Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2004:AO3451

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
10-02-2004
Datum publicatie
11-02-2004
Zaaknummer
14.010149-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf en tbs omdat hij het leven van een jonge vrouw heeft beëindigd door haar van nabij door het hoofd te schieten. De rechtbank oordeelt dat de man ten tijde van zijn daad in verminderde mate toerekeningsvatbaar was, dat er een aanzienlijk risico op recidive aanwezig is en dat behandeling van zijn persoonlijkheidsstoornis noodzakelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer: 14.010149-03

Datum uitspraak: 9 februari 2004

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1976,

gedetineerd in PI Midden Holland, HvB De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 januari 2004.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de verdachte en mr. H.K. ter Brake te Hoorn, raadsman van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

hij op of omstreeks 04 april 2003 te Hoogkarspel, in de gemeente Drechterland opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), (van korte afstand) met een revolver, althans een vuurwapen, driemaal, althans een of meermalen, een kogel door of in het hoofd van die [slachtoffer] geschoten (waardoor hersen- en/of weefselschade en/of verbloeding is ontstaan) tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

hij op 4 april 2003 te Hoogkarspel, in de gemeente Drechterland opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, van korte afstand met een revolver driemaal een kogel in het hoofd van die [slachtoffer] geschoten waardoor hersen- en weefselschade en verbloeding is ontstaan tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Moord.

5. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

De inhoud van de in dit vonnis onder 6 genoemde rapporten van de gedragsdeskundigen geven de rechtbank geen aanleiding tot niet-strafbaarheid van de verdachte te concluderen.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

6. MOTIVERING VAN DE STRAF EN DE MAATREGEL

De rechtbank heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft aan het leven van een 30-jarige vrouw een einde gemaakt door haar dood te schieten. Hij heeft haar het meest fundamentele recht dat een mens kan hebben, te weten het recht om te leven, ontnomen. Dit is een buitengewoon ernstig feit. Aan de nabestaanden van het slachtoffer en met name haar nog jonge zoon is een onherstelbaar verlies en onnoemelijk veel leed toegebracht. Tevens is door dit delict, waarbij een jonge vrouw op brute wijze overdag op straat om het leven is gebracht, de rechtsorde ernstig geschokt. Een gebeurtenis als de onderhavige wekt gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent verdachte dit feit dan ook zwaar aan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 9 april 2003, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld, waaronder wegens geweldsdelicten.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 10 juni 2003 van J. Naber als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland te Alkmaar.

- het over de verdachte uitgebrachte rapport gedateerd 28 oktober 2003, opgemaakt in opdracht van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank door de psychiater H.A. Gerritsen, de psycholoog P.E. Geurkink en sociaal psychiatrisch werker J. Eckhardt.

Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in:

Betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens wat in diagnostische zin te omschrijven is als een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale kenmerken. Verder heeft betrokkene de neiging tot gokverslaving. Deze stoornis bestond ook ten tijde van het ten laste legde indien bewezen.

Er bestaat een duidelijke relatie tussen de persoonlijkheidspathologie en de tenlastelegging. In de aanloop naar het ten laste legde voelt betrokkene zich diep gekwetst en gekrenkt door [naam] en kort daarop door [slachtoffer]: binnen een korte tijd willen beide vrouwen niets meer met hem te maken hebben, terwijl hij de jaren daarvoor vrijwel altijd bij een van hen terecht kon. Deze situatie doet zich voor het eerst in zijn leven voor. Betrokkene kan in zijn beleving even nergens terecht voor de bevrediging van zijn behoeften. Deze krenkingen leiden tot een toename van woede zonder dat betrokkene zich hier voldoende van bewust is. Bovendien voelt hij zich door [slachtoffer] zeer onheus bejegend vanwege het in zijn ogen niet terug willen betalen van haar schuld aan hem. In zijn beleving is dit het breken van een erecode en geeft hem opnieuw de bevestiging dat hij niet serieus wordt genomen wat hij als zeer krenkend moet hebben ervaren.(..)

De ontstane situatie heeft geleid tot een verdere toename van woede en boosheid die zich ondergronds in zijn persoonlijkheid hebben opgehoopt waardoor hij als het ware 'op scherp' is komen te staan. Toen hij naar haar werk toe reed en haar aantrof op de parkeerplaats bij haar auto, probeerde hij opnieuw een gesprek met haar aan te gaan. Toen zij bleef weigeren, was hij opnieuw zo intens narcistisch gekrenkt, hetgeen heeft geleid tot massale impulsdoorbraak waarbij hij in razende woede drie kogels op haar afvuurde, waarbij [slachtoffer] de dood vond. Het gebruik van middelen eerder op de dag heeft hierbij slechts een zeer marginale rol gespeeld.

Betrokkene heeft weliswaar de ongeoorloofdheid van zijn handelen kunnen inzien, doch is in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat geweest zijn wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen. Betrokkene is naar de mening van ondergetekenden voor het thans ten laste gelegde als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De kans op herhaling van een soortgelijk of vergelijkbaar delict is zeker aanwezig. Het is namelijk te verwachten dat betrokkene op dezelfde manier relaties met een of meerdere vrouwen aangaat, waarbij hij opnieuw zal aanlopen tegen zijn eigen beperkingen en extreme gevoeligheid voor krenkingen wat uiteindelijk opnieuw kan leiden tot een massale impulsdoorbraak. Bij onvoldoende behandeling van de persoonlijkheidsstoornis is er in de toekomst een groot risico op een recidive. Vanuit het oogpunt van recidivepreventie is behandeling van zijn persoonlijkheidsstoornis noodzakelijk. Betrokkene heeft geen besef en inzicht in zijn situatie en pathologie waardoor er geen basis is om op vrijwillige basis een dergelijke behandeling te ondergaan. Gezien de ernst van de stoornis en het ontbreken van ziekte-inzicht is een behandeling in het kader van een verplicht reclasseringscontact of een TBS met voorwaarden naar de mening van ondergetekenden eveneens volstrekt ontoereikend. Op grond van deze overwegingen adviseren ondergetekenden Uw College de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Slechts in die klinische situatie en binnen dat juridisch kader zijn er voldoende mogelijkheden om de stoornis adequaat te behandelen en zijn er voldoende garanties met betrekking tot de beveiliging van de maatschappij.

- het over de verdachte uitgebrachte rapport gedateerd 16 januari 2004, opgemaakt in opdracht van de raadsman van de verdachte door de psychiater C.J.F. Kemperman en de psycholoog H. Scharft.

Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in:

Bij betrokkene is sprake van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. De persoonlijkheidsstoornis was ook aanwezig op het moment dat betrokkene het slachtoffer neerschoot.

Er is een oorzakelijk verband tussen de stoornis en het gepleegde feit. Hierbij maakt het uit of men de aanwezigheid van voorbedachte rade bewezen acht of dat men de weergave van betrokkene dat er sprake was van een impulsdoorbraak volgt. Bij een impulsdoorbraak kan men spreken over een door narcistische krenkingen opgehoopte woede die betrokkene bij zichzelf ook onvoldoende kon herkennen. In het geval van voorbedachte rade heeft de persoonlijkheidsstoornis betrokkenes motief meegekleurd vanwege een egocentrische instelling met een gebrekkig functionerend geweten.

In het geval van een impulsdoorbraak was de controle over het gedrag dermate beperkt dat men hem verminderd toerekeningsvatbaar kan achten. In het geval van voorbedachte rade is betrokkene volledig toerekenbaar of op zijn hoogst enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Gezien de persoonlijkheidsstructuur van betrokkene valt (enig) toekomstig crimineel gedrag niet uit te sluiten. Ook op de HCR-20, een risicotaxatieschaal voor gewelddadig gedrag, scoort hij op diverse factoren. Er bestaat in het impulsdoorbraak scenario een kans dat betrokkenen in de toekomst wederom een problematische relatie aan zal gaan en de frustraties die daarmee samen gaan moeilijk zal kunnen hanteren, waarna een gewelddadige impulsdoorbraak kan optreden. Behandeling van de persoonlijkheidsstructuur zal een positieve bijdrage kunnen leveren aan het beperken van recidivegevaar.

Geadviseerd wordt om betrokkene in het impulsdoorbraak scenario te behandelen in het kader van een TBS met voorwaarden, met als voorwaarde dat hij zich aanvankelijk zal laten opnemen in een forensisch psychiatrische kliniek om zich daar te laten behandelen.

Mocht bewezen worden geacht dat betrokkene moord met voorbedachten rade heeft gepleegd, dan vervalt dit advies omdat het verband tussen de stoornis en het delict dan te zwak is om een TBS-advies te kunnen rechtvaardigen.

Met betrekking tot laatstgenoemde twee rapporten, overweegt de rechtbank het volgende.

Anders dan de deskundigen die het tweede rapport over de verdachte hebben uitgebracht, acht de rechtbank een impulsdoorbraak niet onverenigbaar met (het juridische begrip) voorbedachten rade.

Dat de verdachte op 4 april 2003 met voorbedachte raad heeft gehandeld, leidt de rechtbank af uit de feiten en omstandigheden, die uit de bewijsmiddelen blijken. Kort gezegd komt een en ander op het volgende neer. De verdachte is op 4 april 2003 in de ochtend met een schietklare revolver, voorzien van zes scherpe patronen in zijn auto van huis vertrokken. In de loop van de middag heeft de verdachte op enig moment besloten naar het latere slachtoffer op haar werk te gaan. Zijn auto heeft hij op een andere plaats geparkeerd dan in de voor de hand liggende, onmiddellijke omgeving van het werk en de auto van het slachtoffer. Bij het verlaten van zijn auto had hij de schietklare revolver in zijn rechter jaszak gestoken en deze heeft hij ook buiten zijn zak in zijn hand gehad; ongeloofwaardig is dat de verdachte de revolver niet in zijn auto heeft achtergelaten met het oog op spelende kinderen in de buurt van zijn auto. Kennelijk heeft de verdachte op zijn minst genomen rekening gehouden met de mogelijkheid, dat de revolver van pas zou kunnen komen. Ook in het geval de fatale impulsdoorbraak heeft plaatsgevonden op het moment dat het slachtoffer weigerde met de verdachte te praten, heeft de verdachte zich bewust in de situatie begeven, die tot de impulsdoorbraak heeft geleid.

Op basis van beide rapporten komt de rechtbank tot het oordeel dat er een causaal verband bestaat tussen de persoonlijkheidsstoornis van de verdachte en het bewezen verklaarde feit, dat de verdachte ten tijde van het plegen van het feit in verminderde mate toerekeningsvatbaar was, dat er een aanzienlijk risico op recidive aanwezig is en dat behandeling van de persoonlijkheidsstoornis noodzakelijk is.

Gelet op de buitengewone ernst van het bewezen verklaarde feit en de omstandigheid dat dit feit de verdachte - zij het verminderd - toegerekend kan worden, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van aanzienlijke duur passend en geboden is.

Met het oog op de duur (meer dan drie jaar) van de op te leggen vrijheidsstraf komt terbeschikkingstelling met voorwaarden, zoals door de verdediging bepleit, niet in aanmerking, terwijl de rechtbank deze maatregel ook ontoereikend acht.

De rechtbank zal de terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten, nu het bewezen verklaarde feit een misdrijf is, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eisen.

De rechtbank zal voorts bevelen, dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd, nu de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen die verpleging eisen.

7. BENADEELDE PARTIJ

De benadeelde partij [familielid slachtoffer], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van 3.786,61 euro wegens schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag kan de vordering worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

8. SCHADEVERGOEDING ALS MAATREGEL

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde.

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van betaling en verhaal, heft de opgelegde verplichting niet op.

9. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

10. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 8 (acht) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Gelast voorts de terbeschikkingstelling van de verdachte.

Beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [familielid slachtoffer], [adres] te [postcode] Hoorn.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van 3.786,61 euro (drieduizend zevenhonderd zesentachtig euro en éénenzestig eurocent) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer, genaamd [familielid slachtoffer], [adres] te [postcode] Hoorn, te betalen een som geld ten bedrage van 3.786,61 euro (drieduizend zevenhonderd zesentachtig euro en éénenzestig eurocent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 75 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H. de Klerk, voorzitter,

mr. A.J. Dondorp en mr. S.M. Schothorst, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten, griffier,

en is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2004.