Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2005:AT4773

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
26-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
05/425 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoekers (supermarktketens) vragen een voorlopige voorziening in verband met de verleende bouwvergunning eerste fase voor de bouw een supermarkt van een concurrent. Verzoekers zijn wel belanghebbenden. Voldoende ruimtelijke onderbouwing en geen sprake van duurzame ontwrichting van het voorzieningenpatroon in de supermarktsector.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr: WW44 05/425

Inzake: [verzoekers], verzoekers,

tegen: [verweerder], verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Het besluit van verweerder van 3 januari 2005, verzonden op 5 januari 2005.

2. Zitting

Datum: 19 april 2005.

Verzoekers zijn verschenen bij gemachtigde mr. M. Lanen, advocaat te Utrecht.

Tevens is verschenen drs. [persoon], verbonden aan het bureau [adviesbureau] te Vught.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde [persoon], juridisch medewerker bij de gemeente [woonplaats].

Voorts is verschenen namens [vergunninghoudster] te Hoorn, vergunninghoudster, [vergunninghoudster], bijgestaan door mr. W. Loomans, advocaat te Hoorn.

3. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 3 januari 2005 heeft verweerder, onder verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), bouwvergunning eerste fase verleend aan [vergunninghoudster[woonplaats]nninghoudster) voor het bouwen van een supermarkt aan de [adres]

Tegen dit besluit is namens verzoekers bij brief van 9 februari 2005 bezwaar gemaakt.

Bij verzoekschrift van 25 februari 2005 is de voorzieningenrechter van deze rechtbank namens verzoekers verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft op 14 maart 2005 de op het geding betrekking hebbende stukken ter griffie van de rechtbank doen bezorgen.

Bij brieven van 16 maart 2005 en 15 april 2005 hebben verzoekers nadere stukken ingezonden.

Op 15 april 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is op 19 april 2005 ter zitting behandeld, alwaar nog nadere stukken zijn overgelegd.

4. Motivering

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoekers uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Het antwoord op de vraag of er sprake is van een nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening is in belangrijke mate mede afhankelijk van een -voorlopig- oordeel omtrent de vraag of op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het in de bodemprocedure bestreden besluit niet in stand kan blijven. Voor zover het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

4.2. Namens de vergunninghoudster is de vraag opgeworpen of verzoekers als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij het bestreden besluit zijn aan te merken. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend en merkt daartoe op dat het bouwplan voorziet in de bouw van een supermarkt in de gemeente [woonplaats], waar ook verzoekers een supermarkt exploiteren. Er is sprake van dezelfde bedrijfsactiviteiten, die zullen plaatsvinden in hetzelfde verzorgingsgebied. Dat het bouwplan betrekking heeft op een niet bijzonder grote buurtsupermarkt kan niet tot een andersluidend oordeel leiden. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de rapportage van [adviesbureau]-adviseurs (hierna: [adviesbureau]) van 11 december 2002, waarin wordt aangegeven dat de algemene trend is dat supermarkten steeds minder ieder hun eigen afgebakende verzorgingsgebied hebben. Consumenten hebben een steeds groter en gevarieerder behoeftepakket en hebben behoefte aan ruime keuzemogelijkheden. Binnen de gemeente [woonplaats], die bestaat uit diverse dorpskernen, worden supermarkten ook feitelijk vanuit andere dorpskernen bezocht. Met betrekking tot de nieuw te vestigen supermarkt in [woonplaats] wordt opgemerkt dat deze qua locatie zeer centraal gelegen en gemakkelijk bereikbaar zal zijn en in combinatie met de [belanghebbende] aldaar een grote trekkracht zal hebben. Deze factoren zorgen ervoor, zo stelt [adviesbureau], dat een extra supermarkt op deze locatie koopkracht trekt vanuit de hele gemeente, hetgeen consequenties zal hebben voor concurrerende supermarkten. Gelet hierop hebben verzoekers een zodanig bijzonder, individueel belang bij het bestreden besluit dat zij als belanghebbenden zijn aan te merken.

4.3.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang daarbij. Aan de vergunninghoudster is uitsluitend een reguliere bouwvergunning eerste fase verleend, waarmee nog geen bouwtitel verkregen is. Om te kunnen bouwen moet eerst tevens de reguliere bouwvergunning tweede fase worden verleend. Bovendien is reeds een sloopvergunning verleend die inmiddels rechtens onaantastbaar is.

4.3.2. De voorzieningenrechter deelt dit standpunt niet en overweegt daartoe dat een derde-belanghebbende, die bezwaren heeft tegen een verleende bouwvergunning eerste fase, er belang bij heeft om te bewerkstelligen dat deze bouwvergunning wordt geschorst. Hij kan immers op die manier voorkomen dat een bouwtitel ontstaat voor een door hem bestreden bouwplan. Dit geldt temeer, nu verzoekers niet binnen de bezwaartermijn een verzoek om een voorlopige voorziening hebben ingediend. Dit brengt immers mee dat verweerder niet ingevolge artikel 56b, eerste lid, van de Woningwet gehouden is de beslissing op de aanvraag om een bouwvergunning tweede fase aan te houden. Het standpunt van vergunninghoudster dat verzoekers in verband met het bepaalde in artikel 56b, eerste lid van de Woningwet nu feitelijk te laat zijn met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kan de voorzieningenrechter niet onderschrijven. Het hiervoor genoemde artikel heeft immers uitsluitend betrekking op de aanhoudingsplicht van verweerder, terwijl het indienen van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet aan een termijn gebonden is.

4.4.1. Het in geding zijnde bouwplan heeft betrekking op de bouw van een supermarkt aan de [adres] te [woonplaats]. Het betreffende perceel heeft blijkens de plankaart, behorend bij het van toepassing zijnde bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan]’ de bestemming “[bestemming]”. Vast staat dat het bouwplan niet past binnen deze bestemmingen en dat de te bouwen supermarkt niet binnen het bebouwingsvlak op de plankaart zal worden gerealiseerd. Op grond van artikel 44 van de Woningwet zou daarom de aangevraagde bouwvergunning moeten worden geweigerd. Teneinde realisering van het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft verweerder vrijstelling van de bestemmingsplanvoorschriften verleend met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO.

4.4.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

4.4.3. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de formele eisen voor de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO in dit geval is voldaan.

4.4.4. Verzoekers hebben betoogd dat de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan onvoldoende is. De voorzieningenrechter onderschrijft dit standpunt niet en merkt daartoe het volgende op. De gemeenteraad van de gemeente [woonplaats] (hierna: de gemeenteraad) heeft in 1997 de detailhandelstructuurvisie gemeente [woonplaats] vastgesteld. Daaraan ligt het onderzoeksrapport “Versterking voorzieningen per kern, een ruimtelijk-economische structuurvisie” uit september 1996 van [adviesbureau] ten grondslag. In deze rapportage wordt onder meer geconcludeerd dat binnen de kern [woonplaats] versterking van de winkelstructuur, waaronder het supermarktsegment, aangewezen is en dat de driehoek [adres]/[adres] -waarbinnen het onderhavige perceel gelegen is- beschikt over de fysieke mogelijkheden daarvoor. De gemeenteraad heeft deze conclusies uit het [adviesbureau]-rapport in zijn detailhandelstructuurvisie onderschreven, met dien verstande dat van gemeentewege geen actie zal worden ondernomen tot de door [adviesbureau] voorgestelde verplaatsing van een supermarkt van [woonplaats] naar [woonplaats]. Voorts is aangegeven dat stedenbouwkundig onderzoek zal worden ingesteld met betrekking tot de driehoek [adres]/[adres]. Dit onderzoek heeft geresulteerd in de “nota van uitgangspunten driehoekslocatie [woonplaats]” uit januari 2002, waarvan de notitie “ruimtelijk- en functionele randvoorwaarden voor een supermarkt op de [lokatie]” deel uitmaakt. De gemeenteraad heeft op 5 februari 2002 het “programma van eisen” vastgesteld en daarin de conclusies in dit rapport tot de zijne gemaakt. In het programma van eisen wordt gemotiveerd aangegeven op welke wijze een supermarkt op de in het geding zijnde locatie ruimtelijk kan worden ingepast. De voorzieningenrechter is gelet hierop van oordeel dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

4.5.1. Verzoekers hebben voorts aangevoerd dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het verlenen van vrijstelling voor het bouwplan, omdat de vestiging ervan zal leiden tot een ontwrichtende overbewinkeling in de supermarktsector en daartoe verwezen naar de rapportages van [adviesbureau] van 11 december 2002 en 1 april 2005.

4.5.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat verzoekers als concurrenten van de vergunninghoudster mogelijkerwijs nadeel zullen ondervinden van de vestiging van de geplande supermarkt voor verweerder geen grond kan zijn om medewerking aan een bouwplan te weigeren. Verweerder is immers in het kader van de hem door de WRO opgedragen taak niet geroepen tot het reguleren van concurrentieverhoudingen. Slechts ingeval het waarschijnlijk dient te worden geacht dat de vestiging van de supermarkt leidt tot een duurzame ontwrichting van het in het verzorgingsgebied aanwezige voorzieningenpatroon in de supermarktsector, komt het onthouden van medewerking op economische gronden aan de orde.

De voorzieningenrechter komt aan de hand van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting tot de conclusie dat van een dergelijke ontwrichting niet is gebleken. [adviesbureau] concludeert in de rapportage van 11 december 2002 dat er in de gemeente [woonplaats] uitbreidingsruimte in de supermarktbranche is en stelt deze vast op ongeveer 1500 m² verkoopvloeroppervlak. Wanneer alle initiatieven voor uitbreiding in de supermarktbranche binnen de gemeente doorgang zullen vinden, zal dit -zo stelt [adviesbureau]- evenwel leiden tot een omzetverdunning en eventueel nadelig uitpakken voor de gewenste verzorgingsstructuur. In de rapportage van [adviesbureau] van 1 april 2005 wordt aangegeven dat er op termijn distributieve ruimte zal ontstaan voor een uitbreiding van het supermarktaanbod. Deze wordt door [adviesbureau] geschat op ongeveer 800 m² verkoopvloeroppervlak. Indien de vestiging van de onderhavige supermarkt gepaard zal gaan met een uitbreiding van het supermarktaanbod in [woonplaats] zullen -zo wordt in de rapportage aangegeven- naar verwachting niet alle bestaande supermarkten binnen de gemeente [woonplaats] het redden. De voorzieningenrechter stelt vast dat [adviesbureau] aldus niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de consequenties van dit concrete bouwplan op de voorzieningenstructuur binnen de gemeente [woonplaats] zijn. Bovendien volgt uit de rapportages van [adviesbureau] weliswaar dat uitbreiding van het supermarktarsenaal gevolgen kan hebben voor de reeds aanwezige supermarkten, maar de conclusie dat deze uitbreiding zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenpatroon is daaraan niet te verbinden. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het onderhavige bouwplan zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenpatroon. Er bestond voor verweerder derhalve geen aanleiding om op economische gronden medewerking aan het bouwplan te onthouden.

4.6.1. Verzoekers hebben tenslotte aangevoerd dat de bestreden bouwvergunning niet in overeenstemming is met artikel 2.5.30, eerste en derde lid, van de gemeentelijke bouwverordening (hierna: de bouwverordening). Het bouwplan voorziet niet in voldoende parkeerplaatsen en er is op eigen terrein onvoldoende ruimte voor het laden en lossen van goederen.

4.6.2. Artikel 2.5.30 van de bouwverordening luidt -voor zover hier van belang- als volgt:

1. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. (…).

2. (…).

3. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

4. Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste en het derde lid:

a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

b. voorzover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

4.6.3. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bouwplan voorziet in de aanleg van 40 parkeerplaatsen. Dit aantal is, zo heeft verweerder onweersproken gesteld, gebaseerd op de landelijke ASVV-normen (Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom), die als algemene norm een aantal van vier parkeerplaatsen per 100 m² bruto vloeroppervlak voorschrijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bouwplan hiermee voldoet aan artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening. Dat het aantal parkeerplaatsen in dit concrete geval onvoldoende zou zijn is de voorzieningenrechter niet gebleken.

4.6.4. Wat betreft het laden en lossen merkt de voorzieningenrechter op dat artikel 2.5.30, derde lid, van de bouwverordening -anders dan verweerder kennelijk meent- voorschrijft dat daarvoor op eigen terrein een voorziening is getroffen. In het onderhavige geval kan het laden en lossen niet (volledig) op eigen terrein plaatsvinden, zodat het bouwplan niet aan artikel 2.5.30, derde lid, van de bouwverordening voldoet. In zoverre zal de verleende bouwvergunning in bezwaar dan ook geen stand kunnen houden. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in verband daarmee ziet de voorzieningenrechter evenwel geen grond, nu verweerder ingevolge artikel 2.5.30, vierde lid, vrijstelling van het vereiste in lid 3 kan verlenen voor zover op andere wijze in de nodige laad- of losruimte wordt voorzien. Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit de inrichtingstekening blijkt dat voor laden en lossen voldoende ruimte aanwezig is op het openbare terrein voor de supermarkt. Ook de manoeuvreerruimte is blijkens deze inrichtingstekening voldoende. Dat, zoals verzoekers hebben betoogd, het laden en lossen zal leiden tot een verkeersonveilige situatie acht de voorzieningenrechter op voorhand niet aannemelijk.

4.7. Nu de voorzieningenrechter ook anderszins geen grond ziet voor het oordeel dat niet op goede gronden vrijstelling en bouwvergunning is verleend, ziet zij geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

4.8. Onder deze omstandigheden is voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van verzoekers geen plaats.

5. Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr. M.A.J. Berkers, voor-zieningen-rechter, in tegen-woordig-heid van L.T.C. Krijff, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 26 april 2005

door voornoemde voor-zieningen-rechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.