Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2004:AO5598

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
12-03-2004
Datum publicatie
15-03-2004
Zaaknummer
AWB 03/473
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beperkte kennisneming van medische stukken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:66 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr: WAO 03/473

Inzake: Didi Fashion BV, gevestigd te Heerhugowaard, eiseres,

tegen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Het besluit van verweerder van 6 maart 2003.

2. Zitting

Datum: 6 januari 2004.

Eiseres is verschenen bij vertegenwoordigers [vertegenwoordiger] en [vertegenwoordiger], bijgestaan door gemachtigden mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg, en [arts-gemachtigde], arts-gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. K.M. Schuijt, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Verder is verschenen namens [[werkneemster] ], als partij, mr. G. van Leeuwen, werkzaam bij SRK rechtsbijstand te Zoetermeer.

Het beroep - voor zover betrekking hebbende op medische gegevens - is behandeld met gesloten deuren. De vertegenwoordigers van eiseres, [vertegenwoordiger] en [vertegenwoordiger], hebben daarbij de zittingszaal verlaten.

3. Ontstaan en loop van het geding

[werkneemster] (hierna: werkneemster) is op 12 april 2001 uitgevallen voor haar werkzaamheden als kledingverkoopster in dienst van eiseres. Werkneemster heeft per 11 april 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheid (hierna: WAO) aangevraagd.

Bij besluit van 19 juni 2002 heeft verweerder aan werkneemster medegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van werkneemster per 11 april 2002 minder is dan 15% en op die grond geweigerd haar een WAO-uitkering toe te kennen.

Tegen dit besluit heeft werkneemster bij brief van 19 juni 2002 bezwaar gemaakt. Bij brieven van 9 september 2002 en 24 januari 2003 zijn namens werkneemster de gronden van het bezwaar ingediend.

Bij besluit van 6 maart 2003 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en aan werkneemster met ingang van 12 april 2002 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 14 april 2003, bij de rechtbank ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft werkneemster bij brief van 2 mei 2003 meegedeeld als partij aan het geding te willen deelnemen en geen toestemming te verlenen om haar medische gegevens aan eiseres ter kennisname te brengen.

Verweerder heeft bij brief van 23 mei 2003 de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden. Bij brief van 2 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 5 juni 2003 heeft de rechtbank in de onderhavige procedure eiseresses gemachtigde met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de medische stukken met betrekking tot werkneemster die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit.

Bij brief van 6 juni 2003 is namens eiseres gereageerd op bovengenoemd verweerschrift. Voorts is de rechtbank namens eiseres bij brief van 17 juni 2003 verzocht een nieuwe beslissing te nemen omtrent de toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb.

Bij brief van 30 juni 2003 is namens werkneemster haar standpunt kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft bij brief van 11 juli 2003 haar beslissing omtrent de toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb aan de gemachtigde van eiseres verduidelijkt.

Bij brief van 15 juli 2003 is namens eiseres gereageerd op de brief van 11 juli 2003. Namens eiseres is bij brief van 24 juli 2003 een nader stuk ingediend.

Verweerder heeft bij brief van 19 augustus 2003 een aantal nadere stukken toegezonden.

Bij brief van 15 september 2003 zijn namens eiseres de gronden van het beroep aangevuld en een aantal nadere stukken aan de rechtbank gezonden.

Verweerder heeft bij brief van 22 oktober 2003 nadere stukken ingediend.

Bij brief van 18 september (lees: december) 2003, bij de rechtbank ingekomen op 24 december 2003, is namens eiseres een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het geding op 6 januari 2004 ter zitting behandeld.

Onder toepassing van artikel 8:66 van de Awb heeft de rechtbank de termijn voor het doen van een uitspraak met zes weken verlengd.

4. Motivering

4.1 In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Met name komt daarbij de vraag aan de orde of verweerder terecht en op goede gronden met ingang van 12 april 2002 aan werkneemster een uitkering ingevolge de WAO heeft toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

4.2 Ingevolge artikel 18 van de WAO is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de werknemer met zijn krachten en bekwaamheden in staat is, te verdienen, hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

Het begrip arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 18 van de WAO kent een tweetal componenten, te weten een medische component en een arbeidskundige component. Voor de medische component wordt beoordeeld welke gevolgen de bij de verzekerde geconstateerde ziekte(n) of gebreken hebben voor diens lichamelijke dan wel psychische belastbaarheid, terwijl de arbeidskundige component daarin bestaat dat wordt bezien welke gangbare functies kunnen worden uitgeoefend ondanks de verminderde belastbaarheid en welk loon daarmee nog kan worden verdiend. Toegepast op de onderhavige zaak leidt deze benadering tot de volgende beschouwing.

4.3 Verweerders besluit berust op de opvatting dat, gelet op de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML), zoals aangepast door de bezwaarverzekeringsarts bij rapportage van 7 januari 2003, met ingang van 12 april 2002 geen functies zijn te duiden waar werkneemster met haar beperkingen toe in staat is, zodat zij met ingang van voornoemde datum voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is.

4.4 In beroep is namens eiseres aangevoerd - in essentie weergegeven - dat de door verweerder aangenomen medische beperkingen van werkneemster onvoldoende steun vinden in de omtrent werkneemster voorhanden zijnde objectief-medische gegevens. In verband hiermee bestaat bij eiseres ernstige twijfel met betrekking tot de juistheid van het standpunt van verweerder dat, in het licht van de aangenomen medische beperkingen, niet voldoende geschikte functies met voldoende arbeidsplaatsen zijn aan te geven om een schatting op te kunnen baseren. Er zijn volgens eiseres onvoldoende afwijkingen beschreven om te kunnen concluderen dat sprake is van beperkingen op het niveau van gedragingen en activiteiten en een logische samenhang tussen stoornis, beperking en handicap ontbreekt. De anamnese is volgens eiseres onvoldoende kritisch geweest en verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de klachten van werkneemster zouden zijn verergerd.

4.5 De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van werkneemster gebruik heeft gemaakt van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (hierna: CBBS). De meervoudige kamer van de rechtbank heeft in haar uitspraak van 7 augustus 2003, reg. nr. WAO 03/113, geoordeeld dat dit systeem als hulpmiddel om de mate van arbeidsongeschiktheid van een verzekerde te bepalen aanvaardbaar moet worden geacht.

4.6 De rechtbank overweegt dat uitgangspunt van artikel 18 van de WAO is dat voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid zowel het aanwezig zijn van ziekte of gebrek is vereist alsmede een causale relatie met het verlies aan verdiencapaciteit. De verzekeringsarts dient te onderzoeken of er feitelijk stoornissen, beperkingen en handicaps bestaan in een consistent geheel, waarbij het kunnen aangeven van de oorzaak voor de ziekte of de diagnose een belangrijke bouwsteen vormt voor de oordeelsvorming. Ondanks dat de rechtbank geen reden heeft te twijfelen aan de aanwezigheid van klachten bij werkneemster, moet worden vastgesteld dat die klachten vanuit medisch oogpunt gezien niet objectiveerbaar zijn. In de FML zijn door de (bezwaar)verzekeringsarts lichamelijke beperkingen opgenomen, terwijl uit de omtrent werkneemster beschikbare medische gegevens niet valt af te leiden dat voor die beperkingen een objectief-medisch substraat valt aan te wijzen. Uit die medische gegevens komt immers niet naar voren dat ten aanzien van werkneemster sprake zou zijn van enige wezenlijke, op ziekte of gebreken terug te voeren, lichamelijke aandoening. De rechtbank acht de motivering van de (bezwaar)verzekeringsarts, die in de kern erop neerkomt dat doorslaggevende betekenis is toegekend aan werkneemsters subjectieve klachtenbeleving en klachtenpresentatie, in het licht van de uitleg die volgens vaste rechtspraak - de rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 oktober 2003, gepubliceerd in RSV 2004/4 - aan het wettelijk arbeidsongeschiktheidscriterium dient te worden gegeven, een onvoldoende en derhalve onjuiste basis om te komen tot de vaststelling van op ziekte of gebreken berustende arbeidsbeperkingen. In die gevallen waar de medische oorzaken van de beperkingen niet goed kunnen worden vastgesteld moeten extra eisen gesteld worden aan het in kaart brengen van de klachten en beperkingen van werkneemster. Het medisch onderzoek moet dan grondiger en uitvoeriger zijn. Op die manier zou aan het objectiveringsvereiste kunnen worden voldaan. De rechtbank is echter met eiseres van oordeel dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts niet voldoet aan deze extra eisen.

4.7 Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek door verweerder(s verzekeringsarts) geen basis kan bieden voor de in de FML opgenomen beperkingen en dat daarom de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde FML geen basis kan bieden voor de conclusie dat er niet voldoende passende functies met voldoende arbeidsplaatsen voor werkneemster vallen aan te geven. Geconcludeerd moet worden dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en op een ondeugdelijke grondslag berust.

4.8 Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit moet wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb worden vernietigd en verweerder dient opnieuw op het bezwaarschrift van werkneemster te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

4.9 Namens eiseres zijn voorts tegen de rechtsgang - de procedure in beroep - de volgende grieven geuit. Namens eiseres is bezwaar gemaakt tegen de toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb ten aanzien van de medische stukken. Anders dan de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 20 juli 2001, gepubliceerd in RSV 2001/205, heeft overwogen is eiseres van mening dat het verschil in behandeling dat bij toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb resteert tussen enerzijds de werkgever als procespartij en anderzijds de werkneemster en verweerder als procespartijen, haar als werkgever wel degelijk in een wezenlijk nadeliger positie ten opzichte van andere partijen brengt. Eiseres betoogt dan ook dat niet is voldaan aan de uit artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) voortvloeiende elementaire eis ten aanzien van een eerlijk proces. Volgens eiseres heeft de rechtbank het belang van werkneemster tot bescherming van haar recht op privacy ten onrechte niet afgewogen tegen het belang van eiseres, dat geen inbreuk wordt gemaakt op haar recht op een eerlijk proces. Namens eiseres is verder verzocht te bepalen dat het onderzoek ter zitting in het openbaar zal geschieden. Nadat de rechtbank tijdens het verloop van de procedure te kennen heeft gegeven dat de zitting ten aanzien van de medische aspecten met gesloten deuren zal plaatsvinden en dit standpunt ter zitting heeft herhaald, is hiertegen namens eiseres uitdrukkelijk bezwaar gemaakt.

Voorts verzoekt eiseres om vergoeding van de proceskosten, ook in het geval het beroep ongegrond wordt verklaard. Deze aanleiding is volgens de gemachtigde van eiseres te vinden in het feit dat eiseres gedwongen is om beroep in te stellen teneinde kennis te kunnen nemen van de medische gegevens die ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing tot toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan werkneemster.

4.10 De rechtbank ziet zich genoodzaakt voornoemde grieven afzonderlijk te bespreken.

4.11 De rechtbank overweegt ten aanzien van de grief met betrekking tot de toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb als volgt.

4.11.1 Ingevolge artikel 88c, eerste lid, van de WAO is inzage in, dan wel kennisname of toezending van enig stuk dat medische gegevens bevat, voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever, die arts is.

Ingevolge artikel 88c, tweede lid, van de WAO treedt de gemachtigde, die arts is, in de plaats van de werkgever bij de voorbereiding van een medisch besluit, het opstellen van een bezwaar- of beroepschrift en de behandeling van een bezwaar of beroep voor zover betrekking hebbend op medische gegevens.

Ingevolge artikel 8:32, tweede lid, van de Awb kan de rechtbank, indien kennisneming van stukken door een partij de persoonlijke levenssfeer van een ander onevenredig zou schaden, bepalen dat deze kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen.

Artikel 6, eerste lid, van het EVRM luidt als volgt:

'1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.'

4.11.2 De rechtbank overweegt dat als de werknemer, zoals in het onderhavige geval, geen toestemming geeft voor het inzien of kennisnemen door zijn werkgever van zijn medische gegevens, de regeling geldt die is neergelegd in artikel 88c van de WAO. In een reeks uitspraken van 20 juli 2001 heeft de Centrale Raad van Beroep uitgesproken dat de medische besluitenregeling in beroepszaken strijdig is met artikel 6 van het EVRM en daarom ten dele buiten toepassing moet blijven. Aan de elementaire eisen van artikel 6 van het EVRM wordt volgens de Centrale Raad van Beroep wel voldaan, indien - de procedure in de WAO in zoverre buiten toepassing latend - in procedures in beroep door de administratieve rechter artikel 8:32, tweede lid, van de Awb wordt toegepast. In dat geval treedt de gemachtigde(n) - voor zover het de medische aspecten betreft - in de plaats van de werkgever. Aan de waarborgen van artikel 6 van het EVRM wordt volgens de Centrale Raad van Beroep in ieder geval voldaan, wanneer in een procedure bij de rechter, met inachtneming van de hiervoor aangegeven beperkingen, door de gemachtigde van de werkgever kennis genomen kan worden van alle processtukken, waaronder de medische stukken.

Bij uitspraak van 13 februari 2002, gepubliceerd in USZ 2002/100, heeft de Centrale Raad van Beroep overwogen dat in het geval toepassing is gegeven aan artikel 8:32, tweede lid, van de Awb en de gemachtigde van een werkgever meent dat zich meer (delen van) stukken lenen voor kennisneming door ook de werkgever, die gemachtigde zich tot de rechter kan wenden met een gemotiveerd verzoek daartoe. Daarbij wijst de Raad er op dat toepassing door de administratieve rechter van de in artikel 8:32, tweede lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid meebrengt dat het belang van de werknemer tot bescherming van zijn recht op privacy dient te worden afgewogen tegen het belang van de werkgever, dat geen inbreuk wordt gemaakt op zijn recht op toegang tot de rechter en op een eerlijk proces, als neergelegd in artikel 6 van het EVRM. In het geval die afweging van belangen uitvalt ten voordele van het belang van de werknemer zal de rechter met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb bepalen dat de kennisneming van medische stukken, dan wel onderdelen van stukken die medische gegevens behelzen, is voorbehouden aan een gemachtigde, die, zo vloeit uit laatstgenoemde bepaling voort, verplicht is tot geheimhouding terzake van de desbetreffende medische gegevens tegenover degene die door hem wordt vertegenwoordigd.

De rechtbank overweegt voorts dat de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 13 augustus 2002, gepubliceerd in RSV 2002/279, in dit verband nog opmerkt dat de beperking van kennisname van de processtukken door de werkgever zelf haar rechtvaardiging vindt in de aanspraak op privacy van de werknemer, welke aanspraak, naar het oordeel van de Raad bij toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb in voldoende mate is gewaarborgd. De Raad onderkent dat de werkgever aldus nog niet op geheel gelijke voet als de werknemer en het bestuursorgaan aan het geding kan deelnemen, maar van een wezenlijk nadeliger positie ten opzichte van andere partijen ("a substantial disadvantage vis à vis opponent") of, zo voegt de Raad hieraan toe met het oog op het beginsel van "adversial proceedings", ten opzichte van de rechter, is bij toepassing van genoemde regeling geen sprake.

4.11.3 De rechtbank is - in navolging van de beslissing ex artikel 8:68 van de Awb van de rechtbank Amsterdam van 6 augustus 2002, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN-nummer AE8102 - van oordeel dat als medische gegevens, waarvan kennisneming bij het ontbreken van toestemming van de werknemer aan de werkgever dient te worden onthouden, in het algemeen gelden de gegevens die betrekking hebben op, respectievelijk op betrekkelijk eenvoudige wijze zijn te herleiden tot een concrete diagnose of, meer in het algemeen, de aard van de aandoening. Naast vermelding van de diagnose of de aard van de aandoening zelf dient daarbij naar het oordeel van de rechtbank voorts te worden gedacht aan gegevens omtrent medicatie, behandeling, behandelend artsen (specialisme) en bezochte klinieken (specialisme). Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een FML als medisch stuk in de hiervoor bedoelde zin dient te worden aangemerkt, die bij het ontbreken van toestemming van de werknemer integraal aan de werkgever moet worden onthouden.

4.11.4 Zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.11.2 is overwogen dient bij de toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb in procedures als deze het belang van de werknemer tot bescherming van zijn recht op privacy te worden afgewogen tegen het belang van de werkgever dat geen inbreuk wordt gemaakt op zijn recht op toegang tot de rechter en tot een eerlijk proces, als neergelegd in artikel 6 van het EVRM. Uit voornoemde vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het belang van de werknemer tot bescherming van zijn recht op privacy zeer zwaar weegt. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de kring van personen die ingevolge artikel 8:32, tweede lid, van de Awb kennis mogen nemen van de medische stukken beperkt moet worden gehouden. Ten aanzien van het belang van de werkgever dat geen inbreuk wordt gemaakt op zijn recht op toegang tot de rechter en tot een eerlijk proces, overweegt de rechtbank als volgt. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 20 juli 2001, gepubliceerd in RSV 2001/205, expliciet onderkend dat de werkgever met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb nog niet geheel op gelijke voet als de werknemer en het bestuursorgaan aan het geding kan deelnemen, maar heeft tevens blijk gegeven van het oordeel dat de gemachtigde van de werkgever in staat moet worden geacht, al dan niet in samenwerking met een arts, de belangen van de werkgever in voldoende mate te behartigen, zodat er geen sprake is van een onevenredig nadelige positie van de werkgever ten opzichte van andere procespartijen.

In het onderhavige geschil zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten te vinden om tot een andersluidend oordeel te komen. Onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:32, tweede lid, van de Awb heeft de rechtbank bepaald dat in dit geval inzage in of kennisneming van medische gegevens van de werkneemster is voorbehouden aan de gemachtigde van eiseres en aan [arts-gemachtigde], arts-gemachtigde. Namens eiseres is verzocht een registerarbeidsdeskundige op grond van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb bijzondere toestemming te verlenen om kennis te nemen van de medische stukken, waaronder met name de FML. De rechtbank heeft deze toestemming niet verleend, aangezien zij gelet op het voorgaande en gelet op het feit dat de onderhavige zaak primair een medische meningsverschil betreft van oordeel is dat de procespositie van eiseres in dit geval reeds voldoende is gewaarborgd met kennisneming van de medische stukken door de advocaat van eiseres, die naar het oordeel van de rechtbank in staat moet worden geacht de arbeidskundige aspecten van de zaak te beoordelen, en een arts-gemachtigde. Deze gemachtigden zijn na kennisneming van de medische stukken door de rechtbank in de gelegenheid gesteld de gronden van het beroep aan te vullen en zij hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Eiseres is naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de terzake geldende jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, in voldoende mate in de gelegenheid gesteld haar standpunt omtrent de medische, juridische en arbeidskundige aspecten van de toekenning van de WAO-uitkering aan werkneemster naar voren te brengen.

Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van werkneemster bij het beschermen van haar privacy, in die zin dat de werkgever niet zonder haar toestemming kennis mag nemen van haar medische gegevens, zwaarder dient te wegen dan het belang van eiseres dat geen inbreuk wordt gemaakt op haar recht op toegang tot de rechter en tot een eerlijk proces, als neergelegd in artikel 6 van het EVRM.

4.12 De rechtbank overweegt ten aanzien van de grief van eiseres met betrekking tot de behandeling met gesloten deuren als volgt.

4.12.1 Ingevolge artikel 88h, eerste lid, van de WAO vindt in afwijking van artikel 8:62 van de Awb het onderzoek ter zitting, voor zover betrekking hebbend op medische gegevens, met gesloten deuren plaats.

4.12.2 De rechtbank overweegt dat de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 25 februari 1998, gepubliceerd in RSV 1998/106, heeft geoordeeld dat artikel 88h, eerste lid, van de WAO zo moet worden toegepast dat de behandeling van het geding ter zitting, voor zover die betrekking heeft op medische gegevens, in beginsel met gesloten deuren plaatsvindt, maar dat de rechter - ambtshalve of op verzoek van één of meer partijen - kan beslissen dat de behandeling ter zitting in het openbaar plaatsvindt. Namens eiseres is verzocht de behandeling ter zitting in het openbaar plaats te laten vinden. De rechtbank kan, nu werkneemster geen toestemming heeft gegeven eiseres kennis te laten nemen van haar medische gegevens, het verzoek van eiseres niet honoreren. Honorering van het verzoek van eiseres zou er immers toe leiden dat zij ter zitting alsnog kennis kan nemen van de medische gegevens met betrekking tot werkneemster, terwijl de toestemming voor het kennisnemen door eiseres van die medische gegevens uitdrukkelijk is geweigerd.

4.13 Proceskosten

4.13.1 Nu het beroep gegrond is ziet de rechtbank zich niet genoodzaakt een oordeel te vormen over het betoog van eiseres met betrekking tot het veroordelen van verweerder in de proceskosten bij een ongegrond beroep.

4.13.2 De rechtbank acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proces-kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,00 als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voorts worden de kosten voor de arts-gemachtigde met toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 322,00. Daarbij is voor de rechtsbijstandsverlener en de arts-gemachtigde zowel voor het indienen van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld. De hoogte van het te vergoeden bedrag aan proceskosten bedraagt derhalve in totaal € 966,00.

Het verzoek van eiseres om verweerder te veroordelen in de kosten van de door haar ingeschakelde (register)arbeidsdeskundige wijst de rechtbank af. Daartoe overweegt de rechtbank dat de onderhavige zaak primair een medisch meningsverschil betreft en dat de gemachtigde van eiseres, zoals de rechtbank hiervoor in rechtsoverweging 4.11.4 heeft overwogen, in staat moet worden geacht de arbeidskundige aspecten van de zaak te beoordelen. Het maken van kosten voor de (register)arbeidsdeskundige wordt daarom door de rechtbank in dit geval niet redelijk geacht, zodat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

5. Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit neemt op het bezwaar van werkneemster;

- bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het griffierecht ten bedrage van € 232,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 966,00

- wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 966,00 dient te worden gedaan aan eiseres.

Aldus gewezen door mr. drs. W.P. van der Haak, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S.T. Visser, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op:

door voornoemd lid, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige kamer,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.