Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2005:AT4147

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
18-04-2005
Datum publicatie
19-04-2005
Zaaknummer
05-133
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering in onderling geschil familie(schoonmaak)bedrijf afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

KG nummer: 05-133

datum: 18 april 2005

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bram Broerse Schoonmakers- Dienstverleners B.V.,

gevestigd te Zaandam,

EISERES IN KORT GEDING,

procureur mr. C.H.P. de Boer,

advocaat mr. C.A. de Jong te Utrecht,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [plaatsnaam],

GEDAAGDE IN KORT GEDING,

procureur mr. H.R.M. Jenné,

advocaat mr. B.J. van Spaendonck te Amsterdam.

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

Ter terechtzitting van 15 april 2005 heeft eiseres gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

Ter zitting is een aanvankelijk tegen een medegedaagde ingestelde vordering ingetrokken.

Gedaagde heeft de vordering bestreden.

Gedaagde heeft, in reconventie als eiser, een vordering ingesteld tegen de bestuurder van eiseres, [naam bestuurder eiseres].

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van eiseres de originele dagvaarding en van beide zijden pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2. DE UITGANGSPUNTEN

2.1 Voor de uitgangspunten wordt verwezen naar de inhoud van de dagvaarding en de stukken.

3. DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 Eiseres vordert, zakelijk weergegeven en samengevat, (1) toegang tot het bedrijfspand aan de [straatnaam + plaatsnaam]en (2) veroordeling van gedaagde tot het leveren door zijn vennootschappen van schoonmaakdiensten ten behoeve van eiseres, alles onder verbeurte van een dwangsom.

3.2 Gedaagde heeft de vorderingen gemotiveerd bestreden. Voorzover nodig voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

4. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

4.1 De onderhavige zaak betreft in feite een geschil tussen familieleden, zoon [gedaagde] enerzijds en moeder en dochter [naam bestuurder eiseres] anderzijds, ten aanzien van de wijze van leidinggeven aan het familie(schoonmaak)bedrijf.

4.2 [naam bestuurder eiseres] is momenteel bestuurder van eiseres. Zij stelt zich op het standpunt dat haar broers [gedaagde] en [naam] tegen haar samenspannen, in die zin dat beiden trachten de onderneming naar zich toe te trekken. Directe aanleiding van het onderhavige geding is volgens eiseres de weigering van gedaagde om zijn zuster toe te laten tot de bedrijfsruimte aan de [straatnaam + plaatsnaam], de locatie waar gedaagde het bedrijf van eiseres als ook zijn, gedaagdes, eigen werkvennootschappen heeft ondergebracht. Volgens eiseres wordt haar daarmee de toegang tot haar klantenbestand ontzegd en kan personeel niet meer aan de slag.

4.3 Gedaagde stelt dat hij [naam bestuurder eiseres] de toegang tot het desbetreffende perceel niet kan en zal weigeren. Hij verzet zich wel tegen een bedrijfsverplaatsing die [naam bestuurder eiseres] volgens hem nastreeft, namelijk het verplaatsen van het bedrijf van het nieuwe perceel aan de [straatnaam]naar het oude perceel aan de [straatnaam]. Volgens gedaagde is er geen sprake van het wegsturen van personeel; alle schoonmakers zijn volgens hem die ochtend aan het werk gegaan. Volgens gedaagde behelst zijn aandeel in de hele "groep" tweederde, hetgeen echter niet in de stemverhoudingen van eenvierde deel tot uitdrukking komt. Gedaagde stelt dat, nadat hij f 750.000,- voor zijn aandeel had betaald, de bestaande certificering van de baan zou zijn, hetgeen is nagelaten. In gedaagdes visie zou hij daarom recht hebben op een groter aandeel in het bedrijf, althans een grotere mate van zeggenschap.

4.4 Partijen bestrijden over en weer gemotiveerd elkaars stellingen daartoe stellend dat het het einde van de onderneming zou betekenen wanneer de wederpartij in het gelijk zou worden gesteld.

4.5 Voor ingrijpen bij wijze van een ordemaatregel is thans geen plaats. Dat zou anders zijn wanneer bijvoorbeeld de positie van het personeel - er werkt een aanzienlijk aantal mensen - in onmiddellijk gevaar zou komen, maar daarvan is niet gebleken. Integendeel, gedaagde heeft onbestreden gesteld dat alle schoonmakers die ochtend aan de slag zijn gegaan en dus gewoon hun reguliere werkzaamheden verrichten. Ook anderszins is er geen acuut feit en/of omstandigheid aannemelijk geworden - anders dan de machtsstrijd tussen partijen - die ingrijpen vordert op de wijze als door eiseres gesteld. Niet in de laatste plaats is daarbij overwogen dat het geschil tussen partijen zeer spoedig, op 28 april van dit jaar, in volle omvang wordt voorgelegd aan de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam.

4.6 De gevorderde voorzieningen worden dan ook geweigerd en eiseres wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding.

4.7 Tijdens de behandeling van de zaak heeft gedaagde [gedaagde] mondeling een reconventionele vordering tegen de bestuurder van eiseres, [naam bestuurder eiseres], in persoon ingesteld. Hij dient echter in deze vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Buiten het feit dat die vordering niet door een procureur is ingediend, moet worden vastgesteld dat degene tegen wie die vordering is ingesteld geen partij is in conventie. Een kostenveroordeling terzake zal achterwege blijven nu niet is gesteld of gebleken dat daadwerkelijk terzake kosten zijn gemaakt.

5. DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- weigert de gevorderde voorziening;

- veroordeelt eiseres in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van gedaagde begroot op Euro 244,- aan verschotten en op Euro 816,- aan salaris procureur;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- verklaart [gedaagde] niet-ontvankelijk in de door hem ingestelde reconventionele vordering.

Gewezen door mr. E.J. van der Molen, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 april 2005 in tegenwoordigheid van J.J.M. Jeurissen, griffier.