Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2005:AT9598

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
20-07-2005
Datum publicatie
20-07-2005
Zaaknummer
73269 / HAZA 04-516
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De man heeft gesteld dat de vrouw onrechtmatig heeft gehandeld:

a) door zich welbewust te onttrekken aan door de rechter vastgestelde omgangsregelingen,

b) doordat zij eenzijdig, zonder overleg met hem, met de therapeute een overeenkomst tot onderzoek en behandeling van de dochter van de man en vrouw heeft gesloten,

c) doordat de vrouw stukken van de therapeut beschikbaar heeft gesteld aan derden, danwel de man tegenover derden heeft beschuldigd van seksueel misbruik van de dochter.

In verband hiermee heeft de man vergoeding van immateriele schade gevorderd, alsmede een verbod en een rectificatie.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw door te handelen als onder a) en b) weergegeven onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank heeft evenwel geen grond aanwezig geoordeeld voor vergoeding van immateriële schade.

In de zaak tussen de man en de therapeute

Op de vorderingen van de man heeft de rechtbank geoordeeld dat de therapeute onrechtmatig heeft gehandeld

a) door zonder goede grond beschuldigingen te uiten van seksueel misbruik door de man van de dochter van de man en de vrouw,

b) door haar beroepsgeheim te schenden, en

c) door de dochter in behandeling te nemen zonder gebleken toestemming daarvoor van de man.

De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de man op de onder a) genoemde grond in zijn eer is geschaad, hetgeen aanleiding geeft tot een veroordeling tot vergoeding van immateriele schadevergoeding tot een bedrag van € 5.000.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de schending van het beroepsgeheim van de therapeute niet een zodanig ernstige schending op van de privacy van de man, dat zulks aanleiding behoort te geven tot vergoeding van immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

(DJvM)

zaak- en rolnummer: 73269 / HAZA 04-516

datum: 20 juli 2005

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats van de man],

EISER bij dagvaarding van 13 mei 2004,

procureur mr. H.R.M. Jenné,

advocaat mr. J.P. Quist te Middelburg,

tegen:

toev.nr. 3DMO462

1. [de vrouw],

wonende te [woonplaats van de vrouw],

GEDAAGDE,

Procureur mr. G.J.S. Brusche,

en

2. [de therapeute], [praktijk van de therapeute], gevestigd te [vestigingsplaats van de therapeute],

GEDAAGDE,

procureur mr. H.B. De Regt.

Partijen zullen verder worden genoemd “[de man]”, “[de vrouw]” onderscheidenlijk “[de therapeute]”.

De zaak is verwezen naar deze kamer.

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

1.1 Bij vonnis van 11 augustus 2004 heeft de rechtbank een eindbeslissing gegeven in het door [de vrouw] opgeworpen incident in deze zaak, waarna partijen in de hoofdzaak hebben voortgeprocedeerd. Voor het verloop van het geding in de hoofdzaak tot dan toe, verwijst de rechtbank naar hetgeen ter zake is vermeld in voormeld vonnis.

Het procesverloop daarna blijkt uit de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

- Akte uitlating producties aan de zijde van [de vrouw],

- Conclusie van antwoord met producties aan de zijde van [de therapeute],

- Conclusie van repliek met producties,

- Conclusie van dupliek aan de zijde van [de vrouw],

- Nadere akte overlegging productie aan de zijde van [de man],

- Conclusie van dupliek met producties aan de zijde van [de therapeute].

1.2 Ten slotte is vonnis gevraagd. De inhoud van al deze stukken geldt als hier ingelast.

2. DE FEITEN

In de zaak tussen partijen [de man] en [de vrouw] staat het volgende vast:

a. Uit het huwelijk van partijen is op 5 juli 1996 dochter [de dochter] geboren.

b. Bij beschikking van deze rechtbank van 4 januari 2001 is voor de duur van de echtscheidingsprocedure - onder meer - de tussen partijen overeengekomen omgangsregeling tussen [de man] en dochter [de dochter] vastgelegd.

c. Bij beschikking van 13 december 2001 is door deze rechtbank de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is na bekrachtiging daarvan in hoger beroep op 4 september 2002 ingeschreven. Blijkens deze beschikking is - onder meer - beslist dat partijen belast blijven met het gezamenlijk gezag over [de dochter]. Na de echtscheiding heeft [de dochter] haar feitelijke verblijfplaats bij [de vrouw] gehad.

d. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 28 maart 2002 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank drie herstelcontacten en een daarop volgende omgangsregeling tussen [de man] en [de dochter] vastgesteld met bevel aan [de vrouw] om op straffe van een dwangsom daaraan medewerking te verlenen.

e. Vanaf april 2002 heeft [de vrouw] [de dochter], aanvankelijk buiten medeweten van [de man], laten onderzoeken en behandelen door [de therapeute].

f. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 16 oktober 2003 heeft het Gerechtshof te Amsterdam een omgangsregeling tussen [de man] en [de dochter] vastgesteld en is beslist dat [de man] en [de vrouw] gezamenlijk belast blijven met het ouderlijk gezag. Tegen deze beschikking heeft [de vrouw] beroep in cassatie ingesteld.

g. [de vrouw] heeft geen gevolg gegeven aan deze bij beschikking bepaalde omgangsregeling.

h. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 maart 2004 is [de vrouw] bevolen om medewerking te verlenen aan deze bij beschikking in hoger beroep vastgelegde omgangsregeling op straffe van het verbeuren van een dwangsom. [de vrouw] is in hoger beroep gekomen van dit vonnis.

In de zaak tussen partijen [de man] en [de therapeute] staat het volgende vast:

i. [de vrouw] heeft zich in april 2002 tot [de therapeute] gewend om [de dochter] te behandelen voor klachten. [de vrouw] heeft in het gesprek met [de therapeute] het vermoeden van seksueel misbruik van [de dochter] geuit. Na een aantal observaties van [de dochter] door [de therapeute] is [de therapeute] vanaf 3 juni 2002 [de dochter] gaan behandelen.

j. Voor de behandeling van [de dochter] heeft [de man] geen toestemming gegeven.

k. [de therapeute] heeft geen gehoor gegeven aan sommaties van [de man] om de behandeling van [de dochter] te staken.

l. [de therapeute] heeft eigener beweging bij brief van 16 oktober 2002 (productie 4 bij dagvaarding) de Raad voor de Kinderbescherming te Alkmaar - voor zover van belang - als volgt bericht:

“Ik maak me, als therapeut van [de dochter], ernstige zorgen, die ik hierbij met u wil delen. Na een melding door een ouder van zorg rondom de opvoedingssituatie van een kind en zeker na het vermoeden van kindermishandeling of -misbruik, door wie dan ook uitgesproken, bij het AMK en/of bij de Raad dient e.e.a te worden onderzocht en moet aandacht worden besteed aan de situatie van het kind en goed naar het huidige functioneren van het kind worden gekeken.

...

Het gedrag van vader en zijn handelwijze passen mijns inziens bij iemand die zich om de een of andere reden schuldig voelt en eventuele beschuldigingen bij voorbaat wil ontkrachten door een therapeut vast in een kwaad daglicht te zetten. In het ten onrechte beschuldigen van deskundigen, die met [de dochter] te maken hebben, heeft de heer [de man] zo langzamerhand een reputatie opgebouwd. Ik heb begrepen dat mij velen zijn voorgegaan, waarbij opvalt dat geen van de acties het door de heer [de man] gewenste resultaat heeft opgeleverd, hooguit dat het nu dreigt te resulteren in ondoordacht te nemen maatregelen door u en een aanklacht door mij. Het mag niet zo zijn dat agressie, dominantie en manipulatie lonen en een kind mogelijk ernstig benadelen.

Zonder mijn uitnodiging voor een gesprek te willen afwachten om zich op de hoogte te stellen van wat mijn bevindingen bij [de dochter] waren, ging deze vader tekeer alsof zijn kind de meest vreselijke dingen werden aangedaan. Nogmaals, zo gedragen naar mijn ervaring leert alleen mensen zich, die iets te vrezen hebben, vanuit een groot schuldgevoel, dat overdekt wordt met min of meer intelligent agressief gedrag. De aanval is immers de beste verdediging, zo denkt men, maar hier geheel contraproductief.”

[de therapeute] heeft bij brief van 18 april 2003 (productie 2 bij dagvaarding) aan mevrouw mr. Groot, de toenmalige advocaat van [de vrouw], - onder meer - als volgt bericht:

“Op uw derde vraag moet ik bevestigend antwoorden. Dit kind heeft in woorden, gedrag, tekeningen en spel aangegeven met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid slachtoffer te zijn van seksueel misbruik.

Betreffende vraag 4 is [de dochter] naar mijn mening op dit moment goed in staat om over haar ervaringen te verklaren tegenover de politie in een studioverhoor…

Pas over enige tijd moet blijken hoe stabiel het tot nu toe bereikte resultaat is bij [de dochter]. Om dit in de gaten te houden zal ik moeder van tijd tot tijd de gelegenheid geven een afspraak te maken in mijn praktijk, al of niet met [de dochter], of, als moeder dit wenst, haar verwijzen naar een orthopedagoge, die bekend is met de behandeling en nazorg van kinderen die slachtoffer zijn geweest van huiselijk geweld en seksueel misbruik.”

n. [de therapeute] heeft bij brief van 18 oktober 2002 (productie 5 bij dagvaarding) [de vrouw] onder meer als volgt bericht:

“Naar aanleiding van uw verzoek om mijn bevindingen betreffende uw dochter [de dochter] op schrift te stellen heb ik een samenvatting van mijn therapieverslagen gemaakt die ik u hierbij stuur.

Er is een goede behandelrelatie opgebouwd, zodat [de dochter] vertrouwen heeft en zal kunnen profiteren van de therapie. Al na een enkele sessie gaf ze aan herinneringen te hebben aan nare ervaringen. Dit betreft zowel het getuige zijn van huiselijk geweld als eigen grensoverschrijdende ervaringen met haar vader.

Ook heeft zij tekeningen gemaakt die vaak gemaakt worden door een seksueel misbruikt kind.

Het eerste levensjaar van [de dochter] was er een au-pair in huis, omdat uw ex er nooit was om voor haar te zorgen. Met twee jaar en drie maanden ging zij naar een kinderdagverblijf. Daar is geconstateerd dat er vaginaal bloed in haar luier zat. De huisarts heeft niet veel met deze informatie gedaan. [de dochter] had ook heel vaak ontstoken schaamlippen. Daar is door u met het consultatiebureau uitgebreid aan gewerkt. Dit kunnen ernstige signalen zijn van seksueel misbruik.

...

Opvallend is dat [de dochter] dichtklapt als ze over nare ervaringen vertelt, maar belevenissen als hiervoor omschreven (beschrijving van seksuele handelingen met [de man], de rechtbank) niet als traumatisch beleefd heeft, maar veeleer als wonderlijke zaken die haar overkwamen. Traumatisch voor haar was ‘papa die mama van de trap gooide, of die heel hard tegen de voordeur bonkte en hard schreeuwde’. Dit is een typische reactie van misbruikte kinderen, die er pas later achterkomen dat het niet gewoon was wat ze overkwam op seksueel gebied en die dit zo snel mogelijk in therapie moeten verwerken, om zo gezond mogelijk verder op te groeien

….

U gaf aan dat [de dochter] een nachtmerrie had gehad na het vertellen en tekenen in therapie over de ‘rupsenpoep’. Zoals zij aangaf, leek het me op het in aanraking gekomen zijn met sperma.

Van de rups (een van [de therapeute] geleend knuffeldier, de rechtbank) had ze de eerste nacht gedroomd dat hij haar opat en waar mama bij was moest hij in de hoek gegooid worden. Weer zo’n typische herinnering van misbruikte kinderen, opgegeten worden door een op een penis gelijkend iets, wat in de literatuur terug te vinden is. De rups is tot op heden niet teruggebracht. Ze wil hem eerst ‘opvoeden’. Dappere [de dochter] gaat de herinnering kennelijk niet uit de weg.”

3. HET GESCHIL

In de zaak tegen [de vrouw]:

3.1 [de man] legt aan zijn vordering tegen [de vrouw] – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag:

a) Wat betreft de gevraagde verklaring voor recht dat [de vrouw] jegens [de man] onrechtmatig heeft gehandeld, bestaat die onrechtmatigheid hierin dat zij zich welbewust onttrekt aan door de rechter vastgestelde omgangsregelingen, dat zij eenzijdig, zonder overleg met [de man], met [de therapeute] een overeenkomst voor onderzoek en behandeling van [de dochter] heeft gesloten en dat zij aan derden stukken van [de therapeute] beschikbaar heeft gesteld dan wel [de man] tegenover derden heeft beschuldigd van seksueel misbruik.

b) Wat betreft de van [de vrouw] gevorderde immateriële schadevergoeding stelt [de man] dat hij door het onrechtmatig handelen ernstig in zijn persoon is aangetast, hetgeen een vergoeding van € 20.000,- rechtvaardigt.

c) Wat betreft het verbod op de verdere behandeling van [de dochter] - voor zover deze nog plaatsvindt - beroept [de man] zich erop dat voor die behandeling zijn toestemming is vereist, dat deze tegen zijn uitdrukkelijke wil plaatsvindt en dat deze schadelijk is voor [de dochter].

d) Wat betreft de gevorderde rectificatie stelt [de man] dat [de vrouw], zijn goede naam heeft geschaad, waarvoor zij aansprakelijk is. Op grond daarvan dient [de vrouw] op de voet van artikel 6: 167, lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) een brief te zenden aan alle personen die zij heeft ingelicht over de diagnose van [de therapeute], inhoudende dat de destijds geuite beschuldigingen onjuist zijn.

3.2 [de vrouw] heeft de vordering en de gronden daarvan gemotiveerd weersproken op gronden die hierna, voor zover van belang, aan de orde zullen komen.

In de zaak tegen [de therapeute]:

3.3 [de man] legt aan vordering tegen [de therapeute] – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag:

a) Wat betreft de gevorderde verklaring voor recht, dat [de therapeute] jegens [de man] onrechtmatig heeft gehandeld, stelt [de man] voorop dat [de therapeute] als redelijk handelend en redelijk bekwaam therapeut nimmer tot de conclusie had kunnen komen dat sprake is geweest van seksueel misbruik. Nu [de therapeute] deze onjuiste conclusie in haar, ook aan [de man] ter kennis gekomen, stukken heeft opgenomen, is [de man] in zijn eer aangetast, hetgeen een onrechtmatig daad van [de therapeute] oplevert. Daarnaast heeft [de therapeute] vertrouwelijk informatie over [de man] verstrekt aan derden. Daardoor heeft [de therapeute] het recht op privacy van [de man] op ernstige wijze geschonden, hetgeen evenzeer onrechtmatig is. Voorts heeft [de therapeute] in strijd met de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst gehandeld door zonder toestemming van [de man] [de dochter] (geneeskundig) te onderzoeken en te behandelen en door zonder toestemming van [de man] stukken met betrekking tot [de dochter] aan derden toe te zenden. Daardoor heeft [de therapeute] tevens [de man]s rechten als ouder belast met het ouderlijk gezag aangetast.

b) Wat betreft de gevorderde verklaring voor recht, dat [de therapeute] jegens [de man] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst, stelt [de man] dat de hiervoor bedoelde handelingen van [de therapeute] tevens inhouden dat [de therapeute] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst jegens [de man] voortvloeiende verplichtingen.

c) Wat betreft de van [de therapeute] gevorderde, immateriële schadevergoeding stelt [de man] dat hij door onrechtmatige gedragingen van [de therapeute] en de aan haar toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst schade heeft geleden. [de man] stelt door [de therapeute] ernstig in zijn persoon te zijn aangetast hetgeen een vergoeding van € 30.000,- rechtvaardigt. Aan het verschil van € 10.000,- met het van [de vrouw] gevorderde bedrag, legt [de man] ten grondslag dat de handelingen van [de therapeute] haar ‘ernstig(er)’ zijn aan te rekenen, omdat zij beroepsmatig heeft gehandeld en zodoende het vertrouwen van [de vrouw] heeft weten te winnen.

d) Wat betreft het verbod op verdere behandeling van [de dochter] - voor zover deze nog plaatsvindt - beroept [de man] zich op het ontbreken van zijn toestemming voor die behandeling. Daarnaast stelt hij dat deze behandeling schadelijk is voor [de dochter].

e) De vordering tot rectificatie berust op dezelfde gronden als hiervoor onder 3.1 sub d weergegeven.

3.4 [de therapeute] heeft de vordering en de gronden daarvan gemotiveerd weersproken op gronden die hierna, voor zover van belang, aan de orde zullen komen.

4. DE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

In de zaak tegen [de vrouw]:

4.1 [de vrouw] klaagt erover dat [de man] niet duidelijk maakt in welke hoedanigheid hij [de vrouw] heeft doen dagvaarden. [de vrouw] stelt dat zij niet handelt ‘in privé’ maar uitsluitend als ‘moeder/verzorger van [de dochter]’. Op grond daarvan, zo betoogt [de vrouw], kan zij alleen in die hoedanigheid worden aangesproken.

4.2 [de vrouw] miskent hierbij dat zij door [de man] wordt aangesproken op de wijze waarop zij als wettelijk vertegenwoordiger van [de dochter] is opgetreden. Dergelijke gedragingen treffen [de vrouw] in persoon.

4.3 [de vrouw] erkent dat zij de bij deels bij voorraad uitvoerbaar verklaarde rechterlijke uitspraken vastgestelde omgangsregelingen niet heeft nageleefd. [de vrouw] acht zulks gegrond, omdat het belang van [de dochter] haar daartoe noopt, aangezien in de omgang tussen [de man] en [de dochter] niet is voorzien ‘een systeem van begeleiding en toezicht’. [de vrouw] heeft daarom wel verzocht in de procedures tot vaststelling van een omgangsregeling, doch deze verzoeken zijn niet gehonoreerd. Deze omissies dienen, volgens [de vrouw], voor rekening van de desbetreffende rechter of rechterlijk college te blijven.

4.4 De rechtbank stelt voorop dat het recht op omgang tussen [de man] en [de dochter] meerdere keren inzet is geweest van door partijen gevoerde rechtsgedingen, waarbij de rechter in eerste aanleg en in hoger beroep bij uitvoerbaar bij voorraad bepaalde beslissingen omgangsregelingen heeft vastgesteld en [de vrouw] is geboden mee te werken aan de uitvoering van de door de rechter vastgestelde omgangsregeling. Daarbij is telkens aan de orde gekomen het bij [de vrouw] levende vermoeden dat [de dochter] seksueel zou zijn misbruikt door [de man]. In het door [de vrouw] ingestelde hoger beroep tegen een in een bodemprocedure gegeven uitspraak van deze rechtbank heeft het Gerechtshof te Amsterdam dit vermoeden gemotiveerd ontkracht en bij wederom uitvoerbaar bij voorraad gegeven uitspraak een omgangsregeling tussen [de dochter] en [de man] vastgesteld.

4.5 Voormelde uitvoerbaar bij voorraad verklaarde rechterlijke uitspraken zijn in beginsel terstond vatbaar voor tenuitvoerlegging, hetgeen impliceert dat [de vrouw] zich daaraan had te houden. Dit geldt ook voor bij wege van voorlopige voorziening gegeven rechterlijke beslissing, zolang de rechter in een bodemprocedure niet anders over de zaak heeft beslist, hetgeen evenwel niet is gesteld, noch is gebleken. Eén en ander is slechts anders indien tegen de rechterlijke uitspraak (tijdig) hoger beroep is ingesteld en bij gelegenheid daarvan de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak door de hogere rechter desgevorderd alsnog is geschorst. Voorts had [de vrouw], gelijk ook is gebeurd, wijziging van de door de rechter getroffen omgangsregeling kunnen verzoeken, op de grond dat omstandigheden zijn gewijzigd of dat de rechter bij het nemen van zijn beslissing van onjuiste of onvolledige informatie is uitgegaan. Uit de stukken moet evenwel worden afgeleid dat [de vrouw] geen van deze wegen met succes heeft afgelegd. Mitsdien had [de vrouw] de bij voormelde rechterlijke uitspraken bepaalde omgangsregelingen dienen na te leven. Nu [de vrouw] in voormelde rechterlijke procedures niet heeft kunnen bereiken wat zij wilde verkrijgen, gaat het gelet op het hierboven weergegeven wettelijk stelsel niet aan dat zij het recht in eigen hand heeft genomen door haar onwelgevallige uitspraken eenvoudigweg te negeren door de uitvoering van de daarin ten behoeve van [de man] vastgestelde omgangsregelingen te dwarsbomen. Door dit wel te doen, heeft [de vrouw] zich derhalve jegens [de man] onrechtmatig gedragen. In zoverre is de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar.

4.6 [de vrouw] heeft niet bestreden dat zij eenzijdig en zonder toestemming van [de man] [de dochter] heeft doen onderzoeken en behandelen door [de therapeute], zodat zulks vast staat. [de vrouw] betwist op meerdere gronden dat deze toestemming voor het onderzoek en de behandeling van [de dochter] nodig was. Zij stelt dat zij het eenhoofdig gezag heeft over [de dochter], dat het hier een eigen vraag om hulp van [de dochter] betreft waaraan zij - [de vrouw] - gehoor heeft gegeven, dat geen sprake is van een geneeskundige behandelingsovereenkomst en dat zij ingevolge een hogere norm - artikel 24 Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) - gehouden was [de dochter] te doen onderzoeken en behandelen.

4.7 Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt. Minderjarigen zijn handelingsonbekwaam en staan uit dien hoofde onder gezag. Dit gezag heeft volgens artikel 1:245, lid 4, BW ook betrekking op de vertegenwoordiging van de minderjarige voor burgerlijke handelingen in en buiten rechte. Artikel 1:251, lid 1, BW neemt als uitgangspunt dat ouders van minderjarigen na ontbinding van hun huwelijk belast blijven met het gezamenlijk gezag. Artikel 1: 253i, lid 1, BW bepaalt dat bij gezamenlijke gezagsuitoefening de ouders gezamenlijk het kind vertegenwoordigen in burgerlijke handelingen, met dien verstande dat één van de ouders daartoe ook alleen bevoegd is, indien niet van bezwaren van de andere ouder is gebleken. Volgens artikel 1:253a BW kunnen ouders die gezamenlijk het gezag uitoefenen hun eventuele geschillen daarover voorleggen aan (de kinderrechter van) de rechtbank.

4.8 Blijkens de in het feitenrelaas genoemde, door [de man] overgelegde, beschikkingen van deze rechtbank van 13 december 2001 en van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 oktober 2003 is [de vrouw]s verzoek om te worden belast met het éénhoofdig gezag over [de dochter] afgewezen en is het gezamenlijk gezag toen in stand gelaten. ’s Hofs beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en [de vrouw] heeft daartegen cassatieberoep ingesteld. Aangezien [de vrouw] geen bewijsstukken heeft overgelegd, waaruit blijkt dat inmiddels anders is beslist en zich voor haar standpunt beroept op niet overgelegde beslissingen, alle daterend van vóór 16 oktober 2003, gaat de rechtbank ervan uit dat [de man] en [de vrouw] waren belast met het gezamenlijk gezag over [de dochter] toen zij door [de therapeute] werd geobserveerd en behandeld.

4.9 Niet in geschil is dat [de vrouw] als wettelijke vertegenwoordiger van [de dochter] voor [de dochter] met [de therapeute] een overeenkomst heeft gesloten. Derhalve is sprake geweest van een burgerlijke handeling waarvoor in beginsel beide ouders gezamenlijk bevoegd zijn de minderjarige te vertegenwoordigen. [de vrouw] heeft [de man] daarin echter niet gekend. Niet gesteld of gebleken zijn feiten of omstandigheden, waaruit [de vrouw] heeft kunnen afleiden dat van de zijde van [de man] geen bezwaar bestond tegen het sluiten van de overeenkomst met [de therapeute]. Gelet op de omstandigheden waaronder [de vrouw] deze overeenkomst sloot, mocht zij er, naar het oordeel van de rechtbank, ook niet zonder meer op vertrouwen dat [de man] akkoord was. [de vrouw] heeft door zo te handelen veronachtzaamd dat het ouderlijk gezag ook door [de man] werd uitgeoefend en aan [de man] de mogelijkheid ontnomen om een eventueel geschil met betrekking tot inschakeling van [de therapeute] vooraf aan de bevoegde rechter voor te leggen. Zij heeft derhalve inbreuk heeft gemaakt op [de man]s uit het ouderlijk gezag voortvloeiende rechten, hetgeen onrechtmatig is.

4.10 [de vrouw]s verweer dat de met [de therapeute] gesloten overeenkomst niet kan worden gekwalificeerd als een geneeskundige behandelingsovereenkomst, snijdt geen hout, omdat het wettelijk systeem inzake het ouderlijk gezag geldt voor alle overeenkomsten (burgerlijke handelingen).

4.11 [de vrouw]s beroep dat het belang van [de dochter] dient te prevaleren, snijdt evenmin hout, omdat ook bij verschil van mening tussen de wettelijk vertegenwoordigers omtrent het belang van de minderjarige in beginsel de weg van artikel 1: 253a BW gevolgd moet worden. Een uitzondering daarop is bijvoorbeeld denkbaar bij spoedeisende of levensbedreigende omstandigheden die een onmiddellijk ingrijpen vereisen, doch daarvan is geen sprake geweest. De rechtbank tekent hierbij aan dat de aanleiding voor de door [de vrouw] met [de therapeute] gesloten behandelingsovereenkomst – zijnde het vermoeden van [de vrouw] dat [de dochter] door [de man] seksueel zou zijn misbruikt – weliswaar een ernstige was, maar op zichzelf beschouwd niet eraan in de weg stond dat [de vrouw] met [de man] overleg had over een therapeutische behandeling van [de dochter].

4.12 [de vrouw]s verweer ten slotte dat de hogere norm van artikel 24 IVRK aan de toepassing van artikel 1: 253a BW in de weg staat, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Het betreft hier immers - kort gezegd - een tot de staten die partij zijn bij dat verdrag gerichte verplichting te erkennen dat kinderen recht hebben op de grootst mogelijk mate van gezondheid(szorg) en om passende maatregelen voor de verwezenlijking van dat recht te nemen. [de vrouw] kan hieraan jegens [de man] echter geen rechten ontlenen, omdat van enige tot met het ouderlijk gezag belaste burger van een staat gerichte norm geen sprake is.

4.13 Ook hier luidt de slotsom dat [de vrouw]s eenzijdig optreden bij de totstandkoming van de overeenkomst met [de therapeute] onrechtmatig is geweest jegens [de man] en dat in zoverre de gevorderde verklaring voor recht kan worden toegewezen.

4.14 [de man] geeft onder 27 van de dagvaarding een opsomming van aan aantal instellingen en personen, aan wie [de vrouw] stukken van [de therapeute] heeft verstrekt of aan wie [de vrouw] beschuldigingen heeft geuit die inhouden dat [de man] zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik. [de man] stelt dat daardoor zijn goede naam is aangetast c.q. dat daardoor zijn privacy is geschonden. [de man] vordert ter zake een verklaring voor recht dat zulks onrechtmatig is. [de vrouw]s verweer daartegen houdt – kort gezegd – in dat zij geen informatie over [de man] heeft verstrekt aan buiten de procedures staande instellingen of personen. Meer specifiek verklaart zij nog dat niet zij maar [de man] zijn eigen familie en de school van [de dochter] heeft ingelicht, dat zij eenmaal een brief van de moeder van [de man] heeft beantwoord en dat zij zich op aanraden van het consultatiebureau heeft gewend tot het Bureau Jeugdzorg.

4.15 Wat betreft het verstrekken van stukken van [de therapeute] aan ‘bij de procedures betrokken instellingen en personen‘ staat vast dat [de vrouw] stukken van [de therapeute] heeft verstrekt aan de Raad voor de Kinderbescherming en aan de Stichting Fora. De rechtbank stelt voorop dat het een partij vrij staat, met in achtneming van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), gegevens in te brengen ter onderbouwing van zijn of haar in die procedure ingenomen standpunt. Gelet op het belang van de procesbevoegdheid mag niet te snel worden aangenomen dat bij het overleggen van stukken onrechtmatig is gehandeld, ook al bestaat de mogelijkheid dat daarbij de goede naam van de andere partij in het geding komt. Van onrechtmatig handelen in dat verband kan bijvoorbeeld wel sprake zijn indien een partij gegevens, waarvan hij weet of behoort te weten dat deze in strijd met de waarheid zijn, inbrengt met het oogmerk om de door de rechtbank aangewezen adviserende instanties of de rechter zelf te misleiden of om uitsluitend de persoon van de tegenpartij zwart te maken. De rechtbank begrijpt dat ten tijde van de echtscheidingsprocedure tussen partijen bij [de vrouw] het vermoeden is ontstaan dat [de dochter] door [de man] seksueel is misbruikt en dat zij - [de vrouw] - vanwege dit vermoeden zich in 2002 heeft gewend tot [de therapeute]. [de vrouw], zich door [de therapeute] in haar vermoeden gesteund voelend, heeft kennelijk ter adstructie van haar vermoeden de als medisch geheim en vertrouwelijk gekwalificeerde stukken afkomstig van [de therapeute] ingebracht in de procedures betreffende de omgangsregeling. Andersluidende bevindingen van, onder meer, de Raad voor de Kinderbescherming hebben dit bij [de vrouw] levende vermoeden niet kunnen wegnemen. In aanmerking nemende dit nu eenmaal bij [de vrouw] levende vermoeden, waarvan niet is gesteld dat het een vals, dat wil zeggen een met het oog op de procedures aangewend, vermoeden betreft, heeft zich een geval als hiervoor omschreven niet voorgedaan toen [de vrouw] de stukken van [de therapeute] inbracht. In zoverre kan niet worden geconcludeerd dat [de vrouw] haar procesbevoegdheid heeft overschreden en onrechtmatig heeft gehandeld, ook al zijn de op dit vermoeden en de stukken van [de therapeute] gebaseerde stellingen en weren van [de vrouw] steeds in rechte verworpen.

4.16 Aan het Bureau voor Jeugdzorg Noord-Holland Noord heeft [de vrouw] haar vermoeden van seksueel misbruik kenbaar gemaakt in het kader van een vraag om advies, zo blijkt uit de door [de man] als productie 23 bij dagvaarding overgelegde brief van dat bureau. De rechtbank oordeelt het van belang dat voor het vragen van advies bij een instelling als Bureau voor Jeugdzorg een grote mate van laagdrempeligheid bestaat. Ook en misschien wel juist in situaties waarin nog slechts het vermoeden bestaat dat een kind wordt mishandeld of misbruikt, moet men zich voor advies en hulp kunnen wenden tot het Bureau. Dit belang staat er aan in de weg dat, mocht blijken dat een vermoeden ongegrond is geweest, wordt geoordeeld dat hetgeen bij de adviesvraag is besproken onrechtmatig is jegens degene die met de misstanden in verband is gebracht. Dit zou anders kunnen zijn indien de adviesaanvrager valse informatie heeft verstrekt met het oogmerk om de persoon van degene die verantwoordelijk wordt gesteld voor misstanden zwart te maken. Op gelijke gronden als hiervoor komt de rechtbank ook hier tot de conclusie dat [de vrouw] bij haar advies aanvraag niet onrechtmatig heeft gehandeld.

4.17 Wat betreft de overige door [de man] opgesomde instellingen en personen heeft [de man], ook na de betwisting van [de vrouw], niet concreet aangegeven welke stukken van [de therapeute] aan welke instelling of aan welke persoon of personen zijn verstrekt. Evenmin heeft [de man] aangegeven aan welke instelling of aan welke persoon [de vrouw] welke beschuldiging heeft geuit. In zoverre heeft [de man] onvoldoende feiten ter onderbouwing van zijn vordering gesteld, zodat deze feitelijke grondslag ontbeert en de rechtbank de op die stelling gebaseerde vordering afwijst.

4.18 Gelet op het voorgaande zal de gevorderde verklaring voor recht op dit onderdeel worden afgewezen. De ter zake gevorderde rectificatie is hetzelfde lot beschoren.

4.19 [de man] vordert immateriële schadevergoeding wegens het onrechtmatig handelen van [de vrouw]. Afgezien van hier niet aan de orde zijnde gevallen heeft [de man] ingevolge het bepaalde in artikel 6:106, lid 1, aanhef en sub b, BW, recht op vergoeding van immateriële schade indien geoordeeld moet worden dat hij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Ofschoon valt aan te nemen dat het frustreren door [de vrouw] van het omgangsrecht van [de man] met zijn dochter bij hem diep heeft ingegrepen, levert zulks nog niet een zodanige aantasting in de persoon op, dat dit recht geeft op vergoeding van immateriële schade. Anders zou moeten worden geoordeeld indien [de man] door de gemiste omgang met zijn dochter heeft geleden onder een geestelijk letsel ter zake van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Dit laatste heeft [de man] evenwel niet aan zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade ten grondslag gelegd.

4.20 Verder is de rechtbank van oordeel dat het recht op omgang niet moet worden aangemerkt als een zogenoemd persoonlijkheidsrecht waarvan schending noopt tot het oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon in voormelde zin. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat bij op 28 maart 2002 uitgesproken en uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank een omgangsregeling op straffe van verbeurte van een dwangsom is bevolen en dat bij op 18 maart 2004 uitgesproken en uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank [de vrouw] eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom is geboden mede te werken aan de door het Gerechtshof te Amsterdam vastgestelde omgangsregeling. Aangezien vaststaat dat [de vrouw] niet heeft meegewerkt aan de vastgestelde omgangsregelingen, had [de man] daardoor verbeurde dwangsommen bij [de vrouw] kunnen innen. Daarnaast voorziet de wet erin dat [de man] wijziging van het ouderlijk gezag had kunnen verzoeken, hetgeen hij ook heeft gedaan.

4.21 Het voorgaande brengt mee dat de tegen [de vrouw] ingestelde vordering tot vergoeding van immateriële schade niet toewijsbaar is.

4.22 Wat betreft de vordering tot het stoppen van de verdere behandeling van [de dochter] door [de therapeute] twisten partijen erover of [de dochter] thans nog wordt behandeld door [de therapeute]. Wat hier ook van zij, gegeven de vasthoudendheid waarmee [de vrouw] gedurende de afgelopen jaren uiting heeft gegeven aan haar vermoeden van seksueel misbruik van [de dochter] door [de man], is de rechtbank van oordeel dat [de man] rechtens voldoende belang heeft bij zijn verbodsvordering. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en beslist over toestemming of een daarvoor in de plaatskomende rechterlijke machtiging, zal de rechtbank [de vrouw] veroordelen om, voor zover nodig, de behandeling van [de dochter] door [de therapeute] per datum van dit vonnis te staken en gestaakt te houden tot voor deze behandeling toestemming is verkregen van [de man] dan wel een daarvoor in de plaats te stellen rechterlijke machtiging, bij gebreke waarvan [de vrouw] een dwangsom zal verbeuren van € 1.000,- per behandeling. De rechtbank acht termen aanwezig om het maximum aan te verbeuren dwangsommen te bepalen op € 25.000,-.

4.23 Omdat partijen gewezen echtelieden zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

In de zaak tegen [de therapeute]

4.24 In de zaak tegen [de therapeute] vordert [de man] een verklaring voor recht dat [de therapeute] onrechtmatig heeft gehandeld. [de man] maakt in dit verband [de therapeute] drie verwijten. Ten eerste heeft [de therapeute] in aan [de man] ter kennis gekomen stukken ten onrechte geconcludeerd dat [de man] [de dochter] seksueel heeft misbruikt. Door deze onjuiste inhoud is [de man] diep gekwetst en in zijn eer aangetast. Dit laatste moet worden aangemerkt als een onrechtmatige daad. Ten tweede heeft [de therapeute] deze stukken die vertrouwelijke informatie bevatten over [de man] zonder diens toestemming aan derden verstrekt, waardoor zij het recht op privacy van [de man] heeft geschonden. Ten derde stelt [de man] dat in strijd met de Wet inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst heeft gehandeld, door [de dochter] zonder toestemming van [de man] te behandelen en te blijven behandelen en door zonder toestemming van [de man] stukken over [de dochter] aan derden ter beschikking te stellen. Dit houdt tevens een inbreuk in op [de man]s rechten die voortvloeien uit zijn ouderlijk gezag. Het handelen in strijd met de Wet inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt door [de man] tevens ten grondslag gelegd aan zijn stelling dat [de therapeute] jegens hem toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen.

4.25 [de man] stelt door het handelen van [de therapeute] ernstig in zijn persoon te zijn aangetast op grond waarvan hij recht heeft op een vergoeding van dit nadeel ad € 30.000,-.

4.26 [de therapeute]s verweer tegen het eerste verwijt van [de man] houdt – kort gezegd – in dat zij zich bij de behandeling van [de dochter] niet heeft beziggehouden met waarheidsvinding of het aanleveren van bewijs. Bij conclusie van dupliek stelt zij nog nader dat zij ook niet in staat was vast te stellen of er sprake was van seksueel misbruik door [de man] en dat het vaststellen daarvan evenmin haar taak was. Wel leeft bij haar het vermoeden dat de klachten van [de dochter] zijn terug te voeren op seksueel misbruik. De stelling dat zij [de man] in schriftelijke stukken zou hebben beschuldigd van seksueel misbruik berust uitsluitend op de eigen interpretatie van [de man] van die stukken.

Wat betreft het tweede verwijt erkent [de therapeute] de beide raadslieden van [de vrouw], de Raad voor de Kinderbescherming, alsmede [de vrouw] zelf schriftelijk te hebben geïnformeerd. De beide raadslieden heeft zij op verzoek van [de vrouw] ingelicht en [de vrouw] zelf had recht op de informatie. Als rechtvaardigingsgrond voor het aanschrijven van de Raad beroept [de therapeute] zich op artikel 1: 243 BW. Als algemene rechtvaardigingsgrond voor haar handelen beroept [de therapeute] zich op het belang van [de dochter] dat prevaleert boven het recht op privacy van [de man]. [de therapeute] betwist daarnaast dat zij het recht op privacy van [de man] heeft geschonden, omdat [de vrouw] haar raadslieden en de Raad reeds eerder had geïnformeerd over het seksueel misbruik.

Wat betreft het derde verwijt en [de man]s vordering met betrekking tot de toerekenbare tekortkoming erkent [de therapeute] dat door tussenkomst van de wettelijke vertegenwoordiger [de vrouw] een geneeskundige behandelingsovereenkomst met [de dochter] tot stand is gekomen. Zij betwist dat zij daarnaast de toestemming van [de man] nodig had. Zij erkent tevens de uit artikel 7: 465, lid 1, BW voortvloeiende verplichtingen jegens [de man]. Als rechtvaardiging van het verstrekken van de patiëntgegevens van [de dochter] beroept zij zich op de uitzondering van artikel 7: 465, lid 4, BW alsmede op grond van de omstandigheid dat [de man] haar heeft geschoffeerd.

Daarnaast betwist [de therapeute] dat van een toerekenbare tekortkoming bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst jegens [de man] sprake kan zijn geweest, omdat niet [de man] maar uitsluitend [de dochter] daarbij partij is.

Voor zover de rechtbank mocht oordelen dat toch sprake is geweest van onrechtmatig handelen en/of wanprestatie, betwist [de therapeute] dat [de man] daardoor nadeel heeft geleden, omdat haar handelen het voeren van de familierechtelijke procedures tussen [de man] en [de vrouw] niet heeft bemoeilijkt en geen (verdere) aantasting van [de man]s eer en goede naam heeft veroorzaakt. Dit nadeel is volgens [de therapeute] het gevolg van de omstandigheden die direct in relatie staan met de processuele houding van [de man] en [de vrouw] in de familierechtelijke procedures. Deze omstandigheden kunnen [de therapeute] niet worden toegerekend. In dat verband merkt [de therapeute] nog op dat zij ook niet het oogmerk had om [de man] nadeel toe te brengen Voorzover de rechtbank desondanks [de therapeute] mocht veroordelen tot schadevergoeding, dan dient deze beperkt te blijven tot een bedrag ad € 500,-. Zulks vanwege [de man]s houding jegens haar, het belang van [de dochter] en de beperktheid van de kring van degenen die zij heeft ingelicht.

4.27 Ten aanzien van het eerste verwijt overweegt de rechtbank als volgt. Uit de berichtgeving en verslaglegging door [de therapeute] zoals hierboven onder 2.l tot en met 2.n weergegeven en ter kennis gekomen aan [de man], mede in onderling verband en samenhang bezien, kan de rechtbank niets anders afleiden dan dat gedragingen van [de man] in verband worden gebracht met zeer aannemelijk te achten seksueel misbruik van [de dochter], hetgeen het beeld oproept van beschuldigingen dat [de man] zijn dochter (mogelijk) seksueel heeft misbruikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de therapeute] deze beschuldigingen zonder goede grond geuit. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [de therapeute] naar eigen zeggen niet in staat is vast te stellen dat sprake is geweest van seksueel misbruik van [de dochter] noch dat het vaststellen of het bewijzen van dergelijk seksueel misbruik haar taak was. Hiermee heeft [de therapeute] onrechtmatig gehandeld en is [de man] in zijn eer geschaad.

4.28 [de therapeute]s betoog dat in dit geval dit niet heeft geleid tot een verdere aantasting van [de man]s eer omdat, zo begrijpt de rechtbank dit betoog, [de vrouw] daarvoor al zorg had gedragen, snijdt geen hout. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de door [de therapeute] zelf geuite beschuldigingen geen nadeel meer teweeg kunnen brengen, omdat een ander - [de vrouw] - reeds soortgelijke beschuldigingen heeft geuit.

4.29 Deze schending van de eer van [de man] dient aan [de therapeute], als ondertekenaar van de hierboven onder 2 l t/m n weergegeven stukken, te worden toegerekend Wat betreft het eerste verwijt is de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar.

4.30 Ter zake van het tweede verwijt overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 7: 457, lid 1, BW verbiedt een hulpverlener bij het verstrekken van inlichtingen over een patiënt de persoonlijke levenssfeer van een ander te schaden. Waar in het onderhavige geval, gelet op het voorgaande, vaststaat dat [de therapeute] bij het verstrekken van inlichtingen over haar patiënt [de dochter], tevens voor [de man] belastende informatie heeft verstrekt aan mr. Groot, de Raad voor de Kinderbescherming en [de vrouw], oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een, gelet op de aard van de informatie, schending van de persoonlijke levenssfeer van [de man]. [de therapeute] komt ter zake reeds daarom geen beroep toe op enige door haar aangevoerde rechtvaardigingsgrond, omdat, volgens haar eigen stelling, zij het beweerdelijk seksueel misbruik van [de dochter] nimmer heeft onderzocht of heeft kunnen vaststellen. [de therapeute]s handelen levert een (eigen) schending van de persoonlijke levenssfeer van [de man] op, waaraan niet afdoet dat [de therapeute] aan een beperkte groep betrokkenen aandacht heeft gevraagd voor het beweerdelijk seksueel misbruik.

4.31 Ook hier geldt dat deze schending aan [de therapeute] moet worden toegerekend. In zoverre is de gevraagde verklaring voor recht toewijsbaar.

4.32 Ter zake van het derde verwijt overweegt de rechtbank als volgt. Volgens artikel 1: 251 BW in samenhang met artikel 1: 251i BW worden minderjarigen van onder de twaalf jaar bij het sluiten van overeenkomsten vertegenwoordigd door hun ouders die het ouderlijk gezag over die minderjarige uitoefenen. De daarvan afwijkende regelingen voor de geneeskundige behandelingsovereenkomst in artikel 7: 450 leden 2 en 3 BW voor minderjarigen vanaf 12, respectievelijk vanaf 16 jaar missen in het onderhavige geval toepassing, gelet op de leeftijd van [de dochter]. Is sprake van een verschil van mening tussen de met het gezag belaste ouders, dan staat voor hen de weg open van meergenoemd artikel 1: 253a BW. Waar [de therapeute] onder 2.2 van de conclusie van antwoord erkent begrepen te hebben dat [de man] en [de vrouw] gezamenlijk belast waren met dit gezag over [de dochter] toen [de vrouw] zich tot haar - [de therapeute] - had gewend, had [de therapeute] derhalve geen genoegen mogen nemen met uitsluitend de toestemming van [de vrouw]. Voorts had zij dienovereenkomstig de behandeling van [de dochter] niet mogen voortzetten, toen zij van [de man] te verstaan had gekregen deze te staken. Zodoende heeft [de therapeute] een inbreuk gemaakt op de uit het ouderlijk gezag van [de man] voortvloeiende rechten, hetgeen onrechtmatig is. Op meergenoemde gronden als hiervoor vermeld, komt [de therapeute] geen beroep op de door haar aangevoerde rechtvaardigingsgronden toe. Ook indien [de man] [de therapeute] op een zeker moment zou hebben geschoffeerd, al dan niet vanwege haar weigering de behandeling te staken, kan dit (de voortzetting van) het onrechtmatig handelen van [de therapeute] niet rechtvaardigen.

4.33 Wat betreft het derde verwijt is de gevorderde verklaring voor recht dat [de therapeute] onrechtmatig heeft gehandeld derhalve evenzeer toewijsbaar.

4.34 Nog daargelaten het antwoord op de vraag of er ondanks het ontbreken van de toestemming van [de man] een geneeskundige behandelingsovereenkomst tot stand is gekomen, valt, met het oog op laatstbedoelde toewijzing, niet in te zien dat [de man] daarnaast nog enig belang heeft bij een op grond van hetzelfde feitencomplex gevorderde verklaring voor recht dat [de therapeute] jegens [de man] toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst met betrekking tot [de dochter]. De vordering zal op dat onderdeel derhalve worden afgewezen.

4.35 Wat betreft de door [de man] gevorderde vergoeding van immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de kring van personen en hun functie aan wie [de therapeute] vertrouwelijke informatie betreffende [de man] heeft geuit, is de rechtbank van oordeel dat de persoonlijke levenssfeer van [de man] daardoor is geschonden, maar dat die schending niet zo ernstig is, dat zij aanleiding behoort te geven tot vergoeding van immateriële schade. Echter, gelet op de zo ernstige aard van de door [de therapeute] geuite beschuldigingen van seksueel misbruik aan het adres van [de man], moet worden geoordeeld dat hij daarmee in zijn eer is geschaad als bedoeld in artikel 6:106, lid 1, aanhef en sub b, Burgerlijk Wetboek, zodat hij op die grond wel recht heeft op vergoeding van immateriële schade. [de therapeute] stelt op meerdere gronden dat dit nadeel op nihil moet worden gewaardeerd, dan wel minimaal is. Over [de therapeute]s verweer dat haar handelen geen verder nadeel aan [de man] zou hebben toegebracht, is hiervoor reeds beslist. Het betoog dat haar handelen [de man] niet heeft bemoeilijkt in de procedures tegen [de vrouw], snijdt geen hout, omdat de eventuele beperkte gevolgen van haar handelen niets afdoen aan de aantasting van deze rechten zelf. Aangezien tussen [de man] en [de therapeute] geen familiebetrekking bestaat, is [de therapeute]s verweer dat het familiaire karakter van de procedures tussen [de man] en [de vrouw] beperking of nihilstelling van de vergoeding tot gevolg moet hebben, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Het in dit verband ook door [de therapeute] genoemde ontbreken van het oogmerk om nadeel toe te brengen, kan evenmin tot afwijzing leiden, omdat dit oogmerk geen vereiste is voor gevallen als bedoeld in artikel 6: 106, lid 1 aanhef en onder b, BW.

4.36 De rechtbank stelt, rekeninghoudend met de aard van de beschuldigingen en alle omstandigheden van het geval het door [de therapeute] aan [de man] te vergoeden nadeel in billijkheid vast op € 5.000,-. Bij de vaststelling daarvan rekent de rechtbank [de therapeute] vooral aan, dat zij zich als hulpverlener, gelet op de in acht te nemen onafhankelijkheid en zorgvuldigheid, zeer onprofessioneel heeft gedragen door niet op enig onderzoek gefundeerde conclusies anders dan via daartoe aangewezen kanalen (zoals een vertrouwensarts) naar buiten te brengen over een patiënt en een ouder en voorts door een medische behandelingsovereenkomst aan te gaan en deze uit te (blijven) voeren zonder dat de daarvoor wettelijk vereiste ouderlijke toestemming is verkregen.

4.37 Wat betreft de vordering tot het stoppen van de verdere behandeling van [de dochter] door [de therapeute] twisten partijen erover of [de dochter] thans nog wordt behandeld door [de therapeute]. Wat hier ook van zij, dit twistpunt behoeft niet in de weg te staan aan verbod voor de toekomst. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en beslist over de van [de man] benodigde toestemming voor de behandeling van [de dochter] en het ontbreken van een daarvoor in de plaats komende rechterlijke machtiging op de voet van artikel 1: 253a BW, zal de rechtbank [de therapeute] veroordelen om, voor zover nodig, de behandeling van [de dochter] per datum van dit vonnis te staken en gestaakt te houden tot voor deze behandeling toestemming is verkregen van [de man] dan wel een daarvoor in de plaats te stellen rechterlijke machtiging, bij gebreke waarvan [de therapeute] een dwangsom zal verbeuren van € 1.000,- per behandeling. De rechtbank ziet termen aanwezig om het maximum van de te verbeuren dwangsommen te bepalen op € 25.000,-. Gelijk gevorderd zal deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4.38 [de man] vordert ten slotte nog op de voet van artikel 6: 167, lid 1, BW veroordeling van [de therapeute] om degenen die zij heeft ingelicht over haar diagnose per brief te berichten dat deze diagnose onjuist is geweest. De rechtbank is van oordeel dat hiertoe onvoldoende gronden aanwezig zijn. Het gaat hierbij immers om [de vrouw] en haar voormalige raadslieden. [de vrouw] zal door middel van dit vonnis kennis kunnen nemen van het oordeel van de rechtbank over de diagnose van [de therapeute] terwijl [de man], voor zover hij dat nog wenst, mrs. Groot en Koch een afschrift van dit vonnis kan verstrekken.

4.39 De rechtbank zal [de therapeute] als zijnde de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten.

DE BESLISSING

De rechtbank:

In de zaak tegen [de vrouw]:

Verklaart voor recht, zoals hiervoor in de overwegingen 4.5 en 4.13 van het vonnis is vastgesteld, dat [de vrouw] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [de man];

Veroordeelt [de vrouw] om de behandelingen van [de dochter] door [de therapeute], voor zover deze nog plaatsvinden, per direct te doen stoppen, en gestaakt te houden tot voor deze behandeling toestemming is verkregen van [de man] dan wel een daarvoor in de plaats te stellen rechterlijke machtiging, bij gebreke waarvan [de vrouw] een dwangsom zal verbeuren van € 1.000,- per behandeling en bepaalt dat boven een bedrag van € 25.000,- geen dwangsommen meer zullen worden verbeurd;

Verklaart vonnis in de zaak tegen [de vrouw] tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behoudens ten aanzien van de verklaring voor recht;

Compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Wijst af hetgeen anders of meer is gevorderd.

In de zaak tegen [de therapeute]:

Verklaart voor recht, zoals hiervoor in de overwegingen 4.29, 4.31 en 4.33 is vastgesteld, dat [de therapeute] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [de man];

Veroordeelt [de therapeute] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [de man] te betalen een bedrag groot € 5.000,- (ZEGGE: vijfduizend euro) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

Veroordeelt [de therapeute] om de behandelingen van [de dochter], voorzover deze nog plaatsvinden, per direct te doen stoppen, en deze gestaakt te houden tot voor deze behandeling toestemming is verkregen van [de man] dan wel een daarvoor in de plaats te stellen rechterlijke machtiging, bij gebreke waarvan [de therapeute] een dwangsom zal verbeuren van € 1.000,- per behandeling en bepaalt dat boven een bedrag van € 25.000,- geen dwangsommen meer zullen worden verbeurd;

Verwijst [de therapeute] in de kosten van dit geding tot op deze uitspraak aan de zijde van [de man] begroot op € 591,89 aan verschotten en € 723,75 van salaris van de procureur;

Verklaart het vonnis in de zaak tegen [de therapeute] tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behoudens ten aanzien van de verklaring voor recht;

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de mrs. W.A.J.P. van den Reek, voorzitter, S.M. Jongkind-Jonker en D.J. van Maanen, rechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 20 juli 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.