Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2004:AO1687

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
13-01-2004
Datum publicatie
14-01-2004
Zaaknummer
14.010436-03, 14.075177-03 en 14.010048-01 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee jaar celstraf voor seksueel geweld tegen meisjes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummers: 14.010436-03

14.075177-03

14.010048-01 (tul)

Datum uitspraak: 13 januari 2004

OP TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaken van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Colombia) op [datum] 1981,

wonende te Schagen,

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord - Huis van Bewaring Zwaag te Zwaag.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 december 2003.

De politierechter heeft de zaak onder het parketnummer 14.075177-03 naar deze kamer verwezen.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de verdachte en mr. G. Lieffijn te Den Helder, raadsman van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGINGEN

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, in de zaak met parketnummer 14.010436-03 onder 1. primair, ten laste gelegd dat hij op een tijdstip gelegen in de maand augustus 2003 in de gemeente Schagen door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] (geboren 15 september 1991) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte zijn penis in de vagina en/of anus van dat meisje gestoken en/of gebracht en/of een of meer van zijn vingers in de vagina en/of anus van dat meisje gebracht en/of gestoken en

bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte die [slachtoffer 1] bij haar pols heeft gepakt en/of gegrepen en/of (vervolgens) heeft meegetrokken in een toiletruimte en/of (vervolgens) de deur van die toiletruimte heeft afgesloten en/of (vervolgens) de broek en het slipje van die [slachtoffer 1] naar beneden heeft getrokken en/of (aldus) voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, in de zaak met parketnummer 14.010436-03 onder 1. subsidiair ten laste gelegd dat hij op een tijdstip gelegen in de maand augustus 2003 in de gemeente Schagen, met [slachtoffer 1], (geboren op [datum] 1991) die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis en/of één of meer vinger(s) in de vagina en/of anus van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht.

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 14.010436-03 onder 2. primair ten laste gelegd dat hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2003 tot en met 6 juli 2003 te Schagen door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] (geboren op [datum] 1989) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte:

- zijn hand(en) in de broek van die [slachtoffer 2] gestoken en/of gebracht en/of geduwd en/of

- een of meerma(a)l(en) op/over de vagina van die [slachtoffer 2] gewreven en/of geaaid en/of

- met zijn hand het hoofd van die [slachtoffer 2] naar beneden geduwd en/of (vervolgens) zijn geslachtsdeel een of meerma(a)l(en) in de mond van die [slachtoffer 2] gebracht en/of geduwd,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- achter die [slachtoffer 2] is gaan staan en/of

- (vervolgens) - toen die [slachtoffer 2] weg probeerde te lopen - die [slachtoffer 2] bij de hand en/of arm heeft vastgehouden en/of tegengehouden en/of

- (vervolgens) opzettelijk die [slachtoffer 2] dreigend de woorden heeft toegevoegd : "Als je het tegen iemand zegt of naar de politie gaat dan maak ik je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

en/of

(aldus) voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 14.010436-03 onder 2. subsidiair ten laste gelegd dat hij in of omstreeks 1 juli 2003 tot en met 6 juli 2003 te Schagen, met [slachtoffer 2] (geboren op [datum] 1989), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de mond van die Marx geduwd en/of gebracht.

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 14.010436-03 onder 3. ten laste gelegd dat hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2002 tot en met 30 juni 2002 te Schagen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het strelen en/of het aaien en/of het wrijven en/of het betasten op/over/van de borst(en) en/of de vagina en/of de buik van die [slachtoffer 3] en

bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte die [slachtoffer 3]

- bij de arm(en) heeft vastgepakt en/of (vervolgens) een steeg heeft ingetrokken en/of

- (vervolgens) (verder) die steeg heeft ingetrokken (ten gevolge waarvan zij vanaf "de straat" niet meer zichtbaar waren).

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 14.010436-03 onder 4. ten laste gelegd dat hij in of omstreeks de periode 26 april 2002 tot en met 3 mei 2002 te Schagen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het wrijven op/over de (boven)benen van die [slachtoffer 4] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte die [slachtoffer 4]

- heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of (vervolgens) de fiets (van die [slachtoffer 4]) heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- (vervolgens) een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp uit zijn kleding heeft gepakt en/of

- (vervolgens) dat pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond en/of getoond gehouden en/of gericht en/of gericht gehouden in de richting (van het lichaam) van die [slachtoffer 4].

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 14.075177-03 ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 29 juni 2003 in de gemeente Schagen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een winkel heeft weggenomen een blikje bier, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan "Wizzl", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voorzover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VRIJSPRAAK

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. primair en 4. is ten laste gelegd.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 14.010436-03 onder 1. subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij in de maand augustus 2003 in de gemeente Schagen met [slachtoffer 1] (geboren op [datum] 1991), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina en een vinger in de anus van die [slachtoffer 1] geduwd.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 14.010436-03 onder 2. primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij in de periode van 1 juli 2003 tot en met 6 juli 2003 te Schagen door feitelijkheden [slachtoffer 2] (geboren op [datum] 1989) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte:

- zijn hand in de broek van die [slachtoffer 2] gestoken en

- over de vagina van die [slachtoffer 2] gewreven en

- met zijn hand het hoofd van die [slachtoffer 2] naar beneden geduwd en vervolgens zijn geslachtsdeel in de mond van die [slachtoffer 2] geduwd,

en bestaande die feitelijkheden hierin dat verdachte

- achter die [slachtoffer 2] is gaan staan en

- vervolgens - toen die [slachtoffer 2] weg probeerde te lopen - die [slachtoffer 2] bij de hand heeft vastgehouden en tegengehouden en

aldus voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 14.010436-03 onder 3. tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij in de periode van 1 juni 2002 tot en met 30 juni 2002 te Schagen door geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het strelen en het betasten van een borst van die [slachtoffer 3] en uit het strelen van de vagina en de buik van die [slachtoffer 3] en bestaande dat geweld hierin dat verdachte die [slachtoffer 3]

- bij de arm heeft vastgepakt en vervolgens een steeg heeft ingetrokken en

- vervolgens verder die steeg heeft ingetrokken, tengevolge waarvan zij vanaf "de straat" niet meer zichtbaar waren.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 14.075177-03 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij 29 juni 2003 in de gemeente Schagen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel heeft weggenomen een blikje bier, toebehorende aan "Wizzl".

Hetgeen in de zaak met parketnummer 14.010436-03 onder 1. subsidiair, 2. primair, 3. en in de zaak met parketnummer 14.075177-03 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. BEWIJSMIDDELEN 14.010436-03, feit 1.

1) Het proces-verbaal van aangifte met nummer PL1030/03-337419 van 15 september 2003, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren J. van Leeuwen en L. Wiegant.(047)

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op genoemde datum tegenover verbalisanten Van Leeuwen en Wiegant, beiden voornoemd, afgelegde verklaring van [ouder van slachtoffer 1]:

Ik wil aangifte doen van verkrachting. Ik doe dit namens mijn minderjarige dochter, [slachtoffer 1], geboren op [datum] 1991 te Bergen op Zoom.

Afgelopen donderdagmiddag 11 september 2003, werd ik gebeld door de schoolarts Hanneke Kossen. Hanneke vroeg of ik gelijk wilde langskomen. Zij vertelde dat er iets ergs was gebeurd met [slachtoffer 1]. Ik ben gelijk naar Hanneke gegaan.

Hanneke vertelde: "Er is iets met [slachtoffer 1] gebeurd, zij is verkracht". Hanneke vertelde dat het volgens [slachtoffer 1] twee weken geleden gebeurd was. Hanneke vertelde dat zij twee zwangerschapstesten had gedaan bij [slachtoffer 1] en dat die negatief waren.

Zij vertelde dat het gebeurd was in het jongerencentrum "Trapman" en dat zij de wc was ingetrokken en daar verkracht was.

De afgelopen dagen heb ik met [slachtoffer 1] gesproken. [slachtoffer 1] vertelde dat zij verkracht was. [slachtoffer 1] noemde de naam [verdachte]. [slachtoffer 1] zei: "Hij deed eerst zijn broek naar beneden en toen bij mij".

Op 13 september 2003 zei [slachtoffer 1] alleen maar: "Het deed heel erg pijn hoor mamma". [getuige 1], een vriendinnetje van [slachtoffer 1], is getuige geweest van het meenemen van [slachtoffer 1]. [getuige 1] vertelde dat zij gezien had dat [verdachte] [slachtoffer 1] aan haar arm meetrok de wc in.

2) Het proces-verbaal van verhoor met nummer PL1030/03-337419 van 16 september 2003, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren J. van Leeuwen en L. Wiegant. (054)

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op genoemde datum tegenover verbalisanten Van Leeuwen en Wiegant, beiden voornoemd, afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]:

Mijn hartsvriendin is [getuige 1]. Ik was met [getuige 1] bij "Trapman" om te internetten. Mijn mobiele telefoon ging over. Ik liep naar buiten om te kunnen praten. Toen ik klaar was met bellen wilde ik naar binnen lopen en daar stond een jongen die ik ken als [verdachte]. [Verdachte] moest naar de wc en vroeg een aantal keren aan mij of ik met hem naar de wc wilde. Ik zei een paar keer "nee". Om van het gezeur af te zijn en omdat ik bang was dat hij "iets" zou doen, ben ik met hem meegegaan de wc in. Daarvoor had [verdachte] aan mij gevraagd wie ik was en hou oud ik was. In de wc trok hij zijn broek naar beneden en trok hij mijn broek naar beneden. Wij stonden tegenover elkaar en toen deed hij "het". "Het" is dat hij met zijn penis in mijn vagina ging. Ik denk dat het ongeveer 3 à 4 weken geleden gebeurd is. Het was de heren wc in de "Trapman", een internetcafé. Ik vind het pure verkrachting. Ik wilde niet.

3) Het proces-verbaal van verhoor met nummer PL1030/03-337419 van 20 oktober 2003, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren J. van Leeuwen en L. Wiegant. (063)

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op genoemde datum tegenover verbalisanten Van Leeuwen en Wiegant, beiden voornoemd, afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]:

[verdachte] heeft met z'n vinger in en aan mijn kont gezeten.

4) Een geschrift, zijnde een afschrift van een akte van de burgerlijke stand, afgegeven op 18 september 2003 door de ambtenaar van de burgerlijke stand van Bergen op Zoom. (066)

Dit geschrift houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, dat op [datum] 1991 in de gemeente Bergen op Zoom is geboren [slachtoffer 1].

5) Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1030/03-337419 van 16 september 2003, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren J. van Leeuwen en L. Wiegant. (067)

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als het relaas van verbalisanten:

Op 16 september 2003 toonden wij aan [slachtoffer 1] een politiefoto met het nummer PL1000:03:10223 (de rechtbank begrijpt: de politiefoto met daarop de afbeelding van de verdachte)

Wij hoorden [slachtoffer 1] zeggen: "Dat is [verdachte] waar ik vanmorgen met u over gesproken heb. Ik twijfelde eerst maar ik herken hem aan de moedervlek op zijn kin".

Op dinsdag 15 september 2003 (de rechtbank begrijpt: 16 september 2003) toonde ik, verbalisant Wiegant, de genoemde foto aan [getuige 1], het vriendinnetje van [slachtoffer 1].

Ik hoorde [getuige 1] zeggen: "Hij heeft nooit dat truitje aan gehad". Hierop bedekte ik met mijn hand de op de foto zichtbare trui. Hierop hoorde ik [getuige 1] zeggen: "Hij draagt altijd een petje". Hierop bedekte ik met mijn hand de op de foto zichtbare haardracht. Vervolgens hoorde ik [getuige 1] zeggen: "Ja, dat is hem. Dat is [verdachte]".

6) Het proces-verbaal van verhoor met nummer PL1030/03-337419 van 17 september 2003, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar L. Wiegant. (073)

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op genoemde datum tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 1]:

Mijn hartsvriendin is [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] en ik vertellen elkaar alles. Ongeveer een maand geleden zijn wij na schooltijd naar het internetcafé "de Trapman" in Schagen gegaan. [verdachte] was er ook. [slachtoffer 1] en ik zijn gaan computeren. Op een gegeven moment zaten [verdachte], [slachtoffer 1] en ik op de gang. [verdachte] ging de sleutel van de wc vragen. Toen [verdachte] terugkwam hoorde ik hem zeggen : "Ga je mee naar de wc?" Ik hoorde dat [slachtoffer 1] zei: "Nee".

Ik zag dat [verdachte] haar bij haar pols vastpakte en [slachtoffer 1] meetrok. Ze gingen de wc in. Even later zag ik [slachtoffer 1] de wc uitkomen. Ik denk dat ze een half uur binnen was. Ik zag dat [verdachte] ook de wc uitkwam. Ik zag dat hij "de Trapman" uitrende. Ik zag aan [slachtoffer 1] dat ze een beetje verdrietig was. Dat zag ik aan haar ogen. Die stonden droevig.

Drie dagen later heeft [slachtoffer 1] het mij wel verteld.

Het was op school. Ik vroeg haar: "Heb je het met [verdachte] gedaan?" Toen zei [slachtoffer 1] mij dat [verdachte] haar had verkracht. Later die dag vertelde [slachtoffer 1] het verhaal aan meneer [naam leerkracht].

Gisteren, dinsdag 16 september 2003 heeft u mij een foto laten zien van een jongen. Ik herkende die jongen. Dat is [verdachte]. Ik herkende hem aan zijn plekje. Hij heeft een plek op zijn kin. Volgens mij aan de rechterkant van zijn kin. Ik herken hem ook aan zijn gezicht.

7) Het proces-verbaal van aangifte met nummer PL1030/03-337419 van 19 september 2003, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren J. van Leeuwen en I. Schaafsma. (078)

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op genoemde datum tegenover verbalisanten Van Leeuwen en Schaafsma, beiden voornoemd, afgelegde verklaring van H. Kossen-Boot:

Ik ben werkzaam als GGD arts.

Op 3 september 2003 werd ik gebeld door de leraar [naam leerkracht] van het GSG in Schagen. Hij vroeg aan mij of er een zwangerschapstest kon worden gedaan omdat er een meisje een paar dagen over tijd was. Hij noemde nog geen naam. Even later belde de heer [naam leerkracht] mij weer terug en hij vertelde mij dat het om [slachtoffer 1] ging. Hij noemde mij toen ook de geboortedatum van [slachtoffer 1]. Op 5 september 2003 zat [slachtoffer 1] al te wachten samen met haar vriendin [getuige 1].

Voordat ik een zwangerschapstest met zo'n meisje doe, stel ik eerst algemene vragen om te bezien hoe groot het risico is dat zij inderdaad zwanger zou kunnen zijn.

[Slachtoffer 1] vertelde mij dat zij ongeveer 2 weken daarvoor contact had gehad en dat zij in de week daarvoor ongesteld had moeten worden. Zij vertelde mij dat zij bij "Trapman" in Schagen was benaderd door een jongen die de sleutel van de wc had en dat zij door die jongen verbaal overdonderd was en toen was meegegaan naar de wc waar die jongen haar broek naar beneden had gedaan en dat hij hem er toen had ingestopt.

[Slachtoffer 1] vertelde dat zij 2 dagen een pijnlijk gevoel rond haar vagina had gehad. [Slachtoffer 1] vertelde mij dat die jongen [verdachte] heette.

Ik schatte het hele verhaal als waar in. Ik vond dat [slachtoffer 1] niet vrijwillige seks had gehad.

8) Het proces-verbaal van verhoor met nummer PL1030/03-337419 van 22 september 2003, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren J. van Leeuwen en L. Wiegant. (026)

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op genoemde datum tegenover verbalisanten Van Leeuwen en Wiegant, beiden voornoemd, afgelegde verklaring van de verdachte:

U vertelt mij dat [slachtoffer 1] aangifte heeft gedaan van verkrachting. Het is ongeveer een maand geleden gebeurd in "de Trapman" in Schagen. Ik zag dat meisje. Zij was samen met een ander meisje. Ik heb eerst gezoend met dat meisje. Dat was in "de Trapman" bij de uitgang. Ik wilde met haar naar de wc. Ik vroeg aan een vriend van mij achter die achter de bar werkt om de sleutel van de wc. Met die sleutel heb ik de herenwc opengemaakt. Ik ben toen met dat meisje naar een wc gegaan waar ook een deur voor zat. In die wc heb ik gezoend met dat meisje. Ik wilde dat meisje neuken. Ik ging met mijn hand in haar broek en ik voelde aan haar kut.

9) Het proces-verbaal van verhoor met nummer PL1030/03-337419 van 24 september 2003, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren J. van Leeuwen en L. Wiegant. (084)

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op genoemde datum tegenover verbalisanten Van Leeuwen en Wiegant, beiden voornoemd, afgelegde verklaring van [getuige 2]:

U vertelt mij dat [verdachte] heeft gezegd dat hij tegen mij heeft verteld dat hij seks had gehad met een meisje in "De Trapman" in Schagen. Ik kan mij onder andere herinneren dat [verdachte] seks had gehad met een meisje op de wc in "De Trapman". Ik begreep uit zijn woorden dat hij haar geneukt had.

Het geschrift onder 4) is slechts gebezigd in verband met de inhoud van het onder 1) genoemde bewijsmiddel.

6. BEWIJSMIDDELEN 14.010436-03, feit 2.

1) Het proces-verbaal van aangifte met nummer PL1030/03-339435 van 29 september 2003, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren J. van Leeuwen en L. Wiegant. (089)

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op genoemde datum tegenover verbalisanten Van Leeuwen en Wiegant, beiden voornoemd, afgelegde verklaring van [slachtoffer 2]:

Ik wil aangifte doen tegen [verdachte] omdat hij mij gedwongen heeft om hem te pijpen. Ik woon sinds 28 juni 2003 in Schagen. Net toen wij in Schagen woonden bleef er een vriendin, [getuige 3], bij mij slapen. [Getuige 3] kende een groepje jongens waaronder [verdachte].

(Opm. verb. Wij laten aangeefster [slachtoffer 2] een politiefoto zien van [verdachte], nummer PL1000:03:10223)

Ja, dat is de foto van [verdachte] waarover ik nu spreek.

Die groep jongens zat bij elkaar op een basketbalveldje in de Nes in Schagen. Ik ben samen met [getuige 3] meerdere keren naar die groep jongens geweest om te praten. Toen wij daar zaten maakte [verdachte] wel opmerkingen naar mij in de trant van "je bent een mooi meisje" en "je hebt mooie ogen". Mijn eerste indruk van [verdachte] was dat ik hem aardig vond. Ik vond hem een beetje aantrekkelijk.

De tweede of derde keer vroeg [verdachte] aan mij of ik met mee het park in ging. Hij zei tegen mij: "Ga je mee praten". Ik ben meegegaan met [verdachte]. Ik voelde mij gedwongen. [Getuige 3] zei tegen mij dat [verdachte] altijd een mes of een pistool bij zich droeg en als ik hem iets zou weigeren hij dan iemand zomaar een klap voor z'n kop kon geven.

Ik hoorde [verdachte] zeggen: "Je moet mij pijpen". Ik zei: "Nee". Op dat moment kwam [verdachte] achter mij staan en ik voelde dat hij met zijn hand in mijn broek en onderbroek ging. Ik voelde dat hij met zijn hand over mijn vagina wreef. Ik probeerde weg te lopen. Dat lukte niet omdat [verdachte] mijn rechterhand vast hield. Ik was bang voor hem.

[Verdachte] ging met zijn rug tegen een boom staan. Op dat moment had [verdachte] zijn broek en onderbroek naar beneden getrokken. Ik was gewoon bang voor hem en durfde niet weg te lopen, ook om hetgeen [getuige 3] over hem had verteld.

Ik voelde dat [verdachte] een hand op mijn hoofd legde en mijn hoofd vet hard naar beneden duwde. Ik zag dat zijn piemel stijf en groot was. Ik moest [verdachte] pijpen en heb volgens mij wel tien keer gezegd dat ik dat niet wilde. Ik weet wat pijpen is. De piemel van [verdachte] in mijn mond nemen.

[Verdachte] heeft mij meerdere malen gezegd dat ik hem moest pijpen. Ik deed zijn piemel in mijn mond. Ik was zo bang dat ik het toch maar deed. Ik heb [verdachte] ongeveer twee minuten gepijpt. Terwijl ik zijn piemel in mijn mond had duwde hij met zijn hand mijn hoofd heen en weer.

2) Een geschrift, zijnde een afschrift van een akte van de burgerlijke stand, afgegeven op 23 oktober 2003 door de ambtenaar van de burgerlijke stand van Alkmaar. (095)

Dit geschrift houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, dat op [datum] 1989 in de gemeente Alkmaar is geboren [slachtoffer 2].

3) Het proces-verbaal van verhoor met nummer PL1030/03-339435 van 3 oktober 2003, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar M.L. Loete. (097)

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op genoemde datum tegenover verbalisant Loete voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 3]:

[Slachtoffer 2] is mijn beste vriendin.

Ik was er bij toen [slachtoffer 2] door [verdachte] werd meegenomen om met haar te praten. Dat was de avond voor dat ik op vakantie naar Frankrijk zou gaan. We waren op het basketbalveldje toen [verdachte] aan [slachtoffer 2] vroeg of ze met hem meeging om te praten. [Slachtoffer 2] is met [verdachte] meegegaan naar het parkje waar die kabelbaan is. We hebben wel drie kwartier op [slachtoffer 2] staan wachten. Bij het politiebureau kwam ik [slachtoffer 2] tegen. [Slachtoffer 2] vertelde mij wat er gebeurd was. Ze vertelde mij dat [verdachte] haar had gedwongen om hem te pijpen. Toen [slachtoffer 2] mij dat vertelde zag ik aan haar dat ze moeite deed om niet te moeten huilen. Ik ben op 4 of 5 juli 2003 met vakantie gegaan.

7. BEWIJSMIDDELEN 14.010436-03, feit 3.

1) Het proces-verbaal van aangifte met nummer PL1030/03-340175 van 1 oktober 2003, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren J. van Leeuwen en L. Wiegant. (104)

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op genoemde datum tegenover verbalisanten Van Leeuwen en Wiegant, beiden voornoemd, afgelegde verklaring van [slachtoffer 3]:

Ik wil aangifte doen tegen [verdachte], omdat hij mij aangerand heeft op 't Vosje te Schagen. Het was in de maand juni 2002 toen de kermis werd opgebouwd in Schagen. Ik was toen 16 jaar oud. Op het kermisterrein kwam ik [verdachte] tegen.

(Wij, verbalisanten, tonen een foto onder nummer PL1000:03:10223)

U laat mij een foto zien. Ja, dat is de [verdachte] die ik in mijn aangifte bedoel.

Ik raakte met hem in gesprek. Hij vertelde dat hij [verdachte] heette en dat hij uit Schagen kwam.

Ik wilde verder lopen in de richting van mijn huis. Wij liepen al pratend in de richting van mijn huis. Toen wij voorbij de steeg 't Vosje liepen voelde ik dat [verdachte] met zijn linkerhand mijn rechteronderarm vast pakte en mij de steeg in trok. Hij trok mij mee de steeg in tot dat wij een hoekje omgingen. Hij trok mij mee naar een hek van een soort fietsenhok. Vanaf de Nieuwstraat kan men ons niet zien staan. Ik heb geprobeerd mij los te trekken maar hij hield mij daarvoor te stevig vast.

Toen wij bij het hek stonden liet hij mij los.Ik stond met mijn rug tegen het hek aan. [Verdachte] stond heel dicht tegenover mij. Hij streelde over mijn rechterarm. Vervolgens voelde ik dat hij mij over mijn buik begon te strelen. Hij deed dat met zijn linkerhand. Ik voelde dat hij met zijn linkerhand onder mijn trainingsjack en shirt ging. Ik droeg ook een bh onder mijn shirtje. Ik voelde dat hij mijn linkerborst aanraakte. Ik voelde dat hij met zijn hand over mijn borst streelde en over mijn tepel streelde en in mijn borst begon te knijpen. Ik zei tegen [verdachte] dat hij moest ophouden. [Verdachte] zei niets en ging gewoon door.

Ik voelde dat hij met zijn andere hand in mijn broek ging. Ik voelde dat hij mij aan het strelen was bij mijn vagina.

2) Het proces-verbaal van verhoor met nummer PL1030/03-340175 van 10 oktober 2003, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren J. van Leeuwen en I. Schaafsma. (109)

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op genoemde datum tegenover verbalisanten Van Leeuwen en Schaafsma, beiden voornoemd, afgelegde verklaring van [getuige 4]:

Ik ben het stiefzusje van [slachtoffer 3].

Het was zomer 2002 toen de kermis in Schagen werd opgebouwd. Het was rond vier à vijf uur. Ik zag dat [slachtoffer 3] helemaal overstuur thuis kwam. Ik hoorde haar huilen, schreeuwen en janken tegelijk. Ze was helemaal panisch. [Slachtoffer 3] rende zonder wat te zeggen naar boven. Dat doet ze normaal nooit. Ik rende achter haar aan en vroeg aan haar: "Wat is er gebeurd? Wat is er gebeurd?" [Slachtoffer 3] zei toen dat er iets gebeurd was bij 't Vosje. Ik vroeg: "Wat dan?" [Slachtoffer 3] zei: "[verdachte] heeft mij aangerand". Onder aanranding versta ik dat [verdachte] aan haar heeft gezeten op plekken die [slachtoffer 3] niet wilde.

8. BEWIJSMIDDELEN 14.075177-03.

1) Het proces-verbaal van aangifte met nummer PL1030/03-325683 van 29 juni 2003, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar K.S. Smit. (12)

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op genoemde datum tegenover verbalisant Smit voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 4]:

Ik doe aangifte van diefstal en verklaar u het volgende. Het weggenomene behoort geheel in eigendom toe aan de stationswinkel de Wizzl. Niemand had het recht of de toestemming dit goed weg te nemen met het oogmerk het zich toe te eigenen.

Ik ben werkzaam als verkoopmedewerkster in de stationswinkel De Wizzl, Plantsoen 1 te Schagen. Op 29 juni 2003 zag ik dat een jongen een bierblikje uit het rek pakte en dit vervolgens meenam naar het midden van de winkel. Aldaar zag ik dat hij dit blikje in zijn kleding deed. Ik zag dat hij opnieuw naar het bierrek liep en een ander blikje bier pakte en met dit blikje in zijn hand naar de kassa liep en dit wilde betalen. Vervolgens zag ik dat hij het blikje uit zijn hand op de toonbank zette en de winkel verliet.

De winkel vermist één blikje van 0.5 liter Heineken alcoholhoudend bier.

2) Het proces-verbaal van verhoor met nummer PL1030/03-325683 van 29 juni 2003, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar K.S. Smit. (06)

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op genoemde datum tegenover verbalisant Smit voornoemd afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik liep toen langs het station in Schagen. Ik wilde een biertje kopen in de stationwinkel. Ik ging de winkel binnen. Ik deed daar dit blikje bier in mijn broekzak. Ik pakte een ander blikje bier. Het was een blikje Heineken bier. Ik nam dit blikje mee naar de kassa in mijn hand en wilde dit betalen. Ik heb toen het blikje bier dat ik in mijn hand had bij de kassa gelegd en ben de winkel uitgegaan. Het blikje bier dat in mijn broekzak zat nam ik mee.

9. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak met parketnummer 14.010436-03 onder 1. subsidiair bewezenverklaarde levert op:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Het in de zaak met parketnummer 14.010436-03 onder 2. primair bewezenverklaarde levert op:

Verkrachting.

Het in de zaak met parketnummer 14.010436-03 onder 3. bewezenverklaarde levert op:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Het in de zaak met parketnummer 14.075177-03 bewezenverklaarde levert op:

Diefstal.

10. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

De rechtbank heeft kennisgenomen van de zich in het dossier bevindende rapportage omtrent de persoon van de verdachte, in het bijzonder van het rapport gedateerd 18 november 2003, opgemaakt door F.M. van Aalst, psycholoog te Alkmaar.

Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in:

Betrokkene heeft voldoende inzicht gehad in de wederrechtelijkheid van het tenlastegelegde (indien bewezen). De aan de persoonlijkheidsstoornis inherente lacune in de gewetensfunctie (de rechtbank leest:) maakt dat hij de betekenis en de consequenties van zijn handelen (indien bewezen) voor anderen niet beseft; er is geen wroeging, geen spijt, geen schaamte. In die zin wordt zijn gedrag onvoldoende intern gereguleerd en heeft hij zijn wil onvoldoende kunnen bepalen. Er is sprake van licht verminderde toerekeningvatbaarheid.

Met deze inhoud kan de rechtbank zich verenigen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

11. MOTIVERING VAN DE STRAF

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft, handelend vanuit zijn behoefte aan bevrediging van zijn seksuele verlangens diverse malen misbruik gemaakt van jonge meisjes.

Hij heeft een zeer grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van zijn slachtoffers.

Kinderen behoren ongestoord te groeien naar volwassenheid, ook in seksueel opzicht. Het is niet aan volwassenen dit proces ter bevrediging van eigen lusten te verstoren, het kind daardoor een deel van de jeugd te ontnemen en ernstige psychische schade toe te brengen. Enkele slachtoffers behoeven thans nog psychisch begeleiding door deskundigen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 26 september 2003, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder terzake van vermogens- en geweldsdelicten tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld.

Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 15-12-2003 van F.M. Vis, als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland.

- het reeds genoemde psychologisch rapport gedateerd 18 november 2003, opgemaakt door F.M. van Aalst, psycholoog te Alkmaar.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder nog het volgende overwogen.

Blijkens het psychologisch rapport van F.M. van Aalst is de recidiefkans voor crimineel gedrag in het algemeen, gelet op de persoonlijkheidskenmerken van betrokkene, hoog.

Er is, aldus de psycholoog, sprake van persoonlijkheidsproblematiek die in hoge mate therapieresistent is. Zeker wanneer er sprake is van onvoldoende motivatie om een therapie te volgen, tot uiting komend in niet verschijnen op de afspraken, niet participeren in discussie en niet meewerken aan therapeutische opdrachten, is de kans op verandering minimaal. Betrokkene geeft aan niet innerlijk gemotiveerd tot behandeling te zijn en heeft een ontkennende houding voor wat betreft zijn problemen. Daarbij komt dat er sprake is van middelenmisbruik, hetgeen een adequate behandeling eveneens in de weg staat.

In aansluiting op de morele ontwikkeling van betrokkene, die niet zozeer gekenmerkt wordt door wederkerigheid in sociale contacten, maar veel meer door eigenbelang en het baseren van beslissingen op onmiddellijke behoeftegratificatie of het uit de weg gaan van straf, lijkt een strafrechtelijke afdoening van het tenlastegelegde voor de hand te liggen.

Met deze visie van de psycholoog kan de rechtbank zich verenigen.

De rechtbank maakt deze visie tot de hare.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op haar plaats is.

12. BENADEELDE PARTIJEN

o Mr. G.A.M. van Dijk, advocaat te Alkmaar en gemachtigde van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres], heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van 5.000,= euro bij wijze van voorschot, wegens immateriële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

De rechtbank begrijpt uit het onderzoek op de terechtzitting, dat het gevorderde bedrag strekt tot vergoeding van een gedeelte van de immateriële schade, die de benadeelde partij rechtstreeks heeft geleden door het onder 1. subsidiair bewezenverklaarde feit.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij voorzover deze de schade tot een bedrag van 1.500,= euro betreft, van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1. subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van 1.500,= euro, kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

Naar het oordeel van de rechtbank is het resterende gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat dit deel van die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

o Mr. G.A.M. van Dijk, advocaat te Alkmaar en gemachtigde van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [adres], heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van 5.000,= euro bij wijze van voorschot, wegens immateriële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

De rechtbank begrijpt uit het onderzoek op de terechtzitting, dat het gevorderde bedrag strekt tot vergoeding van een gedeelte van de immateriële schade, die de benadeelde partij rechtstreeks heeft geleden door het onder 2. primair bewezenverklaarde feit.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij voorzover deze de schade tot een bedrag van 1.500,= euro betreft, van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 2. primair bewezenverklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van 1.500,= euro, kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

Naar het oordeel van de rechtbank is het resterende gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat dit deel van die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

o Mr. G.A.M. van Dijk, advocaat te Alkmaar en gemachtigde van de benadeelde partij S. [slachtoffer 4], wonende te [adres], heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van 8.355,= euro bij wijze van voorschot, bestaande uit een bedrag van 3.355,= euro wegens materiële schade en een bedrag van 5.000,= euro, wegens immateriële schade, die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

De rechtbank begrijpt uit het onderzoek op de terechtzitting, dat het gevorderde bedrag strekt tot vergoeding van een gedeelte van de schade, die de benadeelde partij rechtstreeks heeft geleden door het bewezen verklaarde feit.

Nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4. is ten laste gelegd, kan de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat tenlastegelegde feit, worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

13. SCHADEVERGOEDING ALS MAATREGEL

o De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1. subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde [slachtoffer 1].

De toepassing van de vervangende hechtenis heft de op te leggen verplichting niet op.

o De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 2. primair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde [slachtoffer 2].

De toepassing van de vervangende hechtenis heft de op te leggen verplichting niet op.

14. VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE STRAF

De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van deze rechtbank van 25 september 2003 in de zaak met parketnummer 14.010048-01 aan de verdachte opgelegde straf, voorzover voorwaardelijk opgelegd, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, op grond van het feit dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 11 december 2002 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 10 oktober 2002 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering gegrond, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

Daarom behoort de gevorderde tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde straf te worden gelast.

15. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14g, 36f, 57, 242, 244, 246 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

16. BESLISSING

De rechtbank:

* Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1. primair en 4. tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

* Verklaart bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

* Verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

* Verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

* Veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van TWEE JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

* Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres], tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van 1.500,= (een duizend vijfhonderd) euro als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

* Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [adres], tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van 1.500,= (een duizend vijfhonderd) euro als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

* Verklaart de benadeelde partij S. [slachtoffer 4], wonende te [adres], niet ontvankelijk in de vordering.

* Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], te betalen een som geld ten bedrage van 1.500,= (eenduizend vijfhonderd) euro, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

* Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], te betalen een som geld ten bedrage van 1.500,= (eenduizend vijfhonderd) euro, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

* Gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, opgelegd bij voormeld vonnis van 25 september 2002 in de zaak met parketnummer 14.010048-01 aldus, dat die straf geheel wordt ten uitvoer gelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Westdorp, voorzitter,

mr. H.T. van Voorst en mr. L.H.M. Quant, rechters,

in tegenwoordigheid van J.S.J. Boekel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 januari 2004.