Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2004:AO9507

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
14-05-2004
Datum publicatie
17-05-2004
Zaaknummer
04/856
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vrijstelling krachtens art. 19, tweede lid, van de WRO voor de bouw van 4 woningen. Gedeputeerde staten hebben zich op grond van hun beleid inzake kwaliteitscriteria op het standpunt gesteld dat hier sprake is van een geval waarvoor burgemeester en wethouders ingevolge art. 19, tweede lid, van de WRO zelfstandig vrijstelling kunnen verlenen. De voorzieningenrechter acht dit standpunt onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr: WW44 04/856

Inzake: de stichting “Stichting Mr. Frits Zeiler”, gevestigd te Bergen, verzoekster,

tegen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Het besluit van verweerder van 13 januari 2004, kenmerk B 2002/898.

2. Zitting

Datum: 3 mei 2004.

Verzoekster is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen, vertegenwoordigd door P.A.H. Hoogcarspel, secretaris.

Verweerder is, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigden C. Langedijk en J. Burgers, beiden ambtenaar van de gemeente.

Verder is verschenen als partij in dit geschil de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “PRN B.V.”, vertegenwoordigd door Th. van der Jagt, directeur, bijgestaan door mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam.

3. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 13 januari 2004, kenmerk B 2002/898, verzonden op 29 januari 2004, heeft verweerder, beslissende op een door hem op 25 november 2002 ontvangen aanvraag, aan “PRN B.V.” vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening alsmede bouwvergunning verleend voor het oprichten van vier woningen op het perceel kadastraal bekend gemeente Bergen, sectie A, nummers 3952 en 4562 (beide gedeeltelijk), plaatselijk bekend nabij Loudelsweg 40 te Bergen.

Tegen dit besluit heeft (onder meer) verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 15 april 2004, bij de rechtbank ontvangen op 16 april 2004, heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 23 april 2004, nader aangevuld bij brief van 29 april 2004, heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

Vervolgens is het verzoek om een voorlopige voorziening op 3 mei 2004 ter zitting behandeld.

Na de zitting heeft verweerder bij brief van 4 mei 2004 buiten bezwaren van de andere partijen stukken met betrekking tot de welstandsadvisering alsmede de Structuurvisie Bergen 1992 toegezonden.

4. Motivering

4.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voorzover hier van belang, kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure die mogelijkerwijs volgt.

4.2. Het bouwplan waarvoor bij het bestreden besluit vrijstelling en vergunning is verleend, voorziet in het oprichten van vier woningen op een perceel aan de Loudelsweg te Bergen. De woningen hebben een nokhoogte van ongeveer 7 meter en zijn voorzien van een kap. De onderlinge afstand tussen de woningen bedraagt ongeveer 5 meter.

De woningen zijn gesitueerd aan de rand van een terrein waarop voorheen een klooster heeft gestaan, in de stukken nader aangeduid als het gebied “De Tuinen”. Een gedeelte van het kloostercomplex is inmiddels gesloopt. In de thans nog aanwezige bebouwing, gelegen ten zuiden van de nieuw te bouwen woningen en te onderscheiden in een westelijk en een oostelijk deel, zijn twee scholen gevestigd. Naast het onderhavige bouwplan is een bouwplan ontwikkeld dat voorziet in het oprichten van een aantal gebouwen waarin appartementen zijn gevestigd op de locatie van de meest oostelijk gelegen school. Voor dit bouwplan heeft verweerder eveneens bij besluit van 13 januari 2004 vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening alsmede bouwvergunning verleend. Verzoekster heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om met betrekking tot dit besluit een voorlopige voorziening te treffen.

Het terrein van het voormalige kloostercomplex is gelegen in het zuidelijke deel van Bergen op loopafstand van het centrum in een als een groene woonomgeving te karakteriseren gebied. Aan de oostzijde wordt het terrein begrensd door een parkje, waaromheen halfvrijstaande woningen zijn gebouwd. Aan de west- en de zuidzijde wordt het terrein begrensd door woonstraten, waar zich woningbouw bevindt in de vorm van woningen in een rij en halfvrijstaande woningen. Aan de noordzijde wordt het terrein begrensd door de Loudelsweg, waarlangs losse, relatief oudere woonbebouwing is gelegen.

Verzoekster is een rechtspersoon die blijkens haar statuten (onder meer) ten doel heeft te streven naar het behoud van het kenmerkende natuur- en dorpsschoon in en rond Bergen.

4.3. Op 1 januari 2003 is in werking getreden de Wet van 18 oktober 2001 tot wijziging van de Woningwet naar aanleiding van enerzijds de evaluatie van die wet en anderzijds het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (bouwvergunningprocedure en welstandstoezicht). Uit artikel VII, derde lid, van deze wet volgt dat op dit geschil de Woningwet van toepassing is zoals deze gold op de dag waarop de aanvraag om bouwvergunning is ingediend.

4.4. Ingevolge artikel 44 aanhef en onder c, van de Woningwet mag alleen en moet de bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Ingevolge het ter plaatse als bestemmingsplan geldende uitbreidingsplan “Uitbreidingsplan in onderdelen Bergen 1937” rust op het onderhavige perceel de bestemming “X”, inhoudende woningen, winkels en kleine verzorgende bedrijfjes.

Ingevolge artikel 4, onder 3, van de planvoorschriften mogen op de als zodanig bestemde gronden, behalve woningen, ook worden gebouwd:

a. winkels, al of niet met bijbehorende werkplaatsen, cafés, lunchrooms e.d.;

b. kleine verzorgende bedrijfjes, werkplaatsen, bergplaatsen, benzinetankstations, garagebedrijven e.d., een en ander onverminderd het bepaalde in de Hinderwet.

Ingevolge de op de plankaart geplaatste aanduidingen “15”en “I:I” dient op het onderhavige perceel de minimum terreinbreedte 15 meter te bedragen en dient het open terrein tot de bebouwing ter plaatse zich te verhouden als 1:1.

Ingevolge artikel 16 van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, wordt onder terreinbreedte verstaan: de minimum terreinbreedte, in de rooilijn gemeten, die per gebouw en per woning aanwezig moet zijn.

Ingevolge artikel 21 van de planvoorschriften wordt onder verhouding van open terrein tot bebouwing verstaan de verhouding van de vereiste breedte van de onbebouwde strook of gezamenlijke stroken grond ter zijde van de bebouwing tot de breedte van de bebouwing ter plaatse. De breedte van onbebouwd en bebouwd terrein wordt gemeten in de rooilijn. Voor deze meting worden de meest zijwaarts gelegen delen van een gebouw loodrecht op de rooilijn geprojecteerd.

4.4.1. Vaststaat dat het onderhavige bouwplan op zichzelf in overeenstemming is met de op het perceel rustende bestemming. Verweerder is er vanuit gegaan dat het bouwplan in strijd is met de voor het perceel krachtens het bestemmingsplan geldende bebouwingsvoorschriften, zoals hiervoor weergegeven. Teneinde verwezenlijking van het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft verweerder met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke ordening vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

4.4.2. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid van dit artikel, voorzover hier van belang, kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

4.4.3. Gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: gedeputeerde staten) hebben bij besluit van 27 juni 2000, bekendgemaakt op 21 augustus 2000, een notitie vastgesteld over de wijze waarop zij invulling geven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO (hierna: de 19.2-notitie). Bij besluit van 4 juni 2002, bekendgemaakt op 6 juni 2002, hebben gedeputeerde staten deze notitie gewijzigd.

Als speerpunt van beleid is in paragraaf 3 van hoofdstuk 3 van deze notitie woningbouw opgenomen. In de notitie wordt hierover opgemerkt dat, voorzover hier van belang, alle nieuwbouw van woningen die een toename van het woningenbestand van de gemeente betekent, inclusief het bouwrijp maken daarvoor, valt onder de speerpunten van beleid. Een uitzondering op deze regel geldt, aldus de notitie, voor projecten waarvoor gedeputeerde staten hebben verklaard dat deze voldoen aan de kwaliteitscriteria zoals beschreven in de beleidsnotitie ”Woningbouwtaakstellingen tot 2005 in Noord-Holland”, zoals door gedeputeerde staten vastgesteld bij besluit van 30 maart 1999 (binnendorpse woningbouwplannen), inclusief het bouwrijp maken. Voor deze uitzondering geldt dat burgemeester en wethouders op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO zelfstandig vrijstelling kunnen verlenen.

Uit de notitie van gedeputeerde staten volgt dat in dit geval, voorzover voornoemde uitzondering niet van toepassing is, ten behoeve van het bouwplan een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO is vereist in plaats van een vrijstelling als bedoeld in het tweede lid van dit artikel.

4.4.4. Bij de hiervoor genoemde beleidsnotitie “Woningbouwtaakstellingen tot 2005 in Noord-Holland” is als bijlage gevoegd de “Uitwerking kwaliteitscriteria extra woningbouw voor landelijke gemeenten in het streekplan Noord-Holland-Noord” (hierna: de Uitwerking Kwaliteitscriteria). In deze bijlage zijn de volgende kwaliteitscriteria opgenomen.

1. Binnendorpse woningbouwplannen, waarbij milieuhinderlijke bedrijven worden verplaatst.

2. Binnendorpse woningbouwplannen, die door hun hoge ruimtelijke kwaliteit en goede inpassing in de omgeving de ruimtelijke structuur verbeteren.

3. Binnendorpse woningbouwplannen voor ouderenhuisvesting.

4. Kleine woningbouwprojecten in kleine kernen, die passen binnen een leefbaarheidsplan.

5. Binnendorpse woningbouwplannen met bijzondere maatregelen op het terrein van duurzaam bouwen.

De eerste vier criteria zijn, aldus de Uitwerking Kwaliteitscriteria, op zichzelf staande criteria. Het vijfde criterium inzake duurzaamheid is van toepassing op alle andere criteria.

In een toelichting op de verschillende criteria vermeldt de Uitwerking Kwaliteitscriteria ten aanzien van het derde criterium dat het moet gaan om, voorzover hier van belang, woningen die voldoen aan het seniorenlabel.

4.4.5. Bij besluit van 9 september 2002 hebben gedeputeerde staten ten aanzien van het bouwplan voor de gebouwen met de appartementen op het terrein van het voormalige kloostercomplex vastgesteld dat de appartementen voldoen aan het seniorenlabel en dat deze zullen worden gebouwd volgens het convenant “Duurzaam bouwen”. Tevens wordt in het besluit erop gewezen dat de Kerngroep voor de gemeentelijke plannen en de stadsvernieuwing op 3 september 2002 positief heeft geadviseerd. Gelet hierop concluderen gedeputeerde staten dat het bouwplan voldoet aan de kwaliteitscriteria zoals genoemd in de Uitwerking Kwaliteitscriteria.

Bij brief van 10 maart 2003 hebben gedeputeerde staten verweerder in reactie op zijn verzoek om voor het onderhavige bouwplan eveneens een extra woningbouwcontingent toe te kennen medegedeeld dat reeds eerder is aangegeven dat de vier nieuw te bouwen woningen deel uitmaken van de totale locatie “De Tuinen”, waarvoor bij besluit van 9 september 2002 een kwaliteitslabel is afgegeven. Hoewel er wat onduidelijkheid bestond over het exacte aantal woningen binnen deze kwaliteitslocatie doet dit, aldus gedeputeerde staten in hun brief, niet af aan het feit dat deze bouwlocatie is aangemerkt als kwaliteitslocatie. Gedeputeerde staten besluiten hun brief met de opmerking dat zij in hun administratie hebben genoteerd dat voor deze kwaliteitscriteria 58 woningen – 54 appartementen en 4 grondgebonden woningen – zijn toegekend en dat zij ervan uitgaan dat met deze aanvulling geen onduidelijkheid meer bestaat over het aantal te bouwen woningen.

Op basis van deze stukken heeft verweerder zich bevoegd geacht om ten behoeve van het bouwplan vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO te verlenen.

4.5. Verzoekster kan zich om uiteenlopende redenen niet met het besluit van verweerder verenigen. Zij heeft allereerst vraagtekens gezet bij het standpunt van gedeputeerde staten dat het onderhavige bouwplan voldoet aan de kwaliteitscriteria als omschreven in de Uitwerking Kwaliteitscriteria.

4.5.1. In dit kader stelt de voorzieningenrechter voorop dat vaststaat dat van een situatie als bedoeld onder 1 en onder 4 van de kwaliteitscriteria in dit geval geen sprake is. Ter zitting heeft vergunninghoudster verklaard dat de nieuw te bouwen woningen, anders dan de appartementen waarin het bouwplan voor het aangrenzende perceel voorziet, niet zijn bedoeld voor de huisvesting van senioren, zodat ook het onder 3 genoemde kwaliteitscriterium niet op de vier woningen van toepassing kan zijn. Dit betekent dat alleen wanneer gedeputeerde staten hebben verklaard dat op de vier woningen het onder 2 genoemde kwaliteitscriterium van toepassing is, sprake kan zijn van een uitzonderingssituatie als bedoeld in paragraaf 3 van hoofdstuk 3 van de 19.2-notitie. Het onder 5 genoemde kwaliteitscriterium, waarvan vaststaat dat daaraan in dit geval wordt voldaan, geldt immers slechts cumulatief.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat noch het besluit van gedeputeerde staten van 9 september 2002, noch de daarmee samenhangende brief van gedeputeerde staten van 10 maart 2003 enig aanknopingspunt biedt voor het oordeel dat het onderhavige bouwplan voldoet aan het onder 2 genoemde kwaliteitscriterium. Voorzover verweerder in dit geval is afgegaan op de conclusie van het besluit van 9 september 2002, waarop in de brief van 10 maart 2003 wordt voortgebouwd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze conclusie in te algemene zin is gesteld om daaruit te kunnen afleiden dat in dit geval is voldaan aan het onder 2 genoemde kwaliteitscriterium. Het besluit van gedeputeerde staten van 9 september 2002 en de brief van gedeputeerde staten van 10 maart 2003 berusten in zoverre dan ook niet op een deugdelijke motivering. Nu verweerder voornoemd besluit alsmede de brief aan zijn vrijstellingsbesluit ten grondslag heeft gelegd, ontbeert dat besluit eveneens een deugdelijke motivering. Het besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

4.6. Het hiervoor geconstateerde gebrek is van belang voor de beantwoording van de vraag of verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht om voor het onderhavige bouwplan vrijstelling op basis van artikel 19, tweede lid, van de WRO te verlenen. De voorzieningenrechter is er niet zonder meer van overtuigd dat dit gebrek reparabel is. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om vanwege dit gebrek het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen en het bestreden besluit te schorsen gedurende de hierna onder “Beslissing” genoemde termijn. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren van verzoekster geen bespreking meer.

Overigens wijst de voorzieningenrechter erop dat indien voordat de termijn van de schorsing van het besluit is afgelopen een aanvullende verklaring door gedeputeerde staten is afgegeven waarin zij nader motiveren waarom het onderhavige bouwplan voldoet aan het onder 2 genoemde kwaliteitscriterium, zoals opgenomen in de Uitwerking Kwaliteitscriteria, het verweerder dan wel vergunninghoudster vrijstaat om zich op basis van artikel 8:87 van de Awb met een verzoek om opheffing van de schorsing tot de voorzieningenrechter te wenden.

Ter voorlichting van partijen merkt de voorzieningenrechter daarbij op dat uit die aanvullende verklaring van gedeputeerde staten zal moeten blijken dat het onderhavige bouwplan op grond van zijn eigen merites voldoet aan het onder 2 genoemde kwaliteitscriterium. Nu voor het bouwplan een afzonderlijke vergunningaanvraag is ingediend en het bouwplan ook naar zijn inhoud beschouwd niet op één lijn kan worden gesteld met het bouwplan voor de appartementen, kan niet onder verwijzing naar de kenmerken van dat laatste bouwplan tot de conclusie worden gekomen dat wat betreft het onderhavige bouwplan aan het hiervoor bedoelde kwaliteitscriterium is voldaan.

4.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

5. Beslissing

De voorzieningenrechter,

-wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

-bepaalt dat het besluit van verweerder van 13 januari 2004, kenmerk B 2002/898, wordt geschorst tot en met zes weken na de datum van verzending van de beslissing op bezwaar;

-bepaalt dat de gemeente Bergen aan verzoekster het griffierecht ten bedrage van € 273,00 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M. Zijp, voorzieningenrechter, in tegen-woordigheid van mr. E.C. Matiasen, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2004

door voornoemde voor-zieningen-rechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.