Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2005:AT9493

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
02-06-2005
Datum publicatie
18-07-2005
Zaaknummer
14.904037-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opzettelijk onjuiste aangiften venootschapsbelasting en inkomstenbelasting doen. Verdachte en zijn broer hebben landbouwgrond gekocht van de besloten vennnootschap, waarvan zij zelf enig aandeelhouders en bestuurders waren. Zij kochten de grond voor een te lage waarde en verkochten deze korte tijd later voor een aanmerkelijk hogere waarde ten behoeve van de realisering van een bedrijventerrein. Zij hebben deze benadeling van de vennootschap ten behoeve van zichzelf niet verwerkt in de aangiften vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1434
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Parketnummer: 14.904037-04

Datum uitspraak: 2 juni 2005

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1952,

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 mei 2005.

De rechtbank heeft kennisgenomen van

- de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank de feiten 1 en 2 bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van 8 weken, met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een geldboete van € 10.000,00, subsidiair 200 dagen vervangende hechtenis;

-hetgeen door de verdachte en mr. D.S. Schreuders en mr. drs. R. Steenman, raadslieden van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

1. [Bedrijf van verdachte en medeverdachte] op of omstreeks 22 juni 2001 te Hoorn, althans in Nederland, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de vennootschapsbelasting ten name van [bedrijf van verdachte en medeverdachte] over het kalenderjaar 1999 of het boekjaar 1999/2000 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, althans heeft doen of laten doen, immers heeft die [bedrijf van verdachte en medeverdachte] opzettelijk (in strijd met de waarheid) op het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Hoorn ingeleverde aangiftebiljet/aangifte

vennootschapsbelasting ten name van [bedrijf van verdachte en medeverdachte] over genoemd(e) jaar/jaren een te laag bedrag aan resultaat van deelnemingen binnenland en/of een te laag bedrag aan saldo fiscale winstberekening en/of een te laag bedrag aan belastbare winst en/of geen/een te laag belastbaar bedrag, opgegeven, althans doen opgeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, leiding heeft gegeven;

2. hij op of omstreeks 01 mei 2001 te Hoorn, althans in Nederland, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (/premie Waz/vermogensbelasting 2000) ten name van [verdachte] over het jaar 1999 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, althans heeft doen of laten doen, immers heeft verdachte opzettelijk (in strijd met de waarheid) op het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Hoorn ingeleverde aangiftebiljet/aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen(/premie Waz/vermogensbelasting 2000) ten name van [verdachte] over genoemd jaar geen/een te laag bedrag aan winst uit aanmerkelijk belang en/of een te laag bedrag aan inkomen en/of een te laag bedrag aan (totaal) privé-bezittingen en/of vermogen en/of een te laag bedrag aan (totaal) te betalen belasting opgegeven, althans doen opgeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

1. [bedrijf van verdachte en medeverdachte] op 22 juni 2001 te Hoorn, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de vennootschapsbelasting ten name van [bedrijf van verdachte en medeverdachte] over het kalenderjaar 1999 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft die [bedrijf van verdachte en medeverdachte] opzettelijk in strijd met de waarheid op de bij de Belastingdienst te Hoorn ingeleverde aangifte vennootschapsbelasting ten name van [bedrijf van verdachte en medeverdachte] over genoemd jaar een te laag bedrag aan belastbare winst en een te laag belastbaar bedrag, opgegeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte tezamen en in vereniging met een ander leiding heeft gegeven;

2. hij op 1 mei 2001 te Hoorn opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen /premie Waz/vermogensbelasting 2000 ten name van [verdachte] over het jaar 1999 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid op de bij de Belastingdienst te Hoorn ingeleverde aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/premie Waz/vermogensbelasting 2000 ten name van [verdachte] over genoemd jaar geen bedrag aan winst uit aanmerkelijk belang en een te laag bedrag aan inkomen en een te laag bedrag aan totaal privé-bezittingen en vermogen opgegeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

4. BEWIJSVERWEREN

Namens verdachte is blijkens de ter terechtzitting overgelegde pleitnotitie primair naar voren gebracht dat niet bewezen is dat het vereiste opzet aanwezig was om onjuiste belastingaangiften te doen. Daartoe is - zakelijk weergegeven - gesteld dat voor het moment van de taxatie van de grond op 23 september 1999 niet is gesproken met Makelaar [makelaar] over een eventuele verkoop van grond aan WFO/ABC (zie A6 t/m A19 pleitnotitie)

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt het volgende:

De heer [makelaar] heeft bij de FIOD/ECD verklaard dat hij op 29 juli 1999 en 7 september 1999 gesprekken heeft gevoerd met verdachte over een eventuele verkoop van grond aan WFO/ABC B.V. Beide afspraken staan genoteerd in de agenda van [makelaar], waarvan kopieën van de betreffende pagina's in het dossier zijn opgenomen (D22 en D23).

[Makelaar] heeft op 9 augustus 1999 aan WFO/ABC verslag gedaan van het gesprek op 29 juli 1999 (D05). Hierin komt de volgende passage voor: 'Verwacht een prijsniveau tussen de fl. 30,- tot fl. 35,- per m2, wel bereid tot onderhandelen.' Geconfronteerd met dit verslag verklaart [makelaar]: 'Als hierin een prijsniveau tussen 30 en 35 gulden per m2 genoemd wordt, dan is daar met [verdachte] ook over gesproken.'

Op 23 september 1999 heeft [makelaar] nogmaals verslag gedaan aan WFO/ABC (D07). In dit verslag wordt melding gemaakt van een gesprek met [verdachte] op 7 september 1999 en komt de zin voor: 'Mijns inziens blijft uitgangspunt circa fl. 35,- per m2 bespreekbaar.' Geconfronteerd met dit verslag verklaart [makelaar]: 'Ik heb inderdaad op 7 september 1999 gesproken met [verdachte].' en 'WFO had een indicatie gegeven van 35 gulden. Het gesprek met [verdachte] heeft mij het gevoel gegeven dat we op dit bedrag konden uitkomen. Ik heb met [verdachte] toen uiteraard reeds over de prijs per m2 gesproken.' Blijkens een document van de gemeente van 16 september 1999 met het opschrift 'Uitwerking op detail betreffende uitbreiding WFO/ABC B.V.' (D06) was de gemeente op 16 september 1999 al op de hoogte van het feit dat [makelaar] met de grondeigenaren [naam 1], [verdachte] en [naam 2] in onderhandeling was over de verkoop van hun grond aan WFO/ABC en dat er over grondprijzen tussen fl. 32,50 en fl. 35,- was gesproken.

Voorts bevindt zich in het dossier een notitie van [naam 3] van het accountantskantoor N. Commandeur B.V. (D20). De notitie draagt het opschrift 'Notitie [naam 3] 20-9-'99'. De eerste zin in deze notitie luidt: '[verdachte] gaat grond (ca 7 ha) verkopen aan ABC-terrein.'

Op grond van het vorenstaande neemt de rechtbank als vaststaand aan dat [makelaar] op 29 juli en 7 september 1999, dus vóór de taxatie van de grond, met verdachte heeft gesproken over een mogelijke verkoop van deze grond aan WFO/ABC B.V. ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijventerrein en dat daarbij indicatief gesproken is over prijzen van fl. 30,- tot fl. 35,- per m2. De rechtbank merkt voorts op dat de verdediging geen overtuigende feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die twijfel aan de verklaring van [makelaar] rechtvaardigen.

Voorst is subsidiair namens verdachte aangevoerd dat door makelaar [makelaar] niet op zodanige wijze is blijk gegeven van interesse van WFO/ABC in de grond van verdachte en zijn broer, dat dit verdachte redelijkerwijs moet zijn opgevallen en dat hij dit moet hebben onthouden (zie A20 pleitnotitie).

De rechtbank verwerpt op grond van de eerder besproken verklaring van [makelaar] en de daarbij aansluitende documenten ook dit verweer.

Meer subsidiair en nog meer subsidiair is door de verdediging aangevoerd dat, indien verdachte al begreep dat de interesse van WFO/ABC in de grond een voor de taxateur [getuige] relevant gegeven was, op hem niet de plicht rustte om de taxateur hieromtrent te informeren. In dit verband heeft de verdediging naar voren gebracht dat taxateur [getuige] bij de FIOD/ECD heeft verklaard dat hij dit gegeven graag had vernomen, maar dat hij niet heeft verklaard dat verdachte hem daarvan op de hoogte had moeten stellen.

Ook dit verweer wordt door de rechtbank verworpen.

Het is in de agrarische wereld algemeen bekend dat er een evident prijsverschil bestaat tussen grond met een agrarische bestemming en grond met de bestemming bedrijventerrein. Verdachte heeft de rechtbank er niet van overtuigd dat hij daarvan niet op de hoogte was. De taxateur [getuige] heeft bij de FIOD/ECD en later bij de rechter-commissaris verklaard dat het feit dat namens WFO/ABC met de gebroeders [verdachte] onderhandeld werd over een mogelijke verkoop van de grond in verband met een voorgenomen uitbreiding van het bedrijventerrein een voor de taxatie relevant gegeven was. [Getuige] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op het moment van de taxatie expliciet aan verdachte heeft gevraagd of er plannen waren de grond te verkopen en wat er aan de hand was met die hectares in verband met de ligging van het bedrijventerrein. Door deze expliciete vraag moet verdachte zich ervan bewust zijn geweest dat het een voor de taxatie relevant gegeven betrof. [Getuige] herinnert zich bovendien dat verdachte hem antwoordde dat er niets aan de hand was. Gezien de vaststelling van de rechtbank dat [makelaar] en verdachte op het moment van de taxatie al twee gesprekken hadden gevoerd over een mogelijke verkoop van de grond, houdt de rechtbank het ervoor dat verdachte dit relevante gegeven bewust voor [getuige] heeft verzwegen.

Overigens wordt aan verdachte niet het strafrechtelijk verwijt gemaakt dat deze omstandigheid voor de taxateur is verzwegen. Aan verdachte wordt verweten dat hij valse aangiften heeft gedaan. Daarbij speelt een belangrijke rol dat verdachte zich bewust was van het feit dat de prijs van de grond sterk afhangt van de bestemming en dat de prijs op het moment van de verkoop van de grond door de B.V. aan verdachte en zijn broer in privé van belang was voor de fiscale beoordeling. In dit kader moest verdachte zich realiseren dat ook de taxatie van [getuige] van belang was voor de fiscale winstbepaling.

Voorts is door de verdediging aangevoerd dat niet is aangetoond dat de aangiften onjuist waren (zie A28 t/m A37).

Volgens de verdediging kan niet worden bewezen dat de grond voor een te lage prijs door de vennootschap aan verdachte in privé is verkocht (zie A30 t/m A37). De verdediging voert hiertoe aan dat de waarde van hetgeen aan de vennootschap wordt onttrokken moet worden vastgesteld op het moment waarop de aandeelhouders en hun vennootschap overeenstemming hebben bereikt over deze onttrekking. Volgens de verdediging is niet komen vast te staan dat er niet al in juni/juli 1999 wilsovereenstemming bestond tussen verdachte en zijn broer en hun vennootschap over de verkoop van de grond van de vennootschap aan hen in privé. In dat geval is de grond voor de juiste waarde getaxeerd en gekocht.

Maar zo al moet worden aangenomen dat de grond wel voor een objectief te lage prijs is verkocht, dan nog kan niet worden bewezen dat verdachte als bestuurder van de vennootschap en als aandeelhouder zich bewust was van het feit dat door de uitdeling van winst aan hem verdachte als aandeelhouder de vennootschap was verarmd (zie A29 pleitnotitie). In dat geval kan er geen sprake zijn van een winstuitdeling als bedoeld in de Wet op de vennootschapsbelasting.

De rechtbank verwerpt ook deze verweren.

Uit het onderzoek is niet aannemelijk geworden dat er al overeenstemming bestond over de verkoop van de grond door de vennootschap aan de vennoten in privé voor het moment dat verdachte kennis kreeg van het voornemen van WFO/ABC grond aan te kopen in noordelijke richting ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijventerrein. Er zijn veeleer aanwijzingen dat de economische eigendomsoverdracht van B.V. naar privé tegen de agrarische waarde is ingegeven door de op dat moment bestaande reële kans dat de grond voor een aanmerkelijk hogere prijs kon worden verkocht aan WFO/ABC. Verdachte ontkent het door de rechtbank als waar aangenomen feit dat op 29 juli en 7 september 1999 al gesprekken met [makelaar] hebben plaatsgevonden. Verdachte antwoordt op 23 september 1999 op een expliciete vraag van taxateur [getuige] in strijd met de waarheid dat er geen plannen zijn met het te taxeren perceel en dat er niets te melden is m.b.t. een eventuele bestemmingswijziging van de grond. Op grond van deze feiten kan ook de fiscale bewustheid worden aangenomen. Verdachte heeft niet overtuigend verklaard waarom hij en zijn broer slechts economisch eigenaar zijn geworden van de grond, anders dan met het oog op een latere verkoop van de grond aan WFO/ABC.

Ten slotte is door de verdediging aangevoerd dat de positie van verdachtes broer en mededader [medeverdachte] anders moet worden beoordeeld dan die van verdachte. Immers binnen het bedrijf gold een taakverdeling waarbij [medeverdachte] zich voornamelijk bezighield met de agrarische problemen en verdachte de financiële en boekhoudkundige zaken behartigde. Ook in deze kwestie heeft verdachte de besprekingen gevoerd. Mocht bij verdachte al opzet bewezen kunnen worden, dan geldt dat in ieder geval niet voor de medeverdachte.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer.

Verdachtes broer [medeverdachte] heeft bij de FIOD/ECD aangegeven dat er weliswaar sprake is van een dergelijke taakverdeling, maar hij heeft tevens expliciet verklaard: 'Mijn broer en ik overleggen alles wat het bedrijf betreft.' en 'Als we het ergens niet over eens kunnen worden, dan gaat het gewoon niet door.' Op de terechtzitting heeft [medeverdachte] deze verklaring zo uitgelegd dat hij daarmee alleen op agrarische problemen had gedoeld. De rechtbank acht dit een ongeloofwaardige verklaring. Bovendien acht de rechtbank het volstrekt onaannemelijk dat over dit soort belangrijke aangelegenheden niet zou worden gesproken tussen de twee enige aandeelhouders in een vennootschap.

5. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert telkens op:

1. medeplegen van opzettelijk een bij de belastingdienst voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging

2. opzettelijk een bij de belastingdienst voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven

6. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. MOTIVERING VAN DE STRAFFEN.

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich met zijn mededader schuldig gemaakt aan belastingfraude. Belastingfraude leidt tot benadeling van de maatschappij. De belastingdienst moet erop kunnen vertrouwen dat aangiften naar waarheid worden ingevuld, welk vertrouwen verdachte heeft beschaamd.

Blijkens de ter terechtzitting overgelegde pleitnota is door de verdediging (als uiterst subsidiair) een strafmaatverweer gevoerd. In dit kader is onder meer gesteld dat op verzoek van de verdediging door Klaver makelaardij een alternatieve taxatie is gedaan die een prijs heeft opgeleverd die beneden de door de fiscus vastgestelde prijs ligt. Voorts is aangevoerd dat de belastingdienst een bedrag zal navorderen van verdachte en het bedrijf van verdachte. Voorts is aangevoerd dat er sterke aanwijzingen waren dat de taxatie van de taxateur [getuige] niet juist was. Ten slotte heeft de verdediging verzocht bij de oplegging van straf rekening te houden met de omstandigheid dat het in dit geval gaat om relatief oude feiten (zie A44 e.v. pleitnota).

De rechtbank overweegt dat, wat er ook zij van de juistheid van de nadeelberekening, de door de officier van justitie gevorderde straf aanmerkelijk lager is dan zou mogen worden verwacht op grond van een rechtstreekse koppeling van de strafeis aan het door de fiscus berekende nadeel.

Voorts merkt de rechtbank op dat fiscale aanslagen die als gevolg van het bewezen verklaarde (eventueel) nog zullen komen, geen sanctiekarakter hebben, doch slechts dienen tot invordering van te weinig afgedragen belastingen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 7 maart 2005, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van andersoortige delicten tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat oplegging van een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf op haar plaats is.

De rechtbank is van oordeel dat tevens een geldboete behoort te worden opgelegd. Bij de bepaling van de hoogte daarvan heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte. Voorts zal de rechtbank rekening houden met de tijdspanne die is gelegen tussen het begaan van het bewezen verklaarde feit en de berechting daarvan.

8. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 68 (oud) en 69 (oud) van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen.

9. BESLISSING

De rechtbank:

- Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

- Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

- Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

- Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een geldboete van

€ 10.000 (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 185 (een honderd vijfentachtig) dagen.

- Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde voorts tot een gevangenisstraf voor de tijd van 8 (acht) weken.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van der Perk, voorzitter,

mr. B.H. Franke en mr. G.D.M. Hoedemaker, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van der Vecht, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2005.

Mr. G.D.M. Hoedemaker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.