Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2005:AT9851

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
21-07-2005
Datum publicatie
22-07-2005
Zaaknummer
05 / 1122
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het college van burgemeester en wethouders van Wester-Koggenland legt aan het besluit ten grondslag dat geen sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf. Verweerder heeft geen eenduidig standpunt ingenomen over de uitleg van de planvoorschriften op dit punt, en het bestreden besluit is alleen al hierom onvoldoende gemotiveerd. Verder is de uitleg van verweerder onjuist dat bij vestiging van een agrarisch bedrijf al van aanvang af vast moet staan dat sprake is van volwaardigheid, en een aanzet daartoe niet voldoende is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

UITSPRAAK

op grond van de artikelen 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr: AWB 05/1122 GEMWT, AWB 05/1123 GEMWT

Inzake: [Naam], wonende te Ursem, eiseres,

tegen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wester-Koggenland, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Het besluit van verweerder van 26 april 2005, verzonden op 28 april 2005.

2. Zitting

Datum: 7 juli 2005.

Eiseres is, daartoe ambtshalve opgeroepen, in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.A.M. Schram, advocaat te Haarlem.

Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigden [naam] en

[naam].

Voorts waren ter zitting aanwezig [naam], en. [naam], respectievelijk secretaris en bestuurslid van de Agrarische beoordelingscommissie. Ook waren ter zitting aanwezig [naam] partner van eiseres, en [naam] en [naam].

3. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 29 oktober 2004, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder eiseres een last onder dwangsom opgelegd, strekkende tot de beëindiging van het huidige gebruik en de bewoning van het perceel [adres] te Ursem, waarbij de dwangsom is vastgesteld op € 50.000,00 per maand, met een maximum van € 200.000,00 en waarbij is bepaald dat de dwangsom zal worden verbeurd indien eiseres niet binnen vier weken na de verzending van het besluit het gebruik en de bewoning van het perceel heeft gestaakt.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 22 november 2004, door verweerder ontvangen op 23 november 2004, bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak van 20 december 2004, verzonden op die datum, registratienummer GEMWT 04/2097, heeft de voorzieningenrechter een verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening toegewezen en het besluit van 29 oktober 2004 geschorst tot zes weken na de datum van verzending van de beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 26 april 2005 heeft verweerder – deels in afwijking van het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Wester-Koggenland (hierna: de bezwaarcommissie) – besloten alle bezwaren ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, en de hoogte van de dwangsom, zoals genoemd in de beschikking van 29 oktober 2004, gewijzigd vast te stellen op:

1. € 10.000,- per maand tot een maximum van € 40.000,- wanneer de bewoning van een bedrijfsruimte op [adres] niet binnen vier maanden na verzending van deze beschikking blijvend is beëindigd;

2. € 25.000,- per maand tot een maximum van 100.000,- wanneer uiterlijk vier maanden na verzending van deze beschikking de overige activiteiten in de bedrijfsruimten, die niet ten dienste staan van het volwaardige agrarische bedrijf in de zin van het bestemmingsplan Landelijk Gebied 2000 (zoals thans hobby-, kantoor-, opslag- en stallingsruimte) niet blijvend worden gestaakt en gestaakt worden gehouden.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 18 mei 2005, door de rechtbank op diezelfde datum ontvangen, beroep ingesteld.

Bij brief van 18 mei 2004 heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op 2 juni 2005 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ontvangen.

Op 17 juni 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is de zaak ter zitting behandeld.

4. Motivering

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek een voorlopige voorziening te treffen de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Aangezien alle voor een beslissing relevante feiten en omstandigheden naar het oordeel van de voorzieningenrechter in deze zaak aan de orde zijn geweest, kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter zal dan ook gebruikmaken van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.2. Voor beoordeling van de zaak is de volgende regelgeving met name van belang.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Landelijk Gebied 2000” rust op het onderhavige perceel de bestemming “Agrarische doeleinden met bebouwing (A)”.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het volwaardig agrarisch bedrijf en de daartoe noodzakelijke bouwwerken.

Ingevolge artikel 6 van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, wordt onder een volwaardig agrarisch bedrijf verstaan een bedrijf dat naar aard en omvang en op grond van de arbeidsbehoefte als zodanig moet worden aangemerkt en waarvan de continuïteit ook op de langere termijn (minimaal 10 jaar) is gewaarborgd.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, is het verboden gebouwen binnen het plangebied te gebruiken in strijd met de bestemming.

4.3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat op grond van de relevante feiten en omstandigheden tot de conclusie moet worden gekomen dat met de vestiging van eiseres op het perceel [adres] te Ursem geen volwaardig agrarisch bedrijf wordt gestart en dat dit ook niet op redelijke termijn zal ontstaan. Het gebruik van de gronden en de bedrijfsbebouwing op het bouwvlak komen daarom in strijd met de gebruiksvoorschriften, aldus verweerder.

4.4 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat haar bedrijf nu al volwaardig is, maar nog maar net is opgestart en nog wel verder moet groeien. Daarbij heeft eiseres erop gewezen dat ook de haar ingeschakelde deskundige van DLV Adviesgroep N.V. van mening is dat het bedrijf de potentie heeft om uit te groeien tot een succesvol agrarisch bedrijf. Verder meent eiseres dat verweerder ten onrechte is afgeweken van het advies van de bezwaarcommissie. Zowel de last tot beëindiging van de bewoning van de bedrijfsruimte, als de last tot het staken van de overige activiteiten in de bedrijfsruimten, kan daarom niet in stand blijven, aldus eiseres. Daarnaast stelt eiseres dat de dwangsom te hoog is en de begunstigingstermijn te kort.

4.5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder desgevraagd ter zitting heeft aangegeven dat zowel aan de last tot beëindiging van de bewoning van de bedrijfsruimte, als aan de last tot het staken van de overige activiteiten in de bedrijfsruimten, uitsluitend ten grondslag ligt verweerders standpunt dat geen sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf op het betreffende perceel. In de eerste plaats dient dan ook te worden beoordeeld of verweerder zich op goede gronden op dit standpunt heeft kunnen stellen.

4.6. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder blijkens het verhandelde ter zitting en het verweerschrift van 17 juni 2005 van mening is dat de eis van de volwaardigheid van een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 6 en 11 van de planvoorschriften zo dient te worden uitgelegd dat bij de vestiging van een dergelijk bedrijf en dus van aanvang af al moet vast staan dat sprake is van volwaardigheid, en dat een aanzet daartoe niet voldoende is. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat deze uitleg van de planvoorschriften ook bepalend is geweest bij de toetsing van de volwaardigheid van het bedrijf van eiseres. De voorzieningenrechter merkt op dat deze visie van verweerder niet verenigbaar is met de bewoordingen van het bestreden besluit, waarin samenvattend wordt geconcludeerd dat “geen volwaardig agrarisch bedrijf wordt gestart en dat dit ook niet op redelijke termijn zal ontstaan”. Deze bewoordingen laten immers ruimte voor de mogelijkheid dat ook van een volwaardig agrarisch bedrijf kan worden gesproken indien dit bedrijf nog in een startfase verkeert en op termijn onstaat. Nu verweerder geen eenduidig standpunt inneemt met betrekking tot de uitleg van de betreffende planvoorschriften berust het bestreden besluit alleen al hierom niet op een deugdelijke motivering.

Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door verweerder ter zitting en in het verweerschrift voorgestane uitleg van artikel 6 en 11 van de planvoorschriften ook niet voor juist kan worden gehouden. In zijn algemeenheid is inherent aan het vestigen van een agrarisch bedrijf dat enige tijd sprake zal zijn van een start- en een groeifase, waarin nog niet direct van een volwaardig bedrijf kan worden gesproken. De hiervoor genoemde uitleg van verweerder zou meebrengen dat de vestiging van een agrarisch bedrijf in beginsel onmogelijk is, omdat doorgaans niet direct zal kunnen worden voldaan aan de eis van volwaardigheid. De planvoorschriften bieden echter geen grond voor het oordeel dat de planwetgever de vestiging van een volwaardig agrarisch bedrijf onmogelijk dan wel nagenoeg illusoir heeft willen maken. De stelling van verweerder dat bij één gelegenheid in 1990 ter plaatse een agrarisch bedrijf is gestart dat direct als volwaardig werd aangemerkt, kan daaraan niet afdoen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter brengt een redelijke uitleg van artikel 6 en artikel 11 van de planvoorschriften mee dat ook van een volwaardig agrarisch bedrijf kan worden gesproken indien er een aanzet is tot een dergelijk bedrijf en in voldoende mate aannemelijk is dat een volwaardig agrarisch bedrijf op redelijke termijn tot stand zal komen. Voor deze uitleg is ook steun te vinden in artikel 6 onder ad b van de planvoorschriften, waarin wordt aangegeven dat de volwaardigheid wordt bepaald door onder meer de vraag of de arbeidskracht volledig (voltijds) “werkzaam is of zal zijn”, en waarin wat betreft de continuïteit belang wordt gehecht aan de vraag of “het perspectief aanwezig is dat het bedrijf ook op langere termijn kan voortbestaan”. Deze criteria geven aan dat ook met op termijn te verwachten ontwikkelingen rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van de volwaardigheid.

Wat betreft de verwijzing in het verweerschrift naar een aantal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die volgens verweerder zijn visie ondersteunen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. In de genoemde uitspraak van 15 januari 2003 (gepubliceerd op www.raadvanstate.nl, onder nummer 200203537/1) wordt onder meer het volgende overwogen: “Ten aanzien van de volwaardigheid van het bedrijf van appellant overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge artikel 7, lid B III, onder 1, sub b, onder 2, van de planvoorschriften van het moederplan geldt onder andere als voorwaarde voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid dat het betrokken bedrijf een arbeidsomvang vertegenwoordigt van ten minste één arbeidskracht, die in het bedrijf een volledige dagtaak vindt. In het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: het advies) wordt deze voorwaarde als volgt uitgelegd. Voor de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf kan aan het opnemen van een nieuw bouwvlak slechts medewerking worden verleend indien het een volwaardig agrarisch bedrijf betreft waarvan de continuïteit als zodanig is gewaarborgd, dan wel dat sprake is van een dusdanige aanzet daartoe dat aannemelijk is dat op korte termijn een dergelijk bedrijf aanwezig zal zijn. Een dergelijke uitleg van genoemde voorwaarde acht de Afdeling niet onredelijk”. In de genoemde uitspraak van 30 maart 2005 (gepubliceerd op www.raadvanstate.nl, onder nummer 200204616/1) wordt onder meer de vraag beantwoord “of (een aanzet tot) een reëel grondgebonden agrarisch bedrijf aanwezig is”. Gelet op de hiervoor weergegeven passages – en nog daargelaten dat geen van de genoemde uitspraken ziet op de rechtsvraag die in deze zaak aan de orde – kan de voorzieningenrechter in die uitspraken slechts steun vinden voor het oordeel dat verweerders visie onjuist is.

Nu verweerder er van uit is gegaan dat van een volwaardig agrarisch bedrijf alleen dan kan worden gesproken indien die volwaardigheid bij de vestiging van het bedrijf en van aanvang af al vast staat, heeft verweerder in het bestreden besluit, zoals nader verwoord en toegelicht in het verweerschrift en ter zitting, een onjuiste uitleg gegeven aan artikel 6 en artikel 11 van de planvoorschriften. Het bestreden besluit berust derhalve ook om deze reden niet op een deugdelijke motivering en dient wegens strijd met artikel 7:12 Awb te worden vernietigd.

4.7. Gelet op de vernietiging van het bestreden besluit van 26 april 2005 ziet de voorzieningenrechter aanleiding het besluit van 29 oktober 2004 te schorsen tot zes weken na verzending van de nieuw te nemen beslissing op het bezwaarschrift. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat vooruitlopend op het nieuw te nemen besluit op bezwaar niet zonder meer kan worden aangenomen dat de door verweerder opgelegde last onder dwangsom zal worden gehandhaafd, terwijl er ook geen zodanige belangen van de kant van verweerder bij handhaving zijn gesteld of gebleken dat die nieuwe besluitvorming niet zou kunnen worden afgewacht.

4.8. Met het oog op het nieuw te nemen besluit op bezwaar merkt de voorzieningenrechter nog het volgende op. Zoals hiervoor is overwogen zal verweerder bij zijn besluitvorming moeten uitgaan van de hiervoor genoemde uitleg van artikel 6 en artikel 11 van de planvoorschriften, te weten dat ook van een volwaardig agrarisch bedrijf kan worden gesproken indien er een aanzet is tot een dergelijk bedrijf en in voldoende mate aannemelijk is dat een volwaardig agrarisch bedrijf op redelijke termijn tot stand zal komen. Gelet op het bepaalde in de laatste alinea van artikel 6 van de planvoorschriften ligt het in de rede dat verweerder zich wederom door de Agrarische beoordelingscommissie laat adviseren over het te nemen besluit, waarbij verweerder in zijn adviesaanvraag uitdrukkelijk zal dienen aan te geven dat moet worden getoetst op basis van de hiervoor weergegeven uitleg van de planvoorschriften. De voorzieningenrechter constateert in dat verband dat de adviezen van de Agrarische beoordelingscommissie van 19 januari 2005 en 30 maart 2005 niet berusten op genoemde uitleg van de planvoorschriften. Verder acht de voorzieningenrechter van belang op te merken dat uit de adviezen van Agrarische beoordelingscommissie onvoldoende blijkt dat is getoetst aan de hand van de overige relevante in artikel 6 van de planvoorschriften genoemde criteria. Weliswaar worden deze criteria in de adviezen wel genoemd, maar niet blijkt dat en op welke wijze deze criteria in het geval van eiseres zijn beoordeeld en of al dan niet aan die specifieke criteria wordt voldaan. Ook verweerder heeft zich blijkens het bestreden besluit daarvan onvoldoende rekenschap gegeven.

4.9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

4.10. Het beroep is gegrond.

4.12. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de voorzieningenrechter reden om met toepassing van artikel 8:84, vierde lid, juncto 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proces-kosten die eiseres in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 966,00 als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit bedrag is het product van 3 (punten voor het opstellen van het verzoekschrift, het beroepschrift en het optreden ter zitting) en € 322,00 (waarde per punt) en 1 (gewicht van de zaak: gemiddeld).

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- verklaart het beroep in de hoofdzaak gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift neemt, met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het besluit van 29 oktober 2004 wordt geschorst tot zes weken na verzending van de nieuw te nemen beslissing op het bezwaarschrift;

- bepaalt dat de gemeente Wester-Koggenland aan eiseres het griffierecht ad € 276,00 vergoedt;

- veroordeelt de gemeente Wester-Koggenland in de aan de zijde van eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 966,00;

- wijst gemeente Wester-Koggenland aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 966,00 dient te worden gedaan aan eiseres.

Aldus gewezen door mr. P.J. Jansen, voor-zieningen-rechter, in tegen-woordig-heid van

mr. R. Heringa, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2005

door voornoemde voor-zieningen-rechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat uitsluitend hoger beroep open, voorzover dit de hoofdzaak betreft. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.