Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2004:AO5588

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
08-03-2004
Datum publicatie
15-03-2004
Zaaknummer
AWB 03/248
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2005:AU0536
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vernietiging besluit m.b.t. WAO-schatting wegens strijd met o.m. de artikelen 2 en 4 van het Schattingsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:66 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: WAO 03/248

Inzake: Didi Fashion BV, gevestigd te Heerhugowaard, eiseres,

tegen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Het besluit van verweerder van 22 januari 2003.

2. Zitting

Datum: 6 januari 2004.

Eiseres is verschenen bij vertegenwoordigers [vertegenwoordiger] en [vertegenwoordiger], en gemachtigde mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg, en arts-gemachtigde J.M.W.N. Derks.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. K.M. Schuijt, werkzaam bij UWV Cadans.

3. Ontstaan en loop van het geding

[werkneemster] (hierna: werkneemster) is op 17 april 2001 uitgevallen voor haar werkzaamheden als kledingverkoopster in dienst van eiseres.

Op 24 april 2002 heeft verweerders verzekeringsarts een verzekeringsgeneeskundige rapportage over werkneemster uitgebracht.

Bij besluit van 8 juli 2002 heeft verweerder aan werkneemster met ingang van 16 april 2002 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Tegen dit besluit is namens eiseres bij brief van 6 augustus 2002, bij verweerder ontvangen op 7 augustus 2002, bezwaar gemaakt.

Bij brief van 7 november 2002 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat werkneemster geen toestemming heeft verleend de medische stukken die aan de beslissing ten grondslag liggen aan eiseres te verstrekken.

Bij brief van 17 december 2002 heeft verweerder, op verzoek van eiseres, de medische stukken die aan de beslissing ten grondslag liggen toegezonden aan de arts-gemachtigde van eiseres.

Bij brief van 6 januari 2003 heeft de arts-gemachtigde de gronden van het bezwaar aangevuld.

Bij besluit van 22 januari 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseres bij brief van 21 februari 2003, bij de rechtbank ingekomen op 24 februari 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 27 maart 2003 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 9 mei 2003 heeft werkneemster desgevraagd toestemming verleend, die inhoudt dat eiseres recht heeft op inzage in, dan wel kennisname of toezending van enig stuk dat medische gegevens bevat. Voorts heeft werkneemster te kennen gegeven niet als partij van rechtswege te willen deelnemen aan de procedure.

Bij brief van 13 november 2003 is namens eiseres een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het geding op 6 januari 2004 ter zitting behandeld.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

4. Motivering

4.1. In dit geding dient te worden beoordeeld of verweerder, onder handhaving van het primaire besluit, terecht en op goede gronden met ingang van 16 april 2002 aan werkneemster een uitkering krachtens de WAO heeft toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het besluit van verweerder berust op de opvatting dat werkneemster overeenkomstig de rapportage van de verzekeringsarts van 24 april 2002 per datum van toekenning van de uitkering tijdelijk geen benutbare mogelijkheden heeft ten aanzien van het verrichten van arbeid en derhalve volledige arbeidsongeschikt is.

4.2. In beroep heeft eiseres primair betoogd dat onvoldoende is gemotiveerd waarom per datum van toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering de wachttijd van 52 weken als bedoeld in artikel 19 van de WAO is verstreken, aangezien op grond van de stukken kan worden betwijfeld of werkneemster op die datum heeft voldaan aan het vereiste dat zij 52 weken onafgebroken (met onderbrekingen van minder dan vier weken) arbeidsongeschikt is geweest. Subsidiair heeft eiseres betoogd dat ondeugdelijk is gemotiveerd waarom werkneemster per datum in geding geen benutbare mogelijkheden heeft. In dit verband heeft eisers betoogd dat zij van verweerder geen medische gegevens heeft ontvangen waarop een dergelijk oordeel kan worden gefundeerd.

4.3. Ingevolge artikel 18 van de WAO is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de werknemer met zijn krachten en bekwaamheden in staat is, te verdienen, hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

Het begrip arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 18 van de WAO kent een tweetal componenten, te weten een medische component en een arbeidskundige component. Voor de medische component wordt beoordeeld welke gevolgen de bij de verzekerde geconstateerde ziekte(n) of gebreken hebben voor diens lichamelijke dan wel psychische belastbaarheid, terwijl de arbeidskundige component daarin bestaat dat wordt bezien welke gangbare functies kunnen worden uitgeoefend ondanks de verminderde belastbaarheid en welk loon daarmee nog kan worden verdiend.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (hierna: het Schattingsbesluit) kan van het arbeidsdeskundig onderzoek worden afgezien indien uit verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene zodanig wisselend belastbaar is voor arbeid dat betrokkene geen benutbare mogelijkheden heeft.

Ingevolge artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit zijn benutbare mogelijkheden als bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid alleen dan niet aanwezig indien:

a. betrokkene is opgenomen in een ziekenhuis of een op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten erkende instelling, met uitzondering van een inrichting waar geestelijk gestoorde delinquenten van overheidswege verpleegd worden;

b. betrokkene bedlegerig is;

c. betrokkene voor het uitvoeren van activiteiten van het dagelijks leven dermate afhankelijk is dat hij lichamelijk niet zelfredzaam is; of

d. betrokkene in zijn zelfverzorging, in zijn directe samenlevingsverband alsook in zijn sociale contacten, waaronder zijn werkrelaties, niet of dermate minimaal functioneert dat hij psychisch niet zelfredzaam is.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Schattingsbesluit voldoet het verzekeringsgeneeskundig onderzoek aan de volgende vereisten:

a. de gebruikte onderzoeksmethoden, argumentatie, bevindingen en conclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek worden schriftelijk vastgelegd;

b. een door een andere verzekeringsarts uitgevoerd verzekeringsgeneeskundig onderzoek zal tot dezelfde bevindingen en conclusies kunnen leiden;

c. de redeneringen en conclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zijn vrij van innerlijke tegenspraak.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het Schattingsbesluit geschieden de vaststellingen en het onderzoek, bedoeld in artikel 3, aan de hand van algemeen aanvaarde verzekeringsgeneeskundige onderzoeksmethoden die gericht zijn op het kunnen vaststellen van ongeschiktheid tot werken als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling.

4.4. Ten aanzien van het primaire betoog van eiseres overweegt de rechtbank als volgt.

De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 27 februari 2002 (gepubliceerd in RSV 2002/135) geoordeeld dat uit artikel 19 van de WAO in samenhang met het bepaalde in artikel 29 van de Ziektewet (hierna: ZW) volgt dat het uitvoeringsorgaan voor het antwoord op de vraag of de betrokkene gedurende een onafgebroken periode van 52 weken arbeidsongeschikt is gebleven, dient te beoordelen of de betrokkene over een onafgebroken periode van 52 weken ziekengeld, zoals bedoeld in het vijfde en zesde lid van artikel 19 van de WAO, heeft ontvangen. In het onderhavige geval heeft eiseres niet betwist dat werkneemster voorafgaande aan de ingangsdatum van de WAO-uitkering gedurende 52 weken achtereen ziekengeld heeft ontvangen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit terecht heeft aangenomen dat werkneemster op de datum in geding gedurende een onafgebroken periode van 52 weken arbeidsongeschikt is geweest en dat op die datum de wachttijd als bedoeld in artikel 19 van de WAO is verstreken. De omstandigheid dat de voortduring van de ZW-uitkering, zoals eiseres heeft betoogd, blijkens het dossier vrijwel uitsluitend gebaseerd is geweest op door werkneemster ingeleverde zogeheten 'Eigen verklaringen' die niet of nauwelijks door een verzekeringsarts zijn beoordeeld, kan gelet op voormelde uitspraak niet tot een ander oordeel leiden. Het primaire betoog van eiseres faalt derhalve.

4.5.1. Ten aanzien van het subsidiaire betoog van eiseres overweegt de rechtbank als volgt.

4.5.2. Uit de rapportage van 24 april 2002 blijkt dat de onderzoeksactiviteiten van de verzekeringsarts hebben bestaan uit bestudering van de aanwezige dossiergegevens inclusief eventuele ARBO- en ZW-gegevens en telefonisch overleg met de verzekerde. Dit heeft blijkens onderdeel 2.2 van de rapportage de volgende onderzoeksgegevens opgeleverd:

"Verzekerde is een thans 35-jarige vrouw, uitgevallen voor haar werkzaamheden als verkoopster parttime. Zij was 22 uur per week werkzaam en viel op 07-03-01 uit wegens zwangerschapsklachten. Zij werd op 18-02-02 nog gezien door ZW-arts [verzekeringsarts] en die rapporteert dat verzekerde thans weer zwanger is waarbij een cerclage werd aangebracht; bij eerdere zwangerschap is zij prematuur bevallen, waarna het kindje na 20 minuten overleed. Er geldt nu een rustadvies van de gynaecoloog. Verzekerde is à terme op 04-08-02.

Verzekerde kon desgevraagd bovenstaande gegevens (telefonisch) bevestigen."

Op grond van deze onderzoeksgegevens heeft de verzekeringsarts de diagnose cervixinsufficiëntie gesteld. In onderdeel 4.1 van de rapportage overweegt de verzekeringsarts dat werkneemster nu weer zwanger is en een absoluut rustadvies en cerclage heeft, zodat een FML (Functionele Mogelijkheden Lijst) niet wordt opgesteld. In onderdeel 5 van de rapportage concludeert de verzekeringsarts dat werkneemster tijdelijk geen benutbare mogelijkheden heeft ten aanzien van het verrichten van arbeid en dat zij volledig arbeidsongeschikt is ten gevolge van zwangerschapsklachten.

4.5.3. De rechtbank stelt vast dat het dossier geen ARBO-gegevens bevat. Derhalve gaat de rechtbank ervan uit dat ook de verzekeringsarts bij het opstellen van zijn rapportage niet de beschikking had over ARBO-gegevens. De rechtbank stelt voorts vast dat van de in het dossier aanwezige ZW-gegevens slechts één stuk betrekking heeft op de zwangerschap die voor de verzekeringsarts aanleiding is geweest om werkneemster per datum in geding volledig arbeidsongeschikt te achten. Dit betreft de Rapportage ziektewet (hierna: ZW-rapportage) van 18 februari 2002 van [verzekeringsarts], waarnaar de verzekeringsarts in zijn rapportage heeft verwezen.

Uit de ZW-rapportage blijkt dat de onderzoeksactiviteiten in dat kader hebben bestaan uit het afnemen van een anamnese, waarbij werkneemster kennelijk melding heeft gemaakt van het aanbrengen van een cerclage op 28 januari 2002 en het gynaecologische advies om rust te houden en om zich tot en met week 22 elke 2 weken te laten controleren. Uit de ZW-rapportage blijkt dat er geen onderzoek is verricht en evenmin informatie van derden is opgevraagd. Op grond van deze gegevens wordt de conclusie getrokken dat werkneemster arbeidsongeschikt is voor eigen werk/gangbare arbeid ten gevolge van zwangerschap of bevalling.

4.5.4. De rechtbank concludeert op grond van het vorenstaande dat het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde verzekeringsgeneeskundig onderzoek vrijwel uitsluitend is gebaseerd op een anamnese en derhalve niet voldoet aan de vereisten zoals die zijn gesteld in artikel 4 van het Schattingsbesluit. Met name voldoet het onderzoek, als gevolg van een zeer summier gebruik van onderzoeksmethoden, niet aan de in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Schattingsbesluit gestelde eis dat een door een andere verzekeringsarts uitgevoerd verzekeringsgeneeskundig onderzoek tot dezelfde bevindingen en conclusies zal kunnen leiden. In dit verband merkt de rechtbank op dat de arts-gemachtigde op overtuigende wijze heeft betoogd dat een zwangere die kampt met cervixinsufficiëntie, nadat er een cerclage is aangebracht, over het algemeen in staat is lichtere, bijvoorbeeld administratieve, werkzaamheden te verrichten.

Voorts is de rechtbank met eiseres van oordeel dat de onderzoeksgegevens geen blijk geven van een situatie als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d, of artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit, zodat de verzekeringsarts in strijd met die bepalingen heeft aangenomen dat werkneemster tijdelijk geen benutbare mogelijkheden heeft ten aanzien van het verrichten van arbeid.

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit, gelet op de gebrekkige medische grondslag, in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Onder voormelde omstandigheden had het op zijn minst op de weg van verweerder(s verzekeringsarts) gelegen om werkneemster lichamelijk te onderzoeken en informatie bij haar behandelend gynaecoloog op te vragen.

4.5.5. Het subsidiaire betoog van eiseres slaagt derhalve.

4.6. Het beroep is derhalve gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de in overweging 4.5.4. vermelde bepalingen. Verweerder dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiseres te nemen.

4.7. De rechtbank acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proces-kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,00 als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voorts worden de kosten voor de arts-gemachtigde met toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 322,00. Daarbij is voor de rechtsbijstandverlener en de arts-gemachtigde zowel voor het indienen van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld. De hoogte van het te vergoeden bedrag aan proceskosten bedraagt derhalve in totaal € 966,00.

5. Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiseres neemt;

- bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het griffierecht ten bedrage van € 218,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 966,00;

- wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 966,00 dient te worden gedaan aan eiseres.

Aldus gewezen door mr. drs. W.P. van der Haak, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S.T. Visser, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 8 maart 2004.

door voornoemd lid, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige kamer,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.