Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2005:AU3503

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
04-07-2005
Datum publicatie
29-09-2005
Zaaknummer
181396 CV EXPL 05-591
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij in kracht van gewijsde gegaan verstekvonnis d.d. 3 februari 2003 van de kantonrechter te Hoorn is onder meer de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden vanwege een huurachterstand. In kort geding vordert de huurder de verhuurder te verbieden om voornoemd vonnis voor wat betreft de ontruiming ten uitvoer te leggen. De kantonrechter concludeert na een belangenafweging dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat geen sprake is van misbruik van bevoegdheid van de verhuurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2005, 197

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector kanton - locatie Hoorn

Vonnis in kort geding

De kantonrechter als voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding, heeft het volgende vonnis gewezen in de zaak van:

[eiser], wonende te [woonplaats]

eisende partij in kort geding

verder ook te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. W. Searle, advocaat te Hoorn

Toevoeging aangevraagd

tegen:

de stichting Stichting Intermaris, h.o.d.n. Intermaris Woondiensten, gevestigd te Hoorn

gedaagde partij in kort geding

verder ook te noemen: Intermaris

gemachtigde: J.H. Kerckhoffs, gerechtsdeurwaarder te Hoorn

Het procesverloop

[Eiser] heeft bij dagvaarding d.d. 23 februari 2005 met producties een voorziening gevorderd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

De zaak is behandeld op de terechtzitting van 1 maart 2005, alwaar zijn verschenen [eiser] in persoon en Intermaris bij haar medewerker debiteurenadministratie [medewerker Intermaris]; partijen werden bijgestaan door hun gemachtigden.

[Eiser] heeft de vordering bij monde van haar gemachtigde toegelicht. Intermaris heeft tegen de vordering verweer doen voeren aan de hand van een productie.

Vervolgens is de zaak aangehouden voor uitlating van partijen over de voortgang van de procedure. Partijen hebben zich ter rolle van 6 juni 2005 bij akte uitgelaten, onder overlegging van producties.

De inhoud van deze processtukken geldt als hier ingelast.

Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

De uitgangspunten

1. Bij in kracht van gewijsde gegaan verstekvonnis d.d. 3 februari 2003 van de kantonrechter te Hoorn is onder meer de huurovereenkomst tussen partijen betreffende de door Intermaris aan [eiser] verhuurde woning aan de [adres] te [woonplaats] ontbonden vanwege een huurachterstand.

2. Op [eiser] is de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing geweest welke in december 2004 is beëindigd zonder toekenning van de beoogde schone lei.

3. Op 24 januari 2005 is op basis van voornoemd vonnis bij exploot aan [eiser] de ontruiming aangezegd tegen 24 februari 2005.

Het geschil

4. [Eiser] vordert thans, kort en zakelijk weergegeven, bij wege van voorziening ex artikel 254 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, op straffe van een dwangsom Intermaris te verbieden om voornoemd vonnis van de kantonrechter voor wat betreft de ontruiming ten uitvoer te leggen, met veroordeling van Intermaris in de proceskosten.

5. [Eiser] stelt ter onderbouwing van haar vordering, zakelijk weergegeven, dat Intermaris geen redelijk belang heeft bij tenuitvoerlegging van de ontruimingsveroordeling. [Eiser] heeft in de periode vanaf het verstekvonnis tot heden de lopende huurpenningen grotendeels voldaan, zodat Intermaris geen enkel belang heeft bij ontruiming. Voor wat betreft de nog bestaande huurachterstand die aan het ontruimingsvonnis ten grondslag heeft gelegen wenst [eiser], nu de schuldsaneringsregeling is beëindigd, een betalingsregeling te treffen. Daarbij tekent [eiser] aan dat haar afloscapaciteit beperkt is tot € 50,00 per maand. Ontruiming zal niet tot betaling van de huurachterstand leiden. [Eiser] verwacht haar financiële situatie op korte termijn zodanig op orde te hebben dat vanaf juli 2005 de lopende termijnen steeds rond de 15e van de maand zullen worden voldaan. [Eiser] stelt dat Intermaris om andere redenen dan waarvoor het verstekvonnis destijds is afgegeven ontruiming wenst, hetgeen na ruim 2 jaar misbruik van bevoegdheid oplevert.

6. Intermaris concludeert in haar verweer tot afwijzing van de vordering en voert hiertoe, zakelijk weergegeven, het volgende aan. Intermaris erkent dat gedurende de schuldsaneringsregeling de lopende huur steeds betaald is. Op de reeds bestaande achterstand is in die periode echter in het geheel niets afgelost. Het is onredelijk van Intermaris te verlangen dat zij akkoord gaat met de thans door [eiser] voorgestelde afbetalingsregeling, welke minimaal 5 á 6 jaar zou gaan duren. Na de mondelinge behandeling van het onderhavige kort geding is bovendien de huurachterstand opgelopen wegens het niet tijdig voldoen van de huurtermijnen betreffende mei en juni 2005. Intermaris heeft derhalve recht en belang bij executie van de ontruimingsveroordeling.

De beoordeling

7. De spoedeisendheid van de zaak vloeit uit het gestelde voort en is in voldoende mate gebleken.

8. De kantonrechter stelt voorop dat Intermaris, die met het vonnis d.d. 3 februari 2003 over een executoriale titel beschikt, in beginsel bevoegd is van deze titel gebruik te maken en [eiser] mitsdien tot ontruiming kan dwingen. Op dit uitgangspunt kan slechts dán een uitzondering worden aanvaard indien moet worden aangenomen dat Intermaris misbruik van haar bevoegdheid maakt.

9. [Eiser] betoogt dat Intermaris in de onderhavige situatie misbruik maakt van haar executiebevoegdheid nu Intermaris in redelijkheid geen belang heeft bij ontruiming.

1. Als door [eiser] erkend, althans onvoldoende weersproken, staat vast dat ten tijde van dagvaarding op 23 februari 2005 niets was afgelost op de schuld ad € 1.783,40 die bestond ten tijde van het vonnis d.d. 3 februari 2003. De behandeling van het onderhavige kort geding is op 1 maart 2005 aangehouden in de veronderstelling dat op de huurschuld zou worden afgelost. Het tegenovergestelde is echter gebeurd. Bij akte uitlating d.d. 6 juni 2005 heeft [eiser] erkend de huurtermijnen betreffende mei en juni 2005 nog niet te hebben voldaan ten gevolge van financiële problemen. Daarbij heeft zij wel toegezegd deze medio juni te zullen betalen.

1. Terzake de schuld ad € 1.783,40 heeft [eiser] een betalingsregeling voorgesteld, welke echter door Intermaris niet is geaccepteerd. Intermaris is blijkens het bepaalde in artikel 6:29 BW in beginsel ook niet gehouden betaling in gedeelten te accepteren.

12. Naar het oordeel van de kantonrechter is, gelet op de aanzienlijke huurachterstand die [eiser] heeft waarop gedurende de schuldsaneringsregeling niets is afgelost en welke na beëindiging daarvan enkel is opgelopen, voldoende komen vast te staan dat Intermaris een gerechtvaardigd belang heeft bij tenuitvoerlegging van voornoemd ontruimingsvonnis. Van misbruik van bevoegdheid zou sprake kunnen zijn wanneer Intermaris, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen haar belang bij uitoefening van de executiebevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

13. Gegeven het feit dat aan het in kracht van gewijsde gegane verstekvonnis uiteraard een belangenafweging vooraf is gegaan en gelet op de sedert het arrest van de Hoge Raad d.d. 22 april 1983 (NJ 1984, 145) vaste jurisprudentie dienen bij de onder 12 bedoelde belangenafweging slechts in aanmerking genomen te worden eventuele na het verstekvonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten of omstandigheden. Bij dit verstekvonnis is de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden, zodat [eiser] thans zonder recht of titel in de woning verblijft. De kantonrechter is van oordeel dat van de zijde van [eiser] geen zodanige na 3 februari 2003 voorgevallen of aan het licht gekomen feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht welke de conclusie rechtvaardigen dat haar belang bij voortgezette bewoning van de woning behoort te prevaleren boven het belang van Intermaris bij uitoefening van haar executiebevoegdheid.

14. Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel, dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen, met haar veroordeling in de kosten van het geding.

De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die tot heden voor Intermaris worden vastgesteld op een bedrag van € 200,00 voor salaris van de gemachtigde van Intermaris, waarover [eiser] geen BTW verschuldigd is.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. van de Sande, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2005.

De griffier

De kantonrechter

Rolnummer: 181396 CV EXPL 05-591

Uitspraakdatum: 4 juli 2005