alsmede regenponcho’s en laarzen die gebruikt zouden worden wanneer [slachtoffer] begraven moest worden.

Verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij in het Verenigd Koninkrijk had gehoord van de plannen, geld heeft aangenomen dat eigenlijk voor [slachtoffer] bestemd was en waaraan de mededeling werd gekoppeld dat “ze nu niet meer terug konden”.

Blijkens de bewijsmiddelen heeft verdachte op de plek waar de moord zou plaatsvinden de autogordel van [slachtoffer] losgekoppeld en hem, nadat hij uit de auto was gekomen, vast- gehouden. Later, nadat [slachtoffer] al meerdere malen was gestoken met het mes en de riek of vork, heeft verdachte [slachtoffer] met een schep op het hoofd geslagen.

De raadsman heeft nog aangevoerd dat de rol van verdachte bij de feitelijke uitvoering van de moord beperkt is geweest. In het bijzonder zou verdachte het slachtoffer niet met een schep op het hoofd hebben geslagen. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte op zijn eerste verklaring hieromtrent is teruggekomen, in die zin dat hij zich van de gebeurtenissen niets kan herinneren, en voorts dat het uit het sectierapport blijkende hoofdletsel niet spoort met een zodanige slag met een schep dat daardoor de steel van de schep breekt.

De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. Zij acht de eerste verklaringen van verdachte en medeverdachte [verdachte 2] consistent en betrouwbaar. De rechtbank wordt in haar overtuiging nog gesterkt door de, door de raadsman aangehaalde, verklaring die verdachte in de zaak tegenover medeverdachte [verdachte 1] ten overstaan van de Rechter-commissaris heeft afgelegd, waarin verdachte heeft verklaard zich te herinneren met de (gebroken) schep in de hand naast het slachtoffer te hebben gestaan. De rechtbank acht voorts niet onverenigbaar met het sectierapport dat verdachte het slachtoffer met een schep op het hoofd heeft geslagen. De rechtbank overweegt dat onbekend is gebleven onder welke hoek de schep het hoofd heeft geraakt, eveneens onbekend is in welke staat de schep verkeerde, en voorts de mogelijkheid is opengebleven dat verdachte naast het hoofd van het slachtoffer tevens een ander voorwerp, bijvoorbeeld een boom, heeft geraakt.

Ook na de moord heeft verdachte zijn medewerking verleend door de gebruikte wapens en kleding op te ruimen danwel “weg te maken” en enige uren na de moord is hij met zijn medeverdachten gaan zoeken naar het lichaam van [slachtoffer], teneinde zich ervan te vergewissen dat [slachtoffer] werkelijk dood was en het lichaam beter te verbergen.

Verdachte heeft derhalve voorafgaande aan, tijdens en na de moord op [slachtoffer] zijn medewerking verleend aan de moord. Daarnaast heeft hij hiervan geldelijk gewin ondervonden. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, mede in hun onderlinge verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat van een zodanige bewuste, nauwe en volledige samenwerking sprake is dat dit medeplegen van moord oplevert.

Terzake van feit 2 onder A:

De verdediging heeft zich met betrekking tot feit 2 onder A (het transport van 24 juli

2004) op het standpunt gesteld dat de verdachte niet wist dat hij cocaïne vervoerde en dat

hij slechts als medeplichtige kan worden aangemerkt omdat zijn rol bij dit transport

slechts ondersteunend was, namelijk het op en afrijden van de ferryboot met de

huurauto waarin zich de cocaïne bevond.

De rechtbank verwerpt dit verweer en is anders dan de raadsman van oordeel dat sprake

is van medeplegen.

Op het moment dat verdachte door [verdachte 2] werd benaderd om een klus te doen vermoedde verdachte al dat het om een drugstransport zou gaan. Verdachte heeft de auto de veerboot opgereden. Op het moment van de rit naar het Verenigd Koninkrijk, wist verdachte dat hij verdovende middelen vervoerde. In het Verenigd Koninkrijk hoorde hij dat het om ongeveer 1600 gram cocaïne ging en vervolgens was hij erbij toen er een blok cocaïne aan een zekere Andy werd verkocht. De opbrengst werd in zijn bijzijn geteld en hij ontving 900 pond voor zijn aandeel in het transport.

Naar het oordeel van de rechtbank is bij verdachte tenminste voorwaardelijk opzet op de uitvoer van cocaïne aanwezig geweest. Voorts is gezien de nauwe samenwerking en de rolverdeling wel degelijk sprake van medeplegen.

Terzake van feit 4:

Ten aanzien van de bewezenverklaring terzake van feit 4 overweegt de rechtbank dat uit de stukken en uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte toen hij op 8 september 2004 vanuit het Verenigd Koninkrijk terugkwam naar Nederland een compleet blok cocaïne van 400 gram bij zich had, alsmede een zakje met cocaïne. De hoeveelheid cocaïne die verdachte derhalve vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Nederland bracht, betrof derhalve grotere hoeveelheid cocaïne dan de 349 gram zoals tenlastegelegd.

Verdachte verklaart hierover op 15 december 2004:

Ik denk dat ik toen vrijdag ben vertrokken. Het kleine beetje cocaïne dat nog over was

zou ik meenemen. Als ik terug was, moest ik dat blok afgeven bij [verdachte 4] en die moest

het dan weer verder verkopen. Ik heb uiteindelijk een blok en het beetje wat overgebleven

was bij Steve mee teruggenomen.

[verdachte 4] verklaart vanaf pag. 116 (Z-3)

Ik heb [verdachte 3] gesproken op de dag dat hij terugkwam. Dat was bij mij thuis. Hij had aan

mij gevraagd een pak wasmiddel uit de kofferbak van de auto te halen. Terug in de

woning bleek dat tussen het zeeppoeder in het pak wasmiddel een ingetaped pakket

zat waarvan ik van [verdachte 3] hoorde dat er ook cocaine in zat.

[verdachte 6] verklaart op pag. 359 ev (Z-3)

Ik moest cocaïne voor [verdachte 2] en [verdachte 1] bewaren. Het grootste stuk dat ik ooit gezien heb.

Dat was een plak, zeg maar een tegel, van ongeveer 20 x 20 centimeter en ongeveer 4

centimeter dik. Ik schat dat het ongeveer net zo zwaar was als een half pak suiker, dus

ongeveer 500 gram. Sander is met die plak bij mij langsgekomen, waarvan hij vertelde

dat het cocaïne was. Het was toen nog helemaal ingetaped met bruine tape. Ik wist van

[verdachte 1] en [verdachte 2] dat de complete plak 400 gram moest wegen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat, nadat het betreffende blok cocaine in het bezit was gekomen van [verdachte 6], verdachte en [verdachte 2] bij [verdachte 6] thuis zijn geweest alwaar [verdachte 2] van het blok een hoek van ongeveer 50 gram heeft afgesneden.

7. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van moord

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 4:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Nadere motivering terzake van het onder 4 bewezenverklaarde.

Onder 4 is bewezenverklaard het vervoeren van cocaïne en het aanwezig hebben van

cocaïne. Tijdens het vervoeren van de desbetreffende cocaïne had verdachte de cocaïne noodzakelijkerwijs ook aanwezig. Hier is derhalve sprake van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet op een en ander zal de rechtbank artikel 55 lid 2 van het Wetboek van

Strafrecht toepassen.

8. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte terzake van feit 1 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij zich kan beroepen op psychische overmacht.

De verdediging heeft daartoe gesteld dat verdachte niet anders kon doen dan wat hij heeft gedaan door de druk die op hem werd uitgeoefend door zijn twee medeverdachten.

De rechtbank heeft ten aanzien van dit verweer het volgende overwogen.

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is noodzakelijk dat aannemelijk wordt dat verdachte handelde onder invloed van een van buiten komende drang die zodanig was dat hij daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon bieden en waaraan hij evenmin weerstand behoefde te bieden. Hiervoor komen in het algemeen alleen zeer dringende en acute omstandigheden in aanmerking.

Van de zijde van de verdediging is hiertoe aangevoerd dat hij op de dag dat hij van de moordplannen van zijn mededaders hoorde, is bedreigd in de zin van “je hebt het nu gehoord dus ben je er ook bij betrokken.” In de periode daarna is zijn angst voor de beide verdachten en met name voor [verdachte 1] zo groot geworden dat hij het gevoel had dat wanneer hij niet zou meedoen, hijzelf het slachtoffer van moord zou worden. Verdachte wist waar [verdachte 1] en [verdachte 2] toe in staat waren en hij had gehoord over vroegere contacten tussen [verdachte 1] en Klaas Bruinsma.

De rechtbank overweegt hierover dat de bedreigingen die jegens verdachte zouden zijn geuit uitdrukkelijk door de medeverdachten worden betwist.

Voorts is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden dat zo er al sprake was van bedreiging, deze van zodanige aard was dat verdachte daaraan geen weerstand kon en behoefde te bieden. Daartoe is mede van belang dat verdachte in de dagen voorafgaande aan de moord en op de avond van de moord geen mogelijkheden heeft beproefd om op andere wijze aan deze veronderstelde dreiging het hoofd te bieden.

Het beroep op psychische overmacht wordt dan ook door de rechtbank verworpen.

De inhoud van het in dit vonnis onder 9. genoemde rapporten van drs. P.E. Geurkink, forensisch psycholoog en I. Matthaei, psychiater, opgemaakt in opdracht van de officier van justitie te Alkmaar, geeft de rechtbank evenmin aanleiding tot niet-strafbaarheid van de verdachte te concluderen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de

verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

9. MOTIVERING VAN DE STRAF

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan moord op [slachtoffer] ([slachtoffer]), die de leverancier was van cocaïne die verdachte en zijn mededaders uitvoerden naar het Verenigd Koninkrijk. Op enig moment is door verdachte en zijn mededaders besloten om [slachtoffer] van het leven te beroven. De moord is dagen van tevoren beraamd. Eerst in het Verenigd Koninkrijk en later in Nederland is over de moord gesproken. Op de dag voor de moord is de plaats van het delict door verdachte en een van zijn mededaders bekeken en op de dag van de moord zelf is nog een derde moordwapen (een mes) aangeschaft, alsmede andere hulpmiddelen die men verwachtte nodig te hebben. In de namiddag van de bewuste dag is [slachtoffer] onder valse voorwendselen meegelokt naar Amsterdam, waarna hij, na een “gezellig” avondje uit te zijn geweest met verdachte en zijn mededaders, op gruwelijke wijze om het leven is gebracht in het Robbenoordbos. [slachtoffer] is in het bewuste bos uit de auto getrokken waarna verdachte en zijn mededaders hem door middel van het steken met een vork en een mes en het slaan met een schep of schop hebben gedood. Het betreft een zorgvuldig voorbereide moord waarvan de daders reeds op voorhand hadden kunnen voorzien, door de keuze van de moordwapens, dat een en ander zou uitlopen op een gruwelijke slachtpartij.

Uit de stukken is niet gebleken dat het slachtoffer de daders onrecht heeft aangedaan, noch dat er een concrete dreiging van hem uitging. Veeleer lijkt het op een moord die gepleegd is om er financieel beter van te worden.

De rechtbank acht de moord op [slachtoffer] een buitengewoon ernstig delict. Verdachte en zijn mededaders hebben door hun handelen een onherstelbare inbreuk gemaakt op het recht van leven. Dit misdrijf heeft de rechtsorde in ernstige mate geschokt.

Naast dit misdrijf heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een tweetal cocaïne-transporten vanuit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk en hij heeft ook binnen Nederland cocaïne vervoerd en afgeleverd.

De zucht naar geldelijk gewin was daarbij zijn drijfveer en hij heeft daarbij geen acht geslagen op de onaanvaardbare risico’s die dergelijke delicten opleveren voor de volksgezondheid en de openbare orde. Bovendien wordt door dergelijke feiten de negatieve reputatie van Nederland als drugsuitvoerend land bevestigd.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 22 december 2004, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld terzake vermogensdelicten.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 24 maart 2005 van J. Dijkema, verbonden aan de Justitiële Verslavingszorg Jellinek te Amsterdam.

- het over de verdachte uitgebrachte psychiatrische rapport gedateerd 29 maart 2005, van drs. I. Matthaei, psychiater.

- het over de verdachte uitgebrachte psychologische rapport gedateerd 28 april 2005 drs. P.E. Geurkink, forensisch psycholoog.

Het psychiatrisch rapport houdt onder meer het volgende in:

Bij onderzochte bestaat zowel een ziekelijke stoornis als een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Deze stoornissen kunnen omschreven worden als een cannabis- afhankelijkheid en een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale en afhankelijke trekken. Deze stoornissen hebben ook bestaan ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde. Met betrekking tot feit 1 kan worden gesteld dat onderzochte zich als gevolg van zijn persoonlijkheidsstoornis, met als meest opvallende en aan het genoemde delict gerelateerde kenmerk de identiteitsstoornis- zich in sterke mate heeft laten beïnvloeden door en laten bangmaken door de medeverdachten. Als gevolg hiervan heeft hij geen gedragsalternatieven voor handen gehad. Bij het besluit van onderzochte om deel te nemen aan drugstransporten hebben vooral zijn financiële omstandigheden op de voorgrond gestaan. Hij heeft daarmee immers op een snelle manier veel geld willen verdienen zodat hij zich een wat luxer leven zou kunnen veroorloven.

Onderzochte heeft voldoende inzicht kunnen hebben in de wederrechtelijkheid c.q. betekenis van alle hem ten laste gelegde feiten. Hij is uitsluitend ten aanzien van het ten laste gelegde feit onder 1 onvoldoende in staat geweest zijn wil overeenkomstig dat inzicht te bepalen. Ten aanzien van de andere hem ten laste gelegde feiten kan gesteld worden dat hij zijn wil in vrijheid heeft kunnen bepalen en bewust heeft gekozen voor deelname aan het transporteren van drugs. Ten aanzien van het eerste hem ten laste gelegde feit kan onderzochte verminderd toerekeningsvatbaar geacht worden terwijl de andere feiten hem volledig kunnen worden toegerekend.

Er bestaat een kans dat onderzochte opnieuw tot het plegen van delicten overgaat als hij niet in staat is meer sturing aan zijn leven te geven en zijn financiële omstandigheden

te verbeteren. De kans dat hij opnieuw een levensdelict zal plegen is weliswaar niet groot maar evenmin volledig uitgesloten omdat hij zich door het gebrek aan identiteit ook in de toekomst gemakkelijk zal kunnen inlaten met personen binnen een crimineel circuit.

Ten aanzien van feit 1 kan worden gesteld dat onderzochte verminderd toerekenings-vatbaar kan worden geacht en is een behandeling binnen het strafrechtelijk kader op zijn plaats. De meest restrictieve vorm van een behandeling binnen het strafrechtelijk kader, de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, is relatief gecontraïndiceerd. Door een verblijf in een TBS-kliniek zal de relatie tussen onderzochte en zijn vriendin sterk onder druk komen te staan. Dit zal geen gunstig effect hebben op zijn toch al zeer zwakke identiteit en er kan worden verwacht dat de behandeling gepaard zal gaan met verzet van en acting-out gedrag door onderzochte.

Het mag duidelijk zijn dat dan een zeer lange behandelingsduur kan worden verwacht. Het heeft dan ook de voorkeur de vriendin van onderzochte van het begin af aan intensief bij de behandeling te betrekken en dit is slechts mogelijk door een behandeling in het kader van een TBS met voorwaarden.

De beantwoording van de vraagstelling en het advies van het psychologisch rapport komen nagenoeg overeen met die van het psychiatrische rapport met dit verschil dat de psycholoog verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar acht met betrekking tot het tenlastegelegde onder 2, 3, 4 en 5.

De rechtbank neemt de conclusie van de psychiater ten aanzien van de toerekenings-vatbaarheid van de verdachte over.

De rechtbank volgt de deskundigen in hun oordeel dat verdachte zich in sterke mate heeft laten beïnvloeden door zijn medeverdachten. Het is echter niet aannemelijk geworden dat verdachte zodanig bang is gemaakt door zijn medeverdachten dat hij geen gedragsalternatieven meer had. De rechtbank acht zijn verklaringen op dit punt ongeloofwaardig.

De rechtbank is, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van aanzienlijke duur. Oplegging van de maximale vrijheidsstraf van drie jaar die oplegging van een TBS met voorwaarden mogelijk maakt, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van met name het onder 1 bewezenverklaarde feit.

Oplegging van de zware maatregel TBS met dwangverpleging is, blijkens de deskundigen, relatief gecontraïndiceerd en is gelet op de overige inhoud van de rapportage naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde.

Daarom zal de rechtbank volstaan met een vrijheidsstraf van na te melden duur.

Bij het bepalen van die duur houdt de rechtbank rekening met hetgeen hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE omtrent samenloop is overwogen.

10. MOTIVERING VAN DE BIJKOMENDE STRAF

De rechtbank is van oordeel, dat de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

a. een telefoontoestel, NOKIA,

b. en stuk papier met telefoonnummers,

c. een chipkaart,

d. een SIM-kaart (GSM) met tel.nr. 06-55888448,

e. een telefoontoestel, Nokia,

f. een telefoontoestel, Panasonic,

dienen te worden verbeurd verklaard.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde onder 2 is begaan met behulp van de voorwerpen onder a, b, c, d, f en dat de voorwerpen toebehoren aan de verdachte.

Voorts is uit het onderzoek op de terechtzitting gebleken dat het bewezenverklaarde onder 4 met behulp van het voorwerp onder e. is begaan en dat het toebehoort aan de verdachte.

11. MOTIVERING VAN DE MAATREGEL

De rechtbank is van oordeel, dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

a. twee wapens in een koffer,

b. een koffer kleur blauw,

dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang.

Verder is uit het onderzoek op de terechtzitting gebleken dat de voorwerpen toebehoren aan de verdachte en dat ze bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane misdrijf (moord) in zijn woning zijn aangetroffen. De wapens bevonden zich in de blauwe koffer (voorwerp onder b) en kunnen dienen tot begaan van soortgelijke misdrijven.

12. BESLISSING OMTRENT IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De rechtbank is van oordeel, dat de in beslag genomen voorwerpen

a. een SIM-kaart (gsm) T-MOBILE,

b. en papier met telefoonnummers,

c. een stuk papier met imeinr. 353779001711706,

d. een oplaadapparaat voor telefoon,

e. een papier met gegevens PC,

dienen te worden teruggegeven aan de verdachte.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken, dat deze persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

13. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen (bijkomende) straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 55 lid 2, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

14. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 9 (negen) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaard verbeurd:

a. een telefoontoestel, NOKIA

b. een stuk papier met telefoonnummers,

c. een chipkaart,

d. een SIM-kaartmet tel.nr. 06-55888448,

e. een telefoontoestel, Nokia,

f. een telefoontoestel, Panasonic,

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

g. twee wapens in een koffer,

h. een koffer kleur blauw,

Gelast de teruggave aan de verdachte van:

i. een SIM-kaart (gsm) T-MOBILE,

j. en papier met telefoonnummers,

k. een stuk papier met imeinr. 353779001711706,

l. een oplaadapparaat voor telefoon,

m. een papier met gegevens PC.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van der Perk, voorzitter,

mr. A.J. Dondorp en mr. P. van Steijnen, rechters,

in tegenwoordigheid van M. Woudman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 september 2005.