Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2005:AT3294

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
31-03-2005
Datum publicatie
06-04-2005
Zaaknummer
78938 / HA RK 05-7
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechter-commissaris wijst verzoek tot afgifte bevelschrift als bedoeld in artikel 204 Landinrichtingswet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

BvP

zaak- en rekestnummer: 78938 / HA RK 05-7

datum: 31 maart 2005

Beschikking van de rechter-commissaris in de ruilverkaveling "De Gouw".

in de zaak van:

LANDINRICHTINGSCOMMISSIE DE GOUW,

gevestigd te Haarlem,

VERZOEKERSTER,

gemachtigde mr. C.T. Ploeger te Voorburg,

tegen:

[VERWEERDER],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER,

gemachtigde mr. A.E. Noordhuis te Hornhuizen.

Partijen zullen verder worden genoemd "de commissie" en "[verweerder]".

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 28 februari 2005 is ter griffie het verzoekschrift ingekomen, hiertoe strekkende dat de rechter-commissaris in de ruilverkaveling "De Gouw" een bevelschrift als bedoeld in artikel 204 Landinrichtingswet (hierna: Liw) afgeeft.

1.2 Op 1 maart 2005 is ter griffie een schrijven van de zijde van [verweerder] ingekomen, waarin deze aangeeft dat indien en voor zover de commissie verzoekt tot afgifte van een bevelschrift, hij in de gelegenheid wil worden gesteld te worden gehoord.

1.3 Bij brief van 11 maart 2005 heeft [verweerder] zes producties overgelegd.

1.4 Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, die heeft plaatsgevonden op 16 maart 2005, hebben partijen hun zaak, door hun gemachtigden doen bepleiten. Mr. Noordhuis, voornoemd, heeft hierbij een pleitnota met daarin een verweerschrift overgelegd.

2. DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

2.1 Met betrekking tot de achtergrond van het verzoek wordt door partijen het volgende aangevoerd

a) In het plan van toedeling is kavel [kavelnummer 2] aan [verweerder] en kavel [kavelnummer 1] aan de heer [nieuwe eigenaar] toegedeeld. De kavels [kavelnummer 2] en [kavelnummer 1] grenzen aan elkaar.

b) In het proces-verbaal van de zitting van de rechter-commissaris op 12 november 2001 is opgenomen dat de commissie, na een daartoe strekkend bezwaar van [verweerder], heeft toegezegd dat op de grens tussen de kavels [kavelnummer 2] en [kavelnummer 1] geen sloot komt.

c) Bij brief van 29 januari 2004 heeft de commissie bevestigd dat op de kavelgrens een hekwerk in plaats van een sloot wordt gemaakt.

d) Op 17 en 22 januari 2005 alsmede op 22 en 23 februari 2005 heeft [verweerder] de werkzaamheden tot het plaatsen van een hekwerk belemmerd. Het hekwerk is niet geplaatst.

e) De Akte van toedeling in de ruilverkaveling "De Gouw" is op 3 maart 2005 ondertekend en in de openbare registers ingeschreven.

2.2 De commissie verzoekt ingevolge het bepaalde in artikel 204 Liw een bevelschrift af te geven zodat de commissie met behulp van de sterke arm de werkzaamheden onbelemmerd kan uitvoeren op de betreffende gronden en ná de inschrijving van de akte van toedeling de nieuwe eigenaar - de heer [nieuwe eigenaar] - in de macht daarvan kan stellen.

2.3 [Verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek, op gronden die hierna, voor zover van belang, aan de orde zullen komen. Voorts verzoekt [verweerder] veroordeling van de commissie in de proceskosten.

3. DE BEOORDELING VAN DE ZAAK

3.1 [Verweerder] heeft tegen het verzoek van de commissie aangevoerd dat de commissie niet-ontvankelijk is in haar verzoek. [Verweerder] voert daartoe aan dat een bevelschrift als bedoeld in artikel 204 Liw alleen betrekking heeft op het bij voorraad in het bezit stellen van onroerende zaken op basis van het Plan van toedeling. Dat betekent dat een toekomstige eigenaar bij voorraad, dus op voorhand, vooruitlopende op de Akte van toedeling in het bezit van onroerende zaken wordt gesteld. Die situatie doet zich nu, na het inschrijven van de Akte van toedeling, niet meer voor, aldus [verweerder].

Voorts voert [verweerder] aan dat voor zover de commissie het verzoek alsnog baseert op het bepaalde in artikel 209 Liw, de commissie eveneens niet-ontvankelijk is in haar verzoek. [Verweerder] voert aan dat de commissie geen daartoe strekkende bevoegdheid heeft.

3.2 De commissie betwist het beroep van [verweerder] op niet-ontvankelijkheid van het verzoek. De commissie voert daartoe aan dat zij haar verzoek vóór het inschrijven van de Akte van toedeling aan de rechter-commissaris heeft doen toekomen. Weliswaar heeft de rechter-commissaris een mondelinge behandeling bepaald, welke behandeling niet voor het inschrijven van de Akte van toedeling kon plaatsvinden, maar het valt de commissie niet aan te rekenen dat door het ondertekenen van de Akte van toedeling op 3 maart 2005 en het inschrijven van die akte, een andere situatie is ontstaan.

De commissie heeft ter zitting van 16 maart 2005 desgevraagd aangegeven haar verzoek, ondanks dat de Akte van toedeling reeds is ingeschreven, te baseren op het bepaalde in artikel 204 Liw.

3.3 Naar het oordeel van de rechter-commissaris is de commissie in zoverre ontvankelijk in haar verzoek. Hiertoe overweegt de rechter-commissaris het volgende. De commissie heeft het verzoek tot afgifte van een bevelschrift, welk verzoek zij baseert op het bepaalde in artikel 204 Liw, ingediend vóór het inschrijven van de Akte van toedeling. Reeds om die reden kan de commissie worden ontvangen in het verzoek. Dat in de tijd tussen het indienen van het verzoek, de behandeling en deze beslissing de akte van toedeling is ingeschreven, maakt voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de commissie in het verzoek geen verschil.

Daarbij neemt de rechter-commissaris nog het volgende in overweging. [Verweerder] heeft het bezwaar aangaande het plan van de commissie tot het graven van een sloot tussen de percelen [kavelnummer 2] en [kavelnummer 1] ter zitting van de rechter-commissaris van 12 november 2001 ingetrokken, nadat de commissie had toegezegd dat tussen deze twee percelen een hek zal worden geplaatst. Het bezwaar dat [verweerder] had tegen het toedeling van kavel [kavelnummer 3] is bij vonnis van de rechtbank van 17 januari 2002 ongegrond verklaard. Dit betekent dat wat betreft de toedeling aan [verweerder] die toedeling vanaf 12 november 2001 respectievelijk 17 januari 2002 vaststond. De toedeling is ook niet veranderd door het inschrijven van de Akte van toedeling, welk enkel de juridische levering, van de toegedeelde onroerende zaken, tot gevolg heeft gehad. Het bepaalde in artikel 204 Liw strekt ertoe het in de feitelijke macht stellen van de toekomstige eigenaar van de toegedeelde onroerende zaak. In zoverre heeft de commissie ook na het inschrijven van de Akte van toedeling belang bij de beoordeling van haar verzoek.

3.4 Vervolgens komt de rechter-commissaris toe aan beoordeling van het verzoek.

3.5 De commissie verzoekt op de eerste plaats de afgifte van een bevelschrift, zodat de commissie met behulp van de sterke arm de werkzaamheden onbelemmerd op de betreffende percelen kan uitvoeren. De commissie kan in dit deel van het verzoek niet worden ontvangen. De strekking van het bepaalde in artikel 204 Liw is dat de als gevolg van het plan van toedeling toegedeelde kavels alvast in de macht van de toekomstige eigenaar kunnen worden gesteld, zodat de gebruikswaarde van de grond niet verloren gaat. Voor zover de commissie binnen het blok werken wil uitvoeren met betrekking tot de inrichting van de gronden, waaronder het vernieuwen en/of verplaatsen van hekwerken, en de eigenaren dan wel gebruikers van de desbetreffende gronden niet daaraan meewerken, zal een andere, op die specifieke situatie gerichte voorziening, als bedoeld in artikel 129 eerste lid in combinatie met artikel 9 tweede lid Liw, moeten worden gevolgd.

3.6 Op de tweede plaats verzoekt de commissie een bevelschrift af te geven, zodat zij ná de inschrijving van de Akte van toedeling de nieuwe eigenaar - de heer [nieuwe eigenaar] - in de macht kan stellen van de hem toegedeelde kavel. Dit deel van het verzoek zal de rechter-commissaris afwijzen. Indien en voor zover de nieuwe grens tussen kavel [kavelnummer 1] en [kavelnummer 2] als gevolg van het inpassen van de nieuw te vormen kavels is verschoven ten opzichte van de oude kadastrale grens, heeft te gelden dat discussie daarover thans in deze procedure niet kan plaatsvinden nu de toedeling, zowel in feitelijke zin - na beslissing op de bezwaren - als, in juridische zin - na het inschrijven van de Akte van toedeling in de openbare registers - zijn beslag heeft gekregen. Uitgangspunt voor beoordeling van het verzoek tot afgifte van een bevelschrift is derhalve de door de toedeling ontstane nieuwe kadastrale grens tussen kavel [kavelnummer 1] en [kavelnummer 2]. Weliswaar dient [nieuwe eigenaar] in het bezit te worden gesteld van het - volledige - aan hem toegedeelde kavel, maar het bepaalde in artikel 204 Liw biedt geen ruimte om een bevelschrift af te geven voor het moment ná de inschrijving van de Akte van toedeling, voor welke situatie nu juist artikel 209 Liw is bedoeld. Ter zitting heeft de commissie aangevoerd dat [nieuwe eigenaar] thans niet bereid is zelf een verzoek tot afgifte van een bevelschrift in te dienen, nu [nieuwe eigenaar] en [verweerder] na toedeling buren van elkaar worden en een dergelijk verzoek de onderlinge verhoudingen belast. De rechter-commissaris laat in het midden of het door de commissie gedane verzoek op basis van artikel 209 Liw toewijsbaar is, nu de commissie ter zitting van 16 maart 2005 desgevraagd heeft meegedeeld haar verzoek (alleen) op artikel 204 Liw te baseren.

3.7 De conclusie is derhalve dat het verzoek tot afgifte van het bevelschrift zal worden afgewezen.

3.8 De commissie zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

4. DE BESLISSING

De rechter-commissaris:

- wijst het verzoek af;

- verwijst de commissie in de kosten van het geding, tot heden aan de zijde van [verweerder] begroot op € 452,=.

Deze beschikking is gegeven door de rechter-commissaris mr. E.J. van der Molen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.