Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2004:AR4064

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
06-10-2004
Datum publicatie
18-10-2004
Zaaknummer
AWB 04/1675, 04/1676 en 04/1685
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vrijstelling en bouwvergunning voor het realiseren van een groepsverblijf bij Den Burg.

Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN AT7948.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

UITSPRAAK

op grond van de artikelen 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr: 04/1675, 04/1676 en 04/1685

Inzake: 1. [eiser],

2. [eiser],

3. [eisers],

allen wonende te [woonplaats], eisers,

tegen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Texel, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Het besluit van verweerder van 1 juli 2004.

2. Zitting

Datum: 30 september 2004.

Eisers zijn ambtshalve opgeroepen. Zij zijn in persoon verschenen. Eisers sub 2 en 3 hebben zich laten bijstaan door mr. E.V. van Hardeveld, gemachtigde, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam.

Verweerder is, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigde mr. C.H. Witte, bestuurlijk-juridisch medewerker bij de gemeente Texel.

Verder is verschenen als partij in dit geschil de stichting “Stayokay”, vertegenwoordigd door A.J. Pullen, gemachtigde.

3. Ontstaan en loop van het geding

Bij een op 20 december 2002 door verweerder ontvangen aanvraag heeft Stayokay vergunning gevraagd voor de bouw van een jeugdherberg op een perceel aan de Haffelderweg te Den Burg.

Bij besluit van 30 oktober 2003 heeft verweerder ten behoeve van de realisering van het bouwplan vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Bij besluit van 7 november 2003 heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning verleend. Beide besluiten zijn verzonden op 11 november 2003.

Tegen deze besluiten hebben verzoekers ieder afzonderlijk bezwaar gemaakt.

Bij brief van 2 december 2003, bij de rechtbank ontvangen op 4 december 2003, heeft verzoeker sub 1 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij afzonderlijke brieven van 7 januari 2004, bij de rechtbank ontvangen op dezelfde datum, hebben verzoekers sub 2 en 3 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 20 januari 2004 heeft de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat de besluiten van verweerder van 30 oktober 2003 en 7 november 2003 worden geschorst tot zes weken na de datum van verzending van de beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 1 juli 2004 heeft verweerder de bezwaren van verzoekers ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens verzoekers sub 2 en 3 bij brief van 6 augustus 2004, door de rechtbank ontvangen op 9 augustus 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 11 augustus 2004, door de rechtbank ontvangen op 13 augustus 2004, heeft verzoeker sub 1 beroep ingesteld tegen het besluit van 1 juli 2004.

Bij brief van 30 augustus 2004, door de rechtbank ontvangen op 31 augustus 2004, is de voorzieningenrechter van deze rechtbank namens verzoekers sub 2 en 3 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 31 augustus 2004, door de rechtbank ontvangen op 1 september 2004, heeft verzoeker sub 1 de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 2 september 2004 heeft verweerder voor de op de zaak betrekking hebbende stukken verwezen naar stukken die zijn toegezonden naar aanleiding van de door verzoekers ingediende beroepschriften en eerdere verzoeken om een voorlopige voorziening. Voorts heeft verweerder nog een nader gedingstuk ingezonden.

Vervolgens zijn de beroepszaken ter zitting van 30 september 2004 gevoegd behandeld.

4. Motivering

4.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek een voorlopige voorziening te treffen de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Aangezien alle voor een beslissing relevante feiten en omstandigheden naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geding aan de orde zijn geweest meent de voorzieningenrechter dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter zal dan ook gebruik maken van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande het volgende.

4.2 Stayokay exploiteert momenteel twee jeugdherbergen in Den Burg, te weten de vestiging “Panorama” aan de Schansweg met 139 bedden en de vestiging “Eyercoogh” aan de Pontweg met 102 bedden. Omdat deze vestigingen niet meer voldoen aan de wensen en eisen van deze tijd, heeft Stayokay het plan opgevat om één nieuwe, moderne vestiging te realiseren, waarin beide bestaande vestigingen opgaan. Bij de thans bestreden besluiten heeft verweerder hiervoor vrijstelling en bouwvergunning verleend.

De vergunde jeugdherberg, die een bebouwingsvlak van ongeveer 2.100 m2 beslaat, omvat drie vleugels in twee bouwlagen, met een zadeldak, die met een lage bebouwing aan elkaar zijn verbonden. In de noordelijke vleugel zijn algemene ruimten gesitueerd zoals kantoren, een restaurant, zalen, een bar en de receptie. In de andere vleugels van de jeugdherberg bevinden zich onder andere de entree en de slaapkamers bestemd voor de gasten. In totaal zijn er 240 slaapplaatsen aanwezig, verdeeld over 2-, 4- en 6- persoonskamers. Elke kamer beschikt over eigen sanitaire voorzieningen. Rondom de jeugdherberg bevindt zich een open terrein waarop onder andere tuinen, terrassen en een vijver zijn geprojecteerd. Verder wordt ter plaatse voorzien in het realiseren van 40 parkeerplaatsen alsmede een fietsenstalling

Het perceel waarop de jeugdherberg is gesitueerd (hierna: het bouwperceel), is voorheen in gebruik geweest als voetbalveld en omgeven met een boomsingel. Het bouwperceel ligt ingeklemd tussen een bedrijventerrein, een openluchtzwembad, sportvelden en een scholengemeenschap. Het bouwperceel is gelegen aan [straatnaam] aan de rand van de bebouwde kom aan de zuidzijde van Den Burg. De Haffelderweg is een ontsluitingsweg van Den Burg naar het zogeheten Hoge Berg gebied, een natuurgebied dat in eigendom is van Staatsbosbeheer.

In de omgeving van het bouwperceel zijn woningen van derden gelegen. De dichtstbijzijnde woning van derden, de woning van verzoeker sub 2, die op het bedrijventerrein woonachtig is, is op ongeveer 70 meter van het bouwperceel gesitueerd. Op ongeveer 200 meter van het bouwperceel bevindt zich een woonwijk met aaneengesloten woonbebouwing. Deze woningen zijn onder andere gelegen langs [straatnaam], waar verzoeker sub 1 woonachtig is, en [straatnaam], waar verzoekers sub 3 woonachtig zijn, alsmede een hotelbedrijf exploiteren.

4.3 Op 1 januari 2003 is in werking getreden de Wet van 18 oktober 2001 tot wijziging van de Woningwet naar aanleiding van enerzijds de evaluatie van die wet en anderzijds het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (bouwvergunningprocedure en welstandstoezicht). Uit artikel VII, derde lid, van deze wet volgt dat op dit geschil de Woningwet van toepassing is zoals deze gold op de dag waarop de aanvraag om bouwvergunning is ingediend.

4.4 Ingevolge artikel 44 van de Woningwet, voorzover hier van belang, mag de bouwvergunning alleen en moet worden geweigerd, indien:

a. (…)

b. het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening;

c. het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen;

d. (…)

e. (…)

4.5. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Den Burg-Zuid” rust op het bouwperceel de bestemming “Recreatieve doeleinden”, met de subbestemming “Sportterrein”.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor recreatieve doeleinden in de vorm van sportieve recreatie met daarbij behorende gebouwen, zoals sportzalen c.q. –hallen, kleedlokalen, verversingsruimten, kantines, toiletten en met de daarbij behorende andere bouwwerken.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel, voorzover hier van belang, mogen de hoofdgebouwen uitsluitend binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsgrenzen worden gebouwd.

4.6 Vaststaat dat op het gedeelte van het bouwperceel waarop de jeugdherberg is gesitueerd geen bebouwingsgrenzen staan ingetekend. Evenmin past de jeugdherberg als zodanig binnen de voor het perceel geldende bestemming. Teneinde verwezenlijking van het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft verweerder met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

4.7.1 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voorzover hier van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor

a. het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of

b. geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

4.7.2. Gelet op de stukken staat vast dat in dit geval is voldaan aan de formele vereisten om toepassing te geven aan artikel 19, eerste lid, van de WRO. De gemeenteraad heeft zijn bevoegdheid om op basis van dit artikellid vrijstelling te verlenen aan verweerder gedelegeerd. Verder hebben gedeputeerde staten van Noord-Holland bij besluit van 21 oktober 2003 de voor de vrijstelling benodigde verklaring van geen bezwaar afgegeven. Het beletsel dat in dit geval wordt gevormd door artikel 19, vierde lid, van de WRO nu het geldende bestemmingsplan ouder is dan tien jaar, is opgeheven doordat er ten tijde van het verlenen van de vrijstelling voor het bouwperceel evenals ten tijde van het bestreden besluit een (herhaald) voorbereidingsbesluit gold.

4.8 Bij uitspraak van 20 januari 2004, registratienummers 03/1544, 04/70 en 04/71, heeft de voorzieningenrechter, beslissende op verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekers, de besluiten van 30 oktober 2003 en 7 november 2003 geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

De voorzieningenrechter is tot deze uitspraak gekomen, omdat verweerder in de ruimtelijke onderbouwing van genoemd project op geen enkele wijze is ingegaan op de beleidsnota ‘Toerisme en Recreatie op Texel, kwaliteit en ontwikkeling”, terwijl de onderhavige jeugdherberg niet voldoet aan het in deze nota vastgelegde criterium dat verplaatsing van slaapplaatsen niet mag leiden tot een extra bedrijf en niet duidelijk is of wordt voldaan aan de eis dat moet worden voldaan aan het zonerings- en concentratiebeleid, hetgeen inhoudt dat de verplaatsing van slaapplaatsen bij voorkeur dient te geschieden van de rustige gebieden naar de concentratiegebieden. Voorts heeft verweerder met betrekking tot de locatiekeuze geen integrale afweging van alle betrokken belangen gemaakt heeft verweerder en onvoldoende aandacht besteed aan de ontwikkeling die wordt voorgestaan in het gebied waar het bouwplan is gelegen. Tenslotte was naar het oordeel van de voorzieningenrechter de toename van de verkeersdruk onvoldoende belicht.

Daarbij heeft de voorzieningenrechter in genoemde uitspraak aangegeven dat verweerder in de beslissing op bezwaar aandacht dient te besteden aan de vraag of de onderhavige jeugdherberg dient te worden aangemerkt als groepsverblijf of als hotel.

4.9 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het door de voorzieningenrechter bij uitspraak van 20 januari 2004 geconstateerde gebrek in de ruimtelijke onderbouwing ten tijde van het thans bestreden besluit is hersteld en bovendien dat het project thans is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.9.1 De voorzieningenrechter stelt voorop dat het bouwplan van Stayokay ter beoordeling voorligt en niet de mogelijke vestiging van hulpverleningsdiensten op de locatie Eyerkoogh, noch de mogelijke vestiging van een nieuw gemeentehuis als zodanig. Wel kan een en ander een rol spelen in het kader van de visie van verweerder op de ruimtelijke ontwikkeling van de onderhavige gronden.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat inmiddels genoegzaam vast staat dat het onderhavige project dient te worden aangemerkt als groepsverblijf. Hierbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat verweerder in het ontwerpbestemmingsplan een definitie van groepsverblijf heeft opgenomen die als volgt luidt; een gebouw ingericht en in gebruik voor de bedrijfsmatige verstrekking van logies aan groepen personen met daarbij behorende collectieve voorzieningen. Voorts blijkt uit de door verweerder genoemde ‘omstandigheden die van belang zijn voor de karakterisering van de jeugdherberg als groepsverblijf’ dat het onderhavige project voldoet aan die definitie.

4.9.2 Vast staat voorts dat verweerder het onderhavige project heeft getoetst aan de criteria die ten aanzien van het verplaatsen van slaapplaatsen zijn geformuleerd in de beleidsnota ‘Toerisme en recreatie op Texel. Kwaliteit en ontwikkeling’. De voorzieningenrechter is daarbij van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat het project in overeenstemming is met deze criteria. In het bijzonder gaat het hierbij om het zonerings- en concentratiebeleid en de eis dat verplaatsing niet mag leiden tot een extra bedrijf.

Volgens genoemde nota is verplaatsing van slaapplaatsen een belangrijk instrument om slaapplaatsen zo efficiënt mogelijk te benutten. Ten aanzien van de zoneringseis is voorts aangegeven dat de voorkeur wordt gegeven aan verplaatsing naar concentratiegebieden, maar dat er ook wordt gekeken naar een evenwichtige spreiding van slaapplaatsen en het daarmee samenhangende voorzieningenniveau. Het sinds 1974 gevoerde concentratiebeleid is volgens de nota geslaagd en daarom wordt er gestreefd naar behoud van het huidige spreidingsniveau. Volgens verweerder heeft de verplaatsing geen nadelig effect op het voorzieningenniveau en kunnen binnen het gebied in en rond Den Burg slaapplaatsen verplaatst worden zonder te tornen aan de uitgangspunten van de nota. De voorzieningenrechter acht dit standpunt niet onjuist.

Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de in de nota geformuleerde eis dat verplaatsing niet mag leiden tot een extra bedrijf, gelet op het doel van de nota en mits wordt voldaan aan de overige vereisten, moet worden uitgelegd als het voorkomen van een extra bedrijf in planologische zin en derhalve als object met bedrijfsmatige activiteiten, in dit geval een recreatieve verblijfsaccommodatie. De eigendomsituatie is hierbij in beginsel niet van belang. Gelet op het feit dat met het realiseren van het onderhavige project een verblijfsaccommodatie wordt opgeheven, is en blijft er naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van twee verblijfsaccommodaties en is het project ook in zoverre in overeenstemming met de nota.

4.9.3 Verweerder heeft in het bestreden besluit, anders dan in het besluit van 30 oktober 2003, naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijk gegeven van een visie op de ontwikkeling van het betrokken gebied en heeft inzichtelijk gemaakt waarom het bouwplan, gelet op alle betrokken belangen, planologisch aanvaardbaar wordt geacht.

Van belang hierbij is dat verweerder in aanvang het conceptbestemmingsplan, waarvan de ontwikkeling in 1999 is gestart en welk plan in 2000 de inspraak ingevolge artikel 6a van de WRO en het vooroverleg ingevolge artikel 10 Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) had doorlopen, als uitgangspunt heeft genomen. In dit conceptbestemmingsplan werd reeds overwogen dat het gebied aan de Haffelderweg zich stedenbouwkundig en ruimtelijk gezien leent voor grootschalige bebouwing in het algemeen. Inmiddels heeft een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegen dat een meer concreet kader voor de ruimtelijke ontwikkeling van de betreffende gronden bevat. De omstandigheid dat dit ontwerpplan nog niet was vastgesteld op het moment dat het bestreden besluit werd genomen staat er op zichzelf niet aan in de weg dat de aan het plan ten grondslag liggende visie ter onderbouwing van het bestreden besluit dient. De vestiging van een fors groepsverblijf wordt in het plan ruimtelijk en functioneel passend geacht. De betreffende gronden krijgen dan ook de bestemming ‘Horeca, categorie groepsverblijven, klasse 3’. De overige gronden in het betreffende gebied hebben in het ontwerpbestemmingsplan de bestemming maatschappelijke doeleinden.

Verder is van belang dat verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd en inzichtelijk heeft uiteengezet op welke gronden het bouwplan planologisch aanvaard is. Naar het oordeel van voorzieningrechter heeft verweerder zich in dat verband op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat de aanwezige voorzieningen (groepsverblijf, scholengemeenschap en sportcomplex) elkaar kunnen faciliteren, dat de bestaande en te creëren functies kunnen elkaar versterken en dat de geografische nabijheid verkeersstromen naar elders op het eiland voorkomt. Ook heeft verweerder belang kunnen toekennen aan het feit dat het schrappen van de mogelijkheid tot de bouw van dienstwoningen een positieve invloed heeft op de druk in het gebied, dat het project geen inbreuk maakt op de natuurlijke en landschappelijke waarden van het Hogeberggebied waaraan het perceel grenst en dat de locatie is gelegen op ruime afstand (ongeveer 200 meter) van de dichtstbijzijnde woonwijk.

4.9.4 Ten aanzien van de verkeersdruk stelt verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de vestiging van Stayokay op zichzelf tot een toename van verkeersbewegingen zal leiden doch dat de aangrenzende wegen hierop ruimschoots zijn berekend. De combinatie met een eventueel nieuw te bouwen gemeentehuis aan de Haffelderweg zal zorgen voor een merkbare toename van verkeersbewegingen, welke situatie opnieuw zal worden bezien als een nieuw gemeentehuis zou worden gerealiseerd.

Namens eisers is bestreden dat de bestaande verkeerssituatie is berekend op het onderhavige project. Nu aan het vrijstellingsbesluit berekeningen zijn voorafgegaan van verkeersdeskundige medewerkers van de afdeling Bouw en Infra van verweerders gemeente en van de zijde van eisers geen tegenrapport van een deskundige is ingebracht ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat verweerders standpunt voor onjuist moet worden gehouden.

4.9.5 De voorzieningenrechter ziet op basis van hetgeen uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen over de situering van het bouwplan en de effecten daarvan op de omgeving geen grond voor het oordeel dat verweerder na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het verlenen van de voor de bouwplannen benodigde vrijstellingen heeft kunnen besluiten.

Daarbij tekent de voorzieningenrechter nog aan dat niet valt in te zien dat de doelgroep van Stayokay verweerder niet bekend zou zijn en verweerder aldus de te verwachten hinder dan wel overlast van het bouwplan heeft onderschat. Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat namens eiser niet concreet is aangegeven op welke wijze het verplaatsen van reeds bestaande slaapplaatsen negatieve gevolgen zal hebben voor het nabij gelegen natuurgebied. Tenslotte is de voorzieningenrechter van oordeel dat, gelet op het feit dat het onderhavige perceel is omgeven door een dichte boomsingel en de woning van verzoeker sub 2 op 70 meter afstand is gesitueerd, niet kan worden gezegd dat het realiseren van het bouwplan de privacy van verzoeker sub 2 op onaanvaardbare wijze aantast.

4.9.6. De voorzieningenrechter komt dan ook tot de conclusie dat de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de eisen van artikel 19, eerste lid, van de WRO en artikel 19a van de WRO.

4.10 Voor zover eisers zich op het standpunt stellen dat het aantal parkeerplaatsen waarin het bouwplan voorziet ontoereikend is, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.10.1 Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de gemeentelijke bouwverordening, voor zover hier van belang, moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het gebouw, dan wel op of onder het bebouwde terrein dat bij het gebouw hoort.

Zoals hiervoor vermeld, zijn op het terrein van de jeugdherberg 40 parkeerplaatsen aanwezig. Hiervan zijn vijf bedoeld voor het personeel, zodat er voor de gasten 35 resteren. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit aantal voldoende is. In dat kader heeft hij zich mede gebaseerd op ervaringscijfers van andere jeugdherbergen. Bij zijn besluitvorming heeft verweerder verder betrokken dat veel toeristen Texel per openbaar vervoer en fiets bezoeken.

Bezien in het licht van deze motivering ziet de voorzieningenrechter ook thans onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het aantal aanwezige parkeerplaatsen op het terrein van de jeugdherberg niet toereikend is. Gelet hierop heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat aan artikel 2.5.30, eerste lid, van de gemeentelijke bouwverordening is voldaan.

4.11 De voorzieningenrechter is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

5. Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- verklaart het beroep in de hoofdzaak ongegrond.

Aldus gewezen door mr. P.J. Jansen, voor-zieningen-rechter, in tegen-woordig-heid van mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 6 oktober 2004

door voornoemde voor-zieningen-rechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat uitsluitend hoger beroep open, voorzover dit de hoofdzaak betreft. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.