Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2004:AO7086

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
05-04-2004
Datum publicatie
06-04-2004
Zaaknummer
14/010572-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Celstraf voor openlijke geweldpleging tegen een pleger van ontucht met een minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer: 14/010572-03

Datum uitspraak: 5 april 2004

TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te Amsterdam op [datum] 1980,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 maart 2004.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman, mr. E. Boskma, advocaat te Alkmaar, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 14 december 2003 tot en met 15 december 2003 te Julianadorp, in de gemeente Den Helder, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, het volgende heeft gedaan:

verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben

- gezocht naar voornoemde [slachtoffer] (in een café/bar 'het Karrewiel') en/of

- zich naar de woning van die [slachtoffer] (aan het [adres]) begeven en/of (aldaar)

- aangebeld bij de woning van die [slachtoffer] en/of

- die [slachtoffer] aangesproken op (zijn rol in) de zogenaamde Bananenbootaffaire (poging verkrachting door o.a. voornoemde [slachtoffer] van [naam minderjarige], de stiefbroer van medeverdachte [medeverdachte 1]),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 14 december 2003 tot en met 15 december 2003 te Julianadorp, in de gemeente Den Helder, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [adres], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een (voor)deur en/of raam en/of auto, welk geweld bestond uit schoppen en/of trappen tegen die deur en/of dat raam en/of die auto, waarbij hij, verdachte, opzettelijk een raam in die (voor)deur en/of die (voor)deur heeft vernield;

2.

hij op of omstreeks 14 december 2003 in de gemeente Den Helder met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [adres], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het beetpakken van en/of trekken aan (de trui van) die [slachtoffer 2] en/of het duwen van een voordeur tegen die [slachtoffer 2] aan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VRIJSPRAAK

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. primair is ten laste gelegd.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

1. subsidiair

hij op 14 december 2003 te Julianadorp, in de gemeente Den Helder, met anderen, aan de openbare weg, [adres], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een voordeur, welk geweld bestond uit schoppen en trappen tegen die deur, waarbij hij, verdachte, opzettelijk een raam in die voordeur en die voordeur heeft vernield;

2.

hij op 14 december 2003 in de gemeente Den Helder met een ander, aan de openbare weg, [adres], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het beetpakken van en trekken aan de trui van die [slachtoffer 2] en het duwen van een voordeur tegen die [slachtoffer 2].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

5. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1. subsidiair:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, terwijl de schuldige opzettelijk goederen vernielt.

Ten aanzien van feit 2.:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

6. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. MOTIVERING VAN DE STRAFFEN

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte is samen met zijn medeverdachten 's avonds laat naar een woonhuis gegaan om de bewoner aldaar aan te spreken op een vervelende gebeurtenis uit het recente verleden, waarbij verdachte niet betrokken was geweest. Toen de persoon in kwestie, die de deur open had gedaan, hier niet van gediend bleek en de voordeur van zijn huis weer dicht wilde doen, is het tot geweldpleging tegen die deur gekomen, waarbij een ruit is gesneuveld. Dat het vervolgens niet tot geweldpleging tegen de bewoner van het woonhuis is gekomen, is geenszins de verdienste van verdachte of zijn medeverdachten, maar is veeleer te danken aan het kordate optreden van de bewoner en het feit dat buren op het ontstane tumult afkwamen. Het is verdachte geweest die bij dit incident het voortouw heeft genomen en het raam van de voordeur daadwerkelijk heeft vernield.

Eerder op diezelfde avond is verdachte met zijn medeverdachten naar een andere woning gegaan, ook ditmaal met de bedoeling verhaal te halen voor een al dan niet vermeend kwalijk optreden van de bewoner tegen een ander dan verdachte.

Nadat verdachte had aangebeld bij de woning, werd de deur geopend, niet door de gezochte persoon, maar door de vrouw die daar op dat moment bleek te wonen. Verdachte en zijn medeverdachte hebben daarop met geweld getracht de woning binnen te dringen, waarbij onder meer aan de trui van het slachtoffer is getrokken en met de deur tegen haar is geduwd. Uiteindelijk heeft het slachtoffer kans gezien de deur dicht te krijgen en zijn haar belagers op de vlucht geslagen. Al met al moet dit voor het slachtoffer een buitengewoon beangstigende situatie geweest zijn.

Dit zijn ernstige feiten. Burgers moeten zich bij uitstek in hun eigen woning veilig kunnen voelen. Dit basale veiligheidsgevoel is door het optreden van verdachte en zijn medeverdachten ernstig aangetast. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke incidenten vaak nog lange tijd de negatieve psychische gevolgen daarvan met zich meedragen. Bovendien worden gevoelens van onveiligheid, die toch al in brede kring in de maatschappij leven, door dit soort feiten verder aangewakkerd.

De rechtbank rekent het verdachte met name aan dat hij bij beide bewezen verklaarde geweldplegingen een initiërende en leidende rol heeft gespeeld.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 19 december 2003, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder ter zake van geweldsdelicten tot straf is veroordeeld.

Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

- het over de verdachte uitgebrachte adviesrapport, gedateerd 15 januari 2004, afkomstig van de heer C. Poel, als reclasseringswerker verbonden aan de Reclassering Nederland, arrondissement Alkmaar.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport, gedateerd 22 maart 2004, afkomstig van de heer K. de Groote, als reclasseringswerker verbonden aan de Reclassering Nederland, Unit Flevoland Zuid.

Uit genoemd voorlichtingsrapport van 22 maart 2004 komt naar voren dat verdachte kan worden gekenschetst als een wat naïeve jongeman, wiens persoonlijkheid wordt gekenmerkt door een grote mate van beïnvloedbaarheid en een slechte impulscontrole. Rapporteur is er, met de nodige nuance, van overtuigd dat verdachte van zins is zijn leven een positieve wending te geven. Steun, toezicht en indringende begeleiding worden daarbij van belang geacht. Geadviseerd wordt dan ook aan verdachte een verplicht contact met de reclassering op te leggen in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur op haar plaats is. Aan het voorwaardelijk deel van deze straf zal de rechtbank, overeenkomstig het advies van de reclassering, de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van deze instelling. De duur van het onvoorwaardelijk deel van de vrijheidsstraf zal de rechtbank zo bepalen dat deze gelijk is aan de duur van de periode die verdachte heeft doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis.

De rechtbank is van oordeel dat daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, behoort te worden opgelegd, een en ander op de wijze zoals hierna in de rubriek BESLISSING zal worden aangegeven.

8. BENADEELDE PARTIJ

De benadeelde partij [slachtoffer], wonende [adres], vertegenwoordigd door mr. H. Teunisse, advocaat te Den Helder, heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van 5.847,65 euro wegens materiële schade en 750 euro wegens immateriële schade die de verdachte met zijn mededaders aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Daarnaast is een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand gevorderd ten bedrage van 500 euro.

Mr. Teunisse heeft de vordering ter terechtzitting mondeling toegelicht.

Met de betrekking tot de door de benadeelde partij voor de post "auto" gevorderde schade is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat deze schade het rechtstreeks gevolg is geweest van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1. subsidiair bewezen verklaarde feit. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de onder de post "deur" gevorderde schadevergoeding, te weten 208,25 euro inclusief BTW, worden toegewezen als verzocht.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich in zoverre leent voor behandeling in deze strafzaak.

Met betrekking tot de door de benadeelde partij voor de post "inkomstenderving" gevorderde schade is de rechtbank van oordeel, dat thans alleen de kosten die betrekking hebben op week 51 van het jaar 2003, te weten een bruto bedrag van 1.519,50 euro, voor vergoeding in aanmerking komen. Met betrekking tot het overige deel van deze post is de rechtbank van oordeel dat dit niet van zodanig eenvoudige aard is dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Wat betreft de door de benadeelde partij gevorderde vergoeding voor immateriële schade is de rechtbank van oordeel, dat dit deel van de vordering niet van zodanig eenvoudige aard is dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding, zodat de benadeelde partij ook in dit deel van de vordering niet ontvankelijk verklaard dient te worden.

Nu aldus is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1. subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte - ook al zijn andere daders daarbij betrokken - rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van 1.727,75 euro, kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De rechtbank begroot de tot op heden gemaakte kosten op 500 euro.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededaders aan de benadeelde partij is voldaan.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9. SCHADEVERGOEDING ALS MAATREGEL

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer [slachtoffer] voornoemd naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1. subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde.

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

10. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 57 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

11. BESLISSING

De rechtbank:

I Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1. primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

II Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1. subsidiair en 2. ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

III Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 120 (honderdtwintig) dagen.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 82 (tweeëntachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt.

Verstrekt aan de genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

IV Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 40 (veertig) dagen.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

V Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende [adres], vertegenwoordigd door mr. H. Teunisse, advocaat te Den Helder tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van 1.727,75 euro (één duizend zevenhonderd zevenentwintig euro en vijfenzeventig eurocent) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op 500 euro.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

VI Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] voornoemd te betalen een som geld ten bedrage van 1.727,75 euro (één duizend zevenhonderd zevenentwintig euro en vijfenzeventig eurocent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 (zes) dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Lolkema, voorzitter,

mr. J. Westdorp en mr. F.J. Lourens, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Helder, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 april 2004.