Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2005:AT4922

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
29-04-2005
Datum publicatie
29-04-2005
Zaaknummer
05/474, 05/581, 05/584, 05/653 en 05/719 BSTPL
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter heeft bij zijn uitspraak een vijftal verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen gericht tegen het besluit waarbij vrijstelling als bedoeld in art. 19, eerste lid, van de WRO voor de bouw van een semi-overdekte kunstijsbaan en de aanleg van een bijbehorende ontsluitingsstructuur, alsmede bouwvergunning voor de bouw van de kunstijsbaan is verleend.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er aan het besluit wel een aantal gebreken kleeft, maar ziet in deze gebreken in dit stadium van de procedure geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen omdat een voldoende spoedeisend belang ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr: 05/474, 05/581, 05/584, 05/653 en 05/719 BSTPL

Inzake: 1.[naam] en [naam],

2.[naam] en anderen,

3.[naam] en anderen,

4.de vereniging "Vereniging Belangenbehartiging Risdam",

5.[naam] en anderen,

allen wonende of gevestigd te Hoorn, verzoekers,

tegen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Het besluit van verweerder van 11 februari 2005.

2. Zitting

Datum: 15 april 2005.

Verzoekers zijn ambtshalve opgeroepen. Van hen is een groot aantal ter zitting verschenen. Daar hebben verzoekers sub 1 bij monde van [naam], verzoekers sub 2 bij monde van [naam] en [naam], verzoekers sub 3 bij monde van mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag, verzoekster sub 4 bij monde van [naam] en [naam], respectievelijk voorzitter en bestuurslid, en verzoekers sub 5 bij monde van [naam], het woord gevoerd.

Verweerder is ook ambtshalve opgeroepen. Namens hem zijn ter zitting verschillende ambtenaren en deskundigen verschenen. Van hen heeft [naam], ambtenaar van de gemeente, het woord gevoerd, bijgestaan door mr. A.R. Klijn, advocaat te Amsterdam.

3. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 11 februari 2005 heeft verweerder aan de gemeente Hoorn, met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, vrijstelling verleend van de ter plaatse geldende bestemmingsplannen voor de bouw van een semi-overdekte kunstijsbaan en de aanleg van de bijbehorende ontsluitingsstructuur, van een turborotonde in de Provincialeweg N506 tot en met de aansluiting op het Keern, in het gebied De Blauwe Berg te Hoorn. Ook heeft verweerder vergunning verleend voor de bouw van de kunstijsbaan.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.

Met betrekking tot het besluit hebben verzoekers sub 1 bij brief van 4 maart 2005, verzoekers sub 2 bij brief van 19 maart 2005, verzoekers sub 3 bij brief van 23 maart 2005, verzoekster sub 4 bij brief van 30 maart 2005 en verzoekers sub 5 bij brief van 5 april 2005 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 10 maart 2005, aangevuld bij brief van 23 maart 2005, heeft verweerder in de procedure 05/474 de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden. De stukken in de andere procedures komen met deze stukken overeen.

Bij brief van 8 april 2005, aangevuld bij brief van 13 april 2005, heeft verweerder een verweerschrift toegezonden.

Bij brief van 13 april 2005 heeft verzoekster sub 4 nog stukken toegezonden.

Vervolgens zijn de verzoeken om een voorlopige voorziening op 15 april 2005 ter zitting behandeld.

4. Motivering

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. De verleende vrijstelling voor de aanleg van de ontsluitingsstructuur (verder aangeduid als de ontsluitingsweg) maakt een gebruik van de betrokken gronden mogelijk dat in strijd is met de geldende bestemmingsplannen. De verleende vrijstelling voor de kunstijsbaan maakt de met het geldende bestemmingsplan strijdige bouw daarvan mogelijk. De bouwvergunning heeft alleen betrekking op de ijsbaan.

De aanleg van de ontsluitingsweg en de bouw van de ijsbaan zijn de eerst uit te voeren projecten in het kader van de beoogde ontwikkeling van het gebied De Blauwe Berg tot zogenoemd vrijetijdspark. De bedoeling is om in het gebied ook een bioscoop, een dansgelegenheid en een hotel te realiseren en mogelijk nog horecavoorzieningen.

Het gebied De Blauwe Berg ligt ingeklemd tussen de Bobeldijkerweg aan de noordkant, het Keern aan de oostkant, de Provincialeweg N506 aan de zuidkant en de A7 aan de westkant. In het zuidelijke deel liggen sportaccomodaties, verder is het een weidegebied.

Verzoekers sub 1, 2, 3 en 5 wonen in de omgeving van het gebied waar de kunstijsbaan wordt gebouwd en de nieuwe ontsluitingsweg wordt aangelegd. Verzoekster sub 4 heeft als statutaire doelstelling, kort samengevat, het beïnvloeden van de gemeentelijke besluitvorming over het gebied De Blauwe Berg om het leefklimaat in de wijk Risdam te handhaven. Zij vrezen hinder van de kunstijsbaan en met name verkeershinder als gevolg van de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg.

4.3. De voorzieningenrechter overweegt dat het bestreden besluit de eerste stap is van een grote, ingrijpende wijziging van het betrokken gebied die ook gevolgen zal hebben voor een grotere omgeving dan het gebied zelf. Naar deze gevolgen is in het kader van de voorbereiding van het bestreden besluit, gezien ook de voorgenomen verdere ontwikkeling, uitgebreid onderzoek gedaan. Zo is een milieu-effectrapport opgesteld en zijn er verkeers-, geluids- en luchtkwaliteitsonderzoeken gedaan.

Tegen het bestreden besluit is in ieder geval door verzoekers bezwaar gemaakt. Bij de nog te nemen beslissingen op de bezwaren kan verdere onderbouwing en motivering van het al genomen besluit plaatsvinden of kan dat worden gewijzigd.

Dit alles in aanmerking nemend moet de voorzieningenrechter concluderen dat de voorlopige voorziening-procedure zich in dit geval niet goed leent voor een diepgaande beoordeling van al hetgeen verzoekers hebben aangevoerd. Niet alleen valt zo'n beoordeling buiten het kader van het "voorlopige oordeel" dat de voorzieningenrechter in deze procedure moet geven maar ook zou dat naar de mening van de voorzieningenrechter in een omvangrijke en ingewikkelde zaak als deze het karakter van de bezwaarprocedure te zeer aantasten. De voorzieningenrechter verwacht dat zijn voorlopige oordeel die procedure tot een strikt juridische strijd zou maken met dat oordeel als uitgangspunt. Daarmee zou het karakter van de bezwaarprocedure, die immers is bedoeld voor een inhoudelijke heroverweging gebaseerd op een open uitwisseling van standpunten, verloren gaan.

De voorzieningenrechter zal daarom dat wat verzoekers hebben aangevoerd op hoofdlijnen beoordelen. Ook zal hij in zijn afweging betrekken de belangen van verweerder die op korte termijn een begin wenst te maken met de uitvoering van het besluit. Uitgangspunt is daarbij dat de beslissing die de voorzieningenrechter moet nemen slechts zijn werking zal hebben totdat verweerder beslist op de bezwaren. En hoewel de voorzieningenrechter uitgaat van één, samenhangend besluit staat dat niet in de weg aan het treffen van een voorlopige voorziening die alleen betrekking heeft op de ijsbaan of alleen op de ontsluitingsweg.

4.4. Een aantal van verzoekers sub 1, 2, 3 en 5 heeft vanuit hun woning of de directe omgeving daarvan geen zicht op de locatie van de ijsbaan. Ook woont een aantal van hen niet in straten waar een toename van verkeer is te verwachten als gevolg van de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg. Deze verzoekers zijn waarschijnlijk geen belanghebbende bij het bestreden besluit in de zin van de Awb en kunnen daarom tegen dat besluit geen bezwaar maken. Dit neemt niet weg dat een aantal van verzoekers sub 1, 2, 3 en 5 en verzoekster sub 4 in ieder geval wel belanghebbende zijn bij het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om in het kader van deze procedure een onderscheid te maken tussen verzoekers die wel en verzoekers die geen belanghebbende zijn. Verweerder moet dat in de bezwaarprocedure doen.

4.5. Over wat verzoekers hebben aangevoerd overweegt de voorzieningenrechter - in hoofdlijnen - het volgende.

4.5.1. De voorzieningenrechter meent dat de ijsbaan moet worden gezien als een - zelfstandige - inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Volgens verweerder is voor de inrichting geen vergunning krachtens de Wet milieubeheer vereist, omdat deze onder de werking valt van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. De voorzieningenrechter denkt hierover niet anders dan verweerder. Hieruit volgt dat in ieder geval niet kan worden gezegd dat de bouwvergunning voor de ijsbaan niet mocht worden verleend, omdat de beslissing daarover moest worden aangehouden in afwachting van de verlening van de milieuvergunning.

4.5.2. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan te nemen dat - in het algemeen - sprake is geweest van onzorgvuldige besluitvorming. Verweerder heeft uitgebreid onderzoek laten doen en gedaan naar de gevolgen en de haalbaarheid van de beoogde ontwikkelingen. De rapporten die daarvan zijn uitgebracht blijken echter gebaseerd op verschillende uitgangspunten en afwijkende invoergegevens. Enerzijds moet de voorzieningenrechter aan verweerder toegeven dat uit geen van de rapporten de conclusie valt te trekken dat de gevolgen van de voorgenomen ontwikkelingen onaanvaardbaar zijn. Anderzijds neemt door die verschillende uitgangspunten niet alleen de begrijpelijkheid af maar ook - en dat is in procedures als deze van wezenlijk belang - de controleerbaarheid. Hoewel de voorzieningenrechter op dit moment de besluitvorming in het algemeen niet onzorgvuldig vindt, vindt hij wel dat verweerder, voordat hij beslissingen neemt op de bezwaren, meer duidelijkheid dan tot nu toe moet bieden over hoe de onderscheiden rapporten, hun uitgangspunten en hun invoergegevens zich tot elkaar verhouden.

4.5.3. Het zwaartepunt van de bezwaren ligt bij de toename van verkeershinder die verzoekers verwachten. In dit kader zijn met name van belang de rapporten "Verkeerskundige uitwerking Buitenstad en probleemverkenning Provincialeweg-Oost" van 7 februari 2003 (het AGV-rapport), zoals aangevuld met verweerders brief van 17 december 2003, en de "Verkeersstudie Blauwe Berg" van Goudappel Coffeng van 9 maart 2005. Verweerder is bij het nemen van het bestreden besluit uitgegaan van het AGV-rapport; het Goudappel Coffeng-rapport is van latere datum. Voor deze rapporten geldt bij uitstek het probleem dat hiervoor onder 4.5.2. is gesignaleerd: de uitgangspunten en invoergegevens van beide rapporten verschillen. Dat hoeft echter niet in de weg te staan aan het vormen van een voorlopig oordeel over deze kwestie aan de hand van het meest actuele rapport, het Goudappel Coffeng-rapport.

Het komt er volgens de voorzieningenrechter in grote lijnen op neer dat de aanleg van de ontsluitingsweg een wijziging in de bestaande verkeersstromen zal veroorzaken en met name een toename van verkeersdrukte op de Bobeldijkerweg bij het Keern.

Uit de berekeningen in het Goudappel Coffeng-rapport blijkt dat ook zonder de bouw van de ijsbaan en de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg de verkeersdrukte in de toekomst zal toenemen. Andere ontwikkelingen zijn daarvoor mede verantwoordelijk, zoals de autonome groei van de verkeersdrukte en andere projecten in de wijde omgeving. Ook kunnen specifieke maatregelen, zoals de voorgestelde afsluiting van het Keern van de Provincialeweg, wijzigingen in de verkeersstromen veroorzaken. Daarbij kan een toename van verkeersdrukte op een plek gepaard gaan met een afname op een andere plek.

De voorzieningenrechter ziet in de berekeningen van het Goudappel Coffeng-rapport al met al geen reden om aan te nemen dat de aanleg van de ontsluitingsweg onaanvaardbaar is omdat juist dit project een onevenredige toename van hinder of gevaar als gevolg van grote verkeersdrukte op daarvoor niet toegeruste wegen zal veroorzaken.

Verzoekers sub 2, allen bewoners van de [straatnaam], veronderstellen dat de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg een veel grotere verkeersdrukte over hun straat zal veroorzaken dan berekend in het Goudappel Coffeng-rapport. Maar dat die veronderstelling juist is, hebben ze volgens de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt. De stelling van andere verzoekers dat eigen verkeerstellingen hebben aangetoond dat de berekeningen in het Goudappel Coffeng-rapport onjuist moeten zijn volgt de voorzieningenrechter evenmin, alleen al omdat een en ander niet controleerbaar is.

4.5.4. Op het bestreden besluit is het Besluit luchtkwaliteit van toepassing. Verweerder heeft in zijn besluitvorming het "Rapport luchtkwaliteit 2003" betrokken. Daarin staat echter niets over de gevolgen van de bouw van de ijsbaan en de aanleg van de ontsluitingsweg voor de luchtkwaliteit. Op 23 februari 2005 is het in opdracht van verweerder opgestelde rapport "Onderzoek luchtkwaliteit De Blauwe Berg" gepubliceerd. Het rapport geeft het resultaat van de berekening van de bijdragen van bestaande en geplande wegen in het gebied aan de stikstofdioxide- en fijn stof-concentraties. In het rapport wordt de in 2010 verwachte situatie weergegeven. Verder is in het rapport gesteld dat de fijn stof-normering al vanaf 1 januari 2005 geldt maar dat nog niet helemaal bekend is hoe daar in de praktijk mee omgegaan zal worden. Gesteld wordt dat te verwachten is dat de grenswaarde van de jaargemiddelde fijn stof-concentratie in 2005 niet wordt overschreden. Wel wordt mogelijk de daggemiddelde concentratie overschreden maar deze wordt volgens het rapport in vrijwel geheel Nederland in 2005 vaker dan 35 keer overschreden.

De voorzieningenrechter moet vaststellen dat uit dit rapport niet is op te maken of, en zo ja in welke mate, de bouw van de ijsbaan en de aanleg van de ontsluitingsweg gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit. Dit terwijl bij de ingebruikname van de ijsbaan en de ontsluitingsweg voldaan moet worden aan de normen die in het Besluit luchtkwaliteit zijn gesteld. Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over dit onderwerp laten daarover geen misverstand bestaan. Het uitspreken van een verwachting, zoals in het rapport is gedaan, is onvoldoende om aan te nemen dat aan die normen wordt voldaan. Verder lijkt het rapport er - ten onrechte - van uit te gaan dat alleen beoordeeld hoeft te worden of overschrijdingen plaatsvinden in het plangebied van De Blauwe Berg. Dat is onjuist. Ook de vraag of de bouw van de ijsbaan of de aanleg van de ontsluitingsweg bijdragen aan overschrijdingen buiten het plangebied moet worden beantwoord.

De conclusie moet dus zijn dat niet kan worden vastgesteld of wordt voldaan aan de in het Besluit luchtkwaliteit gestelde normen.

4.5.5. Een aantal verzoekers heeft betoogd dat de ijsbaan te massaal is. Gezien het relatief beperkte aantal woningen van waaruit direct zicht op de ijsbaan mogelijk zal zijn - en daarbij betrekt de voorzieningenrechter niet de woningen die slechts vanuit een zolderraam dat zicht bieden - en de afstand van die woningen tot de ijsbaan, gaat het naar de mening van de voorzieningenrechter niet om een zwaarwegend bezwaar.

4.5.6. De vrees van verzoekers voor overlast van zogenoemde evenementen op de ijsbaan deelt de voorzieningenrechter niet. Verzoekers doelen hierbij op grootschalige activiteiten die niets van doen hebben met schaatsen. Maar dat soort activiteiten zijn op grond van de verleende vrijstelling en bouwvergunning gewoonweg niet toegestaan.

4.5.7. Het oorspronkelijke bouwplan voor de ijsbaan voorzag in een entree aan de westkant. Later is het bouwplan aangepast en nu is de entree voorzien aan de oostkant, aan de kant van verzoekers. Deze verplaatsing maakte het mogelijk de ijsbaan zo ver mogelijk van de bestaande bebouwing te situeren. Dat is gunstig voor verzoekers. Zij hebben de voorzieningenrechter er nu niet van overtuigd dat de verplaatsing enig reëel nadeel voor hen veroorzaakt.

4.5.8. Er zijn onderzoeken gedaan naar de geluidsbelasting afkomstig van de nieuwe ontsluitingsweg respectievelijk de geluidsuitstraling van de ijsbaan. De uitkomst van het eerste onderzoek is dat die geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) niet overschrijdt bij geluidsgevoelige bestemmingen. De uitkomst van het tweede onderzoek is dat de grenswaarden niet worden overschreden, waarbij ervan is uitgegaan er in de avondperiode geen muziek is. Mocht na het in gebruik nemen van de ijsbaan blijken dat muziekgeluid in de avondperiode bij de omliggende woningen niet duidelijk waar te nemen is, dan kan muziek in de avondperiode alsnog worden toegestaan. De voorzieningenrechter ziet geen redenen om aan de uitkomst van deze onderzoeken te twijfelen.

Verzoekers hebben betoogd dat exploitatie van een ijsbaan zonder muziek in de avondperiode niet reëel is; geluidsoverlast van muziek is volgens hen dus te verwachten. De voorzieningenrechter kan slechts constateren dat overschrijding van de gestelde grenswaarden niet is toegestaan. En verweerder heeft ter zitting toegezegd zonodig handhavend op te treden.

4.6. Verweerder wil snel beginnen met de bouw van de ijsbaan: nog voor het einde van deze maand. Dit in verband met de door de provincie Noord-Holland toegezegde financiële bijdrage.

De voorzieningenrechter heeft verweerder de vraag gesteld in hoeverre hij in de periode tot het nemen van beslissingen op de ingediende bezwaren uitvoering wil geven aan het bestreden besluit. De voorzieningenrechter gaat er daarbij van uit dat die beslissingen uiterlijk half juni 2005 worden genomen. Verweerder heeft daarop verklaard te beginnen met de grondwerkzaamheden ter voorbereiding van de bouw van de ijsbaan. Aansluitend wordt geheid. Verweerder verwacht daarmee in juni te beginnen. Werkzaamheden in verband met de aanleg van de ontsluitingsweg zijn tot half juni niet voorzien, zo heeft de voorzieningenrechter begrepen.

4.7. De voorzieningenrechter moet concluderen dat het bestreden besluit in ieder geval een ernstige tekortkoming heeft: er is niet aangetoond dat de normen gesteld in het Besluit luchtkwaliteit in acht zijn genomen. Nieuw onderzoek is mogelijk; of dat leidt tot herstel van deze tekortkoming kan de voorzieningenrechter niet voorzien. De voorzieningenrechter tekent daarbij aan er nu van uit te gaan dat niet zozeer de bouw van de ijsbaan maar eerder de aanleg van de ontsluitingsweg gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit. De ernstige tekortkoming speelt daarom op dit moment alleen een rol bij het beantwoorden van de vraag of ten aanzien van de aanleg van de ontsluitingsweg een voorlopige voorziening moet worden getroffen.

Die vraag beantwoordt de voorzieningenrechter - ondanks de tekortkoming - negatief. Dit omdat verzoekers naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de ontsluitingsweg. Met de aanleg daarvan begint verweerder namelijk nog niet voor het moment waarop hij naar verwachting beslissingen zal nemen op de bezwaren. Bij de terughoudende opstelling die de voorzieningenrechter in deze procedure geraden acht past het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de ontsluitingsweg in deze omstandigheden ook niet.

Wat betreft de ijsbaan zijn in de periode tot het moment waarop verweerder naar verwachting beslissingen zal nemen op de bezwaren nog geen onomkeerbare ontwikkelingen voorzien. In de bezwaren van verzoekers die zich specifiek richten tegen de ijsbaan ziet de voorzieningenrechter op dit moment geen aanleiding om de werkzaamheden die wel zijn voorzien tegen te houden. Hiervan uitgaande vindt de voorzieningenrechter ook het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de ijsbaan nu niet op zijn plaats. De verzoeken wijst hij daarom alle af.

4.8. De voorzieningenrechter wijst partijen erop dat deze beslissing berust op een voorlopig oordeel en is gebaseerd op de stand van zaken op dit moment. Zoals al opgemerkt kan niet alleen de onderbouwing van het bestreden besluit in de bezwaarprocedure worden aangepast - en zal op sommige punten ook moeten worden aangepast - maar kan ook dat besluit zelf nog worden gewijzigd. Daarnaast kunnen zich uiteraard - relevante - wijziging van omstandigheden voordoen. Verder is het aan verweerder om uit te maken of hij nu nog, zoals hij van plan was, wil beginnen met de voorbereidende werkzaamheden voor de bouw van de ijsbaan.

4.9. Bij deze beslissing is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

5. Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr. M. Kraefft, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Matiasen, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2005 door de voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.