Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2005:AT8810

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
06-07-2005
Datum publicatie
07-07-2005
Zaaknummer
73172/HA ZA 04-485
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft uitspraak gedaan in een procedure die buurtbewoners aanhangig hebben gemaakt tegen de naastgelegen moskee en de gemeente waarin de moskee is gevestigd. Volgens de buurtbewoners ondervinden zij overlast van de (bezoekers van de) moskee en zijn zowel de moskee als de gemeente jegens hen aansprakelijk voor de hierdoor geleden schade, bestaande in ieder geval uit derving van het woongenot en waardevermindering van de woning.

De rechtbank heeft de vordering van de buurtbewoners jegens de moskee afgewezen, nu zij hun stelling, inhoudende dat sprake is van onrechtmatige hinder, onvoldoende hebben onderbouwd. Ten aanzien van de gemeente heeft de rechtbank overwogen dat weliswaar vaststaat dat de gemeente een drietal onrechtmatige besluiten heeft genomen, doch dat de buurtbewoners hebben nagelaten voldoende feiten en/of omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat door deze besluiten daadwerkelijk schade is geleden en dat deze schade in causaal verband staat met de desbetreffende besluiten. De rechtbank heeft ook de subsidiaire grondslag, inhoudende dat de gemeente uit hoofde van een rechtmatige overheidsdaad jegens de buurtbewoners schadeplichtig is, gepasseerd. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat een vordering tot het verkrijgen van nadeelcompensatie ter zake van een rechtmatig besluit bij de bestuursrechter aanhangig dient te worden gemaakt, terwijl voorts is gebleken dat de raad van de gemeente reeds een verzoek om toekenning van zogenaamde planschadevergoeding heeft afgewezen, welk besluit formele rechtskracht heeft gekregen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 5
Burgerlijk Wetboek Boek 5 37
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2005, 82
JA 2005/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

zaak- en rolnummer: 73172 / HA ZA 04-485

datum: 6 juli 2005

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

1. [eiser sub 1],

2. [eiseres sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS bij dagvaarding van 10 mei 2004,

procureur mr. H. van Lingen,

tegen:

1. de stichting ISLAMITISCHE STICHTING NEDERLAND

(HOLLANDA DIYANET VAKFI) FATIH MEDEMBLIK,

statutair gevestigd te Medemblik,

toev.nr. 4ER7974,

GEDAAGDE,

procureur mr. F. Baars,

advocaat mr. N. Türkkol te Amsterdam,

2. het openbaar lichaam GEMEENTE MEDEMBLIK,

zetelende te Medemblik,

GEDAAGDE,

procureur mr. O.H. Minjon.

Eisers zullen verder in enkelvoud worden genoemd "[eiser sub 1]", terwijl gedaagden verder "de stichting" respectievelijk "de gemeente " zullen worden genoemd.

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

1.1 [eiser sub 1] heeft gesteld en gevorderd overeenkomstig de dagvaarding, waarbij 23 producties zijn overgelegd.

1.2 De stichting en de gemeente hebben een conclusie van antwoord genomen. De stichting heeft hierbij 3 producties overgelegd, terwijl de gemeente 10 producties in het geding heeft gebracht.

1.3 Op 14 juli 2004 heeft de rechtbank een in deze zaak tussen partijen gewezen vonnis uitgesproken. Ter uitvoering van dat vonnis heeft op 2 november 2004 een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

1.4 Hierna heeft [eiser sub 1] een conclusie van repliek genomen, waarbij 30 producties zijn overgelegd.

1.5 Vervolgens heeft eerst de gemeente, onder overlegging van 2 producties, en daarna de stichting gediend van dupliek.

1.6 Ten slotte is vonnis gevraagd.

De inhoud van al deze stukken geldt als hier ingelast.

2. DE FEITEN

2.1 [eiser sub 1] is sinds 3 mei 1996 eigenaar van de woning met erf en schuur, gelegen aan de [straatnaam + huisnummer 1 + woonplaats].

2.2 In 1997 heeft de gemeente aan de stichting toestemming verleend voor de vestiging van een moskee in het pand gelegen aan de [straatnaam + huisnummer 2 + woonplaats]. Daarin werd tevens een winkel en een ontmoetingsruimte toegestaan. De gemeente heeft hieraan de volgende voorwaarden verbonden:

- de moskee moet na 22.00 uur gesloten zijn;

- de ramen en deuren van het pand dienen gesloten te blijven;

- er mag geen overlast worden veroorzaakt door auto's van bezoekers van de moskee.

2.3 De moskee met ontmoetingsruimte en winkel is sinds 1999 in voornoemd pand, gelegen direct naast de woning van [eiser sub 1], gevestigd.

2.4 Een brief van 27 juli 1999 van de gemeente aan de stichting, welke brief namens de stichting "voor akkoord" is ondertekend, luidt - voor zover van belang - als volgt.

"Op 20 juli jl. heeft een afvaardiging van het gemeentebestuur een gesprek gevoerd met vertegenwoordigers van uw stichting. Achtergrond is de overlast, die de direct omwonenden ondervinden van de aard van het gebruik van het gebouw door de leden van uw stichting.

Tijdens deze bespreking (...) zijn de volgende afspraken gemaakt:

* u zorgt er ter voorkoming van geluidsoverlast voor de omwonenden voor, dat alle activiteiten in het gebouw plaatsvinden en dat ramen en deuren daarbij gesloten zullen zijn en blijven;

(...)

* u dringt er bij de leden van de stichting op aan, dat zij zoveel mogelijk lopend naar het centrum komen; voor wat betreft personen, die toch met de auto komen, zult u er op toezien dat de geparkeerde auto's geen verkeersonveilige situatie veroorzaken en dat mensen bij het naar huis gaan niet met de portieren slaan en niet toeteren.

(...)".

2.5 Bij besluit van 6 april 2000, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (hierna: het college) nadere eisen aan de stichting gesteld. Dit besluit luidt - voor zover van belang - als volgt.

"Helaas moeten wij constateren, dat voornoemde toezeggingen op geen enkele wijze door u worden nagekomen. Pogingen om hier verbetering in te brengen (...) sterken ons in het vermoeden, dat u geenszins bereid bent om welke afspraak dan ook te maken, laat staan deze ook daadwerkelijk na te komen.

Krachtens het bepaalde in voorschrift 3.4.2. van de bijlage, behorende bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer bent u verplicht zodanige maatregelen en voorzieningen te treffen dat hinder, veroorzaakt door komende en vertrekkende bezoekers, wordt voorkomen. Nu u zich hier op geen enkele wijze aan houdt, hebben wij om verdere overlast voor de direct omwonenden te voorkomen, besloten op grond van het bepaalde in voorschrift 4.1.4. de volgende nadere eisen aan u te stellen:

- na 22.00 uur mag er geen enkele activiteit meer plaatsvinden in het gebouw;

- alle ramen en deuren in het gebouw dienen te allen tijde gesloten te zijn en te blijven;

- bezoekers voor wie het noodzakelijk is om met de auto naar het gebouw te komen, dienen hun auto op uw eigen terrein te parkeren;

- u dient er op toe te zien, dat bezoekers van het gebouw geen enkele overlast voor de omgeving veroorzaken.

Op grond van artikel 20.5 van de Wet Milieubeheer hebben wij besloten te bepalen, dat dit besluit met onmiddellijke ingang in werking treedt.

Indien u nalatig blijft te voldoen aan voornoemde nadere eisen zien wij ons genoodzaakt over te gaan tot sluiting van het gebouw.".

2.6 Een nota van de sector middelen aan het college van 14 juni 2000 luidt - voor zover van belang - als volgt.

"Bij besluit van 6 april jl. zijn aan de Islamitische Stichting Nederland nadere eisen, als bedoeld in het Besluit horeca-, sport- en recreatieinrichtingen milieubeheer, gesteld. In de praktijk blijkt, dat aan deze beschikking, die inmiddels onherroepelijk is geworden, geen gevolg wordt gegeven.

GEADVISEERDE BESLISSING: overgaan tot sluiting van het pand [straatnaam]

4 - 5. Het voornemen daartoe kenbaar maken in een gesprek -waarin tevens de verplaatsing van de inrichting aan de orde ware te stellen- met het bestuur van de Islamitische stichting, dit om haar de gelegenheid te geven te reageren op dat voornemen. Na dat gesprek het definitieve besluit tot sluiting nemen.

(...)

Uit meldingen van zowel mevrouw [achternaam] als de familie [eiser sub 1], die bevestigd worden door waarnemingen van de politie (zie bijgaande rapportages) blijkt, dat

- uitgezonderd het parkeren - aan deze beschikking, die inmiddels onherroepelijk is geworden, geen gevolg wordt gegeven. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken, dat bij de Islamitische Stichting totaal niet de wil aanwezig is om daadwerkelijk maatregelen te treffen om een eind te maken aan de overlast. Sterker nog: ik heb het idee, dat de overlast alleen nog maar toeneemt. Zo heeft er zaterdag 3 juni een bruiloftsfeest (!) plaatsgevonden. Uit in dat kader door de politie verrichte geluidsmetingen bleek, dat de geluidsbelasting op de noordgevel van de woning van de familie [eiser sub 1] 64 dB(A) en op de oostgevel 63 dB(A) bedroeg. Aangezien bij deze waarden een correctie is toegepast, overschrijden zij de op grond van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer toegestane waarden. Daarnaast heb ik afgelopen weekeinde geconstateerd, dat men het plaatsje aan de linkerzijde voor het gebouw in gebruik had genomen als terras."

Besluit tijdelijke sluiting moskee

2.7 Bij besluit van 19 juli 2000 heeft het college besloten over te gaan tot sluiting van het pand [straatnaam + huisnummer 2] gedurende een periode van twee maanden.

2.8 Zowel de stichting als eisers hebben tegen dit besluit van het college een bezwaarschrift ingediend.

2.9 Bij besluit van 31 oktober 2000 heeft het college de bezwaarschriften van [eiser sub 1] en de stichting ongegrond verklaard en heeft het college haar beslissing tot tijdelijke sluiting van het pand gehandhaafd. Het besluit van 31 oktober 2000 luidt - voor zover van belang - als volgt.

"Met de tijdelijke sluiting proberen wij een laatste waarschuwing af te geven aan de Islamitische Culturele Stichting teneinde haar afdoende maatregelen te laten treffen om ervoor te zorgen dat de gestelde regels onverkort worden nageleefd, waardoor een definitief eind komt aan de overlast voor de omwonenden."

2.10 [eiser sub 1] heeft tegen het besluit van het college van 31 oktober 2000 beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Voorts heeft [eiser sub 1] de Voorzitter van de Afdeling verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2.11 Op 16 januari 2001 heeft de Voorzitter van de Afdeling onmiddellijk uitspraak gedaan in de hoofdzaak. De Voorzitter heeft het besluit van het college van 31 oktober 2000 vernietigd, zulks vanwege het ontbreken van een begunstigingstermijn en een daarmee samenhangende herstelmogelijkheid. De Voorzitter heeft voorts - voor zover van belang - het volgende overwogen:

"Onbetwist is dat bij het in werking zijn van de inrichting gehandeld is in strijd met het bij of krachtens de Wet Milieubeheer bepaalde. Derhalve waren verweerders bevoegd om krachtens artikel 125 van de Gemeentewet, in samenhang met hoofdstuk 18 van de Wet milieubeheer en hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht, daartegen op te treden met bestuurlijke handhavingsmiddelen, teneinde de overtreding ongedaan te maken, dan wel verdere overtreding te voorkomen.".

2.12 Op 27 december 2001 heeft [eiser sub 1] beroep ingesteld tegen de fictieve weigering van het college om opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift.

2.13 Op 27 februari 2002 heeft de Afdeling dit beroep van [eiser sub 1] gegrond verklaard.

2.14 Bij besluit van 20 maart 2002 heeft het college het bezwaarschrift van de stichting tegen het besluit van 19 juli 2000 gegrond en het bezwaarschrift van [eiser sub 1] ongegrond verklaard. Het college heeft hiertoe - voor zover van belang - het volgende overwogen:

"dat overtreding van geluidsvoorschriften dient te worden vastgesteld op basis van regelmatig uit te voeren geluidsonderzoeken op basis waarvan objectieve conclusies kunnen worden getrokken;

dat uit andere objectieve gegevens evenmin blijkt van overtreding van de op grond van het Besluit horeca-, sport- en recreatieinrichtingen milieubeheer toelaatbare maximale geluidpiekniveaus;

dat een sluiting van het pand in dat kader wordt gezien als een bestraffing, aangezien zoals hiervoor gesteld daarmee eventuele geconstateerde overtredingen niet kunnen worden opgeheven;

dat derhalve zowel een besluit tot tijdelijke als tot definitieve sluiting van het pand zich niet verdraagt met het systeem van de Wet milieubeheer;"

2.15 [eiser sub 1] heeft tegen dit besluit van 20 maart 2002 beroep ingesteld bij de Afdeling.

2.16 Op 5 februari 2003 heeft de Afdeling dit beroep van [eiser sub 1] gegrond verklaard en het besluit van het college van 20 maart 2002 vernietigd. De Afdeling heeft - voor zover van belang - hiertoe overwogen als volgt:

"2.2.2. Onbetwist is dat op 3 juni 2000 door het in werking zijn van de inrichting een overtreding van de geluidsnormen uit voorschrift 1.1.1. uit Bijlage B van het Besluit heeft plaatsgevonden. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat na 3 juni 2000 door verweerder, ondanks herhaalde klachten van appellanten, geen nieuwe metingen zijn verricht naar mogelijke overtredingen van de geluidsvoorschriften uit het Besluit.

De Afdeling begrijpt het standpunt van verweerder aldus dat hij meent dat hij niet gerechtigd is bestuursdwang toe te passen.

De Afdeling stelt vast dat verweerder in een eerder stadium een overtreding van artikel 1.1.1. uit Bijlage B van het Besluit heeft geconstateerd. Verweerder was derhalve in beginsel gerechtigd om bestuursdwang toe te passen. (...)".

2.17 Bij besluit van 20 maart 2003 heeft het college wederom beslist op de door de stichting en [eiser sub 1] ingediende bezwaren tegen het besluit van 19 juli 2000. Het college heeft het bezwaarschrift van de stichting wederom gegrond, en het bezwaarschrift van [eiser sub 1] wederom ongegrond verklaard. Dit besluit luidt - voor zover van belang - als volgt:

" dat onbetwist is dat slechts in één geval door de politie is geconstateerd dat sprake is van een overtreding van de geluidsnormen uit voorschrift 1.1.1. uit Bijlage B van het "Besluit horeca-, sport en recreatieinrichtingen" en dat het in die situatie ging om het gebruik van het pand [straatnaam + huisnummer 2], alhier, voor het houden van een bruiloftsfeest;

dat door hen naar aanleiding van deze gebeurtenis met het bestuur van de Islamitische Culturele Stichting afspraken zijn gemaakt om te voorkomen dat de inrichting [straatnaam + huisnummer 2], alhier, voor andere doeleinden wordt aangewend dan waarvoor deze is aangewezen;

dat - wat daarvan ook zij - door hen niet op basis van onafhankelijke politierapporten kan worden aangetoond dat nadien sprake is geweest van enige overtreding van de geluidsnormen (...) noch van een aanwending van het pand [straatnaam + huisnummer 2], alhier, voor activiteiten die wezensvreemd zijn aan de doelstelling van de Islamitische Culturele Stichting;

dat zij - in een afweging van betrokken belangen - hebben gemeend dat de hiervoor beschreven bijzondere omstandigheden - daar waar het betreft de incidentele constatering van een overtreding van de geluidsnormen - van een zodanig zwaar gewicht zijn dat op basis daarvan in redelijkheid afgezien dient te worden van toepassing van bestuursdwang in de vorm van een definitieve sluiting van het pand [straatnaam + huisnummer 2], alhier;".

2.18 Ook tegen dit besluit van 20 maart 2003 heeft [eiser sub 1] beroep ingesteld bij de Afdeling.

2.19 Op 2 juli 2003 heeft de Afdeling dit beroep van [eiser sub 1] niet-ontvankelijk verklaard.

2.20 Hiertegen heeft [eiser sub 1] een verzetschrift ingediend.

2.21 Op 27 augustus 2003 heeft de Afdeling het verzet van [eiser sub 1] ongegrond verklaard.

Verzoek om handhaving

2.22 Bij brief van 18 juli 2002 heeft [eiser sub 1] het college verzocht om handhavend op te treden tegen de stichting, omdat de inrichting zonder horeca-vergunning wordt geëxploiteerd en de inrichting in bedrijf is zonder gebruiksvergunning.

2.23 Bij besluit van 11 september 2002 heeft het college dit verzoek van [eiser sub 1] afgewezen. Het college heeft hiertoe allereerst overwogen dat geen sprake is van een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.2, eerste lid van de APV, en dat evenmin sprake is van een voor ieder toegankelijke (openbare) inrichting, zodat volgens het college geen exploitatievergunning is vereist. Ten aanzien van de gebruiksvergunning heeft het college overwogen dat de regionale brandweer druk bezig is met een inhaalslag, dat het pand aan de [straatnaam + huisnummer 2]in dat kader is bezocht, dat weliswaar nog een aantal voorzieningen dient te worden verbeterd, doch dat geen sprake is van een brandgevaarlijke situatie.

2.24 Op 15 oktober 2002 heeft [eiser sub 1] tegen dit besluit van 11 september 2002 een bezwaarschrift ingediend.

2.25 Bij besluit van 2 april 2003 heeft het college het bezwaarschrift van [eiser sub 1] tegen het besluit van 11 september 2002 ongegrond verklaard.

2.26 Hiertegen heeft [eiser sub 1] beroep ingesteld bij de sector bestuursrecht van deze rechtbank.

2.27 Op 19 augustus 2003 is voor het perceel [straatnaam + huisnummer 2]een gebruiksvergunning afgegeven.

2.28 Op 10 december 2003 heeft de rechtbank [eiser sub 1] niet-ontvankelijk verklaard in het beroep tegen het besluit van het college van 2 april 2003, gelet op hierna te noemen overweging met betrekking tot de inmiddels verleende gebruiksvergunning. Gelet op de ontbrekende exploitatievergunning heeft de rechtbank op bovengenoemde datum het besluit van de gemeente van 2 april 2003 vernietigd. De rechtbank heeft hiertoe

- voor zover van belang - het volgende overwogen:

"Ten aanzien van de gebruiksvergunning

(...)

Nu verweerder 1 [rechtbank: het college] de gebruiksvergunning inmiddels heeft verleend is (...) het doel van (dit onderdeel van) het beroep van eisers reeds bereikt. In zoverre hebben eisers geen procesbelang meer bij een oordeel over dit geschilpunt. (...)

Ten aanzien van de horecavergunning

(...)

(...) De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder 2 [rechtbank: de burgemeester van de gemeente Medemblik] zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het winkeltje met de ontmoetingsruimte en het terras van de Stichting ieder karakter van openbaarheid mist. Dit betekent dat indien deze ruimten zijn aan te merken als horecabedrijf, voor de exploitatie daarvan een vergunning is vereist.

(...) Gelet op de hiervoor aangehaalde gedingstukken (...) is het naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat de ontmoetingsruimte van de Stichting voldoet aan deze definitie van een horecabedrijf.".

2.29 Op 13 februari 2004 heeft de stichting een exploitatievergunning aangevraagd.

2.30 Bij besluit van 25 januari 2005 is aan de stichting een exploitatievergunning verleend.

3. HET GESCHIL

3.1 [eiser sub 1] heeft gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. zal verklaren voor recht dat de stichting en de gemeente hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser sub 1] heeft geleden ten gevolge van de overlast die wordt veroorzaakt door bezoekers van het Islamitisch centrum, bestaande onder meer uit derving van woongenot en waardevermindering van de woning van [eiser sub 1];

2. de stichting en de gemeente hoofdelijk zal veroordelen tot vergoeding van de hiervoor onder 1. bedoelde schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3. de stichting en de gemeente zal veroordelen in de proceskosten.

3.2 Ten aanzien van de stichting heeft [eiser sub 1] allereerst gesteld dat de stichting jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, door de door de gemeente gestelde (nadere) voorwaarden te overtreden. Voorts heeft [eiser sub 1] ten aanzien van de stichting gesteld dat hij dagelijks, zowel overdag als gedurende de nachtelijke uren en telkens gedurende langere tijd achtereen, ernstige hinder ondervindt van de bezoekers van de moskee, doordat deze zich niet aan de regels houden en geen rekening houden met [eiser sub 1] en de overige buren. Volgens [eiser sub 1] handelt de stichting ook hierdoor jegens hem onrechtmatig.

3.3 Ten aanzien van de gemeente heeft [eiser sub 1] gewezen op het feit tot drie keer toe een besluit van de gemeente is vernietigd. Volgens [eiser sub 1] staat hiermee de onrechtmatigheid van die besluiten vast. [eiser sub 1] is van mening dat de onrechtmatigheid van deze besluiten niet is weggenomen doordat het besluit van de gemeente van 20 maart 2003 formele rechtskracht heeft gekregen en de gemeente op 25 januari 2005 alsnog een exploitatievergunning heeft verleend.

Subsidiair heeft [eiser sub 1] gesteld dat ook indien het handelen van de gemeente als een rechtmatige overheidsdaad moet worden aangemerkt, er aanleiding bestaat om de gemeente te veroordelen tot schadevergoeding. Volgens [eiser sub 1] vloeit uit de omstandigheden van het geval voort dat de nadelige gevolgen van de vestiging van de moskee in het direct naast zijn woning gelegen pand dienen te worden gecompenseerd.

3.4 De stichting en de gemeente hebben de vordering van [eiser sub 1] gemotiveerd weersproken op gronden die hierna, voor zover van belang, aan de orde zullen komen.

4. DE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

Ten aanzien van de stichting

4.1 De rechtbank stelt voorop dat uit de inhoud van de overgelegde stukken genoegzaam blijkt dat [eiser sub 1] na de vestiging van de moskee in het direct naast zijn woning gelegen pand overlast heeft ondervonden in de vorm van parkeer- en geluidsoverlast. Naar aanleiding hiervan heeft de gemeente bij besluit van 6 april 2000 nadere eisen aan de stichting gesteld. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat de stichting zich niet altijd heeft gehouden aan deze nadere eisen.

4.2 In de onderhavige procedure heeft [eiser sub 1] zich op het standpunt gesteld dat de stichting zich nog altijd niet houdt aan de door de gemeente gestelde eisen. Volgens [eiser sub 1] zijn veelal tot diep in de nacht mensen aanwezig in de ontmoetingsruimte van de moskee, staan ook buiten het pand bezoekers, staan de deuren en ramen van de moskee en de ontmoetingsruimte open en is er veel parkeeroverlast. De rechtbank kan [eiser sub 1] niet volgen in de stelling dat de stichting reeds hierdoor onrechtmatig handelt jegens [eiser sub 1]. Weliswaar is juist dat de desbetreffende voorwaarden aan de stichting zijn gesteld om overlast voor omwonenden te voorkomen, doch het is vaste rechtspraak dat het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, afhankelijk is van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden.

4.3 [eiser sub 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van onrechtmatige hinder, nu sprake is van ernstige overlast met een structureel karakter. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [eiser sub 1] verwezen naar door hem overgelegde kopieën van talrijke passages uit bijgehouden dagboeken alsmede naar politiemutaties, foto's en verschillende getuigenverklaringen.

4.4 De rechtbank is van oordeel dat [eiser sub 1] hierdoor zijn stelling, inhoudende dat sprake is van onrechtmatige hinder, onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank overweegt hiertoe allereerst dat de in geding gebrachte afschriften van bijgehouden dagboeken in beginsel een ondersteunende functie kunnen hebben, maar zeker geen objectief beeld geven van de overlast, nog daargelaten dat [eiser sub 1] niet heeft mogen volstaan met het overleggen van een zeer groot aantal teksten, zonder daarbij naar de relevante passages te verwijzen. Immers, juist als het gaat om een groot aantal waarnemingen van personen en situaties, ligt het op de weg van [eiser sub 1] om concreet te stellen in welke gevallen sprake was van onaanvaardbare geluidsoverlast of andere hinder. Ten aanzien van de overgelegde politiemutaties geldt dat het overgrote deel slechts een weergave vormt van de - eveneens subjectieve - meldingen van [eiser sub 1]. Slechts in twee gevallen heeft de politie daadwerkelijk overlast kunnen constateren. Dit betreft het starten van een auto op 29 september 1997 alsmede geluidsoverlast wegens een huwelijksviering op 3 juni 2000. Uit deze politiemutaties kan derhalve niet worden afgeleid dat de door [eiser sub 1] gestelde overlast een structureel karakter heeft, terwijl uit de overige mutaties juist niet blijkt van geconstateerde hinder. Ook ten aanzien van de overgelegde foto's en getuigenverklaringen geldt naar het oordeel van de rechtbank dat daaruit niet kan worden afgeleid dat sprake is van onaanvaardbare hinder. Uit de foto's en het merendeel van de overgelegde verklaringen blijkt slechts dat ramen en deuren van de moskee niet altijd gesloten zijn en dat na 22.00 uur in de avond nog wel eens bezoekers in de moskee aanwezig zijn. Dit brengt echter niet automatisch mee dat sprake is van overlast, laat staan van overlast die jegens omwonenden als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Uit de resterende getuigenverklaringen kan weliswaar worden afgeleid dat de moskee voor extra autoverkeer zorgt en dat geluidsoverlast wordt ondervonden door het praten van bezoekers en het wegrijden van auto's, doch niet gebleken is dat deze overlast zodanig is dat [eiser sub 1] deze overlast niet hoeft te dulden. In dit kader hecht de rechtbank belang aan het feit dat de moskee gevestigd is in het pand, direct gelegen naast dat van [eiser sub 1]. Over het algemeen geldt dat buren ten opzichte van elkaar de nodige verdraagzaamheid in acht dienen te nemen.

4.5 Nu [eiser sub 1] onvoldoende heeft voldaan aan zijn stelplicht, komt de rechtbank aan bewijslevering niet toe. De vordering van [eiser sub 1] jegens de stichting zal worden afgewezen.

Ten aanzien van de gemeente

4.6 Vaststaat dat (de Voorzitter van) de Afdeling verschillende besluiten van de gemeente heeft vernietigd, namelijk het besluit van het college van 31 oktober 2000, inhoudende de handhaving van de beslissing tot tijdelijke sluiting van de moskee, de fictieve weigering om opnieuw te beslissen op het tegen het besluit van 19 juli 2000 gemaakte bezwaar, alsmede het besluit van het college van 20 maart 2002, waarin de gemeente heeft overwogen dat zij niet bevoegd is tot sluiting van de moskee. Hiernaast heeft de bestuursrechter van deze rechtbank vernietigd het besluit van het college van 11 september 2002, inhoudende de weigering om handhavend op te treden, omdat de stichting niet over een gebruiksvergunning en een zogenaamde exploitatievergunning beschikt. [eiser sub 1] heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze besluiten als zogenaamde onrechtmatige besluiten moeten worden aangemerkt.

4.7 Het voorgaande betekent echter nog niet dat de gemeente jegens [eiser sub 1] schadeplichtig is. Voor aansprakelijkheid van de gemeente uit hoofde van een onrechtmatige daad dient immers sprake te zijn van causaal verband tussen de onrechtmatige besluiten en de door [eiser sub 1] gestelde schade. [eiser sub 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij schade lijdt, bestaande uit derving van het woongenot en waardedaling van zijn woning. De rechtbank tekent hierbij aan dat de periode van derving van woongenot begrensd is door enerzijds het besluit van 31 oktober 2000 en anderzijds het na te noemen besluit van 30 maart 2003, waarbij is afgezien van handhaving. [eiser sub 1] heeft echter nagelaten voldoende feiten en/of omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat gedurende deze periode daadwerkelijk schade is geleden en dat deze schade in causaal verband staat met de hiervoor genoemde onrechtmatige besluiten. [eiser sub 1] heeft slechts aangevoerd dat de overlast enige jaren heeft kunnen voortduren, doordat de gemeente geen bestuursdwang heeft toegepast. Dit is onvoldoende. Immers, de omstandigheid dat de gemeente bevoegd was om bestuursdwang toe te passen, brengt niet mee dat de gemeente mitsdien verplicht was om tot sluiting van de moskee over te gaan. Integendeel, [eiser sub 1] heeft zelf aangevoerd dat verschillende mogelijkheden bestaan voor het toepassen van bestuursdwang, waaronder het opleggen van een dwangsom. Niet is gesteld of gebleken dat ook deze vorm van toepassing van bestuursdwang een einde van de gestelde overlast zou betekenen. Wat betreft de periode tot 16 januari 2001 is dit zeker niet het geval. Immers, van een dwangsombeschikking valt redelijkerwijs niet meer effect te verwachten dan van de rigoureuze maatregel van tijdelijke sluiting zonder begunstigingstermijn. Wat betreft de periode van 16 januari 2001 tot 20 maart 2003 komt de rechtbank niet toe aan een onderzoek naar mogelijk causaal verband tussen de gestelde schade en het nalaten van bestuursdwang, nu uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de vordering jegens de stichting is gebleken, dat [eiser sub 1] onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is geweest van onrechtmatige hinder.

4.8 Subsidiair heeft [eiser sub 1] nog gesteld dat de gemeente jegens hem schadeplichtig is uit hoofde van een rechtmatige overheidsdaad.

4.9 Vaststaat dat het besluit van de gemeente van 20 maart 2003, waarin de gemeente heeft overwogen dat in redelijkheid afgezien dient te worden van toepassing van bestuursdwang, formele rechtskracht heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat [eiser sub 1] onvoldoende feiten en/of omstandigheden heeft gesteld die zo klemmend zijn, dat een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht dient te worden aangenomen. Het enkele feit dat de Afdeling slechts vanwege formele redenen niet tot een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 20 maart 2003 is toegekomen, is hiertoe onvoldoende. Dit brengt mee dat dit besluit als een rechtmatig besluit dient te worden aangemerkt. De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiser sub 1] aldus dat hij ten gevolge van dit besluit nadeel ondervindt, welk nadeel door de gemeente gecompenseerd dient te worden. Dit betoog treft geen doel, nu een vordering die is gericht op het verkrijgen van nadeelcompensatie ter zake van een rechtmatig besluit bij de bestuursrechter aanhangig dient te worden gemaakt.

4.10 Voor zover [eiser sub 1] heeft bedoeld te stellen dat hij nadeel ondervindt ten gevolge van het besluit dat de vestiging van de moskee mogelijk heeft gemaakt, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen en merkt zij ten overvloede het volgende op. Uit de stukken blijkt dat [eiser sub 1] bij de gemeente reeds een verzoek om toekenning van planschadevergoeding als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b van de Wet op de Ruimtelijke Ordening heeft ingediend. Bij besluit van 28 juni 2001 heeft de raad van de gemeente dit verzoek afgewezen. Vaststaat dat [eiser sub 1] tegen dit besluit geen rechtsmiddelen heeft ingesteld, zodat ook dit besluit formele rechtskracht heeft gekregen.

4.11 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank ook de vordering van [eiser sub 1] jegens de gemeente afwijzen.

4.12 [eiser sub 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van de stichting en de gemeente.

5. DE BESLISSING

De rechtbank:

- wijst de vorderingen van [eiser sub 1] af;

- verwijst [eiser sub 1] in de kosten van het geding, tot heden aan de zijde van de stichting begroot op Euro 1.597,-, en veroordeelt [eiser sub 1] mitsdien om te voldoen:

- aan de griffier van deze rechtbank:

Euro 180,75 voor in debet gesteld griffierecht;

Euro 1.356,- voor salaris van de procureur;

derhalve in totaal Euro 1.536,75, met welk bedrag zal dienen te worden gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

- aan de stichting:

Euro 60,25 voor niet in debet gesteld griffierecht;

- verklaart dit vonnis ten aanzien van deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- verwijst [eiser sub 1] in de kosten van het geding, tot heden aan de zijde van de gemeente begroot op Euro 241,- aan verschotten en op Euro 1.356,- aan salaris van de procureur.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. L. Boonstra en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 6 juli 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.