Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2004:AO2572

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
28-01-2004
Datum publicatie
28-01-2004
Zaaknummer
14.018069-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Valse aangifte door een KLPD-functionaris: vrijspraak van diens collega terzake van medeplegen en medeplichtigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer: 14.018069-01

Datum uitspraak: 28 januari 2004

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1965,

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 januari 2004.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de verdachte en mr. R. van der Hoeven, raadsman van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

hij op of omstreeks 23 maart 2001 te Alkmaar, in elk geval in het arrondissement Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader, toen en aldaar ten overstaan van de hoofdagent van politie in het district Noord-Kennemerland van de regiopolitie Noord-Holland-Noord, R.E. Minneboo, opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van een te Heiloo gepleegde autokraak (te weten de diefstal - al dan niet door middel van braak/verbreking - van een koffer met inhoud uit een aldaar aan de Waard geparkeerd staande auto), terwijl hij en/of zijn mededader wist(en) dat die autokraak niet in Heiloo was gepleegd, maar in Amsterdam;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[Medeverdachte] op of omstreeks 23 maart 2001 te Alkmaar, in elk geval in het arrondissement Alkmaar, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft die [medeverdachte] toen en aldaar ten overstaan van de hoofdagent van politie in het district Noord-Kennemerland van de regiopolitie Noord-Holland-Noord, R.E. Minneboo, opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van een te Heiloo gepleegde autokraak (te weten de diefstal - al dan niet door middel van

braak/verbreking - van een koffer met inhoud uit een aldaar aan de Waard geparkeerd staande auto), terwijl die [medeverdachte] wist dat die autokraak niet in Heiloo was gepleegd, maar in Amsterdam,

bij en/of tot het plegen van welk vorenomschreven misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 23 maart 2001 te Amsterdam en/of te Heiloo, in elk geval in de/het arrondissement(en) Alkmaar en/of Amsterdam, (als medeplichtige) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door ter verhulling van de werkelijke pleegplaats van die autokraak, met die [medeverdachte] als mogelijke pleegplaats(en) Haarlem (nabij de woning van collega [naam collega]) en/of Alkmaar (nabij de McDonalds) en/of Heiloo (nabij de woning van hem, verdachte) te bespreken, en/of

ter verhulling van de werkelijke pleegplaats van die autokraak, tegen zijn direct leidinggevende, inspecteur J.M. de Vis, te zeggen - zakelijk weergegeven - dat hij, verdachte, in Haarlem aan het rondrijden was om te kijken of hij de koffer kon terug vinden en/of dat hij in struiken en zo aan het kijken was, en/of

ter verhulling van de werkelijke pleegplaats van die autokraak, aan brigadier L. van der Plas telefonisch mede te delen - zakelijk weergegeven - dat die Van der Plas, [medeverdachte] en hem, verdachte, de avond tevoren niet in Amsterdam had gezien, en/of

na te laten de politie er van op de hoogte te brengen en/of er voor te waarschuwen dat die [medeverdachte] de ware plaats van de autokraak verhulde en/of die [medeverdachte] niet van het doen van onjuiste aangifte te weerhouden;

2. ONTVANKELIJKHEID OPENBAAR MINISTERIE

Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging op grond van een aantal ter terechtzitting nader toegelichte omstandigheden. Gelet op na te noemen beslissing is de rechtbank van oordeel, dat verdachte geen belang heeft bij bespreking van dit verweer, zodat de rechtbank daarvan zal afzien.

3. VRIJSPRAAK

Aan verdachte wordt, kort samengevat, verweten dat hij met een ander ([medeverdachte]) een valse aangifte heeft gedaan danwel medeplichtig is geweest aan de valse aangifte door [medeverdachte].

Uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat het [medeverdachte] is geweest die op 23 maart 2001 een valse aangifte ten overstaan van de politie te Alkmaar heeft gedaan en dat verdachte daarbij niet aanwezig is geweest. Om verdachte desalniettemin als medepleger te kunnen aanmerken, dient vast te staan, dat zijn gedragingen een nauwe en volledige samenwerking met [medeverdachte] met betrekking tot de valse aangifte opleveren. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Verdachte is niet de aanstichter van de valse aangifte geweest en hij heeft evenmin ideeën geopperd over de wijze waarop de aangifte gedaan zou moeten worden. In de gehele gang van zaken heeft verdachte slechts een ondersteunende rol ten opzichte van [medeverdachte] gespeeld, welke rol onvoldoende is om van medeplegen te spreken.

Dit brengt de rechtbank tot de vraag of het optreden van verdachte medeplichtigheid aan de aangifte oplevert. Naar het oordeel van de rechtbank kan als vaststaand worden aangenomen dat verdachte in woord en daad het voornemen van [medeverdachte] de werkelijke pleegplaats van het misdrijf (de diefstal van [medeverdachte]s koffertje) te verhullen, heeft ondersteund. Zo heeft hij onder andere in opdracht van [medeverdachte], in de ochtend van 23 maart 2001 voordat de aangifte een feit was, KLPD-collega Van der Plas gebeld met de mededeling dat [medeverdachte] en verdachte op de avond van 22 maart 2001 "niet in Asterdam waren geweest" om te voorkomen dat die Van der Plas daarover binnen het KLPD uitlatingen zou doen. Voor het bewijs van de ten laste gelegde opzet is evenwel vereist dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het doen van een valse aangifte door [medeverdachte]. De stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het bewijs dat verdachte dat opzet had in de nacht van 22 op 23 maart 2001. Voorts staat weliswaar vast dat verdachte in de ochtend van 23 maart 2001 op enig moment te horen kreeg dat [medeverdachte] aangifte ging doen, maar niet kan worden vastgesteld dat voornoemd telefoongesprek met Van der Plas nadien heeft plaatsgevonden. De enige aan verdachte te wijten gedraging die resteert nadat hij op de hoogte raakte van [medeverdachte]s voornemen aangifte te doen, is zijn verzuim kennis te geven van de juiste pleegplaats aan de bevoegde autoriteiten voordat de aangifte werd gedaan. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit verzuim geen medeplichtigheid oplevert.

Het voorgaande brengt mee dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd.

De verdachte moet daarom worden vrijgesproken.

4. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van der Perk, voorzitter,

mr. T. Luigjes en mr. A.M. van Woensel, rechters,

in tegenwoordigheid van W. Veenstra, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 januari 2004.