Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2005:AT4772

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
14.010240.04 en 14.025147.04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de dader van een moord op het stationsplein in Den Helder tot een gevangenisstraf van vijf jaren. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank ermee rekening houden dat de verdachte tevens TBS met dwangverpleging wordt opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer: 14.010240.04 en 14.025147.04 (ttzgev)

Datum uitspraak: 27 april 2005

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

gedetineerd in P.I. Noord Holland Noord - HvB Zwaag te Zwaag.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 november 2004, 25 januari 2005 en 13 april 2005.

De rechtbank heeft kennisgenomen van

- de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren en dat aan de verdachte maatregel terbeschikkingstelling zal worden opgelegd en dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

- hetgeen door de verdachte en mr. G. Lieffijn, raadsman van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

14.010240.04:

hij op of omstreeks 14 mei 2004 in de gemeente Den Helder opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen twee, althans een of meer, kogel(s) in het hoofd en/of de borstkas, althans in het lichaam van bovengenoemde [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 mei 2004 in de gemeente Den Helder opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen twee, althans een of meer, kogel(s) in het hoofd en/of de borstkas, althans in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

14.025147.04:

hij op of omstreeks 17 november 2003 te Den Helder tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (uit een tabakszaak gelegen aan Ruyghweg 57) een portemonnee (inhoudende een geldbedrag), geheel of ten dele toebehorende aan [bestolene], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [bestolene], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij en/of zijn mededader:

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [bestolene] heeft/hebben getoond en/of op die [bestolene] heeft/hebben gericht, en/of

- die [bestolene] bij haar armen heeft/hebben gepakt, en/of

- die [bestolene] (hardhandig) bij haar pols heeft/hebben vastgepakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VRIJSPRAAK

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 14.010240.04 primair is ten laste gelegd.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

14.010240.04 subsidiair:

hij op 14 mei 2004 in de gemeente Den Helder opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen een kogel in het hoofd en een kogel in de borstkas van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

14.025147.04:

hij op 17 november 2003 te Den Helder tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit een tabakszaak gelegen aan de Ruyghweg 57, heeft weggenomen een portemonnee inhoudende een geldbedrag, toebehorende aan [bestolene], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen voornoemde [bestolene], gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden)dat hij en zijn mededader:

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [bestolene] hebben getoond, en

- die [bestolene] bij haar armen hebben gepakt, en

- die [bestolene] hardhandig bij haar pols hebben vastgepakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

5. BEWIJSMOTIVERING

Ten aanzien van parketnummer 14.010240.04:

Vast staat dat op vrijdagmiddag 14 mei 2004 [slachtoffer] van het leven is beroofd op het plein voor het (centraal) station te Den Helder. Blijkens het sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 18 mei 2004 zijn het slachtoffer ernstige schotverwondingen in het hoofd en in de borst toegebracht, ten gevolge waarvan hij is overleden.

Op de late avond van 14 mei 2004 heeft verdachte zich gemeld aan het politiebureau te Den Helder en daar verklaard dat hij het feit had begaan. Verdachte heeft hierop in de vroege ochtend van 15 mei 2004 specifiek verklaard, onder meer over de wijze van schieten, hetgeen daar onmiddellijk aan vooraf ging, het gebruikte pistool en de gebruikte patronen. In zijn verklaring afgelegd in de middag van 15 mei 2004 heeft verdachte verklaard het slachtoffer te hebben neergeschoten omdat hij bang voor hem was. Op 17 mei 2004 is verdachte ook ten overstaan van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, bij deze verklaringen gebleven.

Vanaf 18 mei 2004 heeft verdachte niet nader willen verklaren en zich op zijn zwijgrecht beroepen. Tijdens de (pro forma) behandeling ter terechtzitting van 8 november 2004 heeft verdachte verklaard dat hij niet heeft geschoten, en dat hij zijn bekennende verklaringen slechts heeft afgelegd om bescherming te verkrijgen, aangezien hij vermoedde dat hij door de kring van personen rond het slachtoffer als dader zou worden aangemerkt. Dit standpunt heeft verdachte sindsdien en ook thans bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak ingenomen.

De rechtbank houdt verdachte aan zijn aanvankelijke bekennende verklaringen, aangezien deze steun vinden in ander hem belastend bewijsmateriaal, in het bijzonder de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2].

Genoemde [getuige 1] en [getuige 2] hebben, direct na het horen van knallen dan wel schoten, verdachte herkend terwijl hij weg- respectievelijk langsrende en hebben een pistool in zijn hand gezien. Ook andere getuigen hebben een man die aan het signalement van verdachte voldoet, langs dezelfde route zien rennen met een pistool in zijn hand, onder wie de getuigen [getuige 3] (p. 136 t/m 139), [getuige 4] (p. 146 en 148 t/m 150), [getuige 5] (p. 160 t/m 161), [getuige 6] (p. 182 t/m 183) en [getuige 7] (p. 187 t/m 191).

Voorts heeft de getuige [getuige 8], oom van verdachte, zowel tegenover de politie (p. 258 t/m 267) als op 25 oktober 2004 bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte hem in de avond van 14 mei 2004, voorafgaand aan zijn melding bij de politie, desgevraagd heeft bevestigd dat hij de dader was, en voorts dat verdachte er daarna mee instemde zich te melden bij de politie. De getuige [getuige 9], neef van de verdachte, heeft op 11 januari 2005 bij de rechter-commissaris in gelijke zin verklaard.

De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte niet aan zijn bekennende verklaringen kan worden gehouden. Gelet op het bovenstaande verwerpt de rechtbank dit verweer. De rechtbank voegt daar nog aan toe dat verdachte geen geloofwaardige verklaring heeft kunnen geven waarom hij eerst heeft bekend, daarbij steeds is gebleven, en pas ruim vijf maanden later bij de tweede pro forma zitting zijn huidige standpunt naar voren heeft gebracht. De rechtbank acht, mede in het licht van het voorgaande, ongeloofwaardig dat verdachte, zoals hij heeft verklaard, zich in strijd met de waarheid geruime tijd als dader van het feit zou hebben voorgedaan, om bescherming te verkrijgen tegen degenen die hem, in zijn visie ten onrechte, van datzelfde feit verdachten.

De raadsman heeft aangevoerd dat ten aanzien van een andere persoon, namelijk de op 14 mei 2004 kort na de schietpartij op de plaats van het delict aangehouden [eerdere verdachte], technisch bewijs in het dossier ligt, terwijl dit ten aanzien van verdachte ontbreekt. Van deze [eerdere verdachte] zijn de handen bemonsterd op schotrestsporen waarna onderzoek van het NFI op beide handen tussen duim en wijsvinger een schotrestdeeltje heeft aangetoond. Op door verdachte aangeduide kledingstukken zijn geen schotrestdeeltjes aangetroffen.

De rechtbank overweegt hieromtrent allereerst dat het ontbreken van schotrestdeeltjes verdachte niet ontlast, temeer daar niet is komen vast te staan dat de bemonsterde kleding tijdens de gebeurtenissen door verdachte is gedragen, en evenmin welke handelingen in de periode tussen het feit en de inbeslagname ten aanzien van deze kleding is verricht.

Ten aanzien van [eerdere verdachte] overweegt de rechtbank het volgende. Blijkens de (aanvullende) processen-verbaal van verbalisant R. Gooijer, gedateerd 6 augustus 2004 en van verbalisant M. Buter, gedateerd 23 juli 2004 heeft Buter [eerdere verdachte] overgebracht naar het politiebureau te Den Helder en zich voordien bezig gehouden met de (tevergeefse) reanimatie van het slachtoffer. Buter heeft op 19 oktober 2004 ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij daarbij het hoofd van het slachtoffer heeft vastgehouden, en dat hij op dat moment geen handschoenen droeg.. Na het staken van de reanimatie heeft hij een desinfecterend middel gekregen en is hij volgens zijn verklaring wel vijf minuten bezig geweest om met een handdoek het bloed van zijn handen te verwijderen, zonder dat dit geheel is gelukt. Vervolgens heeft hij [eerdere verdachte], die reeds door een andere verbalisant was aangehouden, overgebracht naar het politiebureau te Den Helder. Daarbij heeft hij [eerdere verdachte] bij de schouder en bij de handboeien vastgepakt.

Aan het NFI is de vraag voorgelegd of het aantreffen van de schotrestdeeltjes bij [eerdere verdachte] te verklaren zijn door contaminatie. Het NFI heeft in zijn aanvullend rapport van 17 november 2004 meegedeeld dat bij de door het NFI vastgestelde schootsafstand van vrijwel 0 centimeter, rond de inschotverwonding zeer veel schotrestdeeltjes aanwezig zijn. Op deze manier kunnen de handen van Buter gecontamineerd zijn met schotresten. Hoewel hij zijn handen heeft gereinigd is niet uit te sluiten dat enkele schotrestdeeltjes op zijn handen zijn achtergebleven. Het is, aldus het NFI, evenmin uit te sluiten dat deze deeltjes zijn overgedragen van de handen van Buter op de handen van [eerdere verdachte].

Gelet op deze conclusie van het NFI, en gezien het tegen verdachte bestaande bewijsmateriaal, acht de rechtbank onaannemelijk dat het [eerdere verdachte] zou zijn geweest die de fatale schoten heeft gelost.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de enige getuige die het schieten daadwerkelijk van nabij heeft gezien, de getuige [getuige 10], de verdachte niet herkend heeft bij de op 5 april 2005 gehouden OSLO-confrontatie, en voorts dat zij heeft verklaard dat het om een licht getinte schutter zou gaan, terwijl verdachte eerder donker getint is. De rechtbank overweegt dat ook deze niet-herkenning verdachte niet kan ontlasten, temeer niet daar tussen het feit en de confrontatie meer dan een half jaar is verstreken. Voorts was getuige [getuige 10] blijkens haar verklaringen reeds kort na de door haar waargenomen gebeurtenissen - waardoor zij kennelijk uit haar evenwicht was gebracht - niet zeker meer omtrent haar herinnering aan de huidskleur van de schutter.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de subsidiair ten laste gelegde doodslag heeft begaan.

Ten aanzien van parketnummer 14.025147.04:

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte heeft ontkend dat hij of zijn mededader bij de overval de portemonnee van het slachtoffer heeft meegenomen en dat de verklaring van het slachtoffer op dit punt onbetrouwbaar moet worden geacht. De rechtbank acht de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en heeft geen reden om voor wat betreft de vermissing van haar portemonnee aan deze verklaring te twijfelen.

6. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 14.010240.04 subsidiair:

Doodslag.

Ten aanzien van parketnummer 14.025147.04:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

7. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. MOTIVERING VAN DE STRAF

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft op klaarlichte dag op het stationsplein in Den Helder het slachtoffer [slachtoffer] doodgeschoten. Door zijn handelen heeft verdachte onherstelbaar leed veroorzaakt bij de nabestaanden van het slachtoffer en is de rechtsorde, in het bijzonder in Den Helder, ernstig geschokt. Verdachte heeft daarnaast door te schieten op het stationsplein ook andere daar aanwezigen in gevaar gebracht.

Eerder heeft verdachte samen met een ander een sigarenwinkel overvallen. De ervaring leert, dat slachtoffers van dergelijke overvallen veelal een langdurige psychische nasleep van het gebeurde ondervinden.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 19 mei 2004, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake enig misdrijf is veroordeeld.

- het over de verdachte uitgebrachte psychiatrisch rapport, gedateerd 20 januari 2005, van J.M.J.F. Offermans.

- het over de verdachte uitgebrachte psychologisch rapport, gedateerd 10 januari 2005, van drs. R. Brandsma.

De conclusie van beide rapporteurs houdt - kort en zakelijk weergegeven - het volgende in:

Zowel de psycholoog als de psychiater menen dat er bij betrokkene sprake is van ernstige pedagogische en affectieve verwaarlozing. Betrokkene vertoonde al op jeugdige leeftijd gedragstoornissen en hij is vanaf zijn 12e jaar geplaatst in een internaat. Betrokkene had baat bij de structuur en de regelmaat in het internaat. De overgang van het internaat naar het kamertrainingscentrum is naar de mening van de deskundigen te groot geweest.

Naar het oordeel van de onderzoekers is verdachte gemakkelijk te beïnvloeden. Er bestaat bij hem een wankel evenwicht tussen draagkracht en draaglast, dat onder invloed van stress gemakkelijk verstoord kan raken, waarbij angst, agressie en impulsief gedrag het gevolg kunnen zijn. Betrokkene beschikt nauwelijks over empathische vermogens. Hij tracht vanuit zijn zwakke identiteit aansluiting te vinden bij anderen. In zijn handelen laat hij zich gemakkelijk leiden door het denken van de groep.

Er is sprake van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en afhankelijke trekken. De deskundigen zijn van mening dat hij zich vanuit zijn beïnvloedbaarheid gemakkelijk kan laten meeslepen door het verlangen van de groep om een daad te stellen.

Betrokkene is verminderd toerekeningsvatbaar te achten in de zin dat hij vanuit zijn afhankelijkheid en beïnvloedbaarheid en in mindere mate vanuit gevoelens van angst en bedreiging - in samenhang met een gestoord verlopen rouwproces over het verlies van zijn vriend [naam] - is gekomen tot het ten laste gelegde, indien bewezen.

Zonder adequate behandeling mag het recidivegevaar als aanzienlijk worden ingeschat.

Rapporteurs adviseren het opleggen van de TBS-maatregel met bevel tot verpleging, naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Met de conclusie van de deskundigen kan de rechtbank zich verenigen.

De rechtbank is van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten en in het bijzonder de bewezen verklaarde doodslag, het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigen. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf zal de rechtbank ermee rekening houden dat de verdachte tevens TBS met dwangverpleging wordt opgelegd.

9. MOTIVERING VAN DE MAATREGEL

De rechtbank overweegt dat bovengenoemde rapportages omtrent de persoon van de verdachte zijn opgemaakt ten aanzien van het onder parketnummer 14.010240.04 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit. Gelet op deze rapportages zal de rechtbank de terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten, nu het door verdachte begane feit een misdrijf is, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist.

De rechtbank zal voorts bevelen, dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd, nu de algemene veiligheid van personen die verpleging eist, een en ander overeenkomstig de in genoemde rapportages uitgebrachte adviezen.

De rechtbank is uit de genoemde rapportages omtrent de persoon van de verdachte gebleken, dat de verdachte gevaarlijk is voor de algemene veiligheid voor personen.

10. BENADEELDE PARTIJ

Op de terechtzitting is verschenen mr. B. Roodveldt, die heeft verklaard zich in het geding over de strafzaak te voegen namens de benadeelde partij de familie [slachtoffer], in verband met een vordering tot vergoeding van € 1120,- wegens schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder parketnummer 14.010240.04 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag kan de vordering worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

11. BENADEELDE PARTIJ

De benadeelde partij [bestolene], heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 550,- wegens schade die de verdachte met zijn mededader aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder parketnummer 14.025147.04 bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte - ook al is een andere dader daarbij betrokken - rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag kan de vordering worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededader aan de benadeelde partij is voldaan.

12. SCHADEVERGOEDING ALS MAATREGEL

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregelen besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder parketnummer 14.010240.04 subsidiair en parketnummer 14.025147.04 bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht aan de benadeelden.

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

13. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 287, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

14. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 14.010240.04 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 14.010240.04 subsidiair en het onder parketnummer 14.025147.04 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Gelast voorts de terbeschikkingstelling van de verdachte.

Beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij familie [van slachtoffer].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van 1120 (elfhonderd twintig) euro als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd familie [van slachtoffer], per adres gemachtigde mr. B. Roodveldt, postbus 327, 1800 AH te Alkmaar, te betalen een som geld ten bedrage van 1120 (elfhonderd twintig) euro, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 22 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [bestolene], wonende [adres].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van 550 (vijfhonderd vijftig) euro als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededader zijn voldaan.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bestolene] te betalen een som geld ten bedrage van 550 (vijfhonderd vijftig) euro, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.E.C. de Wit, voorzitter,

mr. A.J. Dondorp en mr. Ph. Burgers, rechters,

in tegenwoordigheid van G.A.M. Delis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 april 2005.