Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2005:AT3451

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
05-04-2005
Datum publicatie
08-04-2005
Zaaknummer
05/124
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Vereenvoudigde behandeling
Versnelde behandeling
Voorlopige voorziening
Wraking
Inhoudsindicatie

Schorsing en vervolgens ongevraagd ontslag als disciplinaire straf wegens ernstig plichtsverzuim van ambtenaar die wordt verweten te nauwe contacten met bouwbedrijven te hebben onderhouden, met (medewerkers van) aannemers herhaaldelijk bordelen te hebben bezocht en die strafrechtelijk is veroordeeld voro valsheid in geschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr: 05/124, 05/125, 05/126

Inzake: [verzoeker], wonende te Blokker, verzoeker,

tegen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Drie besluit van verweerder van 14 december 2004.

2. Zitting

Datum: 25 februari 2005, voortgezet op 25 maart 2005.

Verzoeker is, daartoe ambtshalve opgeroepen, in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.F.R. Avis, werkzaam bij de Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandverzekering (SRK Rechtsbijstand) te Zoetermeer.

Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigden mr. V.H. Affourtit, advocaat te Amsterdam en mr. [naam], werkzaam bij verweerder.

3. Ontstaan en loop van het geding

Verzoeker is werkzaam geweest als projectmanager bij de afdeling Stadsontwikkeling van de sector Ruimte van de gemeente Hoorn en had als zodanig te maken met werkzaamheden betreffende de aanbesteding van bouwactiviteiten. Naar aanleiding van bevindingen van een intern onderzoek is verzoeker - met behoud van bezoldiging - bij besluit van 8 mei 2002 in het belang van de dienst met onmiddellijke ingang geschorst. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 september 2002.

Bij besluit van 15 april 2004 heeft verweerder aan verzoeker het voornemen medegedeeld tot het verlenen van ongevraagd ontslag. Verweerder heeft daarbij voorts besloten verzoeker met ingang van 16 april 2004 te schorsen op grond van artikel 8:15:1, eerste lid, onder a, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling voor gemeenteambtenaren (CAR) en de Uitwerkingsovereenkomst (UWO). Tenslotte heeft verweerder besloten, gelet op de ernst en omvang van het plichtsverzuim, onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:15:2, tweede lid, van de CAR/UWO verzoekers bezoldiging met ingang van de datum van de schorsing geheel in te houden met dien verstande dat rekening wordt gehouden met het bepaalde in het derde lid van artikel 8:15:2 van de CAR/UWO, hetgeen impliceert dat de IZA- en pensioenpremies gedeeltelijk worden doorbetaald.

Bij brief van 15 april 2004, bij de Centrale Raad van Beroep op 15 april 2004 ontvangen, heeft verzoekers gemachtigde een (als zodanig opgevat) verzoek om voorlopige voorziening ingediend, gericht tegen het besluit van 15 april 2004.

Bij brief van 16 april 2004 heeft verzoekers gemachtigde bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 april 2004.

Het verzoek om voorlopige voorziening is door de Centrale Raad van Beroep ter behandeling aan de rechtbank toegezonden waar het op 23 april 2004 is ontvangen.

Bij besluit van 4 mei 2004 heeft verweerder aan verzoeker met ingang van 10 mei 2004 ongevraagd ontslag verleend. Verweerder heeft daartoe overwogen dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan (ernstig) plichtsverzuim. In het besluit heeft verweerder voorts aan verzoeker medegedeeld dat met dit ontslagbesluit het besluit van 15 april 2004 komt te vervallen.

Bij brief van 21 mei 2004 heeft verzoeker bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 mei 2004.

Bij brief van gelijke datum heeft hij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 9 juli 2004 heeft de voorzieningenrechter de verzoeken om voorlopige voorziening in die zin toegewezen, dat verweerders besluit van 15 april 2004 voor zover daarbij is besloten de bezoldiging met ingang van de datum van de schorsing geheel in te houden, is geschorst tot zes weken nadat verweerder de beslissing op bezwaar heeft verzonden. Daarbij is bepaald dat verweerder de betaling van de bezoldiging hervat met ingang van de datum waarop de betaling is beëindigd (16 april 2004). Voorts is verweerders besluit van 4 mei 2004, voor zover verweerder daarbij met ingang van 10 mei 2004 ongevraagd ontslag heeft verleend, geschorst eveneens tot zes weken nadat verweerder de beslissing op bezwaar heeft verzonden. De verzoeken zijn voor het overige afgewezen.

Op 10 juni 2004 heeft een hoorzitting van Kamer voor personele zaken van de Hoor- en Adviescommissie Bezwaarschriften (hierna: de Commissie) plaatsgevonden. Op 16 juli 2004 heeft de Commissie aan verweerder geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren.

Naar aanleiding van een door verzoeker ingebrachte verklaring heeft verweerder nader onderzoek ingesteld, waarbij ook [bedrijfsnaam] Bedrijfsrecherche B.V. is ingeschakeld.

Op 2 november 2004 heeft een tweede hoorzitting plaatsgevonden, waarna de Commissie op 30 november 2004 opnieuw advies heeft uitgebracht.

Verweerder heeft vervolgens bij drie afzonderlijke besluiten van 14 december 2004, deels in afwijking van het tweede advies van de Commissie, de respectieve bezwaren ongegrond verklaard.

Namens eiser is bij brief van 21 december 2004 bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 14 december 2004. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht heeft verweerder die brief op 24 december 2004 doorgezonden naar de rechtbank.

Bij brief van 17 januari 2005 zijn de gronden van het beroep aangevuld. Tevens is bij brief van gelijke datum de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht voorlopige voorzieningen te treffen.

Verweerder heeft bij brief van 11 februari 2005 een verweerschrift ingediend.

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van 25 februari 2005.

Blijkens het proces-verbaal van die zitting is het onderzoek bij die gelegenheid geschorst.

Nadat beide partijen zich nog schriftelijk hadden uitgelaten is het onderzoek ter zitting voortgezet op 25 maart 2005.

4. Motivering

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoeker uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Het antwoord op de vraag of er sprake is van een nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening is in belangrijke mate mede afhankelijk van een -voorlopig- oordeel omtrent de vraag of op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het in de bodemprocedure bestreden besluit niet in stand kan blijven.

Voor zover het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande het volgende.

In artikel 16:1:1, eerste lid, van de CAR/UWO is bepaald dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt (…) deswege disciplinair kan worden gestraft. Ingevolge het tweede lid van dat artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

De besluiten van 15 april 2004 en 4 mei 2004 zijn gebaseerd op verweerders voorlopig oordeel, respectievelijk definitief oordeel, dat verzoeker zich aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt.

Verweerder heeft op die grond besloten met toepassing van artikel 8:13 van de CAR/UWO als disciplinaire straf aan verzoeker ongevraagd ontslag te verlenen.

Het plichtsverzuim omvat een drietal verwijten welke naar de mening van verweerder zowel elk op zich als in hun onderlinge samenhang voldoende grondslag bieden voor het verlenen van strafontslag. Verweerder acht deze straf voorts niet onevenredig.

De verwijten betreffen:

1. te nauwe contacten met de bouwbedrijven en de wijze waarop verzoeker die contacten onderhield.

2. bordeelbezoek gedurende een reeks van jaren in gezelschap van vertegen-woordigers/werk-nemers van bouw- en aannemingsbedrijven waarmee verzoeker in zijn functie zakelijke contacten onderhield en waardoor verzoeker zich in een positie heeft gebracht waarin hij chantabel is geworden;

3. een strafrechtelijke veroordeling van verzoeker voor het gepleegd hebben van valsheid in geschrift;

Het besluit tot ongevraagd ontslag.

Met het besluit van 4 mei 2004 heeft verweerder aan verzoeker met ingang van 10 mei 2004 ongevraagd ontslag verleend onder de overweging dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Bij besluit van 14 december 2004 heeft verweerder, in afwijking van het advies van de Commissie, mede gelet op de uitkomsten van het nadere onderzoek, het bezwaar ongegrond verklaard.

Anonimisering in verklaringen en inzage van stukken

Verzoeker heeft aangevoerd dat hij nog steeds niet beschikt over alle relevante stukken. Aanvankelijk heeft verzoeker uitsluitend geanonimiseerde versies van de onderzoeksverslagen gekregen, volgens verweerder in verband met de privacy van derden.

Verzoeker blijft erbij dat hij ten gevolge van de anonimisering van en in de verklaringen niet in de gelegenheid is deze verklaringen te toetsen op rechtmatigheid, geloofwaardigheid en/of betrouwbaarheid.

De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 9 juli 2004 reeds overwogen dat in het bestuursrecht de bewijsvoering in beginsel vrij van vormvoorschriften is. Derhalve kunnen alle voorgelegde gegevens in het rechterlijk oordeel worden betrokken. Voor zover gegevens in de gedingstukken zijn weggelakt kunnen deze niet worden gebruikt als grondslag voor het besluit en voor het oordeel van de voorzieningenrechter. Voorts kan worden vastgesteld dat verzoeker inmiddels ook de volledige versies van bedoelde stukken heeft ingezien en/of gekregen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verzoeker hierdoor in het onderhavige geding dan ook niet belemmerd in zijn recht op wederhoor.

Voor zover verzoeker andere stukken vraagt – onduidelijk is van welke stukken verzoeker meent nog geen inzage of afschrift gekregen te hebben – maken deze deel uit van een door hem ingediend verzoek in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur, dat niet in het onderhavige geding is betrokken.

Te nauwe contacten met bouwbedrijven.

In de uitspraak van 9 juli 2004 heeft de voorzieningenrechter ten aanzien van de verzoeker verweten te nauwe contacten met bouwbedrijven gemotiveerd dat zij er vooralsnog niet van overtuigd was geraakt dat bij verzoeker sprake is geweest van zodanig buitensporige contacten dat ten aanzien van hem, gegeven de algemeen heersende cultuur destijds, moet worden gezegd dat sprake is geweest van ernstig plichtsverzuim zodanig, dat dit voldoende grond vormt voor ongevraagd ontslag.

Aan het bestreden besluit van 14 december 2004 heeft verweerder in dit verband geen nader gebleken feiten of andere omstandigheden ten grondslag gelegd, maar zich, in afwijking van het advies van de Commissie, uitdrukkelijker op het standpunt gesteld dat verzoeker bij het onderhouden van (te nauwe) contacten met bouwbedrijven, een andere rol vervulde dan anderen.

In deze herschikking van de argumenten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen dan in de uitspraak van 9 juli 2004 over dit onderwerp is neergelegd.

Valsheid in geschrift

Blijkens het vonnis van de Politierechter te Alkmaar van 8 december 2003 staat vast dat verzoeker in strijd met de geldende mandaatregelingen opdrachten heeft opgesteld en ondertekend.

De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 9 juli 2004 onder meer geconstateerd dat de opdrachten die zijn verzonden ook zijn uitgevoerd. Voorts is overwogen dat verzoeker de opdrachten niet heimelijk heeft ondertekend en dat niet gebleken dat na het verstrekken van de opdrachten is opgetreden tegen het onbevoegd ondertekenen. Evenmin is gebleken dat degenen in wiens naam verzoeker tekende daartegen nadien bezwaar hebben gemaakt.

Voorts heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat verzoeker is aangesproken op zijn functioneren in algemene zin waarbij verwijten zijn gemaakt met betrekking tot het naleven van afspraken en procedures, maar dat uit die functioneringsgesprekken niet méér afgeleid kan worden dan dat er kritiek was op eisers functioneren, laatstelijk als projectleider. Van verweerders impliciete verwijt dat verzoeker aannemers, waarmee hij (te) nauwe contacten zou hebben, heeft willen bevoordelen was naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenwel niet gebleken.

Blijkens de beslissingen op bezwaar van 14 december 2004 is verweerder van mening dat, anders dan de voorzieningenrechter in de uitspraak van 9 juli 2004 heeft overwogen, verzoeker de in geding zijnde brieven wel heimelijk heeft ondertekend.

Verzoeker heeft niet het benodigde overleg gevoerd en heeft deze brieven in zijn bureaulade voor de bevoegde functionarissen verborgen gehouden, aldus verweerder. Ter toelichting daarop heeft verweerder naar voren gebracht dat uit eigen onderzoek is gebleken dat de brieven niet volgens de voorgeschreven procedures in het daartoe bestemde centrale archief waren ondergebracht.

Bij gebreke aan verdere objectieve en verifieerbare gegevens hieromtrent heeft de voorzieningenrechter echter dermate twijfel aan de volledigheid van het ter zake ingestelde archiefonderzoek dat zij onvoldoende grond ziet om louter op basis daarvan te concluderen dat sprake was van heimelijke ondertekening en het verborgen houden van de in geschil zijnde brieven.

Aldus komt de voorzieningenrechter ook thans tot het oordeel dat het onbevoegd ondertekenen van de opdrachten in samenhang met de in de functioneringsgesprekken geuite kritiek wellicht kan leiden tot de conclusie dat verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. De voorzieningenrechter acht dit plichtsverzuim in de gegeven omstandigheden vooralsnog niet van zodanig ernstige aard dat uitsluitend op basis daarvan de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag als evenredig kan worden beschouwd.

Bordeelbezoek

Verweerder heeft de overtuiging uitgesproken dat verzoeker herhaaldelijk met medewerkers van bouwbedrijven bordelen heeft bezocht.

De voorzieningenrechter acht thans, anders dan in de uitspraak van 9 juli 2004,voldoende aannemelijk geworden dat verzoeker met aannemers of medewerkers van aannemers herhaaldelijk bordelen heeft bezocht en dat hij zich hiermede chantabel heeft opgesteld.

De voorzieningenrechter memoreert dat concrete verklaringen dienaangaande op 28 november 2003 en nader op 28 april 2004 zijn afgelegd door de hee[naam], die heeft verklaard er zeker van te zijn dat hij verzoeker in elk geval twee keer met [naam] naar Apollo heeft gebracht en dat beide keren de rit op rekening is gezet. Van Apollo heeft [naam] verklaard te weten dat je je aldaar kunt afzonderen met een dame. [naam] heeft naast zijn werk bij de brandweer in de jaren 1985 tot en met mei 1989 gewerkt voor een taxibedrijf. In die hoedanigheid heeft hij medewerkers van de gemeente Hoorn in zijn taxi gehad die naar zijn verklaring op kosten van de firma [X] werden vervoerd. [naam] kende verzoeker blijkens zijn verklaring op 28 november 2003 niet maar heeft hem tijdens de interviews herkend van een foto. De voorzieningenrechter overweegt dat de door [naam] gestelde waarneming dateert van vóór 1990 en dat op grond daarvan niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat het verzoeker was die op enig moment eind jaren tachtig in de taxi van [naam] heeft gezeten.

In de uitspraak van 9 juli 2004 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat, gelet ook op de omstandigheid dat de verklaring betrekking heeft op een feit dat zich lang geleden heeft voorgedaan en gelet op de consistente ontkenning van verzoeker dat hij bordelen heeft bezocht, moet worden geoordeeld dat het onderzoek naar dit bordeelbezoek, voor zover op grond hiervan thans aan verzoeker ernstig plichtsverzuim wordt verweten, niet volledig is geweest.

Verweerder heeft vervolgens, ook naar aanleiding van een door verzoeker in het kader van de bezwarenbehandeling in het geding gebrachte verklaring van de aannemer [X] van 11 juni 2004 een nader onderzoek ingesteld, waarbij oo[bedrijfsnaam] Bedrijfsrecherche B.V. (hierna[bedrijfsnaam]) is ingeschakeld.

Voor zover verzoeker heeft betoogd dat dit nadere onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat hoor en wederhoor daarbij niet is toegepast, overweegt de voorzieningenrechter dat vooralsnog niet is gebleken dat bij het nadere onderzoek rechtsbeginselen zijn geschonden of dat daarbij op andere wijze onzorgvuldig is gehandeld, dusdanig dat op die grond de resultaten van dit onderzoek niet bij de beoordeling van de bestreden besluiten in aanmerking genomen zouden mogen worden.

Bij de stukken bevindt zich thans, als resultaat van het nadere onderzoek, een verklaring van 6 augustus 2004 door [naam], taxichauffeur, afgelegd tegenover [naam], afdelingshoofd Juridische Zaken bij de gemeente Hoorn, en [naam], projectleider bi[bedrijfsnaam]. [naam] heeft – samengevat – verklaard dat hij in de jaren 1987 tot 1999, althans gedurende een periode van tien of twaalf jaar, verzoeker in gezelschap van personeelsleden van de bouwmaatschappij [X], gemiddeld vier keer per jaar in zijn taxi heeft vervoerd naar bordelen. Verzoeker heeft volgens [naam] aldaar gebruik van de diensten van dames gemaakt. Na afloop van het bezoek werd verzoeker per taxi naar huis vervoerd. Een en ander geschiedde steeds op kosten van genoemde bouwonderneming.

De voorzieningenrechter stelt vast dat door en namens verzoeker daartegenover slechts is aangevoerd dat uit de verklaring van [naam] niet het bewijs kan worden gegenereerd dat verzoeker op kosten van bouwmaatschappij [X] van de aangeboden diensten gebruik heeft gemaakt.

Deze eenvoudige en beperkte ontkenning, welke slechts een onderdeel van de verklaring van [naam] betreft, acht de voorzieningenrechter onvoldoende om aan de juistheid van de consistente en duidelijke verklaring van [naam] te twijfelen.

Met de verklaring van [naam], in het licht van de overige verklaringen en aanwijzingen, heeft verweerder het verwijt dat verzoeker herhaaldelijk met medewerkers van bouwbedrijven bordelen heeft bezocht, waardoor hij zich in een positie heeft gebracht waarin hij chantabel is geworden, naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende overtuigend onderbouwd. Verzoeker heeft hiermee iets gedaan dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten.

De voorzieningenrechter ziet thans dan ook voldoende aanleiding om vast te stellen dat sprake is van zodanig ernstig plichtsverzuim, dat dit voldoende grond kan vormen voor ongevraagd ontslag.

Gelet op de voorgaande overwegingen is er geen aanleiding om aan te nemen dat in de beroepsprocedure het besluit van 14 december 2004, betreffende het ongevraagd ontslag, geen stand zal kunnen houden. Voor een schorsing van dat besluit ziet de voorzieningenrechter dan ook geen grond.

De schorsing en de inhouding van de bezoldiging

De verzoeken betreffen voorts de besluiten van 14 december 2004, betreffende de schorsing van verzoeker tot het moment dat het strafontslag ingaat, en de inhouding van de bezoldiging. Deze besluiten stoelen op dezelfde beschuldigingen als aan het ongevraagd ontslag ten grondslag zijn gelegd. Gelet op hetgeen met betrekking tot die grondslag is overwogen, ziet de voorzieningenrechter geen grond om deze besluiten te schorsen.

Slotsom

Nu er geen reden is de bestreden besluiten te schorsen zal de voorzieningenrechter de gevraagde voorzieningen afwijzen.

Bij deze uitkomst is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslist is als volgt.

5. Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr. M.F.G.H. Beckers, voor-zieningen-rechter, in tegen-woordig-heid van mr. P. Verweel, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 5 april 2005

door voornoemde voor-zieningen-rechter, in tegenwoordigheid van C.H. Kuiper als griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.