Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2005:AT8837

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
06-04-2005
Datum publicatie
07-07-2005
Zaaknummer
74905/HA ZA 04-757
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een schuin overstekende hoogbejaarde voetganger wordt op een kruising aangereden door een auto. Tengevolge van dit ongeval is de voetganger opgenomen in een ziekenhuis met een dubbele beenbreuk. Hierna heeft zij enige tijd in een herstellingsoord moeten verblijven. Volgens de voetganger en de ziektenkostenverzekeraar zijn de automobilist en diens WAM-verzekeraar ingevolge artikel 185 van de Wegenverkeerswet aansprakelijk voor alle ten gevolge van het ongeval ontstane schade.

Ten aanzien van de door de voetganger gevorderde schade oordeelt de rechtbank dat de zogenaamde 50%-regel van toepassing is, zodat ten minste de helft van de door de voetganger geleden schade voor rekening van gedaagden dient te komen. Ten aanzien van de andere helft van de schade is de rechtbank van oordeel dat het rijgedrag van de automobilist voor 75% en de gedragingen van de voetganger voor 25% hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Na toepassing van de billijkheidscorrectie is de rechtbank van oordeel dat gedaagden volledig aansprakelijk moeten worden gehouden voor de door de voetganger geleden schade.

Ten aanzien van de door de ziektekostenverzekeraar ziet de rechtbank geen aanleiding voor toepassing van de billijkheidscorrectie, zodat gedaagden gehouden zijn 75% van de door de verzekeraar geleden schade te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 223
VR 2006, 82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

zaak- en rolnummer: 74905 / HA ZA 04-757

datum: 6 april 2005

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

1. [eiseres sub 1],

wonende te Amsterdam,

2. De naamloze vennootschap VVAA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd en kantoor houdende te Utrecht,

EISERESSEN bij dagvaarding van 2 juli 2004 en herstelexploit van 13 juli 2004,

procureur mr. H.R.M. Jenné,

advocaat mr. A.H. Blok te Utrecht,

tegen:

1. [gedaagde sub 1],

wonende te Groningen,

2. De naamloze vennootschap N.V. NOORDHOLLANDSCHE VAN 1816 N.V.

gevestigd en kantoor houdende te Oudkarspel,

GEDAAGDEN,

procureur mr. J. van Rhijn.

Eiseressen zullen verder worden genoemd "[eiseres sub 1]" respectievelijk "VVAA", terwijl gedaagden hierna "[gedaagde sub 1]" en "Noordhollandsche" worden genoemd.

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

1.1 [eiseres sub 1] en VVAA hebben gesteld en gevorderd overeenkomstig de dagvaarding en het herstelexploit, waarbij 8 producties zijn overgelegd.

1.2 [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche hebben een conclusie van antwoord genomen, waarbij 15 producties zijn overgelegd.

1.3 Vervolgens hebben [eiseres sub 1] en VVAA - onder overlegging van 4 producties - gerepliceerd en hebben [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche van dupliek gediend.

1.4 Ten slotte is vonnis gevraagd.

De inhoud van al deze stukken geldt als hier ingelast.

2. DE FEITEN

Tussen partijen staat het volgende vast.

2.1 Op 13 september 2002 heeft op de kruising van de [straatnaam 1] met de [straatnaam 2] te Amsterdam een ongeval plaatsgevonden. [eiseres sub 1] is daarbij als voetganger aangereden door een auto die werd bestuurd door [gedaagde sub 1].

2.2 [eiseres sub 1] is tengevolge van het ongeval diezelfde dag opgenomen in het VU Medisch Centrum te Amsterdam, met een dubbele beenbreuk. De beenbreuk is behandeld met een gipskoker.

2.3 Op 23 september 2002 is [eiseres sub 1] overgeplaatst naar herstellingsoord Overbosch te Hilversum, waar zij op 3 november 2002 is ontslagen.

2.4 [gedaagde sub 1] is tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Noordhollandsche.

2.5 [eiseres sub 1] is tegen particuliere ziektekosten verzekerd bij VVAA.

3. HET GESCHIL

3.1 [eiseres sub 1] en VVAA hebben gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. zal verklaren voor recht dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiseres sub 1] geleden schade alsmede voor de door VVAA gedane uitkeringen ter zake van het ongeval op 13 september 2002;

2. A. gedaagden hoofdelijk zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres sub 1] een bedrag van Euro 4.239,50 te betalen;

B. gedaagden hoofdelijk zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan VVAA een bedrag van Euro 14.238,10 te betalen;

C. gedaagden hoofdelijk zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres sub 1] en VVAA een bedrag van Euro 608,75 te betalen;

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2002, althans vanaf de dag van de dagvaarding.

3. gedaagden hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente indien de proceskosten niet binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis zijn voldaan.

3.2 [eiseres sub 1] en VVAA hebben hieraan primair ten grondslag gelegd dat gedaagden ingevolge artikel 185 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle ten gevolge van het ongeval ontstane schade. [eiseres sub 1] en VVAA hebben hiertoe gesteld dat het weggedrag van [gedaagde sub 1] uitsluitend, althans in zeer overwegende mate, aan het ontstaan van het ongeval heeft bijgedragen.

Subsidiair hebben [eiseres sub 1] en VVAA zich op het standpunt gesteld dat Noordhollandsche heeft erkend dat het gedrag van [gedaagde sub 1] voor 60% aan het ontstaan van het ongeval heeft bijgedragen en dat deze causale verdeling op grond van de zogenoemde billijkheidscorrectie volledig in het voordeel van [eiseres sub 1] dient te worden gecorrigeerd.

3.3 [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche hebben de vordering en de gronden daarvan gemotiveerd weersproken.

4. DE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

4.1 De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van het onderhavige geschil een onderscheid moet worden gemaakt tussen de schadevergoeding die door [eiseres sub 1] wordt gevorderd en de vordering van VVAA.

4.2 Ten aanzien van de door [eiseres sub 1] gevorderde schade geldt het volgende.

4.3 [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche hebben in de onderhavige procedure geen beroep gedaan op overmacht aan de zijde van [gedaagde sub 1], dan wel op de aanwezigheid van opzet of roekeloosheid aan de zijde van [eiseres sub 1]. Hierdoor is de in de jurisprudentie ontwikkelde 50%-regel (IZA/Vrerink-arrest, HR 28 februari 1992, NJ 1993, 566) van toepassing, op grond waarvan ten minste de helft van de door [eiseres sub 1] geleden schade voor rekening van [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche dient te komen. Ten aanzien van de andere helft van de schade van [eiseres sub 1] is in beginsel beslissend in hoeverre de gedragingen van [eiseres sub 1] enerzijds en het rijgedrag van [gedaagde sub 1] anderzijds hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval.

4.4 Met betrekking tot de toedracht van het ongeval overweegt de rechtbank als volgt. [eiseres sub 1] heeft gesteld dat zij vanaf het voetpad langs de [straatnaam 1] wilde oversteken naar het aan de voor haar aan de rechterzijde van de [straatnaam 2] gelegen voetpad. Hiertoe heeft zij zich opgesteld bij de rood-witte paal, die in de lengterichting van de wegas van de [straatnaam 2] is gelegen. Hieruit leidt de rechtbank af dat [eiseres sub 1] de kruising schuin is gaan oversteken. Indien zij recht zou zijn gaan oversteken, dan zou zij immers het voetpad aan de rechterzijde van de [straatnaam 2] niet bereiken en zou zij midden op de rijbaan van de [straatnaam 2] uitkomen. Uit de door partijen overgelegde foto's maakt de rechtbank op dat ter plaatse van de rood-witte paal geen oversteekplaats is gelegen, doch dat sprake is van een toegang tot het fietspad gelegen langs de linkerrijbaan van de [straatnaam 1]. Deze toegang is bestemd voor fietsers die komende vanaf de rijbaan van de [straatnaam 2] - waar blijkens de foto's een afzonderlijk fietspad ontbreekt - linksaf het desbetreffende fietspad op willen rijden. Met betrekking tot het rijgedrag van [gedaagde sub 1] staat vast dat zij op de [straatnaam 2] voor de haaientanden heeft gewacht voordat zij is opgetrokken en de kruising is opgereden. Vervolgens is zij linksaf geslagen. Hierbij heeft zij [eiseres sub 1] niet, althans te laat opgemerkt, waardoor zij niet tijdig heeft kunnen remmen dan wel Den Hartog heeft kunnen ontwijken. De aanrijding heeft ter hoogte van de wegas van de [straatnaam 1] plaatsgevonden.

4.5 [eiseres sub 1] heeft nog gesteld dat de aanrijding mede is ontstaan doordat [gedaagde sub 1] met aanzienlijke snelheid is opgetrokken, hetgeen [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche hebben betwist. Gelet op deze betwisting ligt het in beginsel op de weg van [eiseres sub 1] en VVAA om deze stelling te bewijzen. De rechtbank zal [eiseres sub 1] en VVAA echter niet tot bewijslevering in de gelegenheid stellen. Zij overweegt hiertoe dat [eiseres sub 1] en VVAA hun stelling, inhoudende dat [gedaagde sub 1] met aanzienlijke snelheid is opgetrokken, niet hebben gebaseerd op concrete feiten en omstandigheden. In plaats daarvan hebben zij aan deze stelling een vermoeden ten grondslag gelegd, namelijk het vermoeden dat [gedaagde sub 1] de auto van haar vriend, die voor haar reed, wilde kunnen blijven volgen. Dit is niet voldoende om tot bewijslevering te worden toegelaten. Hiernaast hebben zij in dit kader nog gewezen op de ernst van het door [eiseres sub 1] opgelopen letsel. Ook dit treft geen doel. Het enkele feit dat [eiseres sub 1] een dubbele beenbreuk aan het ongeval heeft overgehouden, brengt immers niet automatisch mee dat met aanzienlijke snelheid is gereden. In dit verband hecht de rechtbank belang aan het feit dat [eiseres sub 1] ten tijde van het ongeval hoogbejaard was en dat bij een hoogbejaard slachtoffer over het algemeen sneller sprake is van botbreuken, dan bij een jonger slachtoffer het geval zal zijn. De rechtbank zal de onderhavige stelling van [eiseres sub 1] dan ook passeren.

4.6 Ook nu niet vast is komen te staan dat [gedaagde sub 1] met aanzienlijke snelheid is opgetrokken, is de rechtbank van oordeel dat het rijgedrag van [gedaagde sub 1] in grote mate heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Vaststaat immers dat het ten tijde van het ongeval licht en droog was en dat [eiseres sub 1] voor [gedaagde sub 1] zichtbaar moet zijn geweest. Verder staat vast dat [gedaagde sub 1] enige tijd heeft stilgestaan voordat zij de kruising is opgereden. Ondanks deze omstandigheden heeft [gedaagde sub 1] [eiseres sub 1] niet, althans te laat opgemerkt, waardoor zij een aanrijding met [eiseres sub 1] niet heeft voorkomen. De rechtbank leidt hieruit af dat [gedaagde sub 1] zich er onvoldoende van heeft vergewist of de kruising vrij was. De rechtbank acht hiertoe mede van belang dat [eiseres sub 1] ten tijde van het ongeval hoogbejaard was en dat het ongeval ter hoogte van de wegas van de [straatnaam 1] heeft plaatsgevonden. Hieruit maakt de rechtbank op dat [eiseres sub 1] haar oversteek reeds had ingezet voordat [gedaagde sub 1] de kruising is opgereden, zodat [gedaagde sub 1] rekening had kunnen en moeten houden met deze oversteek.

4.7 Ook de gedragingen van [eiseres sub 1] hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. [eiseres sub 1] is immers de kruising schuin gaan oversteken, hetgeen een illegaal gebruik van de rijbaan oplevert. Hiernaast geldt dat [eiseres sub 1] haar oversteek niet ter plaatse van een oversteekplaats heeft ingezet. Hoewel [eiseres sub 1] hiertoe niet verplicht was, heeft zij hierdoor wel afgezien van de extra bescherming die een oversteekplaats een voetganger over het algemeen biedt. Tenslotte geldt dat [eiseres sub 1] de auto van [gedaagde sub 1] voor had moeten laten gaan. Een voetganger gaat ingevolge artikel 49, tweede lid, RVV 1990 immers alleen voor indien wordt overgestoken op een zogenaamd zebrapad. Daarvan was in het onderhavige geval geen sprake. Voorts kan de rechtbank [eiseres sub 1] en VVAA niet volgen in de stelling dat [gedaagde sub 1] [eiseres sub 1] op grond van haar leeftijd had moeten laten voorgaan. Het enkele feit dat [eiseres sub 1] ten tijde van het ongeval hoogbejaard was, betekent niet dat sprake is van "moeilijk voortbewegen" in de zin van artikel 49, eerste lid, RVV 1990.

4.8 Een afweging van voormelde omstandigheden leidt de rechtbank tot de conclusie dat het rijgedrag van [gedaagde sub 1] voor 75% en de gedragingen van [eiseres sub 1] voor 25% aan het ontstaan van het ongeval hebben bijgedragen.

4.9 Vervolgens is aan de orde de vraag of de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of de andere omstandigheden van het geval een correctie op de hiervoor vastgestelde verdeling vereist. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De strekking van artikel 185 WVW 1994 brengt immers mee dat de kwetsbare deelnemer in het verkeer, in casu de voetganger, in beginsel beschermd moet worden tegen de gevaren van het gemotoriseerde verkeer. Dit geldt des te meer indien sprake is van een voetganger die ten tijde van het ongeval hoogbejaard was. Een hoogbejaarde voetganger is over het algemeen minder bedreven in het verkeer en om die reden extra kwetsbaar. Voorts geldt dat [eiseres sub 1] ten gevolge van het ongeval aanzienlijke letselschade heeft opgelopen. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, staat vast dat [eiseres sub 1] tien dagen in het ziekenhuis en vervolgens langere tijd in een revalidatiecentrum heeft moeten verblijven. Hiernaast heeft zij enige tijd een gipskoker moeten dragen, heeft zij in een rolstoel gezeten en loopt zij thans nog met behulp van een stok. Tenslotte wordt de door [eiseres sub 1] geleden schade niet geheel door haar verzekeraar gedekt. Hier staat tegenover dat uit de door [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche overgelegde brief van [gedaagde sub 1] van 8 november 2002 (productie 3 bij de conclusie van antwoord) blijkt dat haar auto ten gevolge van het ongeval geen waarneembare schade heeft opgelopen. Evenmin is gesteld of gebleken dat [gedaagde sub 1] bij de aanrijding gewond is geraakt of anderszins schade heeft geleden. Voorts geldt dat [gedaagde sub 1] verplicht is verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid. Deze omstandigheden brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche volledig aansprakelijk moeten worden gehouden voor de door [eiseres sub 1] geleden schade.

4.10 Het voorgaande geldt echter niet voor de door VVAA gevorderde schade. Bij een regresnemende verzekeraar, dient de billijkheidscorrectie terughoudend te worden toegepast. Ten aanzien van VVAA ziet de rechtbank geen aanleiding om tot enige correctie over te gaan, zodat [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche gehouden zijn 75% van de door VVAA geleden schade te vergoeden.

4.11 Thans is aan de orde de omvang van de door [eiseres sub 1] gevorderde schade.

4.12 [eiseres sub 1] maakt vanwege haar verblijf in het ziekenhuis van 13 september 2002 tot en met 23 september 2002 jegens [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche aanspraak op de genormeerde ziekenhuisdaggeldvergoeding van Euro 23,- per dag, zijnde een totaalbedrag van Euro 230,-. [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche hebben hiertegen slechts aangevoerd dat de ligdagen begrepen zijn in het door [eiseres sub 1] gevorderde smartengeld, zodat geen afzonderlijke vergoeding kan worden gevorderd. De rechtbank kan [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche hierin niet volgen. Uit de door [eiseres sub 1] overgelegde gedragslijnen van het Nationaal Platvorm Personenschade inzake kilometer- en ziekenhuisdaggeldvergoeding van 14 december 1998 (hierna: de gedragslijnen) blijkt immers dat de normering bedoeld is voor materiële schade, zoals kosten van de aanschaf van bed- en ziekenhuiskleding en kosten die zijn gemaakt om het verblijf in het ziekenhuis te veraangenamen.

Dergelijke kosten zijn niet begrepen in het gevorderde smartengeld. Het enkele feit dat [eiseres sub 1] in de onderhavige procedure smartengeld vordert, staat dan ook niet aan toewijzing van het onderhavige deel van de vordering in de weg.

4.13 [eiseres sub 1] maakt ook aanspraak op een genormeerde vergoeding voor de dagen dat zij opgenomen is geweest in het revalidatiecentrum. Uit de gedragslijnen blijkt echter dat de normering hiervoor niet bedoeld is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het op de weg van [eiseres sub 1] had gelegen om vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte kosten te vorderen. Het gevorderde forfaitaire bedrag zal om die reden worden afgewezen.

4.14 Met betrekking tot haar verblijf in het revalidatiecentrum heeft [eiseres sub 1] vergoeding gevorderd van de door haar gemaakte telefoon- en televisiekosten ad Euro 39,50. Dit bedrag kan worden toegewezen, nu [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche op dit punt onvoldoende gemotiveerd verweer hebben gevoerd en het gevorderde bedrag de rechtbank, gelet op de duur van het verblijf in het herstellingsoord, ook redelijk voorkomt.

4.15 Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor het inschakelen van extra huishoudelijke hulp ad Euro 400,- overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat [eiseres sub 1] ten gevolge van de door haar ondervonden bewegingsbeperkingen extra gebruik heeft moeten maken van huishoudelijke hulp. Voorts acht de rechtbank de hoogte van het door [eiseres sub 1] gevorderde bedrag redelijk, zodat dit bedrag toewijsbaar is.

4.16 Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor het verstrekken van cadeaus ter waarde van Euro 150,-. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat [eiseres sub 1] ten gevolge van haar verblijf in het ziekenhuis en het revalidatiecentrum genoodzaakt is geweest om hulp van derden in te schakelen bij de verzorging van haar hond. Voorts acht de rechtbank redelijk dat [eiseres sub 1] als tegenprestatie voor deze geboden hulp cadeaus tot een bedrag van Euro 150,- heeft verstrekt. Ook dit bedrag zal derhalve worden toegewezen.

4.17 [eiseres sub 1] heeft de door haar geleden immateriële schade begroot op Euro 2.500,-. Vaststaat dat [eiseres sub 1] ten gevolge van de aanrijding een dubbele beenbreuk heeft opgelopen. In verband hiermee heeft [eiseres sub 1] tien dagen in het ziekenhuis gelegen. Vervolgens is [eiseres sub 1] veertig dagen opgenomen geweest in een revalidatiecentrum. Door de beenbreuk is [eiseres sub 1] enige tijd ernstig beperkt geweest in haar bewegingsvrijheid. Zij heeft enige tijd een gipskoker moeten dragen en heeft in een rolstoel gezeten. Thans maakt [eiseres sub 1] bij het lopen nog gebruik van een stok, zodat [eiseres sub 1] nog altijd bewegingsbeperkingen ondervindt. Gelet op deze gevolgen voor [eiseres sub 1] acht de rechtbank het gevorderde bedrag passend en dus toewijsbaar.

4.18 Gelet op het voorgaande zijn [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche jegens [eiseres sub 1] aansprakelijk voor de door haar geleden schade, zulks tot een totaalbedrag van Euro 3.319,50. Het door Noordhollandsche verstrekte voorschot ad Euro 500,- dient hierop in mindering te worden gebracht, zodat Euro 2.819,50 resteert. Dit bedrag dient met ingang van 13 september 2002, de datum van het ongeval, te worden vermeerderd met de wettelijke rente over de vastgestelde immateriële schade en de genormeerde ziekenhuisdaggeldvergoeding. Ten aanzien van de overige schade is de wettelijke rente eerst verschuldigd vanaf de dag van dagvaarding, nu niet gesteld of gebleken is wanneer deze schade is ingetreden.

4.19 Ten aanzien van de omvang van de door VVAA gevorderde schade geldt het volgende.

4.20 VVAA vordert vergoeding van de ter zake van de ziektekosten van [eiseres sub 1] gedane uitkeringen ad Euro 14.238,10. Ter onderbouwing van deze vordering heeft VVAA een groot aantal facturen in het geding gebracht. [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche hebben betwist dat VVAA de door haar gestelde uitkeringen heeft gedaan. Hiernaast hebben zij aangevoerd dat niet vast staat dat de uitkeringen redelijk en noodzakelijk waren. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche de vordering van VVAA hierdoor onvoldoende gemotiveerd hebben bestreden. Met name had het op de weg van [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche gelegen om aan te geven welke uitkeringen worden betwist en wat de reden daarvan is.

4.21 Gelet op het voorgaande, alsmede gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.10 heeft overwogen, ligt 75% van het door VVAA gevorderde bedrag, zijnde een bedrag van Euro 10.678,58, voor toewijzing gereed. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, nu niet gesteld of gebleken is op welk moment de uitkeringen door VVAA daadwerkelijk zijn gedaan.

4.22 [eiseres sub 1] en VVAA hebben voorts vergoeding gevorderd van de door hen gemaakte buitengerechtelijke kosten ad Euro 608,75. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen nu voldoende aannemelijk is dat werkzaamheden zijn verricht anders dan die ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak en de hoogte van het gevorderde bedrag de rechtbank ook redelijk voorkomt. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar, nu niet gesteld noch gebleken is dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald.

4.23 De gevorderde termijnstelling ten aanzien van de betaling van de proceskosten zal worden afgewezen, nu [eiseres sub 1] en VVAA daarbij geen belang hebben.

4.24 [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche zullen als de in het overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. DE BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiseres sub 1] geleden schade, zulks tot een bedrag van Euro 3.319,50, alsmede voor de door VVAA gedane uitkeringen ter zake van het ongeval op 13 september 2002, zulks tot een bedrag van Euro 10.678,58;

- veroordeelt [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche hoofdelijk en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres sub 1] te betalen een bedrag van Euro 2.819,50 (zegge: tweeduizend vijfhonderd negentien euro en vijftig vent), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van Euro 2.730,- vanaf 13 september 2002 tot aan de dag van algehele voldoening, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van Euro 589,50 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche hoofdelijk en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan VVAA te betalen een bedrag van Euro 10.678,58 (zegge: tienduizend zeshonderd achtenzeventig euro en achtenvijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche hoofdelijk en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres sub 1] en VVAA te betalen een bedrag van Euro 608,75 (zegge: zeshonderd acht euro en vijfenzeventig cent);

- verwijst [gedaagde sub 1] en Noordhollandsche hoofdelijk in de kosten van het geding, tot heden aan de zijde van [eiseres sub 1] en VVAA begroot op Euro 587,56 aan verschotten en op Euro 904,- aan salaris van de procureur;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. L. Boonstra en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 6 april 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.