Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2005:AU3708

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
20-09-2005
Datum publicatie
04-10-2005
Zaaknummer
14010627-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van deelneming aan een criminele organisatie en hem ter zake van het medeplegen van moord, het uitvoeren van cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk en overtreding van de Wet Wapens en Munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer : 14.010627-04

Datum uitspraak: 20 september 2005

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte 2],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord, Huis van Bewaring Zwaag, De Compagnie I te Zwaag.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 24 maart, 10 juni en 6 september 2005.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank de verdachte terzake van de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar met aftrek van voorarrest en dat de rechtbank zal beslissen met betrekking tot de in beslaggenomen goederen.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en mr. J.S. Dallinga naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, onder 1 ten laste gelegd, dat (zaak 1)

hij op of omstreeks 16 september 2004 te Wieringerwerf, gemeente Wieringermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer], in elk geval een man zich noemende [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer], althans voornoemde man zich noemende [slachtoffer], meermalen (met zeer veel kracht) met een mes en/of een riek, in elk geval een of meer scherpe en/of puntige voorwerp(en), in diens lichaam gestoken en/of met een schep op/tegen diens hoofd, en/of elders tegen het lichaam, geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer], althans voornoemde man zich noemende [slachtoffer], is overleden;

Aan de verdachte is, nadat een tweetal vorderingen van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, onder 2 ten laste gelegd, dat (zaak 3 tot en met 7) hij op een of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

20 april 2004 tot en met 01 september 2004, te weten op of omstreeks:

A: 20 april 2004 (zaak 7)

B: 04 juni 2004 (zaak 6)

C: 12 juli 2004 (zaak 5)

D: 22 juli 2004, in elk geval in of omstreeks de periode van 22 juli 2004 tot en met 24 juli 2004 (zaak 4)

E: 27 augustus 2004 (zaak 3)

in elk geval in het jaar 2004, te IJmuiden, gemeente Velsen, en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, te weten

A: (ongeveer) 200 gram cocaïne

B: (ongeveer) 1600 gram cocaïne

C: (ongeveer) 2000 gram cocaïne

D: (ongeveer) 2000 gram cocaïne

E: (ongeveer) 1600 gram cocaïne

in elk geval (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, (telkens) zijnde cocaïne (een) middel(en) vermeld op de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

immers is/zijn verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) (telkens), opzettelijk, in het bezit van die cocaine, met een (ferry)boot vanaf IJmuiden naar het Verenigd Koninkrijk (New Castle) gereisd en/of (vervolgens) heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) die cocaïne in het Verenigd Koninkrijk (in elk geval buiten

Nederland) gebracht;

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, onder 3 ten laste gelegd, dat hij op of omstreeks 15 december 2004 in de gemeente Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een gasdrukpistool (merk Walther, type cp-88, kaliber 4.5mm), zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, onder 4 ten laste gelegd, dat (zaak 3 tot en met 7) hij op een of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 april 2004 tot en met 15 december 2004 in de gemeente Groningen en/of in de gemeente Velsen, in elk geval in een of meer plaatsen in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of aanwezig gehad

een hoeveelheid van 200 gram cocaïne en/of 1600 gram cocaïne en/of 2000 gram

cocaïne en/of 2000 gram cocaïne en/of 1600 gram cocaïne en/of een of meer onbekend gebleven hoeveelhe(i)d(en), in elk geval een of meer verschillende hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne (telkens) zijnde cocaïne (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde

lid van artikel 2 en/of het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, onder 5 ten laste gelegd, dat (zaak 9)

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 15 december 2004 in de gemeente Groningen en/of elders in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een

(duurzaam) samenwerkingsverband van personen te weten hij, verdachte, en/of

[verdachte 7] en/of [verdachte 5] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 1] en/of en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 6] en/of een of meer andere perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- de misdrijven als omschreven in artikel 2 lid 1 onder A en/of B en/of C van de Opiumwet en/of 10a Opiumwet, te weten het meermalen binnen en/of buiten het

grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van cocaïne, althans (een) middel(en) vermeld op de lijst I behorende bij die Opiumwet, en/of de strafbare voorbereidingshandelingen hiertoe

en/of

- de misdrijven als omschreven in artikel 420 bis en/of artikel 420 ter en/of artikel 420 quater Wetboek van Strafrecht, te weten het witwassen van gelden afkomstig van de uitvoer en/of verkoop van cocaïne en/of hash en/of hennep, in elk geval een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 en/of het vijfde lid van artikel 3a van die wet) en/of lijst II (dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet), in elk geval afkomstig uit/van een of meer misdrij(f)v(en)

terwijl hij, verdachte, (een van de) leider(s) van voornoemde organisatie was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VRIJSPRAAK

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 5 is ten laste gelegd.

Niet iedere groep personen die tezamen misdrijven pleegt kan worden aangemerkt als een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Naar vaste rechtspraak is hiervan onder meer sprake indien die organisatie het plegen van misdrijven voor ogen heeft, de deelnemers aan die organisatie van dat oogmerk op de hoogte zijn en die organisatie zich kenmerkt door een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. Aangenomen moet worden dat daarvan sprake is indien binnen het samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling bestaan, waaraan de in die organisatie participerende personen gebonden zijn, zodanig dat op hen een zekere druk kan worden uitgeoefend zich aan die regels te houden en zich aan die doelstelling te committeren. De organisatie moet een afzonderlijke eenheid vormen waarin de deelnemers niet ieder voor zich, onafhankelijk van de overige deelnemers, maar in onderlinge samenwerking participeren. Het samenwerkingsverband moet een zekere bestendigheid en duurzaamheid bezitten en zodoende de gelegenheid krijgen een eigen dynamiek te ontplooien.

Blijkens de stukken en het verhandelde op de terechtzitting hebben medeverdachte [verdachte 1] en verdachte [verdachte 2] op enig moment het plan opgevat om een cocaïnelijn vanuit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk op te zetten. In dat kader hebben vijf of wellicht zes cocaïnetransporten plaatsgevonden. [verdachte 1] had contact met een persoon die cocaïne kon leveren en [verdachte 2] had connecties met potentiële afnemers in het Verenigd Koninkrijk. Nadat deze verdachten eerst samen één en wellicht twee transporten hadden uitgevoerd hebben zij anderen bij de volgende transporten betrokken. [verdachte 4] reed eenmaal met een auto waarin cocaïne was verborgen naar het Verenigd Koninkrijk. Hij hielp bij een ander transport door met gebruikmaking van zijn creditcard een auto te huren. [verdachte 3] trad tweemaal op als chauffeur van de smokkelauto. [verdachte 5] was betrokken bij de huur van auto’s waarmee de cocaïne werd vervoerd, zij boekte overtochten naar Engeland en regelde vliegtickets voor [verdachte 1] en [verdachte 2]. Bovendien was zij betrokken bij het tellen van het geld. [verdachte 6] heeft na het laatste drugstransport naar het Verenigd Koninkrijk een plak van circa 400 gram cocaïne bewaard. Tevens heeft hij zich blijkens een aantal afgeluisterde telefoongesprekken bemoeid met de financiële afwikkeling van een van de transporten.

De rechtbank heeft weliswaar vastgesteld dat deze personen in samenwerking met elkaar betrokken zijn bij een aantal drugstransporten, maar de rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat er sprake is van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat kan worden beschouwd als een afzonderlijke eenheid waarvoor een gemeenschappelijke doelstelling en gemeenschappelijk regels gelden waaraan de deelnemers werden gehouden. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van een criminele organisantie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Daarom moet de verdachte hiervan worden vrijgesproken.

3. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

ten aanzien van feit 1:

hij op 16 september 2004 te Wieringerwerf, gemeente Wieringermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer], zich noemende [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] meermalen met zeer veel kracht met een mes en een puntig voorwerp in diens lichaam gestoken en met een schep op diens hoofd en elders tegen het lichaam geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

ten aanzien van feit 2:

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 20 april 2004 tot en met 1 september 2004, te weten op:

A: 20 april 2004

B: 4 juni 2004

C: 12 juli 2004

D: 24 juli 2004

E: 27 augustus 2004,

te IJmuiden, gemeente Velsen en elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, te weten

A: ongeveer 200 gram cocaïne

B: een hoeveelheid cocaïne

C: ongeveer 2000 gram cocaïne

D: een hoeveelheid cocaïne

E: ongeveer 1600 gram cocaïne

immers zijn verdachte en/of een of meer van zijn mededaders telkens opzettelijk, in het bezit van die cocaïne, met een ferryboot vanaf IJmuiden naar het Verenigd Koninkrijk, Newcastle, gereisd en hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededaders die cocaïne buiten Nederland gebracht;

ten aanzien van feit 3:

hij op 15 december 2004 in de gemeente Groningen tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een gasdrukpistool, merk Walther, type cp-88, kaliber 4.5mm, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van feit 4:

hij op tijdstippen in de periode van 20 april 2004 tot en met 1 september 2004 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk heeft vervoerd en aanwezig gehad een hoeveelheid van ongeveer 200 gram cocaïne en een hoeveelheid cocaïne en ongeveer 2000 gram cocaïne en een hoeveelheid cocaïne en ongeveer 1600 gram cocaïne.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

5. NADERE MOTIVERING

terzake van feit 4:

Tenlastegelegd is het in Nederland verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van exact dezelfde hoeveelheden cocaïne als waarvan in feit 2 de uitvoer wordt verweten.

Gelet op deze overeenkomst vat de rechtbank de tenlastelegging aldus op dat deze betrekking heeft op handelingen die verdachte en zijn mededaders ten aanzien van de uitgevoerde partijen cocaïne in het kader van die uitvoer hebben verricht.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte en zijn mededader(s) in Nederland de in de tenlastelegging bedoelde partijen cocaïne hebben verkocht, afgeleverd en verstrekt.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter terechtzitting hebben deze handelingen zich afgespeeld in het Verenigd Koninkrijk, hetgeen niet is ten laste gelegd.

De rechtbank acht evenmin bewezen dat er andere partijen (de in de tenlastelegging genoemde onbekend gebleven hoeveelheden) cocaïne zijn verkocht, afgeleverd en verstrekt in Nederland.

6. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van moord

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie.

Ten aanzien van feit 4:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Nadere motivering terzake van het onder 2 en 4 bewezenverklaarde.

Onder 2 en 4 is bewezen verklaard het medeplegen van het uitvoeren van cocaïne, het

vervoeren van cocaïne en het aanwezig hebben van cocaïne. De uitvoer van cocaïne is de

logische specialiteit van het vervoer van cocaïne; uitvoeren heeft alle kenmerken van

vervoeren met een extra kenmerk, namelijk het vervoeren van Nederland naar het

buitenland.

De verhouding tussen uitvoer en vervoer enerzijds en het aanwezig hebben van cocaïne anderzijds is die van de eendaadse samenloop bedoeld in artikel 55 lid 1 Wetboek van Strafrecht, aangezien verdachte en zijn mededaders de cocaïne tijdens het vervoeren/uitvoeren noodzakelijkerwijs ook aanwezig hadden.

Gelet op een en ander zal de rechtbank beide leden van artikel 55 van het Wetboek van

Strafrecht toepassen.

7. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

De inhoud van het in dit vonnis onder 8. genoemde multidisciplinaire rapportage

opgemaakt in opdracht van de officier van justitie te Alkmaar, geeft de rechtbank geen aanleiding tot niet-strafbaarheid van de verdachte te concluderen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de

verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. MOTIVERING VAN DE STRAF

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan moord op [slachtoffer] ([slachtoffer]), die de leverancier was van cocaïne die verdachte en zijn mededaders uitvoerden naar het Verenigd Koninkrijk. Op enig moment is door verdachte en zijn mededaders besloten om [slachtoffer] van het leven te beroven. De moord is dagen van tevoren beraamd. Eerst in het Verenigd Koninkrijk en later in Nederland is er over de moord gesproken. Op de dag voor de moord is de plaats van het delict door verdachte en een van zijn mededaders bekeken en op de dag van de moord zelf is er nog een derde moordwapen (een mes) aangeschaft, alsmede andere hulpmiddelen die men verwachtte nodig te hebben. In de namiddag van de bewuste dag is [slachtoffer] onder valse voorwendselen meegelokt naar Amsterdam, waarna hij, na een “gezellig” avondje uit te zijn geweest met verdachte en zijn mededaders, op gruwelijke wijze om het leven is gebracht in het Robbenoordbos. [slachtoffer] is in het bewuste bos uit de auto getrokken waarna verdachte en zijn mededaders hem door middel van het steken met een vork en een mes en het slaan met een schep of schop hebben gedood. Het betreft een zorgvuldig voorbereide moord waarvan de daders reeds op voorhand hadden kunnen voorzien, door de keuze van de moordwapens, dat een en ander zou uitlopen op een gruwelijke slachtpartij.

Uit de stukken is niet gebleken dat het slachtoffer de daders onrecht heeft aangedaan, noch dat er een concrete dreiging van hem uitging. Veeleer lijkt het op een moord die gepleegd is om er financieel beter van te worden.

De rechtbank acht de moord op [slachtoffer] een buitengewoon ernstig delict. Verdachte en zijn mededaders hebben door hun handelen een onherstelbare inbreuk gemaakt op het recht van leven. Dit misdrijf heeft de rechtsorde in ernstige mate geschokt.

Naast dit misdrijf heeft verdachte samen met anderen meerdere keren cocaïne van Nederland naar het Verenigd Koninkrijk getransporteerd. De zucht naar geldelijk gewin was daarbij zijn enige drijfveer en hij heeft daarbij geen acht geslagen op de onaanvaardbare risico’s die dergelijke delicten opleveren voor de volksgezondheid en de openbare orde. Bovendien wordt door dergelijke feiten de negatieve reputatie van Nederland als drugsuitvoerend land bevestigd.

Tenslotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet Wapens en Munitie. Het voorhanden hebben van een verboden wapen kan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 4 januari 2005, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder tot straf is veroordeeld.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 21 maart 2005 van H. Trompert als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, Regio Alkmaar/Haarlem.

- het over de verdachte uitgebrachte psychiatrische en psychologische rapport gedateerd 11 maart 2005, van drs. I. Matthaei, psychiater en drs. E. Stam, psycholoog.

Laatstgenoemd rapport houdt onder meer het volgende in:

Bij betrokkene is sprake van een narcistische persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Daarnaast is sprake van cannabisafhankelijkheid. Beide stoornissen zijn aanwezig geweest ten tijde van het ten laste gelegde.

Onderzoekers hebben geen verband kunnen vinden tussen de stoornissen en het ten laste gelegde. Ondanks zijn stoornissen is betrokkene in staat om de wederrechtelijkheid van het ten laste gelegde in te zien. Hij heeft zijn gedrag voldoende kunnen afstemmen op dat inzicht. De moord van of doodslag op het slachtoffer lijkt een consequentie van de situatie waarin hij zich had gemanoeuvreerd.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf en de hoogte daarvan naast het vorenstaande voorts rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte vrijwel vanaf het begin tegenover de politie openheid van zaken heeft gegeven en daarbij ook zijn eigen aandeel in de feiten niet uit de weg is gegaan.

De rechtbank is, gelet op alle omstandigheden, van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur op haar plaats is.

Bij het bepalen van die duur houdt de rechtbank rekening met hetgeen hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE omtrent samenloop is overwogen.

9. MOTIVERING VAN DE BIJKOMENDE STRAF

De rechtbank is van oordeel, dat de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

a. een telefoontoestel, Panasonic,

b. een telefoontoestel, kleur blauw, Nokia,

c. een stuk papier met SIM en nummer 06-17860719,

d. een telefoontoestel, Nokia, NHL 18,

e. een telefoonkaart, prepaidkaart en nummer 06-17470111,

f. een handleiding Nokia 3650,

g. een computer,

dienen te worden verbeurd verklaard.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde onder 2 en 4 met behulp van voornoemde voorwerpen is begaan en dat de voorwerpen toebehoren aan de verdachte.

10. MOTIVERING VAN DE MAATREGEL

De rechtbank is van oordeel, dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

a. een alarmpistool, Walther CP 88 Gas,

b. kist om een wapen in op te bergen

dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang.

Verder is uit het onderzoek op de terechtzitting gebleken dat het onder 3. bewezen- verklaarde met betrekking tot het alarmpistool is begaan. De wapenkist is de bij het alarmpistool behorende verpakking, die elders in de woning van de verdachte is aangetroffen tijdens de doorzoeking.

11. BESLISSING OMTRENT IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De rechtbank is van oordeel, dat de in beslag genomen voorwerpen

a. een broek,

b. en papier met telefoonnummers over vluchtnummers,

c. een stuk papier met een schuldbekentenis [verdachte 4],

d. een handleiding gsm NEC imeinr. 352105000338807,

e. handleiding Nokia 3650 met nr. 06-55154305,

f. een telefoontoestel Sony CMD J5,

g. een bankafschrift, afschriften ABN-AMRO bank,

h. een stuk papier, money transfer,

i. een agenda,

j. een mapje met foto’s,

k. een foudraal met mes,

l. een cassetteband MAXWELL,

dienen te worden teruggegeven aan de verdachte.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken, dat deze persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

12. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen (bijkomende) straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47, 55 leden 1 en 2, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 13 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

13. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 15 (vijftien) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van De opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaard verbeurd:

a. een telefoontoestel, Panasonic,

b. een telefoontoestel, kleur blauw, Nokia,

c. een stuk papier met SIM en nummer 06-17860719,

d. een telefoontoestel, Nokia, NHL 18,

e. een telefoonkaart, prepaidkaart en nummer 06-17470111,

f. een handleiding Nokia 3650 en

g. een computer.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

a. een Alarmpistool, Walther CP 88 Gas,

b. kist om een wapen in op te bergen

Gelast de teruggave aan de verdachte van:

a. een broek,

b. en papier met telefoonnummers over vluchtnummers,

c. een stuk papier met een schuldbekentenis [verdachte 4],

d. een handleiding gsm NEC imeinr. 352105000338807,

e. handleiding Nokia 3650 met nr. 06-55154305,

f. een telefoontoestel Sony CMD J5,

g. een bankafschrift, afschriften ABN-AMRO bank,

h. een stuk papier, money transfer,

i. een agenda,

j. een mapje met foto’s,

k. een foudraal met mes,

l. een cassetteband MAXELL,

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van der Perk, voorzitter,

mr. A.J. Dondorp en mr. P. van Steijnen, rechters,

in tegenwoordigheid van M. Woudman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 september 2005.