Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2004:AO6066

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
23-03-2004
Datum publicatie
23-03-2004
Zaaknummer
14/010329-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld wegens doodslag op een taxichauffeur in Den Helder. De doodslag is gepleegd om diefstal van spullen uit de taxi gemakkelijk te maken. De rechtbank ziet verdachte als degene die het slachtoffer met een gericht schot heeft doodgeschoten en legt hem 15 jaar gevangenisstraf op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer: 14/010329-03

Datum uitspraak: 23 maart 2004

TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1971,

wonende te [adres],

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 en 9 maart 2004.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de verdachte en mr. B. Roodveldt, raadsvrouw van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Op vordering van de officier van justitie is de omschrijving van de tenlastelegging op de terechtzitting van 17 december 2003 aangepast.

Aan de verdachte is onder 1. primair ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 17 oktober 2002 in de gemeente Den Helder tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, [slachtoffer] geheten, van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een vuurwapen een kogel in/door het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Aan de verdachte is onder 1. subsidiair ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 17 oktober 2002 in de gemeente Den Helder tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon, [slachtoffer] geheten, van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] met een vuurwapen een kogel in/door het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van

enig strafbaar feit, te weten

dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (van ongeveer 225,- euro) en/of een mobiele (GSM-)telefoon (merk Nokia, kleur zilvergrijs) en/of een (dienst)portemonnee met inhoud (kleur zwart) en/of een (contact)sleutel van de (taxi)auto van die [slachtoffer] en/of een pakje sigaretten (merk Marlboro) en/of een of meer verschillende pasjes (o.a. van de Taxitronic-meter), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of Taxibedrijf Noord-West, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een van) zijn mededader(s) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (van ongeveer 225,- euro) en/of een mobiele (GSM-)telefoon (merk Nokia, kleur zilvergrijs) en/of een

(dienst)portemonnee met inhoud (kleur zwart) en/of een (contact)sleutel van de (taxi)auto van die [slachtoffer] en/of een pakje sigaretten (merk Marlboro) en/of een of meer verschillende pasjes (o.a. van de Taxitronic-meter), in elk geval van enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] en/of Taxibedrijf Noord-West, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal en/of afpersing werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat vorenomschreven) feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

Aan de verdachte is onder 1. meer subsidiair ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 17 oktober 2002 in de gemeente Den Helder tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (van ongeveer 225,- euro) en/of een mobiele (GSM-)telefoon (merk Nokia, kleur zilvergrijs) en/of een (dienst)portemonnee met inhoud (kleur zwart) en/of een (contact)sleutel van de (taxi)auto van die [slachtoffer] en/of een pakje sigaretten (merk Marlboro) en/of een of meer verschillende pasjes (o.a. van de Taxitronic-meter), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of Taxibedrijf Noord-West, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een van) zijn mededader(s) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (van ongeveer 225,- euro) en/of een mobiele (GSM-)telefoon (merk Nokia, kleur zilvergrijs) en/of een (dienst)portemonnee met inhoud (kleur zwart) en/of een (contact)sleutel van de (taxi)auto van die [slachtoffer] en/of een pakje sigaretten (merk Marlboro) en/of een of meer verschillende pasjes (o.a. van de Taxitronic-meter), in elk

geval van enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] en/of Taxibedrijf Noord-West, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

welke diefstal en/of afpersing werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer] met een vuurwapen een kogel in/door het hoofd heeft/hebben geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

Aan de verdachte is onder 2. ten laste gelegd dat

hij op een of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 augustus 2002 tot en met 13 januari 2003 in de gemeente Den Helder en/of de gemeente Schagen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of ander(en), althans alleen, (telkens) zonder consent een of meer wapens van categorie III en/of categorie II

[zijnde een of meer ander(e) wapen(s) dan de gaspistolen (merk Kimar srl, type Mod. Lady K, kaliber 8 mm en/of merk Bruni, type Mod. 92, kaliber 8 mm k) zoals bedoeld in feit 3 onder parketnummer 14/010033-03]

en/of munitie van categorie II en/of categorie III, heeft doen binnenkomen vanuit België en/of Italië en/of in elk geval een of meer wapen(s) van categorie III en/of categorie II voorhanden heeft gehad;

Aan de verdachte is onder 3. ten laste gelegd dat

hij op een of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2002 tot 1 december 2002 in de gemeente Den Helder, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of heeft afgeleverd en/of heeft verstrekt en/of heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer verschillende hoeveelhe(i)d(en) heroïne en/of cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet;

Aan de verdachte is onder 4. primair ten laste gelegd dat

hij op een of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 november 2002 tot en met 13 januari 2003 in de gemeente Anna Paulowna, in elk geval in Nederland, een horloge (merk Seiko, kleur zilver/grijs) en/of een spelcomputer met toebehoren (type 'Playstation', merk Sony) en/of een mobiele telefoon (merk Nokia, kleur zilver/grijs) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat horloge en/of die spelcomputer en/of die mobiele telefoon wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Aan de verdachte is onder 4. subsidiair ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 27 november 2002 in de gemeente Den Helder tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan [adres] heeft weggenomen een horloge (merk Seiko, kleur zilver/grijs) en/of twee mobiele telefoons (merk Nokia, kleur zilver/grijs en/of merk Ericsson) en/of een spelcomputer met toebehoren (merk Sony, type 'Playstation') en/of diverse sieraden en/of twee portemonnees (bevattende diverse (bank)pasjes en/of een hoeveelheid geld) en/of een rugzak en/of een sleutelbos, althans een of meer van voornoemde goederen, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of (een) valse sleutel(s);

Aan de verdachte is onder 5. ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 24 december 2002 in de gemeente Den Helder met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan [adres] heeft weggenomen een (foto)camera met bijbehorende tas en/of een fles eau de toilette (merk Roma), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VRIJSPRAAK

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

onder 1 subsidiair

hij op 17 oktober 2002 in de gemeente Den Helder tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een persoon, [slachtoffer] geheten, van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een vuurwapen een kogel in het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd van enig strafbaar feit, te weten

dat hij tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 225,- euro en een mobiele GSM-telefoon (merk Nokia, kleur zilvergrijs) en een dienstportemonnee met inhoud (kleur zwart) en een contactsleutel van de taxi-auto van die [slachtoffer] en een pakje sigaretten (merk Marlboro) en pasjes (o.a. van de Taxitronic-meter) toebehorende aan [slachtoffer],

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat vorenomschreven feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

onder 2.

hij in de periode van 10 augustus 2002 tot en met 13 januari 2003 in Nederland, een of meer wapens van categorie III en/of categorie II voorhanden heeft gehad;

onder 3.

hij op tijdstippen in de periode van 1 september 2002 tot 1 december 2002 in de gemeente Den Helder, opzettelijk heeft verkocht en heeft verstrekt en heeft vervoerd hoeveelheden heroïne en cocaïne;

onder 4 primair

hij in de periode van 27 november 2002 tot en met 13 januari 2003 in de gemeente Anna Paulowna, een horloge (merk Seiko, kleur zilver/grijs) en een spelcomputer (type 'Playstation', merk Sony) en een mobiele telefoon (merk Nokia, kleur zilver/grijs) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dat horloge en die spelcomputer en die mobiele telefoon wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

onder 5.

hij op 24 december 2002 in de gemeente Den Helder met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan [adres] heeft weggenomen een fotocamera met bijbehorende tas toebehorende aan [naam].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

5. NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN

Met betrekking tot de bewezenverklaring overweegt de rechtbank het volgende.

Op 17 oktober 2002, omstreeks 08.35 uur, is het lijk van het slachtoffer, taxichauffeur [slachtoffer], aangetroffen op de bestuurdersplaats van een taxi van het taxibedrijf Noord-West, op de Berkenlaan te Den Helder. Het slachtoffer was gezeten met zijn linkervoet op het koppelingspedaal. Uit onderzoek is naar voren gekomen dat de (dienst)portemonnee van het slachtoffer, geld, de contactsleutel van de taxi, sleutels van het kantoor van voormeld taxibedrijf en een lichtgrijze GSM Nokia waren verdwenen. De voering van de rechterbinnenzak van het jasje van het slachtoffer was geheel naar buiten gekeerd. Omstreeks 10.00 uur, op 17 oktober 2002, zijn geurdoeken geplaatst op de passagiersstoel naast de bestuurdersplaats en op de linker- en rechterzitting van de achterbank van de taxi.

Uit het sectierapport is gebleken dat het slachtoffer om het leven is gekomen door één schot door het hoofd, met een inslag in de rechterslaap, dat de kogel een horizontale baan door het hoofd heeft afgelegd met een uitschotverwonding in de linkerslaap en dat de schootsafstand 0 cm bedraagt.

Bij het uitlezen van de Taxitronic-meetapparatuur, waarmee de taxi was uitgerust, bleek dat door het slachtoffer na 16 oktober 2002 om 24.00 uur slechts één rit is uitgevoerd en dat deze een afstand van ongeveer 3,6 km bedroeg. De passagier(s) is/zijn ingestapt op 17 oktober 2002, om 00.53 uur en weer uitgestapt om 01.01 uur, nadat de taxi om 00.59 uur was gestopt. Na 01.01 uur is de taxi niet meer verplaatst. Als vaststaand kan worden aangenomen dat op 16 oktober 2002 tussen ongeveer 17.30 uur en 24.00 uur niet met desbetreffende taxi is gereden.

Door verdachte is steeds ontkend dat hij op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de doodslag op [slachtoffer]. Niettemin is de rechtbank ervan overtuigd, dat hij zich daaraan schuldig heeft gemaakt, tesamen met zijn mededader , en dat hij degene is geweest die [slachtoffer] heeft doodgeschoten.

In de loop van de avond van 16 oktober 2002 heeft verdachte met [mededader] gesproken over "geld maken", zo heeft [vriendin mededader] van [mededader] vernomen. Volgens [mededader] heeft verdachte aan het begin van de avond van 16 oktober 2002 tegen hem, [mededader], gezegd dat "hij wel iemand wist en anders konden wij nog iemand gaan pakken bij de pinautomaat". Voorts had verdachte volgens [mededader] die avond een pistool bij zich.

Later die nacht bevond verdachte zich in de woning van [mededader] en diens vriendin, [vriendin mededader], en was hij, naar [mededader] en [vriendin mededader] hebben verklaard, in het bezit van onder andere papiergeld en muntgeld, een stel sleutels, een losse autosleutel, een zilverkleurige GSM Nokia en een pakje Marlboro sigaretten, welke merk sigaretten het slachtoffer pleegde te roken. Verdachte heeft toen verteld over een taxirit die nacht, over het feit dat de chauffeur moest stoppen op een plaats waar het donker was, dat deze voor zich moest kijken en bang was, en dat verdachte ook achter de zonneklepjes had gekeken en daar wat gevonden had. [Vriendin mededader] heeft voorts verklaard dat verdachte vervolgens door [mededader] is meegenomen naar de gang van hun woning, naar de rechtbank aanneemt om te voorkomen dat [vriendin mededader] meer te weten zou komen omtrent hetgeen zich had afgespeeld.

In de loop van 17 oktober 2002 heeft zij verdachte tegen [mededader] horen zeggen dat hij, verdachte, snel Den Helder uit moest en dat [mededader] nergens over moest praten. [Vriendin mededader] heeft naar aanleiding van een vraag aan [mededader] of verdachte mogelijk de moord had gepleegd, als antwoord gekregen dat "ik me daar niet mee moest bemoeien en hoe minder ik wist, hoe beter het was". Later die dag vertelde [mededader] haar dat "het uit de hand gelopen was en dat hij door zijn kop geschoten was". Vanaf half november 2002 heeft [mededader] [vriendin mededader] gedreigd iets met iemand van haar familie uit te halen als [vriendin mededader] tegenover de politie zou verklaren over de taximoord.

Verdachte heeft, naar eigen zeggen, in de periode voorafgaand aan het misdrijf niet de beschikking gehad over een Nokia GSM. Verdachte noch zijn mededader noch [vriendin mededader] rookten sigaretten van het merk Marlboro. Volgens [getuige] heeft verdachte tegenover hem, [getuige], meerdere keren geïnsinueerd dat hij degene was geweest die de taxichauffeur had doodgeschoten. [Getuige] is daaromtrent ter terechtzitting als getuige gehoord en hij heeft aldaar medegedeeld te blijven bij zijn bij de politie afgelegde verklaring. De geuridentificatieproef tenslotte, uitgevoerd op 16 oktober 2003 met een bij verdachte afgenomen geurmonster en de geurdoeken uit de taxi, heeft uitgewezen dat de geur van verdachte overeenkomt met de geur van de geurdoek van de passagiersstoel rechtsvoor in de taxi. Volgens de resultaten van een tweede geuridentificatieproef, op dezelfde dag uitgevoerd met een bij [mededader] afgenomen geurmonster, komt diens geur overeen met de geur van de geurdoek van de passagiersstoel rechtsachter in de taxi.

Op grond van het vorenoverwogene neemt de rechtbank aan, dat verdachte op 17 oktober 2002 rond 00.59 uur gezeten was naast de taxichauffeur, dat hij direct nadat de taxi tot stilstand was gebracht het slachtoffer met een pistool een kogel door diens slaap heeft geschoten en vervolgens de eerdergenoemde goederen heeft gepakt, waarna hij en zijn mededader de taxi hebben verlaten. De schootsafstand, de plaats van de inschotverwonding en het feit dat slechts één kogel is afgevuurd, maken duidelijk dat verdachte het oogmerk had het slachtoffer van het leven te beroven. Mogelijk is dit niet de bedoeling geweest van [mededader] maar deze is, op de hoogte van het pistool dat verdachte bij zich had en van het plan "geld te maken" en daarbij desnoods iemand te beroven, meegegaan met verdachte ter uitvoering van dat plan. Aldus heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat verdachte het pistool zou gebruiken en dat daarbij een dodelijk slachtoffer zou vallen.

De rechtbank verwerpt de stelling van verdachte dat hij in de nacht van 16 op 17 oktober 2002 niet in Den Helder is geweest, maar zich bevond in Schagerbrug, in de woning van de vriendin van zijn broer, alsmede in Schagen alwaar hij een inbraak in een auto gepleegd zou hebben. Die inbraak is op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Zo heeft de politie geen aangifte daarvan kunnen vinden, terwijl de printgegevens van verdachtes telefoon, waaruit zijn telefoontjes met de heler zouden moeten blijken, aantonen dat verdachte zijn telefoon niet heeft gebruikt tussen 19.41 uur op 16 oktober en 10.52 uur op 17 oktober 2002, laat staan dat die printgegevens aannemelijk maken dat verdachte de nacht van 16 op 17 oktober 2002 in Schagen en Schagerbrug heeft doorgebracht. Voorts heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij de heler zelf meermalen met zijn GSM heeft gebeld, hetgeen niet strookt met zijn verklaring dat hij vanaf 16 oktober 2002 niet meer over beltegoed beschikte en alleen gebeld kon worden door anderen. Het tijdstip waarop verdachte zijn alibi naar voren heeft gebracht - te weten op 6 oktober 2003 bij gelegenheid van zijn verhoor bij de rechter-commissaris, toen hij al ruim 3 1/2 maand in voorlopige hechtenis zat ter zake van het onderhavige misdrijf - maakt zijn verhaal evenmin geloofwaardig. Voorts wordt verdachtes aanwezigheid in Den Helder bevestigd door de verklaringen van [mededader] en [vriendin mededader].

Evenmin acht de rechtbank aannemelijk dat de verklaringen van [mededader] over het vuurwapenbezit van verdachte zien op - hier verder niet ter zake doende- gebeurtenissen op 5 november 2002. [mededader] is vele malen door de politie gehoord en hij heeft steeds volgehouden - behalve bij zijn eerste verhoor en op momenten waarop hij stelde zich niets te herinneren - dat zijn verklaringen daaromtrent betrekking hadden op de avond en nacht van 16/17 oktober 2002. Onder die omstandigheden hecht de rechtbank geen waarde aan diens eerste verklaring. Voor zover moet worden geconstateerd dat [mededader] ook op andere punten geen consistente verklaringen heeft afgelegd, moet dit naar het oordeel van de rechtbank worden verklaard uit de omstandigheid dat hij zijn eigen aandeel in het misdrijf heeft willen verdoezelen. De verklaringen van [vriendin mededader], voor zover voor het bewijs gebruikt, zijn naar het oordeel van de rechtbank consistent te noemen en zij worden op essentiële onderdelen bevestigd door verklaringen van [mededader]. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding haar verklaringen wegens gebrek aan betrouwbaarheid daarvan buiten beschouwing te laten.

Voor wat betreft de geuridentificatieproef houdt het daarvan opgemaakte proces-verbaal van 16 oktober 2003 in, dat deze is uitgevoerd volgens de voorschriften van supplement 2 van het Keuringsreglement Politiespeurhond menselijke geur. Voorts is niet aannemelijk geworden, dat zich met betrekking tot de afname van de geurmonsters, het veiligstellen en het transport daarvan onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid van de geuridentificatieproeven c.q. de resultaten daarvan hebben beïnvloed. De omstandigheid dat als figuranten, van wie de geuren in dezelfde proef zijn gebruikt, op het politiebureau te Hoorn werkzame opsporingsambtenaren hebben gefungeerd, is onvoldoende om twijfel te doen rijzen aan die betrouwbaarheid. Hetzelfde geldt voor de door de verdediging opgeworpen suggestie dat sprake is van een "menggeur" van verdachte en een ander. Daarbij merkt de rechtbank op dat verdachte aanvankelijk ontkend heeft vóór het onderhavige misdrijf van een taxi gebruik te hebben gemaakt, maar na het bekend worden van de resultaten van de geuridentificatieproef zijn verklaring heeft gewijzigd in die zin dat hij wel eens in een taxi heeft gezeten.

6. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Onder 1 subsidiair:

Medeplegen van doodslag gevolgd van diefstal door twee of meer verenigde personen en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

Onder 2:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en/of

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II

Onder 3:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder B (oud) van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Onder 4 primair:

Opzetheling

Onder 5:

Diefstal

7. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. MOTIVERING VAN DE STRAF.

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte is samen met zijn mededader in de nacht van 16 op 17 oktober 2002 te Den Helder, terwijl verdachte in het bezit was van een wapen, op pad gegaan met de bedoeling om 'geld te maken'. Bij gelegenheid van de uitvoering van dat plan, dat resulteerde in de beroving van taxichauffeur [slachtoffer], heeft verdachte die [slachtoffer] in het hoofd geschoten, waardoor deze [slachtoffer] is overleden. Door aldus te handelen hebben verdachte en zijn mededader aan een jonge man het leven ontnomen en aan de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar verlies en leed toegebracht. Deze koelbloedig uitgevoerde en, naar de rechtbank aanneemt, vooral door financieel gewin ingegeven doodslag heeft de rechtsorde in hoge mate geschokt. Tevens worden - met name gelet op de gewelddadigheid en brutaliteit van het misdrijf - gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving versterkt, in het bijzonder bij taxichauffeurs, die bij de uitoefening van hun beroep een met het oog op de veiligheid kwetsbare groep vormen.

Voorts heeft verdachte gedurende enige tijd in Den Helder hoeveelheden cocaïne en heroïne verkocht aan gebruikers van verdovende middelen. Hij betrok genoemde middelen van verschillende leveranciers en verstrekte deze aan gebruikers. Door de verkoop van verdovende middelen kon hij voorzien in zijn eigen drugsgebruik. De rechtbank acht voornoemd handelen van verdachte zeer kwalijk. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs grote gevaren voor de gezondheid van gebruikers daarvan opleveren. Door zijn handelwijze draagt verdachte bij aan het instandhouden van dit gebruik en de daarmee gepaard gaande criminaliteit door gebruikers. Verdachte heeft zich daarvan geen rekenschap gegeven en is slechts uit geweest op de financiering van zijn eigen drugsgebruik.

Daarnaast heeft verdachte één of meer wapens van categorie II en/of III voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke wapens kan leiden tot maatschappelijk volstrekt onaanvaardbare escalaties van conflicten en gevaarzettende situaties.

Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan heling en een woninginbraak, waardoor veel schade en overlast is toegebracht aan de benadeelden.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 24 juli 2003, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder terzake van gewelds- en vermogensdelicten tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

- Een brief gedateerd 18 september 2003 met als onderwerp "retourzending rapportageverzoek inzake [verdachte]" van A.D.M. Truijens en M. Bos respectievelijk als teamleider Justitiele Verslavingszorg en reclasseringswerkster verbonden aan de Brijderstichting, waarin wordt geconcludeerd dat de Brijderstichting zich onthoudt van enig strafadvies gelet op het feit dat verdachte ontkent het onder 1 ten laste gelegde te hebben begaan alsmede het feit dat verdachte geen hulpvragen heeft aan de Justitiële Verslavingszorg, zodat de stichting daardoor niet in staat is een hulpaanbod te doen.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op haar plaats is. De ernst van het onder 1 bewezen verklaarde feit acht de rechtbank doorslaggevend bij het bepalen van de duur van die vrijheidsstraf.

9. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 63, 287, 288, 310 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 (oud) en 10 (oud) van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 15 (vijftien) jaren.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.M. van Woensel, voorzitter,

mr. R.F.B. van Zutphen en mr. Ph. Burgers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. de Graag, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 maart 2004.