Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2004:AO2791

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
30-01-2004
Datum publicatie
02-02-2004
Zaaknummer
03/1217
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

toepassing spaarpuntenregeling tempobeurs; meetellen kalendermaanden zonder studiefinanciering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank [Amsterdam]

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:66 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr: WSFBSF 02/1217

Inzake: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen: De hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, verweerster.

1. Aanduiding bestreden besluit

Het besluit van verweerster van 24 september 2002.

2. Zitting

Datum: 12 december 2003.

Eiser is in persoon verschenen.

Verweerster is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigde mr. P.E. Merema, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep.

3. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 12 december 1998 (bericht 1998, no. 6) heeft verweerster aan eiser meegedeeld dat hij in het studiejaar 1997/1998 onvoldoende studiepunten heeft behaald en dat als gevolg daarvan de over de maanden januari tot en met juni 1998 uitbetaalde beurs is omgezet in een lening.

Met een daartoe bestemd formulier, gedateerd 13 juni 2002, heeft eiser verweerster verzocht hem voor het studiejaar 1997/1998 in aanmerking te brengen voor de Spaarregeling studiepunten tempobeurs (hierna: Spaarregeling).

Bij besluit van 12 juli 2002 heeft verweerster dit verzoek afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 14 augustus 2002 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 24 september 2002 heeft verweerster dit bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 29 oktober 2002, door de rechtbank ontvangen op 31 oktober 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 20 november 2002 heeft verweerster de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingediend. Bij brief van 12 november 2003 heeft verweerster haar verweerschrift nader aangevuld.

4. Motivering

4.1. Tussen partijen is in geschil of eiser met betrekking tot het studiejaar 1997/1998 in aanmerking gebracht moet worden voor de Spaarregeling. Bij de beoordeling van dit geschil gaat de rechtbank uit van de volgende als vaststaand aan te merken feiten en omstandigheden.

4.2. Eiser heeft met ingang van 1 september 1993 studiefinanciering ontvangen ten behoeve van zijn opleiding tot arts. Van 1 september 1995 tot 1 september 1996 heeft eiser zijn studie onderbroken om een reis te kunnen maken. In deze periode heeft hij geen studiefinanciering ontvangen. Met ingang van 1 september 1996 heeft hij zijn studie hervat en vanaf dat moment heeft hij ook weer studiefinanciering ontvangen.

Op 25 mei 1998 is eiser een ernstig ongeval overkomen waarna hij geruime tijd heeft gerevalideerd. In verband daarmee heeft hij zijn studie wederom onderbroken en zijn studiefinanciering laten stopzetten met ingang van 1 juli 1998. In het studiejaar 1997/1998 had hij op dat moment 14 studiepunten behaald. Bij besluit van 12 december 1998 (bericht 1998, no. 6) heeft verweerster aan eiser meegedeeld dat hij in het studiejaar 1997/1998 onvoldoende studieresultaten heeft behaald, zodat de over de maanden januari tot en met juni 1998 toegekende beurs is omgezet in een lening.

Op 1 september 1999 heeft eiser zijn studie hervat en met ingang van die datum is hem weer studiefinanciering toegekend. Op 13 november 1999 heeft hij opnieuw een ongeval gehad waarna hij drie maanden heeft gerevalideerd. Op 25 april 2002 heeft eiser zijn artsenopleiding voltooid en de voor deze opleiding vereiste 252 studiepunten behaald waarna hem op 30 mei 2002 de doctoraal- en artsenbul is uitgereikt. In verband daarmee is hem tot en met 30 april 2002 studiefinanciering toegekend.

Bij brief van 31 mei 2002 heeft verweerster aan eiser meegedeeld dat hij van 1 september 1993 tot en met 30 april 2002 in totaal 78 maanden studiefinanciering heeft genoten.

4.3. Ingevolge artikel 10.1 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) wordt in hoofdstuk 10 van deze wet onder tempobeurs verstaan een voorwaardelijke gift die onder voorwaarden kan worden omgezet in een lening.

Ingevolge artikel 10.2, eerste lid, van de Wsf 2000 zijn de bepalingen in de Wsf 2000 met betrekking tot de tempobeurs uitsluitend van toepassing op studenten die na 31 juli 1991 en voor 1 september 1996 voor het eerst voor het volgen van hoger onderwijs studiefinanciering ontvingen op grond van de Wet op de studiefinanciering (WSF).

Ingevolge artikel 10.5, derde lid, van de Wsf 2000, zoals dit artikel luidde ten tijde hier in geding, wordt de tempobeurs gedurende 7 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding genoemd in artikel 7.4, derde lid, tweede volzin, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) met een studielast van 252 studiepunten.

Ingevolge artikel 7.4, derde lid, tweede volzin van de WHW bedraagt de studielast van opleidingen voor (onder meer) het beroep van arts 252 studiepunten.

Ingevolge artikel 10.6, tweede lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier in geding en voor zover hier van belang, bestaat de tempobeurs geheel uit lening in het studiejaar waarin de student niet ten minste 21 studiepunten heeft behaald.

Ingevolge artikel 10.6, zevende lid, van de Wsf 2000 kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot de mogelijkheid om studiepunten, behaald in een voorafgaand studiejaar, mee te laten tellen bij de beoordeling van de vraag of aan de norm, bedoeld in het tweede lid, is voldaan. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder studiepunten die in enig jaar zijn behaald, leiden tot herziening van een beschikking, inhoudende de onvoorwaardelijke vorm van de aan de student toegekende studiefinanciering op grond van artikel 10.7.

Ingevolge artikel 10.7, tweede lid, van de Wsf 2000, voor zover van belang, wordt ten aanzien van een student de tempobeurs toegekend onder de voorwaarde dat de student over een studiejaar het in artikel 10.6, tweede lid vastgestelde resultaat behaalt.

Ingevolge artikel 10.7, derde lid, eerste volzin, van de Wsf 2000, voor zover van belang, wordt over het studiejaar waarin de student blijkens de mededeling aan de IB-Groep de norm van de studievoortgang niet heeft behaald met ingang van 31 december van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, de tempobeurs van rechtswege omgezet in lening.

In artikel 18 van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf) is met de zogenoemde Spaarregeling uitvoering gegeven aan artikel 10.6, zevende lid, van de Wsf 2000. Ingevolge het eerste lid van deze bepaling zet de IB-Groep, indien over een studiejaar de tempobeurs van een student op grond van artikel 10.7, derde lid, eerste volzin, van de wet is omgezet in lening, en die student over dat studiejaar op de voet van artikel 10.6, tweede lid, van de wet, ten minste 10 studiepunten heeft behaald, op aanvraag van de student het desbetreffende bedrag aan lening alsnog om in gift indien de student aan de volgende voorwaarden voldoet:

a. hij heeft aan opleidingen waarop artikel 10.6 van de wet van toepassing is, een aantal studiepunten behaald dat ten minste gelijk is aan de voor de laatst gevolgde opleiding geldende studielast, en

b. dit aantal studiepunten is behaald binnen het aantal maanden, gemeten vanaf het tijdstip waarop de student voor het eerste studiefinanciering ontving voor het volgen van hoger onderwijs, dat de uitkomst is van de formule (studielast x 12 : 42) +12.

4.4. Eiser heeft met een beroep op artikel 18, eerste lid, van het Bsf verzocht om de bij het besluit van 12 december 1998 vastgestelde lening voor het studiejaar 1997/1998, alsnog om te zetten in een gift. Verweerster heeft dit verzoek afgewezen omdat eiser niet voldoet aan voorwaarde b. van artikel 18, eerste lid, van het Bsf. De uitkomst van de in deze voorwaarde opgenomen formule is bij een studielast voor een artsenopleiding van 252 punten: (252 x 12 : 42) + 12 = 84 maanden. Verweerster is van mening dat het daarbij gaat om kalendermaanden, te rekenen vanaf het moment dat eiser voor het eerst studiefinanciering ontving. Eiser ontving voor het eerst studiefinanciering met ingang van 1 september 1993 en heeft op 25 april 2002 de 252 vereiste studiepunten behaald. Daarmee is in de visie van verweerster de termijn van 84 maanden ruimschoots overschreden.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij wel heeft voldaan aan alle voorwaarden om voor de Spaarregeling in aanmerking te komen. Hij voert daartoe aan dat door verweerster de periodes waarover hij zijn recht op studiefinanciering heeft beëindigd ten onrechte zijn meegerekend bij het bepalen van de termijn zoals vermeld in artikel 18, eerste lid, onder b, van de Bsf. Eiser is, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Groningen van 5 februari 2002 (01/300 WFSBSF), van mening dat de maanden waarop in deze bepaling wordt gedoeld slechts de maanden zijn waarover daadwerkelijk studiefinanciering is ontvangen. Nu hij slechts 78 maanden studiefinanciering heeft ontvangen, terwijl de uitkomst van vorengenoemde formule 84 maanden is, voldoet hij naar zijn mening wel aan alle voorwaarden voor toepassing van de Spaarregeling. Subsidiair stelt eiser dat op grond van de hardheidsclausule de lening voor het studiejaar 1997/1998 alsnog in een gift dient te worden omgezet omdat hij tot twee maal toe een ernstig ongeval heeft gehad maar er desondanks in is geslaagd zijn medicijnenstudie af te ronden binnen een feitelijke studietijd van zeven jaar.

4.5. Het geschil spitst zich toe op de vraag hoe artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bsf moet worden geïnterpreteerd. De vraag die de rechtbank in dit kader dient te beantwoorden is of de periode waarin een student niet ingeschreven heeft gestaan voor een opleiding en dus geen recht op studiefinanciering heeft gehad, wel of niet wordt meegerekend bij de ingevolge deze bepaling te berekenen termijn. De rechtbank Groningen heeft geoordeeld in de hiervoor onder 4.4. genoemde uitspraak dat de periode waarin geen studiefinanciering is aangevraagd niet mag worden gerekend bij deze termijn. Deze rechtbank maakt dit oordeel tot het hare en zij overweegt daartoe als volgt.

4.6 De Spaarregeling is op grond van artikel 17b, vierde lid, van de WSF opgenomen in artikel 12a van het destijds geldende Bsf bij Besluit van 16 april 1996, houdende wijziging van het Besluit studiefinanciering in verband met invoering van een spaarregeling studiepunten (Koninklijk Besluit van 16 april 1996, Staatsblad 1996, 233; hierna: het KB). Aan de Nota van Toelichting bij het KB ontleent de rechtbank het volgende:

"1. Inleiding

Bij Wet van 2 juli 1993 (Stb. 403) is in de Wet op de studiefinanciering (WSF) een systeem van studievoortgangscontrole ingebracht, hierna te noemen tempobeurs.

De voortgangsnorm voor de tempobeurs is bij Wet van 29 september 1994 (Stb. 742) met ingang van het studiejaar 1995-1996 verhoogd naar 21 studiepunten (ofwel 50% van de studielast) per studiejaar. Bij de behandeling van het desbetreffende wetsvoorstel is bij amendement een nieuw vierde lid aan artikel 17b van de WSF toegevoegd dat de mogelijkheid biedt om bij algemene maatregelen van bestuur een regeling te treffen waardoor studiepunten "gespaard" kunnen worden. Over de uitwerking van deze regeling heeft ondergetekende op 12 oktober 1995 een akkoord bereikt met de studentenorganisaties ISO en LSVb. Daarover is de Kamer bij brief van 20 oktober 1995 geïnformeerd (kamerstukken II 1995/96, 23 634, nr. 18).

De onderhavige algemene maatregel van bestuur strekt tot uitwerking van deze bepaling.

2. De spaaroptie

Indien een studerende onvoldoende studievoortgang voor de tempobeurs in enig studiejaar boekt, wordt de voorwaardelijk verstrekte beurs over dat studiejaar omgezet in rentedragende lening. Indien deze studerende, naar voorgesteld recht, in het aantal jaren van de cursusduur plus één jaar het aantal studiepunten haalt dat overeenkomt met de studielast voor die cursusduur, kan de studerende verzoeken de aanvankelijk over één studiejaar verstrekte beurs die inmiddels was omgezet in een rentedragende lening, om te zetten in een onvoorwaardelijke beurs. De periode van de cursusduur plus één jaar wordt met ten hoogste één jaar verlengd als een studerende wegens op grond van artikel 7.51, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek erkende bijzondere omstandigheden zoals ziekte en bestuurswerk, niet voldeed aan de norm van de tempobeurs (artikel 17b van de WSF). Deze mogelijkheid tot omzetting wordt met "spaaroptie" aangeduid."

Aan de hiervoor genoemde brief van de minister van 20 oktober 1995 ontleent de rechtbank het volgende:

"In het algemeen overleg met de vaste kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 28 september jongstleden is de brief van ondergetekende d.d. 14 juli 1995 (kamerstukken II 1994-95, 23 634, nr. 16) besproken over de zogenaamde spaaroptie in de tempobeurs.(…)

Omtrent de hoofdlijnen van een dergelijke spaarregeling zou de Kamer binnen

twee weken nader bericht worden. Ondergetekende kan hierover thans het volgende

aangeven.

De studentenorganisaties ISO en LSVb hebben de bereidheid getoond om intensief met het ministerie van OCenW over de vormgeving van een spaarregeling te overleggen. Het verheugt ondergetekende dan ook u te kunnen berichten dat met de studentenorganisaties een akkoord over de spaarregeling is bereikt onder voorbehoud van goedkeuring door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het bereikte akkoord treft u in de bijlage aan. De Ministerraad heeft zijn goedkeuring reeds gegeven aan het akkoord op 20 oktober jl..(…)"

In het akkoord van 20 oktober 1995 is onder meer aangegeven dat:

"4. In de spaarpuntenregeling wordt compensatie geboden voor één studiejaar waarin voor de tempobeurs een onvoldoende resultaat is behaald, mits in dit studiejaar wel ten minste 10 studiepunten zijn gehaald.

5. Voor deze compensatie is vereist dat de studerende binnen een periode die gelijk is aan de cursusduur vermeerderd met twaalf maanden, gemeten vanaf het begin van de eerste maand waarin hij studiefinanciering wegens het volgen van hoger onderwijs heeft ontvangen, een aantal studiepunten heeft gehaald dat gelijk is aan het aantal jaren van de cursusduur vermenigvuldigd met 42 (de nominale studielast).

6. Indien de studerende tijdens voornoemde periode ondersteuning heeft gekregen vanuit het afstudeerfonds in verband met het niet gehaald hebben van de tempobeursnorm (krachtens artikel 7.51 WHW), wordt deze periode verlengd met de periode waarvoor de ondersteuning werd verleend tot een maximum van twaalf maanden."

Uit de in bijlage bij dit akkoord gevoegde brieven van de LSVb en ISO van 13 oktober 1995 blijkt instemming met dit akkoord. Uit de brief van het LSVb blijkt dat bij de onderhandelingen met name aandacht is geschonken aan de mate waarin studenten compensatie moeten leveren voor het in een jaar niet behalen van de temponorm. Het feit dat de regeling er de facto op neer komt dat in enig jaar een bovennominale studieprestatie moet worden geleverd, was dan ook met name een punt van aandacht.

4.7.1. De rechtbank stelt op grond van de hiervoor onder 4.6 weergegeven geschiedenis van de totstandkoming van de Spaarregeling vast dat een situatie als die van eiser, die zich gedurende ruim twee studiejaren niet heeft laten inschrijven en over deze jaren evenmin studiefinanciering heeft aangevraagd en genoten, geen onderwerp van bespreking is geweest. De rechtbank stelt derhalve vast dat de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 18 van het Bsf onvoldoende aanknopingspunten biedt voor verweersters stelling dat jaren, waarin de studie is onderbroken en waarin geen recht op studiefinanciering heeft bestaan, moeten meetellen bij de op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van het Bsf te maken rekensom.

4.7.2. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat een redelijke uitleg van deze bepaling moet

leiden tot de conclusie dat de maanden waarin een student niet stond ingeschreven bij een onderwijsinstelling en geen recht op studiefinanciering heeft gehad buiten beschouwing gelaten dienen te worden bij de berekening en dat slechts die kalendermaanden meetellen waarover recht op studiefinanciering heeft bestaan. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank allereerst in artikel 10.5 van de Wsf 2000 waarin de duur van de tempobeurs bij de onderscheiden opleidingen is vastgelegd. Ingevolge het derde lid van deze bepaling is de duur van de tempobeurs voor een artsenopleiding 7 jaren. Zoals hiervoor onder 4.2 is weergegeven heeft eiser ten behoeve van de afronding van zijn studie 78 maanden als student ingeschreven gestaan en studiefinanciering genoten. Bij een volgens de temponormen verlopende studievoortgang zou hij ingevolge artikel 10.5, derde lid, maximaal 84 maanden recht hebben gehad op een studiebeurs voor het afronden van de artsenopleiding. Verweersters interpretatie heeft de, naar het oordeel van de rechtbank ongewenste, consequentie dat eiser de tegenvallende resultaten in het studiejaar 1997/1998 niet kan compenseren terwijl vaststaat dat hij zich extra inspanningen heeft getroost om zijn studie binnen de maximale duur van de tempobeurs te behalen. Juist in een dergelijk geval ligt toepassing van de Spaarregeling voor de hand.

De rechtbank leidt onder het hiervoor weergegeven akkoord van 20 oktober 1995 (met name uit hetgeen onder 4. is opgenomen) en uit de daaraan voorafgaande correspondentie af dat met de Spaarregeling vooral is beoogd om tempobeursstudenten de mogelijkheid te bieden om de achterblijvende resultaten van één studiejaar te compenseren. Hierdoor krijgen deze studerenden, indien zij in een later jaar een extra studieprestatie leveren, de gelegenheid zich alsnog te verzekeren van het maximum aantal jaren tempobeurs.

Daarbij geldt, gelet op het bepaalde in artikel 18, eerste lid, onder a, van het Bsf, wel de voorwaarde dat binnen het maximum aantal beursjaren ook een diploma is behaald. Zoals verweerster immers terecht opmerkt in haar verweerschrift, kan de Spaarregeling gezien worden als een keuze voor het diplomamodel, zoals dit voor de prestatiebeursstudenten tot uiting komt in Hoofdstuk 5 van de Wsf 2000. Er zij echter op gewezen dat voor de prestatiebeursstudenten ingevolge het bepaalde in artikel 5.5 van de Wsf 2000 een ruime diplomatermijn van 10 jaren geldt. Zou men de Spaarregeling interpreteren op de wijze die verweerster voorstaat, dan zou een (veel) kortere diplomatermijn gelden. Gelet op de bedoeling van de Spaarregeling om de tempobeursstudenten een compensatiemogelijkheid te bieden, die mede is ingegeven door de wens om de gevolgen van de verhoging van de temponorm te verzachten, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor verweersters standpunt dat is beoogd de diplomatermijn in het systeem van tempobeurs met Spaarregeling kort te houden. De rechtbank ziet daarbij niet in dat, zoals verweerster stelt, de door de rechtbank (en de rechtbank Groningen) voorgestane interpretatie van de Spaarregeling een onevenredige bevoordeling van de tempobeursstudenten ten opzichte van de prestatiebeursstudenten zou betekenen. Verweerster heeft hieromtrent aangevoerd dat prestatiebeursstudenten minder mogelijkheden hebben voor een compensatie van een jaar met slechte studieresultaten, nu zij slechts beurs kunnen ontvangen voor de cursusduur, terwijl tempobeursstudenten recht hebben op de cursusduur plus één jaar. De rechtbank stelt hier echter tegenover dat de prestatiebeursstudent slechts het eerste studiejaar aan een temponorm moet voldoen, terwijl deze voor de tempobeursstudent voor ieder studiejaar opnieuw geldt. Dat sprake is van een onevenredige bevoordeling van de tempobeursstudent door een uitleg van de Spaarregeling als door de rechtbank voorgestaan, is derhalve niet aannemelijk geworden.

4.8. Op grond van het voorgaande trekt de rechtbank de conclusie dat verweerster ten

onrechte bij de toepassing van artikel 18, eerste lid, onder b, van het Bsf de periodes heeft betrokken waarover eiser niet stond ingeschreven als student en geen studiefinanciering heeft genoten. Gelet op hetgeen met de Spaarregeling is beoogd dient de tekst van artikel 18, eerste lid, onder b, van het Bsf niet zo strikt te worden uitgelegd als verweerster heeft gedaan. Het bestreden besluit dient derhalve te worden vernietigd wegens strijd met de wet. Verweerster dient een nieuwe beslissing op eisers bezwaar te nemen, waarbij zij bij de toepassing van artikel 18, eerste lid, van het Bsf uitgaat van het aantal maanden dat eiser ingeschreven stond als student en recht had op studiefinanciering. Gelet op deze beslissing behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

4.9. De rechtbank is niet gebleken dat eiser voor deze procedure kosten heeft gemaakt die ingevolge het bepaalde in het Besluit proceskosten Bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

5. Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerster een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de Informatie Beheer Groep aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 29,00 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M.F.G.H. Beckers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van T.B.A. Verbey, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 30 januari 2004

door voornoemd lid, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige kamer,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.