Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2005:AU3011

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
21-09-2005
Datum publicatie
21-09-2005
Zaaknummer
05/1992
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verlening bouwvergunning voor de bouw van een gascompressorstation, onder vrijstelling van het bestemmingsplan.

Geen aanleiding tot schorsing van het besluit hangende bezwaar. Verzoeker beroept zich in de eerste plaats op risico’s voor de externe veiligheid. Deze dienen primair bij de toetsing van de milieuvergunning aan de orde te komen, en spelen in deze procedure slechts een beperkte rol. Er is geen reden te betwijfelen dat de milieuvergunning op het punt van de externe veiligheid stand kan houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr: 05/1986 WRO en 05/1992 WRO

Inzake: [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

tegen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaatsnaam], verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

De besluiten van verweerder van 4 mei 2005 en 27 juli 2005.

2. Zitting

Datum: 9 september 2005.

Verzoeker is, daartoe ambtshalve opgeroepen, in persoon verschenen, bijgestaan door mr. [advocaat], advocaat te Amsterdam.

Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigden mr. [advocaat] en [Gemachtigde].

Verder zijn de vennootschap onder firma [firma], vergunninghoudster, en de [belanghebbende] als partij verschenen, vertegenwoordigd door mr. N.H. van den Biggelaar, advocaat te Den Haag.

Daarbij zijn verschenen M. Bosman, directeur [firma], [...], projectleider [firma], [...], coördinator externe veiligheid van de [belanghebbende], [...], compressordeskundige [belanghebbende], en [...], jurist bij de [belanghebbende].

3. Ontstaan en loop van het geding

Bij formulier, gedateerd 13 oktober 2004, heeft de vennotschap onder [firma] (hierna: [firma]) een aanvraag om een bouwvergunning eerste fase ingediend voor het oprichten van een gascompressorstation met bijbehorende gebouwen, op het perceel [adres] kadastraal bekend gemeente [plaatsnaam], sectie [...], nrs. [...] en [...] (hierna: het perceel), welke aanvraag op 13 oktober 2004 door verweerder is ontvangen.

Verzoeker heeft bij brief van 2 maart 2005 een zienswijze ingediend over de aanvraag.

Verzoeker is in de gelegenheid gesteld tijdens een hoorzitting van 17 maart 2005 zijn zienswijze nader toe te lichten.

Bij formulier, gedateerd 15 april 2005, heeft [firma] een aanvraag om een bouwvergunning tweede fase ingediend voor het oprichten van het gascompressorstation.

Bij besluit van 26 april 2005 hebben gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland (hierna: GS) een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) afgegeven.

Bij besluit van 4 mei 2005 heeft verweerder [firma] met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan en de gevraagde bouwvergunning eerste fase verleend.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 10 juni 2005 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 27 juli 2005 heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning tweede fase verleend.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 25 augustus 2005 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 26 augustus 2005 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om toepassing te geven aan artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij brief van 26 augustus 2005 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

Vervolgens is het geding ter zitting behandeld.

4. Motivering

4.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel daarover een voorlopig karakter en is niet bindend voor de beslissing in die procedure.

4.2 Het bouwplan voorziet in de oprichting van een gascompressorstation (hierna: het station) in [plaatsnaam], tussen de [adres] en de [adres], nabij het [kanaal]. Het station wordt gebouwd voor de export van aardgas naar Engeland. Het is ontworpen voor het mengen, meten en transporteren van aardgas vanaf de velden op het Nederlandse deel van het Continentaal Plat via een transportleiding naar Bacton in Engeland. Het station maakt deel uit van een transportsysteem dat, naast het station, is opgebouwd uit een ‘onshore’ transportleiding vanaf het station naar de duinkruising nabij Julianadorp, een ‘offshore’ leidingdeel van circa 230 km naar Bacton, een ‘onshore’ leidingdeel vanaf de Engelse kust naar de bestaande terminal in Bacton, en ontvangstfaciliteiten op de terminal in Bacton.

Het terrein waarop het station wordt gerealiseerd heeft een omvang van ongeveer 14 hectare. Het compressorstation heeft weliswaar een groot terreinoppervlakte nodig, maar de feitelijke bebouwing, waarin een deel van de installaties wordt gehuisvest, bestrijkt slechts een klein deel van het terrein. De technische installaties vormen het hart van het complex. Behalve de technische installaties worden enkele gebouwen opgetrokken. Er wordt een hoofdgebouw opgericht, waarin de portiersruimte, de kleedruimten, ontvangstruimte, kantoor en kantine worden geprojecteerd. Deze algemene ruimte wordt door een hekwerk van de technische installatie gescheiden. Verder gaat het om een transformatorgebouw, een generatorgebouw en twee Variable Speed Drive System (VSDS)-gebouwen met daarin de besturingssystemen voor de compressoren. Naast gebouwen zal een aantal pijpen met afsluiters van verschillende diameters worden aangelegd. Het complex zal voorts worden omgeven door een aarden wal, en daaromheen een sloot.

Het compressie-, meng- en meetproces wordt geheel vanuit het hoofdkantoor van de [belanghebbende] in [plaatsnaam] gestuurd en gecontroleerd. De personele bezetting zal voornamelijk bestaan uit enkele personen voor het onderhoud. De hoeveelheid verkeer zal, wanneer het complex eenmaal is gerealiseerd, beperkt zijn tot enig intern verkeer op het eigen terrein en een beperkte hoeveelheid (vracht)verkeer van drie tot zes auto’s per dag.

De technische installatie zal gefaseerd worden opgericht. Het bouwplan voorziet in drie compressoren. De [belanghebbende] wil het station in december 2006 in gebruik nemen.

De percelen van verzoeker liggen aan de overzijde van het [kanaal], op een afstand van circa 250 meter van het complex. Op de percelen staan een bedrijfswoning, twee grote schuren en een kantoorruimte.

Voor het bouwen en in gebruik nemen van het station hebben GS bij besluit van 31 mei 2005 een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer (hierna: Wmb) verleend.

4.3 Bij de beoordeling van het verzoek zijn de volgende bepalingen van belang.

4.3.1 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voorzover hier van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

4.3.2 Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1992” heeft het betrokken perceel de bestemming “Agrarische bedrijven”. Vaststaat dat de bouw en het gebruik van het station in strijd zijn met deze bestemming.

4.4 Partijen hebben zich op de navolgende standpunten gesteld.

4.4.1 Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verweerder de belangen onjuist heeft afgewogen en dat het bouwplan voor het station niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Ten aanzien van de belangenafweging heeft verzoeker allereerst naar voren gebracht dat de externe veiligheid onvoldoende is betrokken bij de besluitvorming. Ook vindt hij dat bij de belangenafweging onvoldoende rekening is gehouden met de overlast van geluid en licht die hij van het station zal ondervinden. Daarbij komt dat er onvoldoende waarborgen zijn dat de schade van de omwonenden wordt vergoed. Verder heeft verweerder ten onrechte het Nederlands economisch belang bij de bouw van het station doorslaggevend heeft geacht. Dat zo’n belang zou bestaan betekent nog niet dat het station nu juist op deze plek moet worden gebouwd. Ten aanzien van de ruimtelijke onderbouwing heeft verzoeker gesteld dat de vrijstelling zich niet verhoudt met provinciaal en gemeentelijk beleid. Voorts is in strijd met het streekplan geen beeldkwaliteitplan opgesteld. Verder is de locatiekeuze onvoldoende onderbouwd. Er heeft slechts een globale vergelijking van verschillende locaties plaatsgevonden. Aangenomen moet worden dat de keus voor deze locatie is ingegeven door financiële motieven, en die vormen geen goede ruimtelijke onderbouwing.

Verzoeker heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat tegen de vergunning op grond van de Wet milieubeheer beroep is ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS), maar dat niet is verzocht om een voorlopige voorziening bij de Voorzitter van de ABRvS.

4.4.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de externe veiligheid een belangrijke rol dient te spelen bij de besluitvorming, maar in de eerste plaats relevant is in het kader van de milieuvergunning. Voorzover de externe veiligheid ook in deze procedure aan de orde is, is verweerder van mening dat uit de voorliggende rapportages voldoende blijkt dat de in opdracht van [firma] uitgevoerde risicoanalyse de toets der kritiek kan doorstaan. Het station voldoet aan de normen van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi), zodat met het belang van verzoeker bij het waarborgen van de externe veiligheid voldoende rekening is gehouden. Ook voor het overige vindt verweerder dat hij de belangen op juiste wijze heeft afgewogen.

Verweerder acht de ruimtelijke onderbouwing van het plan voldoende. Het realiseren van het gascompressorstation op de gekozen locatie levert uiteindelijk de minst mogelijke hinder en risico’s op voor zo weinig mogelijk personen en verweerder vindt het station landschappelijk goed inpasbaar. Verzoeker doet het ten onrechte voorkomen alsof het betreffende gebied een idyllisch landschap vormt, waar de tijd kennelijk heeft stilgestaan. Niets is echter minder waar, de locatie en de omgeving worden juist gekenmerkt door het industriële karakter van bijvoorbeeld loodsen, windturbines en hoogspanningsmasten.

4.5 De voorzieningenrechter zal eerst bezien of het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

4.5.1 Verweerder heeft voor de ruimtelijke onderbouwing verwezen naar het ontwerp-bestemmingsplan ‘Gascompressorstation’ van 30 maart 2005. Verzoeker heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat onvoldoende is gemotiveerd hoe het station zich verhoudt tot provinciaal en gemeentelijk beleid. De voorzieningenrechter overweegt dat het station inderdaad in provinciaal en gemeentelijk beleid niet is voorzien. Gelet op het feit dat inmiddels een ontwerp-bestemmingsplan voor het station is opgesteld, het overleg daarover als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordeing 1985 is afgerond en door GS een verklaring van geen bezwaar voor de vrijstelling is afgegeven, zijn de gemeentelijke en provinciale planwetgever echter thans van oordeel dat de bouw van een dergelijk station in het betreffende gebied niet bezwaarlijk is.

Voorts is in het ontwerp-bestemmingsplan naar het oordeel van de voorzieningenrechter de landschappelijke inpassing van het station voldoende gemotiveerd, waarbij mede van belang is dat in het plan ontwerp-criteria zijn geformuleerd, waaraan het station dient te voldoen om deze inpassing te waarborgen.

Verzoeker heeft daarnaast aangevoerd dat in strijd met het streekplan geen beeldkwaliteitplan is opgesteld, waarin de relatie tussen het bouwplan en kernkwaliteiten van het gebied wordt toegelicht. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat GS in de verklaring van geen bezwaar te kennen hebben gegeven dat weliswaar geen afzonderlijk beeldkwaliteitplan is opgesteld, maar dat alle elementen die zij in een dergelijk plan opgenomen willen zien, in de stukken in voldoende mate aan de orde zijn gekomen.

4.5.2 Verzoeker heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de locatiekeuze onvoldoende is gemotiveerd. De voorzieningenrechter volgt dit niet. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS kan, indien een bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van een alternatieve locatie slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door gebruikmaking van een alternatief een aanzienlijk beter resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat aan die voorwaarde in dit geval is voldaan. In het ontwerp-bestemmingsplan wordt aangesloten bij hetgeen in de MER-studie ‘Balgzand-Bacton Leiding, 2004’ is geconcludeerd over de locatiekeuze. Bepalend voor deze keuze zijn geweest dat het station in ieder geval bij de transportleiding vanaf [plaatsnaam] gesitueerd moet zijn, het station moet kunnen voldoen aan wettelijke veiligheids- en milieueisen, en de keuze van de locatie zoveel mogelijk gebaseerd moet zijn op duurzaamheidsprincipes. Aan de hand hiervan is de onderhavige locatie het meest geschikt bevonden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de locatiekeuze hiermee voldoende gemotiveerd.

4.5.3 De voorzieningenrechter ziet al met al geen reden om te zeggen dat de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende is.

4.6 Partijen worden voorts verdeeld gehouden over de vraag of de belangenafweging die aan de vrijstelling van het bestemmingsplan ten grondslag heeft gelegen zorgvuldig en juist is verricht. Verzoeker heeft in dit verband met name aangevoerd dat de risico’s voor de externe veiligheid onvoldoende bij de besluitvorming zijn betrokken.

4.6.1 De vraag is echter in hoeverre de door verzoeker in dit verband aangevoerde argumenten in deze procedure een rol kunnen spelen. De voorzieningenrechter overweegt (onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 11 juni 2003, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: AF9859) dat de bescherming van het milieu -en verzoeker- tegen hinder die gepaard gaat met het uitoefenen van een activiteit waarop de vrijstelling ziet, een aspect betreft waarvan de beoordeling primair plaats dient te vinden in het kader van de Wet milieubeheer. Er zal in het algemeen slechts dan aanleiding bestaan voor het oordeel dat het bevoegde bestuuursorgaan niet in redelijkheid met toepassing van artikel 19 van de WRO vrijstelling heeft kunnen verlenen, indien ernstig moet worden betwijfeld dat voor de daarmee gepaard gaande activiteit een vergunning krachtens de Wmb kan worden verleend.

4.6.1.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat de externe veiligheid een van de aspecten is die bij een aanvraag om verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wmb dient te worden getoetst. Die vergunning is op 31 mei 2005 door GS verleend, waarbij de risico’s voor de externe veiligheid uitdrukkelijk zijn meegewogen. Daarom bestaat slechts dan aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen, indien ernstig moet worden betwijfeld dat de verleende milieuvergunning in rechte stand kan houden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiervan geen sprake is, en overweegt daarbij het volgende.

4.6.1.2 Verzoeker heeft onder meer aangevoerd dat het station niet voldoet aan de normen van het Bevi, dan wel onvoldoende is onderzocht of het station hieraan voldoet. Gelet op artikel 4, eerste lid, en artikel 5 van het Bevi is deze regeling echter niet rechtstreeks van toepassing op het bestreden besluit tot verlening van vrijstelling. De normen van deze regeling spelen alleen indirect een rol bij de toetsing van dit besluit.

4.6.1.3 In opdracht van de [belanghebbende] is in september 2004 een kwantitatieve risicoanalyse opgesteld door het bureau [risicoanalyse bureau]. In december 2004 heeft het bureau een aanvullende analyse uitgebracht. In maart 2005 is opnieuw een kwantitatieve risicoanalyse opgesteld. Hierin is het volgende geconcludeerd:

‘In voorliggend rapport is geanalyseerd wat het externe risico bedraagt van het nieuw te bouwen compressorstation Noord-Holland. Op grond van de uitgevoerde kwantitatieve risicoanalyse (QRA) kan worden geconcludeerd dat het externe risico verbonden met de nieuw te bouwen installatie aanvaardbaar is. De 10 -6 per jaar plaatsgebonden risicocontour - die als bepalende contour wordt gezien in het kader van risiconormering/-zonering in Nederland voor nieuwe installaties – overschrijdt geen gevoelige bestemmingen en blijft op het bedrijfsterrein. Het groepsrisico blijft ver beneden de normlijn.’

Verzoeker heeft memo’s van het bureau [...] van 23 februari 2005, en van het bureau [...] van 13 mei 2005 en 9 september 2005 overgelegd, waarin kanttekeningen bij de risicoanalyse van [risicoanalyse bureau] worden geplaatst. De door verzoeker overgelegde informatie leidt de voorzieningenrechter echter niet tot het oordeel dat ernstig moet worden betwijfeld dat de verleende milieuvergunning op het punt van de externe veiligheid in rechte stand kan houden.

4.6.2 Gelet op het voorgaande kan ook het argument van verzoeker dat onvoldoende is onderzocht in hoeverre de risico’s voor de externe veiligheid beperkingen voor de uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijven en woningen in de omgeving van het station met zich brengen, niet slagen. Niet is gebleken dat die risico’s er zijn.

4.6.3 Verzoeker heeft daarnaast aangevoerd dat hij geluids- en lichthinder van het station verwacht te ondervinden. Ook deze aspecten dienen in de eerste plaats een rol te spelen bij de beslissing op de aanvraag om een milieuvergunning. Hetgeen verzoeker op deze punten heeft aangevoerd leidt de voorzieningenrechter niet tot het oordeel dat ernstig moet worden betwijfeld dat de verleende milieuvergunning wat deze punten betreft in rechte stand kan houden.

4.6.4 Over de stelling van verzoeker dat de financiële onderbouwing van de vrijstelling onvoldoende is, overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder eventuele schade niet zal kunnen vergoeden.

4.6.5 De voorzieningenrechter overweegt verder dat voldoende aannemelijk is dat de realisatie van het station een algemeen Nederlandse economische belang dient. Nu voorts, zoals hiervoor is geoordeeld, verweerder de locatiekeuze voldoende heeft gemotiveerd, heeft verweerder eveneens mogen concluderen dat er een belang is bij vestiging van het station op deze plek. Verweerder heeft dit mogen meewegen. Hiertegen dient het belang van verzoeker te worden afgewogen en blijkens het bestreden besluit is dit ook gebeurd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan op dit moment niet worden gezegd dat de voor verzoeker nadelige gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.

4.7 Hoewel de bouw van het station een ingrijpende ontwikkeling betreft, ziet de voorzieningenrechter nu, gelet op het voorgaande, geen reden om in afwachting van het oordeel van de ABRvS over de milieuvergunning en de beslissing van verweerder op het bezwaar, het bestreden besluit te schorsen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.

4.8 Bij deze beslissing is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

5. Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr. M. Kraefft, voor-zieningen-rechter, in tegen-woordig-heid van

mr. R. Heringa, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2005, door voornoemde voor-zieningen-rechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.