Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2005:AT5178

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
04-05-2005
Datum publicatie
04-05-2005
Zaaknummer
71340/HA ZA 04-171 en 59226/HA ZA 02-367
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In deze zaak dient onder meer de vraag te worden beantwoord of eiseres tot de verwerping van de nalatenschap van haar vader werd bewogen door misbruik van omstandigheden van de zijde van haar stiefmoeder en de verwerping daardoor vernietigd moet worden. De rechtbank beantwoordt deze vraag positief.

Eiseres heeft de nalatenschap verworpen enige tijd nadat haar vader in zijn winkel vermoord werd aangetroffen. In verband met deze moord is de stiefmoeder van eiseres overigens veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor poging tot uitlokking van moord (tegen die uitspraak is hoger beroep ingesteld).

Als bijzondere omstandigheden waardoor eiseres werd bewogen tot het verwerpen van de nalatenschap merkt de rechtbank aan het gesprek tussen eiseres en haar stiefmoeder enkele weken na de moord van vader waarin eiseres – op dat moment 20 jaar oud en onbekend met de omvang van de niet-onaanzienlijke baten uit die nalatenschap - onder meer werd voorgehouden dat wellicht slechts schulden uit de nalatenschap zouden resteren wegens te verwachten claims van de fiscus alsmede de toezegging van stiefmoeder dat in ruil voor de verwerping eiseres financieel gecompenseerd zou worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

zaak- en rolnummers: 71340/HA ZA 04-171 en 59226/HA ZA 02-367

datum: 4 mei 2005

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak aanhangig onder zaak- en rolnummer 71340/HA ZA 04-171 (hierna: de derdenverzetprocedure) van:

[NAAM 1] in haar hoedanigheid van moeder en wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarige [NAAM 3];

wonende te Heerhugowaard,

OPPOSANTE in de derdenverzetprocedure bij dagvaarding van 2 februari 2004;

procureur aanvankelijk mr. J. Tophoff,

daarna mr. R.J. van Velzen,

thans mr. B. Breederveld,

tegen:

1. [NAAM 2],

wonende te 's-Gravenhage,

GEOPPOSEERDE in de derdenverzetprocedure,

procureur mr. R.P.H. de Granada

advocaten mrs. R. Heemskerk en H.Th.N.J. Vlek te 's-Gravenhage

2. [NAAM 1],

wonende te Heerhugowaard,

GEOPPOSEERDE in de derdenverzetprocedure

procureur mr. R.J. van Velzen

advocaat mr. M.A.D. Boll te Rotterdam

en in de zaak aanhangig onder zaak- en rolnummer 59226/HA ZA 02-367 (hierna: de hoofdzaak) van:

[NAAM 2],

wonende te 's-Gravenhage,

EISERES bij dagvaarding van 17 april 2002;

procureur mr. R.P.H. de Granada

advocaten mrs. R. Heemskerk en H.Th.N.J. Vlek te 's-Gravenhage

tegen:

1. [NAAM 1],

wonende te Heerhugowaard

GEDAAGDE,

procureur aanvankelijk mr. J. Tophoff

thans mr. R.J. van Velzen

advocaat mr. M.A.D. Boll te Rotterdam

2. [NAAM 3],

te dezer zake vertegenwoordigd door de ingevolge de beschikking van deze rechtbank, sector kanton, van 22 juli 2004 benoemde bijzondere curator mr. B. Breederveld;

DERDE PARTIJ als bedoeld in artikel 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

procureur mr. B. Breederveld

In beide zaken:

Partijen zullen verder ook worden genoemd: [naam 2] (geopposeerde sub 1 in de derdenverzetprocedure/eiseres in de hoofdzaak), [naam 1] (geopposeerde sub 2 in de derdenverzetprocedure/gedaagde in de hoofdzaak) en [naam 3] (opposante in de derdenverzetprocedure/derde in de hoofdzaak).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder zich thans ook bevindt een afschrift van het door deze rechtbank, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de derdenverzetprocedure tussen [naam 1] als vertegenwoordigster van [naam 3] en als eisende partij en [naam 2] en [naam 1] als gedaagden op 31 maart 2004 uitgesproken vonnis in het incident.

Onder de stukken bevindt zich voorts een afschrift van het door deze rechtbank, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, tussen partijen in de hoofdzaak op 8 september 2004 uitgesproken tussenvonnis.

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

In de derdenverzetprocedure:

1.1 De rechtbank verwijst naar en neemt hier over hetgeen met betrekking tot het verloop van de procedure in het op 31 maart 2004 uitgesproken vonnis in het incident is overwogen.

1.2 Bij voormeld vonnis van 31 maart 2004 heeft de rechtbank in het incident de provisionele vordering van [naam 3] sub III afgewezen en de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een conclusie van antwoord door [naam 1].

[naam 1] heeft daarop gediend van een conclusie van antwoord in oppositie.

Vervolgens is gediend van:

* een conclusie van repliek in oppositie;

* een conclusie van dupliek in derdenverzet namens [naam 2];

* een akte houdende productie namens [naam 2] (onder overlegging van een bijlage);

1.3 Blijkens de door [naam 2] overgelegde akte houdende productie heeft de rechtbank, sector kanton, bij beschikking van 22 juli 2004 mr. B.Breederveld tot bijzonder curator van [naam 3] benoemd om haar in en buiten rechte te vertegenwoordigen aangaande de nalatenschap van [naam overledene], overleden op [datum], daaronder begrepen de procedure bij de rechtbank onder zaak- en rolnummer 59226/HA ZA 02-367 (de hoofdzaak).

Nadat mr. B. Breederveld zich als procureur voor [naam 3] had gesteld, heeft hij in zijn hoedanigheid van bijzonder curator van [naam 3] gediend van een akte intrekking derdenverzet.

In de hoofdzaak:

1.4 De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen bij voormeld vonnis van 8 september 2004 werd overwogen.

Nadat de rechtbank de zaak bij voormeld vonnis naar de rol had verwezen, heeft [naam 3] gediend van een conclusie van antwoord, waarbij zij zich gerefereerd heeft aan het oordeel van de rechtbank.

In beide zaken:

1.5 Ten slotte is vonnis gevraagd. De inhoud van al deze stukken geldt als hier ingelast.

In de derdenverzetprocedure:

2. HET GESCHIL

2.1 De vorderingen van [naam 3] zijn erop gegrond dat zij door het vonnis van deze rechtbank van 21 januari 2004 in de hoofdzaak in haar rechtspositie is benadeeld, zodat het door haar ingestelde derdenverzet gegrond verklaard dient te worden.

[naam 3] stelt dat de rechtbank in meergenoemd vonnis van 21 januari 2004 heeft overwogen dat de rechtsvordering tot vernietiging van de verwerping van de nalatenschap door [naam 2] ook jegens [naam 3] had moeten worden ingesteld, omdat in ieder geval [naam 3] naast [naam 1] erfgename is van wijlen [naam overledene]. Volgens [naam 3] had de rechtbank vervolgens, nu [naam 3] tot dat moment geen partij was in het geding, [naam 2] niet-ontvankelijk moeten verklaren in haar vordering en [naam 2] niet in de gelegenheid moeten stellen om [naam 3] op de voet van artikel 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering alsnog als partij in het geding op te roepen.

2.2 [naam 2] heeft de vorderingen gemotiveerd betwist en [naam 1] heeft aangevoerd dat wat haar betreft in deze procedure geen sprake is van een tegenstrijdig belang met [naam 3].

3. DE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

3.1 [naam 2] heeft in haar akte houdende productie een beschikking van de rechtbank Alkmaar, sector kanton, van 22 juli 2004 overgelegd waaruit blijkt dat mr. B. Breederveld tot bijzonder curator over de minderjarige [naam 3] is benoemd en dat hij haar in en buiten rechte zal vertegenwoordigen aangaande de nalatenschap van wijlen [naam overledene], overleden op [datum]. Volgens evengenoemde beschikking is hieronder begrepen de onderhavige hoofdzaak.

3.2 Nadat mr. Breederveld zich tot procureur voor [naam 3] had gesteld, heeft [naam 3] op 24 november 2004 gediend van een akte intrekking derdenverzet.

Mr. Breederveld stelt dat het in het belang van [naam 3] is dat (zo spoedig mogelijk) duidelijkheid wordt verschaft omtrent de vraag wie -- tezamen met de minderjarige -- deelgerechtigden/erfgenamen zijn in de nalatenschap van erflater. Volgens mr. Breederveld zijn er daarom onvoldoende gronden aanwezig voor voortzetting van het ingestelde derdenverzet en gaat hij op grond daarvan namens [naam 3] over tot intrekking van het ingestelde derdenverzet.

3.3 Nu het ingestelde derdenverzet is ingetrokken, ligt het gevorderde voor afwijzing gereed.

In de omstandigheid dat [naam 3] in een familierechtelijke betrekking staat tot zowel [naam 1] als [naam 2], ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren, aldus dat ieder de eigen kosten draagt.

In de hoofdzaak:

4. DE VERDERE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

4.1 Bij voormeld vonnis van 8 september 2004 werd de zaak naar de rol verwezen teneinde [naam 3] in de gelegenheid te stellen om van conclusie van antwoord te dienen.

[naam 3] heeft vervolgens van conclusie van antwoord gediend met conclusie dat zij zich met betrekking tot de door [naam 2] ingestelde vorderingen refereert aan het oordeel van de rechtbank. Namens [naam 3] is daartoe aangevoerd dat de bijzonder curator, mr. B. Breederveld, het in het belang van [naam 3] acht dat wordt vastgesteld wie, naast [naam 3], erfgenamen zijn in de nalatenschap van wijlen [naam overledene], doch dat, nu [naam 3] niet zelfstandig betrokken is geweest bij de feiten en/of omstandigheden die kennelijk voor [naam 2] aanleiding zijn geweest om afstand te doen van haar aanspraken als erfgename, [naam 3] daarover geen standpunt kan innemen.

De rechtbank zal thans de vorderingen van [naam 2] behandelen.

Ten aanzien van de primaire vordering van [naam 2]:

4.2 Bij voormeld vonnis van de rechtbank van 21 januari 2004 zijn onder 2 a) tot en met e) een aantal feiten vastgesteld. [naam 2] doet haar vorderingen steunen op deze feiten en op de hierna volgende stellingen:

4.3 [naam 2] vordert, nadat zij haar eis bij akte wijziging van eis tevens akte houdende producties heeft gewijzigd, primair (naar de rechtbank begrijpt) dat de rechtbank (a) de verwerping van de nalatenschap door [naam 2] zal vernietigen, (b) [naam 1] en [naam 3] zal veroordelen met [naam 2] over te gaan tot verdeling van de onverdeelde nalatenschap van [naam overledene] en (c) [naam 1] zal veroordelen tot betaling aan [naam 2] van 1/3 gedeelte dan wel - in het geval komt vast te staan dat [naam 1] wegens onwaardigheid niet kan erven van [naam overledene] - 1/2 gedeelte van de in de dagvaarding onder 1 en 2 genoemde vermogensbestanddelen.

[naam 2] legt aan haar primaire vordering ten grondslag dat zij de nalatenschap van haar vader heeft verworpen door bedreiging, bedrog en/of misbruik van omstandigheden van [naam 1], althans dat zij bij het verwerpen van de nalatenschap heeft gehandeld onder invloed van dwaling.

4.4 De rechtbank stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 190 lid 1 (nieuw)Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek een erfgenaam een nalatenschap kan aanvaarden of verwerpen. Een aanvaarding kan zuiver geschieden of onder voorrecht van boedelbeschrijving, aldus hetzelfde artikellid. De keuze die erfgenamen onder het in casu toepasselijke oude recht hadden, is dezelfde als die onder het nieuwe recht (artikel 1090).

Het uitbrengen van de keuze is een (eenzijdige) rechtshandeling in de zin van artikel 32 en verder van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Van een aanvaarding of verwerping is vernietiging naar oud en nieuw erfrecht mogelijk wanneer de aanvaarding of verwerping door bedreiging, bedrog of door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen.

De rechtbank vindt aanleiding allereerst het (meer subsidiair) door [naam 2] aan haar vordering ten grondslag gelegde beroep op misbruik van omstandigheden te bespreken

4.5 Alvorens nader in te gaan op de daarop betrekking hebbende stellingen van [naam 2], zal de rechtbank in het hierna volgende allereerst gedeeltelijk de verklaringen weergeven, die [naam 2] en haar levenspartner, [naam levenspartner van naam 2] tegenover de politie hebben afgelegd.

Het betreft de door [naam 1] als productie 14 en 15 respectievelijk 16 bij conclusie van antwoord gevoegde, tegenover de politie afgelegde verklaringen van [naam 2] respectievelijk [naam levenspartner van naam 2]. De rechtbank gaat ervan uit dat deze verklaringen een juiste lezing geven van de gebeurtenissen, omdat ook [naam 1] (bij conclusie van dupliek sub 15) betoogt dat aan deze verklaringen een aanzienlijke waarde mag worden toegekend met betrekking tot de juistheid van de gebeurtenissen.

4.6 Blijkens productie 14 heeft [naam 2] op 14 oktober 1999 omtrent de gebeurtenissen het volgende verklaard:

"U vraagt mij hoe het precies in elkaar zit met betrekking tot het afstand doen van mij, van mijn erfdeel.

Ongeveer twee a drie weken geleden, de exacte datum weet ik niet meer, het was in ieder geval op een woensdag, werd ik tegen de avond benaderd door [naam 4]. [naam 4] deelde mij toen persoonlijk mede dat er de volgende dag belangrijk bezoek voor mij zou komen.

De volgende dag, dit was dus op donderdag, kreeg ik inderdaad bezoek. Ik kreeg bezoek van [naam 1]. [naam 1] was toen in gezelschap van [naam 4].

[naam 1] liet mij vervolgens de wilsbeschikking van mijn vader [naam overledene] lezen. In deze wilsbeschikking werd ik niet genoemd.

[naam 1] en [naam 4] hebben toen behoorlijk op mij ingepraat. [naam 1] vertelde mij onder meer dat het zeer goed mogelijk was dat er uiteindelijk niets anders dan schulden over zouden blijven. Omdat ikzelf al een schuld heb, wilde ik de schuld die eventueel uit de erfenis voort zou kunnen komen er niet bij hebben..

[naam 1] stelde mij toen voor om bij een notaris afstand te doen van mijn erfdeel. [naam 1] vertelde tevens dat indien ik in de toekomst geld of iets anders nodig zou hebben ik bij haar terecht kon.

(.................)

Met betrekking tot het tekenen van afstand deel ik u mede dat hierin voor mij tevens meespeelde, dat ik niet was genoemd in de wilsbeschikking van mijn vader".

4.7 Blijkens productie 15 heeft [naam 2] op 24 november 2000 omtrent de gebeurtenissen het volgende verklaard:

"Ik zal u nogmaals verklaren over de avond van 30 september 1999. Op 2[datum] kwam [naam 4] naar mij toe met de mededeling dat ik de volgende dag belangrijk bezoek zou krijgen. Ik dacht toen al dat [naam 1] wel zou komen.

De volgende dag, 30 september 1999, kwamen [naam 1] en [naam 4] bij ons op bezoek. Mijn vriend [naam levenspartner van naam 2] was er ook bij. [naam 1] begon te foeteren over van alles en nog wat.

Op een gegeven moment liet [naam 1] mij een stuk papier zien. Dit bleek een wilsbeschikking te zijn van mijn vader. [naam 1] liet mij dit lezen. In deze wilsbeschikking werd ik niet genoemd. [naam 1] zei vervolgens dat er voor mij niets zou zijn. Zij zei verder dat ze een voorstel had zodat ik dan toch wel wat kon krijgen. Dit voorstel is bij u bekend. Alles wat [naam 1] tegen mij zei beaamde [naam 4] tegen mij. [naam 4] maakte alles wat [naam 1] tegen mij zei eigenlijk duidelijk voor mij. [naam 4] zei ook dat het vele geld dat er was "zwart" geld was en dat het door de belasting ingepikt zou worden en dat er voor mij mogelijk schulden over zouden blijven. [naam 4] benadrukte dan ook dat het voorstel van [naam 1] om van verdere erfenis af te zien een goed voorstel was.

U vraagt mij waarom ik [naam 4] dan zo vertrouwde. [naam 4] was als een soort vader figuur voor mij. Tevens vertelde [naam 4] mij wel eens tegen mij dat hij veel verstand had van geldzaken en dergelijke. Mede daarom vertrouwde ik erop dat [naam 4] echt het beste met mij voor had."

4.8 Op belangrijke onderdelen (zoals de rol van [naam 4]) worden de hiervoor weergegeven verklaringen van [naam 2] bevestigd door de als productie 16 overgelegde, hierna deels weergegeven, verklaring van [naam levenspartner van naam 2] die bij het gesprek met [naam 1] en [naam 4] aanwezig was.

"U vraagt mij naar de avond dat [naam 1] en [naam 4] kwamen praten over het afzien van de erfenis door [naam 2]. U vraagt mij naar de rol van [naam 4] daarbij. [naam 1] riep wat en [naam 4] gaf op een rustige en duidelijke wijze uitleg over wat [naam 1] riep. De sfeer die avond was normaal. [naam 4] liep geen druk uit te oefenen maar door zijn vertrouwelijke manier van praten geloofden wij wat hij adviseerde.

U vraagt mij wat hij dan adviseerde. Het kwam erop neer dat het verstandig was op het bod van [naam 1] in te gaan omdat er anders mogelijk alleen schulden over zouden blijven voor [naam 2].

U vraagt mij of ik wist dat er veel geld was. Voor de dood van [naam overledene] vertelde [naam 4] mij wel eens dat hij gezien had dat [naam overledene] een bedrag van 10 miljoen bezitte.

U vraagt mij of er op de genoemde avond nog gesproken is over de hoogte van het geld dat nog beschikbaar was.

Ik weet zeker dat [naam 4] die avond nog gesproken heeft over de hoogte van het bedrag. Ik weet dat [naam 4] toen zei dat dit geld mogelijk naar de belasting zou gaan. [naam 4] zei tevens dat hij zou gaan proberen het geld dat volgens zijn zeggen "zwart" was gaan proberen wit te wassen. Hij zou dat samen met [naam 1] gaan doen. [naam 4] zou bij [naam 1] in dienst komen en dan zouden ze onroerend goed gaan aankopen en een deel gaan gebruiken voor een goed doel.

U vraagt mij of er nog gesproken is over het feit dat als er winst gemaakt zou worden er voor [naam 2] ook nog iets inzat. Daar is nooit over gesproken.

U vraagt mij waarom [naam 2] dan toch maar moest afzien van de erfenis. [naam 4] zei letterlijk: "het geld bestaat eigenlijk niet want het is zwart geld"

[naam 4] rekende voor dat als het fout zou gaan er voor [naam 2] alleen maar schulden over zouden blijven. [naam 4] zei verder dat [naam 2] dan in ieder geval nog iets zou krijgen.

U vraagt mij waarom wij [naam 4] dan geloofden. Wij geloofden hem omdat hij voor mij een kundig en betrouwbaar persoon was.

U vraagt mij hoe ik gereageerd zou hebben als [naam 1] alleen met dit voorstel zou komen. Ik zou dan eerst informatie zijn gaan inwinnen. [naam 1] vertrouw ik namelijk niet zo. [naam 4] kon alles goed uitleggen. Ook over het pand dat [naam 2] zou krijgen wist [naam 4] te vertellen dat zij daar rijk van kon worden. De waarde zou elk jaar meer worden en ook de huuropbrengsten zouden alleen maar meer worden.

Wat mij ook opviel was dat zowel [naam 4] als [naam 1] benadrukte dat er met niemand over gesproken mocht worden. Ook de opa en oma van [naam 2] mochten van niets weten.

U vraagt mij of er nooit gesproken is om een groot bedrag van de bank te halen en dit "zwart" hier op tafel te leggen. Hier is nooit over gesproken.

Dit kon ook niet want volgens [naam 4] en [naam 1] bestond het geld niet omdat het "zwart" geld was.

U vraagt mij of er ooit gesproken is om een deal met de belasting te sluiten. Dit wilde [naam 1] en [naam 4] niet want ze vonden het zonde om een deel van het geld aan de belasting te geven.

Achteraf voelde wij ons geen partij in het geheel.

Op het moment dat een en ander speelde met betrekking tot de erfenis stond ons hoofd er ook niet naar. [naam overledene] was nog maar net overleden en [naam 1] en [naam 4] overvielen ons met van alles en nog wat met betrekking tot het geld."

4.9 Voorts acht de rechtbank van belang de inhoud van het door [naam 1] als productie 9 overgelegde besprekingsverslag van 1 oktober 1999 dat volgens haar een objectieve weergave vormt van het gesprek tussen [naam 2] en de notaris.

In dit verslag is -onder meer - het volgende vermeld:

"Volgens mevrouw en dochter hebben ze onderling een afspraak gemaakt dat mevrouw erop zal toezien dat de dochter goed "voorzien" wordt en dat zij bij mevrouw terecht kan voor "financiële hulp".

Mevrouw zal ervoor zorgen dat met geld/inkomsten uit een van de panden de dochter verzorgd wordt. In de toekomst zal het pand aan de dochter worden toebedeeld en zij mag dan ermee doen wat ze wil.

Vooralsnog zijn de afspraken alleen mondeling gedaan. Niets is nog op papier gezet.

Aan de dochter uitgelegd wat verwerping inhoudt. Zij kan dan in de toekomst geen rechten meer ontlenen aan de nalatenschap.

Gezegd dat ze thans recht heeft op 1/3 deel.

(.......................)

Door te verwerpen sluit ze alle mogelijkheden op rechten uit de nalatenschap uit. Bovendien heeft zij ook geen poot om op te staan als moeder haar afspraken niet nakomt. Zij vertrouwt echter 100 % op mevrouw. Dochter zegt dat de band tussen haar en vader niet goed was en dat ze daarom geen geld van hem wil.

Dochter blijft bij standpunt verwerping."

4.10 Volgens het bepaalde in artikel 44 lid 4 Boek 3 BW is misbruik van omstandigheden aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.

4.11 Als bijzondere omstandigheden waardoor [naam 2] bewogen werd tot het

verwerpen van de nalatenschap kunnen worden aangemerkt dat het gesprek met [naam 1] en [naam 4] van Berg over de verwerping van de nalatenschap enkele weken na de dood van haar vader heeft plaatsgevonden, die vermoord werd aangetroffen in zijn winkel, alsmede dat [naam 2] op dat moment pas twintig jaar oud was en niet op de hoogte was van de omvang van de nalatenschap van haar vader. Uit de hiervoor weergegeven verklaringen blijkt dat [naam 4] een soort vaderfiguur voor [naam 2] was en daardoor overwicht had op de onervaren [naam 2] en dat [naam 1], nadat zij de wilsbeschikking van [naam overledene] had getoond waaruit bleek dat [naam 2] niets zou krijgen, samen met deze [naam 4] [naam 2] heeft voorgehouden dat het waarschijnlijk zou zijn dat uit de nalatenschap slechts schulden zouden overblijven wegens te verwachten claims van de fiscus, welke schulden [naam 2] niet wilde omdat zijzelf al een schuld had. Daaraan valt nog toe te voegen dat [naam 1] [naam 2] in ruil voor de verwerping heeft toegezegd dat laatstgenoemde een maandelijkse vergoeding tegemoet kon zien alsmede (de opbrengsten van) een pand.

Naar het oordeel van de rechtbank is [naam 1], die zelf het voorstel aan [naam 2] heeft gedaan om de nalatenschap te verwerpen, zich ervan bewust geweest dat de juist omschreven bijzondere omstandigheden ertoe zouden leiden dat [naam 2] de nalatenschap van haar vader zou verwerpen. [naam 1] had [naam 2] daarvan dienen te weerhouden, omdat de verwerping mee zou brengen dat [naam 2] niets uit de nalatenschap zou krijgen, ook niet indien het saldo positief zou zijn. Nu [naam 1] volgens haar eigen stelling niet anders kon dan een persoonlijke inschatting van de omvang van de nalatenschap maken en zelf kennelijk op basis daarvan beneficiair heeft aanvaard, kan niet gezegd worden dat reeds zeker was dat geen positief saldo zou resteren. Het voorstel dat [naam 1] aan [naam 2] heeft gedaan, klemt temeer nu [naam 1] zelf heeft aangevoerd dat zij geen deskundige is op het gebied van het erfrecht.

[naam 1] heeft nog aangevoerd dat zij [naam 2] niet heeft laten verwerpen, doch dat laatstgenoemde in vrijheid voor de verwerping heeft gekozen.

Dit verweer faalt. [naam 1] ziet eraan voorbij dat onder de hiervoor genoemde omstandigheden niet van een vrije keuze gesproken kan worden. In dit verband is met name van belang dat [naam 1] "de wilsbeschikking" van [naam overledene] - waarin [naam 2] niet werd genoemd - aan [naam 2] heeft getoond en [naam 2] heeft voorgehouden dat het waarschijnlijk zou zijn dat uit de nalatenschap slechts schulden zouden overblijven wegens te verwachten claims van de fiscus. Voorts is van belang dat [naam 1] aan [naam 2] - in ruil voor de verwerping - een vorm van verzorging (de maandelijkse vergoeding en de opbrengsten van het pand) heeft toegezegd en [naam 2] duidelijk heeft gemaakt dat zij over hetgeen omtrent de nalatenschap van [naam overledene] besproken was niet met andere personen mocht spreken, ook niet met opa en oma.

Aan het vorenstaande doet niet af het gesprek dat [naam 2] met de notaris heeft gehad. Vaststaat immers dat de notaris niet op de hoogte was van het bestaan van "de wilsbeschikking" van [naam overledene] - [naam 1] heeft de notaris het als productie 13 bij conclusie van antwoord overgelegde geschrift niet getoond - die blijkens haar verklaring tegenover de politie voor [naam 2] een rol speelde bij haar besluit tot verwerping. De notaris was derhalve evenmin in staat [naam 2] van een goed advies te voorzien.

4.12 Nu de primaire vordering van [naam 2], voor zover deze inhoudt dat de verwerping van de nalatenschap door [naam 2] zal worden vernietigd, op grond van het vorenstaande moet worden toegewezen, behoeven de overige grondslagen van vordering tot vernietiging geen bespreking meer.

4.13 [naam 2] heeft, zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.3 is weergegeven, voorts primair gevorderd dat de rechtbank (b) [naam 1] en [naam 3] zal veroordelen met [naam 2] over te gaan tot verdeling van de onverdeelde nalatenschap van [naam overledene] alsmede (c) [naam 1] zal veroordelen tot betaling aan [naam 2] van een gedeelte van de in de dagvaarding genoemde vermogensbestanddelen.

De rechtbank is van oordeel dat zowel [naam 2] als [naam 3] als erfgenamen van

[naam overledene] dienen te worden aangemerkt, doch dat, zoals ook [naam 2] zelf stelt, ten aanzien van [naam 1] daaromtrent geen zekerheid bestaat. [naam 1] is voor poging tot uitlokking van moord van [naam overledene] en oplichting van [naam 2] bij vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken van 9 februari 2004 tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld. Dat vonnis brengt mee dat [naam 1] onwaardig is om uit de nalatenschap van [naam overledene] voordeel te trekken. Volgens [naam 2] is [naam 1] echter van het vonnis van de rechtbank Rotterdam in hoger beroep gekomen.

Nu derhalve niet zeker is of [naam 1] als erfgename van [naam overledene] kan worden beschouwd, dient de door [naam 2] ingestelde vordering (sub b) om over te gaan tot verdeling van de nalatenschap te worden afgewezen. Datzelfde lot treft om die reden de vordering (sub c) tot betaling aan [naam 2] van een gedeelte van de in de dagvaarding genoemde vermogensbestanddelen. Bovendien ontbreekt voor toewijzing van een dergelijke wijze van verdeling de noodzakelijke onderbouwing.

Nu partijen tot elkaar in een familierechtelijke betrekking staan, dienen de proceskosten te worden gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

DE BESLISSING

De rechtbank:

In de derdenverzetprocedure:

Wijst het gevorderde af.

Compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

In de hoofdzaak:

Vernietigt de verwerping door [naam 2] van de nalatenschap haar vader, de heer [naam overledene].

Compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. C.W.T. Vriezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 4 mei 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.