Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2004:AO1597

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
12-01-2004
Datum publicatie
14-01-2004
Zaaknummer
02/572
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2004:AR7120
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanschrijving, last onder dwangsom ex art 40 Woningwet, Weigering bouwvergunning verbouwing en aanbrengen lichtreclame

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:66 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr: GEMWT 02/572, BSTPL 03/790 en WW44 03/791

Inzake: de besloten vennootschap Deen Vastgoed B.V., Deen Supermarkten B.V. en Deen Winkels B.V., alle

gevestigd te Hoorn, eiseressen,

tegen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Anna Paulowna, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Het besluit van verweerder van 26 april 2002 (last onder dwangsom artikel 40 Woningwet) (zaak 02/572).

Het besluit van verweerder van 20 mei 2003 (weigering bouwvergunning) (zaak 03/791).

Het besluit van verweerder van 20 mei 2003 (weigering bouwvergunning lichtbak) (zaak 03/790).

2. Zitting

Datum: 30 oktober 2003.

Eiseressen zijn, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen, vertegenwoordigd door [de direkteur], en bijgestaan door mr. W.J.M. Loomans, advocaat te Hoorn.

Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigde H.J. de Vegt, en bijgestaan door mr. G. Creutzberg, advocaat te Den Helder.

3. Ontstaan en loop van het geding

Ten aanzien van het besluit van verweerder van 26 april 2002 (last onder dwangsom artikel 40 Woningwet) (zaak 02/572).

Bij besluit van 18 juni 2001 heeft verweerder eiseressen aangeschreven de zonder bouwvergunning aangebrachte veranderingen aan het pand Molenvaart 27 te Anna Paulowna ongedaan te maken, bij gebreke waarvan een dwangsom zal worden verbeurd van ƒ 100.000,00 per dag, met een maximum van ƒ 1.400.000,00. De aanschrijving ziet op:

1. het dichten van de tussen de panden Molenvaart 27 en Doorlaat 1 (voorheen Molenvaart 29-31)

gerealiseerde doorgang;

2. het verwijderen van hetgeen is opgericht uit hoofde van het koel- en vriesgedeelte;

3. het verwijderen van groente- en fruitposters op de ramen;

4. het verwijderen van de fastpack;

5. het verwijderen van de broodafdeling;

6. het verwijderen van de toiletafdeling.

Tegen dit besluit is namens eiseressen bij brief van 24 juli 2001 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 april 2002, op schrift gesteld op 26 april 2002 en verzonden op 1 mei 2002, heeft verweerder, onder overneming van een advies van de commissie bezwaarschriften van 15 maart 2002, het bezwaar van eiseressen ten aanzien van de hoogte van de dwangsom gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. De dwangsom is daarbij vastgesteld op € 5.000,00 per dag, met een maximum van € 70.000,00.

Tegen dit besluit hebben eiseressen bij brief van 23 mei 2002, binnengekomen bij de rechtbank op 27 mei 2002, beroep ingesteld. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar bij brief van dezelfde datum verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft bij schrijven van 13 juni 2002 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. Op 17 juni 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 1 juli 2002 heeft de voorzieningenrechter de besluiten van verweerder van 18 juni 2001 en 16 april 2002 geschorst.

De rechtbank heeft de zaken - tezamen met de zaken met nummer 02/597, 02/599 en 02/601 -gevoegd behandeld ter zitting van 30 oktober 2003.

Onder toepassing van artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de termijn voor het doen van een uitspraak met zes weken verlengd.

De rechtbank heeft heden in de zaken met nummer 02/597, 02/599 en 02/601 afzonderlijk uitspraak gedaan.

Ten aanzien van het besluit van verweerder van 20 mei 2003 (weigering bouwvergunning) (zaak 03/791).

Eiseressen hebben bij formulier gedateerd 20 juni 2001 voor zover vereist bouwvergunning aangevraagd voor een verbouwing van het pand aan de Molenvaart 27 te Anna Paulowna, waaronder het aanbrengen van een nieuwe deur tussen de panden Molenvaart 27 en Doorlaat 1 (voorheen Molenvaart 29-31) en het opbouwen van koelcellen, een fastpack-, brood- en toiletafdeling.

Bij brief van 20 september 2001 heeft verweerder eiseressen bericht de beslissing op de aanvraag aan te houden vanwege een voorgenomen herziening van het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Bij besluit van 11 februari 2002, verzonden op 14 februari 2002, heeft verweerder de gevraagde vergunning geweigerd.

Bij brief van 26 maart 2002 is namens eiseressen tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 mei 2003, verzonden op 22 mei 2003 heeft verweerder, deels in afwijking van een advies van de commissie bezwaarschriften van 16 oktober 2002, het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseressen bij ongedateerde brief, ingekomen bij de rechtbank op 27 juni 2003, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 7 juli 2003 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

De rechtbank heeft de zaken - tezamen met de zaken met nummer 02/597, 02/599 en 02/601 -gevoegd behandeld ter zitting van 30 oktober 2003.

Onder toepassing van artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de termijn voor het doen van een uitspraak met zes weken verlengd.

De rechtbank heeft heden in de zaken met nummer 02/597, 02/599 en 02/601 afzonderlijk uitspraak gedaan.

Het besluit van verweerder van 20 mei 2003 (weigering bouwvergunning lichtbak) (zaak 03/790).

Eiseressen hebben bij formulier gedateerd 16 augustus 2001 voor zover vereist bouwvergunning aangevraagd voor plaatsing van een ronde lichtbak op het pand aan de Molenvaart 27 te Anna Paulowna.

Bij besluit van 11 februari 2002, verzonden op 12 februari 2002, heeft verweerder de gevraagde vergunning geweigerd.

Bij brief van 26 maart 2002 is namens eiseressen tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 mei 2003, verzonden op 22 mei 2003 heeft verweerder, deels in afwijking van een advies van de commissie bezwaarschriften van 16 oktober 2002, het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseressen bij ongedateerde brief, ingekomen bij de rechtbank op 27 juni 2003, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 7 juli 2003 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

De rechtbank heeft de zaken - tezamen met de zaken met nummer 02/597, 02/599 en 02/601 -gevoegd behandeld ter zitting van 30 oktober 2003.

Onder toepassing van artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de termijn voor het doen van een uitspraak met zes weken verlengd.

De rechtbank heeft heden in de zaken met nummer 02/597, 02/599 en 02/601 afzonderlijk uitspraak gedaan.

4. Motivering

4.1. In deze zaak dient de vraag te worden beantwoord of verweerders besluiten, waarbij is gehandhaafd het besluit tot aanschrijving om een verbouwing aan het pand Molenvaart 1 ongedaan te maken en is gehandhaafd het besluit tot weigering van bouwvergunning voor die verbouwing en voor plaatsing van een lichtbak, in rechte stand kan houden.

4.2.1. Ter beoordeling van het geschil zijn de volgende bepalingen van belang.

4.2.2. Ingevolge artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals de bepalingen daarvan luidden ten tijde in geding, mag de bouwvergunning alleen worden geweigerd en moet deze worden geweigerd, indien het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

4.2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kleine Sluis Centrum 1996" rust op het perceel Molenvaart 27 de bestemming "Centrumgebied".

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn gronden met de bestemming "Centrumgebied" bestemd zijn voor detailhandel en dienstverlening op de begane grond en voor het wonen daarboven met de daarbij behorende bouwwerken en open terreinen, waaronder nutsvoorzieningen, verkeersvoorzieningen, parkeerplaatsen, opslag- en laad- en losplaatsen en groenvoorzieningen.

In artikel 4, derde lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de volgende bebouwingsnormen neergelegd:

1. De goot- en nokhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan op de kaart staat aangegeven.

2. Functies voor detailhandel en dienstverlening mogen uitsluitend worden gerealiseerd op de begane-grondlaag van een gebouw, tenzij op de kaart anders staat aangegeven.

4.2.4. In artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften is een overgangsbepaling neergelegd, die als volgt luidt.

1. Bouwen

Een bouwwerk dat afwijkt van dit plan en dat hetzij op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan is of wordt opgericht, hetzij na dit tijdstip is of wordt opgericht met inachtneming van het bepaalde of krachtens de Woningwet, mag, mits de bestaande afwijkingen naar hun aard niet worden vergroot en behoudens onteigening:

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits dit geen algehele vernieuwing of

verandering van het in de aanhef bedoelde bouwwerk tot gevolg heeft;

b. uitsluitend indien het bouwwerk door een calamiteit is tenietgegaan, geheel worden

vernieuwd of veranderd, met inachtneming van de grenzen welke ten aanzien van het

bouwen ter plaatse bij het plan - behoudens in dit artikellid - zijn bepaald tenzij herbouw

daardoor niet zou zijn toegestaan, en mits de aanvraag tot bouwvergunning is ingediend

binnen 18 maanden nadat het bouwwerk is tenietgegaan;

c. tot niet meer dan 115% van de oppervlakte van het in de aanhef bedoelde bouwwerk worden uitgebreid, met inachtneming van de grenzen welke ten aanzien van het bouwen ter plaatse bij het plan - behoudens dit artikellid - zijn bepaald.

4.2.5. De raad van de gemeente Anna Paulowna heeft op 26 februari 2001 vastgesteld het bestemmingsplan "Kleine Sluis Centrum 1996 - 3e herziening". Het ontwerp van de herziening is op 8 december 2000 ter inzage gelegd. De herziening is op 11 september 2001 goedgekeurd door gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland en is van kracht geworden op 16 november 2001.

Bij genoemde herziening van het bestemmingsplan is - voor zover hier van belang -

aan artikel 4, derde lid, onder a, het volgende onderdeel toegevoegd:

3. Detailhandel in de foodsector is uitsluitend toegestaan met een maximale aaneengesloten verkoopvloeroppervlakte van niet meer dan 200 m2.

4.3. Aan de bestreden besluiten ligt ten grondslag verweerders opvatting dat verbouwing van het pand Molenvaart 27 illegaal is en de gevraagde bouwvergunning moet worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan. Verweerder stelt in dit verband dat weliswaar voor het pand Doorlaat 1 reeds een bouwvergunning is verleend en het gebruik van dit pand als supermarkt niet in strijd is met het bestemmingsplan, maar dat de verbouwing van het pand Molenvaart 27 moet worden aangemerkt als een uitbreiding van de supermarkt. Daarbij neemt verweerder het standpunt in dat in het pand Molenvaart 27 een magazijn en nevenruimtes ten behoeve van de supermarkt zijn ondergebracht, dat een supermarkt niet kan functioneren zonder dergelijke nevenruimtes, dat het verkoopvloeroppervlak van Doorlaat 1 groter is geworden doordat in het pand Molenvaart 27 een magazijn en nevenruimtes zijn ondergebracht, alsmede dat beide panden feitelijk, functioneel en visueel een eenheid zijn gaan vormen. Dientengevolge is één supermarkt ontstaan met een verkoopvloeroppervlakte van ongeveer 700 m2, hetgeen volgens verweerder in strijd is met het bepaalde in artikel 4, derde lid, onder a, ten derde, van bestemmingsplan "Kleine Sluis Centrum 1996 - 3e herziening", waarin is neergelegd dat detailhandel in de foodsector uitsluitend is toegestaan met een maximale aaneengesloten verkoopvloeroppervlakte van niet meer dan 200 m2. Ook meent verweerder dat de verbouwing van Molenvaart 27 niet is toegestaan op grond van het overgangsrecht van de planvoorschriften en dat er geen mogelijkheid is vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan.

4.4. Eiseressen hebben - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. In de eerste plaats stellen eiseressen dat geen sprake is van bouwen in de zin van de Woningwet, zodat in het geheel geen bouwvergunning is vereist. Voor zover nodig doen eiseressen een beroep op het feit dat sprake is van veranderingen van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder e, van de Woningwet. Voorts wijzen eiseressen erop dat bouwvergunning is verleend voor het pand Doorlaat 1 en het gebruik van Doorlaat 1 als supermarkt - ook wat betreft de 700 m2 - verkoopvloeroppervlakte - op grond van overgangsrecht niet in strijd komt met het bestemmingsplan. Nu het pand Molenvaart 27 zelf geen verkoopvloeroppervlakte heeft en als magazijn met nevenruimtes ten behoeve van de supermarkt mag worden gebruikt, valt niet in te zien dat de verbouwing in strijd komt met de planvoorschriften, aldus eiseressen. Voorts betwisten eiseressen dat met betrekking tot beide panden sprake is van een functionele eenheid.

4.5. Niet in geschil is dat voor het pand Doorlaat 1 bij besluit van 13 januari 1998 een -inmiddels rechtens onaantastbare - bouwvergunning is verleend. Voorts neemt de rechtbank als vaststaand aan dat in het pand Doorlaat 1 een supermarkt wordt geëxploiteerd met een verkoopvloeroppervlakte van ongeveer 700 m2 en dat eiseressen het daaraan grenzende pand Molenvaart 27, waarin voorheen een fietsenzaak was gevestigd, hebben verbouwd en daarin voorzieningen hebben ondergebracht ten behoeve van de supermarkt, waaronder een kantoor, personeelstoiletten, een kantine, opslag, koeling, een fastpack-afdeling en een broodafdeling. Verder neemt de rechtbank aan dat zich in het pand Molenvaart 27 geen verkoopvloeroppervlakte bevindt en dat de panden Molenvaart 27 en Doorlaat 1 inpandig zijn verbonden door een deur.

Tevens stelt de rechtbank vast dat uit het besluit van 20 mei 2003 (weigering bouwvergunning lichtbak) (zaak 03/790) blijkt dat het aanbrengen van posters en vlaggenhouders niet (meer) in geschil is.

4.6.1. De rechtbank zal allereerst de vraag beantwoorden of verweerder terecht bouwvergunning heeft geweigerd voor de verbouwing van het pand Molenvaart 27, nu beantwoording van deze vraag bepalend is voor beoordeling van het besluit tot aanschrijving om de verbouwing ongedaan te maken en van het besluit tot weigering van bouwvergunning voor het plaatsen van een lichtbak.

4.6.2. De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat ten aanzien van de verschillende elementen van de door eiseressen uitgevoerde verbouwing sprake is van bouwen in de zin van de Woningwet. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder a, van de Woningwet wordt onder bouwen onder andere verstaan het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de nieuwe deur tussen de panden Molenvaart 27 en Doorlaat 1, de koelcellen, en de brood- en toiletafdeling een constructie vormen met een plaatsgebonden karakter van een zodanige omvang dat sprake is van een bouwwerk als bedoeld in genoemde bepaling.

Dit ligt anders ten aanzien van de fastpack-afdeling. Op grond van de bij monde van de heer Deen ter zitting gegeven toelichting - ten aanzien waarvan de rechtbank geen reden ziet aan de juistheid daarvan te twijfelen - gaat de rechtbank er vanuit dat deze afdeling louter bestaat uit losstaande elementen. Voor de fastpack is derhalve geen bouwvergunning vereist.

4.6.3. De rechtbank overweegt aangaande de stelling van eiseressen dat sprake is van veranderingen van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder e, van de Woningwet, als volgt.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, onder e, van de Woningwet, is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard aan een bouwwerk, met dien verstande dat die veranderingen geen betrekking hebben op de draagconstructie van het bouwwerk, geen uitbreiding van het bebouwde oppervlak plaatsvindt en het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd. Volgens vaste jurisprudentie dient een verandering van niet-ingrijpende niet alleen in bouwkundige, maar ook in stedenbouwkundige zin te worden opgevat en speelt bij dat laatste aspect zowel het planologisch als het feitelijk effect dat de ter beoordeling staande verandering op de omgeving heeft een rol (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 25 september 2002, www.rechtspraak.nl, LJN: AE7992). Met de bouwwerkzaamheden aan het pand Molenvaart 27 is beoogd de voorheen in het pand gevestigde fietsenzaak te verbouwen tot magazijn met nevenruimtes ten behoeve van een supermarkt. Er is dus een feitelijke functieverandering van het gebouw beoogd die ingrijpend moet worden geacht. Reeds op die grond kunnen de bouwwerkzaamheden niet worden gekwalificeerd als veranderingen van niet-ingrijpende aard. Een bouwvergunning is derhalve vereist.

4.6.4. Bij de beoordeling van de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan stelt de rechtbank voorop dat getoetst dient te worden aan de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Kleine Sluis Centrum 1996 - 3e herziening", gelet op het bepaalde in artikel 50 van de Woningwet en gezien het feit dat de aanvraag om bouwvergunning is ingediend nadat een ontwerp voor dit bestemmingsplan ter inzage is gelegd.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat onder het begrip "detailhandel in de foodsector", neergelegd in artikel 4, derde lid, onder a, en ten derde, van het bestemmingsplan "Kleine Sluis Centrum 1996 - 3e herziening", mede dient te worden verstaan een supermarkt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de toelichting bij het bestemmingsplan blijkt dat de planwetgever met dit begrip het oog heeft gehad op een supermarkt en dat overigens ook voornamelijk food-producten worden verhandeld in een supermarkt. De rechtbank ziet gelet op de ondubbelzinnige toelichting bij de tekst van het planvoorschrift geen reden om uitsluitend betekenis toe te kennen aan de letterlijke bewoordingen daarvan en het begrip "foodsector" slechts naar spraakgebruik uit te leggen, nog daargelaten de vraag of een dergelijke uitleg tot de conclusie leidt dat een supermarkt niet tot de "foodsector" behoort.

Op grond van genoemd planvoorschrift is bebouwing ten behoeve van een supermarkt derhalve uitsluitend toegestaan tot een maximale aaneengesloten verkoopvloeroppervlakte van niet meer dan 200 m2.

4.6.5. In het kader van de toetsing aan voornoemd planvoorschrift dient het pand Molenvaart 27 naar het oordeel van de rechtbank te worden bezien in samenhang met het pand Doorlaat 1. Daartoe is in de eerste plaats van belang dat uit artikel 4, eerste lid, van het bestemmingsplan voortvloeit dat de in het pand Molenvaart 27 aanwezige nevenfuncties slechts zijn toegestaan voor zover deze functies behoren bij de supermarkt in het pand Doorlaat 1. Daarnaast is ook feitelijk sprake van een nauwe samenhang tussen beide panden, nu het pand Molenvaart 27 met de daarin ondergebrachte voorzieningen uitsluitend dienst doet ten behoeve van de supermarkt in het pand Doorlaat 1 en daarmee ook inpandig is verbonden, waardoor één supermarkt is ontstaan.

4.6.6 Uitgaande van het voorafgaande komt het bouwplan in strijd met de planvoorschriften. Het bouwplan voorziet immers in bouwwerkzaamheden ten behoeve van een supermarkt met een aaneengesloten verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m2. Daaraan doet niet af dat de verkoopvloeroppervlakte zich uitsluitend bevindt in het pand Doorlaat 1, nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat dit pand als een met het pand Molenvaart 27 samenhangend geheel moet worden beschouwd. Ook het feit dat partijen ervan uitgaan dat in het pand Doorlaat 1 een supermarkt met een vloeroppervlakte van 700 m2 is toegestaan geeft geen reden voor een ander oordeel, nu - zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen reeds blijkt - dit uitgangspunt er niet aan af kan doen dat het bouwplan zoals het in dit geding voorligt dient te worden beoordeeld aan de hand van het geldende bestemmingsplan.

4.6.7. Voor zover zou moeten worden geoordeeld dat het bouwplan dient te worden getoetst aan het in het bestemmingsplan neergelegde overgangsrecht en uitgaande van het feit dat op grond van het overgangsrecht in het pand Doorlaat 1 een supermarkt met een verkoopvloeroppervlakte van 700 m2 is toegestaan, leidt dit ook niet tot een andere conclusie. Het bouwwerk aan de Doorlaat 1 wijkt af van het bestemmingsplan "Kleine Sluis Centrum 1996 - 3e herziening", maar was op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan reeds opgericht. Uit artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan, volgt dat in een dergelijk geval het reeds bestaande bouwwerk mag worden veranderd, mits de bestaande afwijkingen naar hun aard niet worden vergroot en mits het bouwwerk tot niet meer dan 115% van de oppervlakte wordt uitgebreid. In dat verband moeten de panden Doorlaat 1 en Molenvaart 27 naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als één bouwwerk, gelet op het feit dat de panden als geheel één supermarkt vormen en gelet op hetgeen hiervoor onder 4.6.5 is overwogen. Het bouwplan voorziet erin dat het pand Doorlaat 1 wordt uitgebreid met het pand Molenvaart 27, hetgeen ertoe leidt dat het bestaande bouwwerk tot meer dan 115% van zijn oppervlakte wordt uitgebreid. Dit verdraagt zich niet met artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften.

4.6.8. De rechtbank komt dus tot de conclusie dat verweerder terecht bouwvergunning heeft geweigerd, behoudens voor zover het betreft de fastpack. Gesteld noch gebleken is dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om geen gebruik te maken van de mogelijkheid tot vrijstelling op grond van de planvoorschriften of artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

4.6.9. Het beroep gericht tegen het besluit van 20 mei 2003 (weigering bouwvergunning) (zaak 03/791) is - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen aangaande de fastpack - gegrond en het besluit van 20 mei 2003 zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 40 van de Woningwet en artikel 7:12 van de Awb, voor zover dit besluit betrekking heeft op de fastpack.

De rechtbank zal onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van 11 februari 2002 te herroepen voor zover dit besluit betrekking heeft op de fastpack, nu ook dat besluit op grond van het voorgaande niet in stand kan blijven. Gelet hierop en gezien het feit dat het bestreden besluit gedeeltelijk wordt vernietigd en voor het overige in stand kan blijven, behoeft verweerder geen nieuw besluit te nemen.

4.7.1. Het voorgaande brengt tevens met zich mee dat verweerder bevoegd was eiseressen aan te schrijven de verbouwingen aan het pand Molenvaart 27 ongedaan te maken, behoudens voor zover het betreft de fastpack. Alleen in bijzondere gevallen kan van verweerder worden verlangd af te zien van handhavend optreden, met name in het geval een concreet zicht op legalisering bestaat. Nu bouwvergunning moet worden geweigerd is er geen zicht op legalisering en bestaat er derhalve geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot handhavend optreden.

4.7.2. Ten aanzien van het betoog van eiseressen dat verweerder ten onrechte alle drie de besloten vennootschappen Deen Vastgoed B.V., Deen Supermarkten B.V. en Deen Winkels B.V. heeft aangeschreven, overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb, kan een bestuursorgaan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. In geval van een vennootschap is overtreder degene die zeggenschap heeft over deze vennootschap en die het in zijn macht heeft de overtreding te beëindigen dan wel te voorkomen. Blijkens de gedingstukken heeft Deen Vastgoed B.V. de bouwvergunning aangevraagd, exploiteert Deen Winkels B.V. één of meer supermarkten en is Deen Supermarkten B.V. bestuurder van Deen Winkels B.V. Op grond daarvan mocht verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemen dat deze vennootschappen het ten tijde van de bestreden besluiten alle in hun macht hadden de overtreding te beëindigen dan wel te voorkomen en is de last onder dwangsom terecht aan genoemde drie vennootschappen opgelegd. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat één van de vennootschappen het niet in haar macht had de overtreding te beëindigen of te voorkomen.

4.7.3. De rechtbank ziet geen aanleiding om - voor zover eiseressen dit betoog nog handhaven - te oordelen dat de opgelegde dwangsom van € 5.000,00 per dag, met een maximum van € 70.000,00, onredelijk hoog is. Uit artikel 5:32, vierde lid, van de Awb vloeit voort dat het vastgestelde bedrag in een redelijke verhouding dient te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. In dat kader heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank op de in het bestreden besluit aangegeven gronden, waarvan de feitelijke juistheid door eiseressen niet weersproken is, in redelijkheid de dwangsom op genoemde bedragen kunnen bepalen.

4.7.4. Het beroep gericht tegen het besluit van 26 april 2002 (last onder dwangsom artikel 40 Woningwet) (zaak 02/572) is -- gelet op hetgeen hiervoor is overwogen aangaande de fastpack -gegrond en het besluit van 26 april 2002 zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 40 van de Woningwet en artikel 7:12 van de Awb, voor zover dit besluit betrekking heeft op de fastpack.

De rechtbank zal onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van 18 juni 2001 te herroepen voor zover dit besluit betrekking heeft op de fastpack, nu ook dat besluit op grond van het voorgaande niet in stand kan blijven. Gelet hierop en gezien het feit dat het bestreden besluit gedeeltelijk wordt vernietigd en voor het overige in stand kan blijven, behoeft verweerder geen nieuw besluit te nemen.

4.8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook terecht bouwvergunning voor de lichtbak heeft geweigerd. Daarbij wijst de rechtbank erop dat de lichtbak - voor zover het al geen bouwwerk is - als een verandering van een bouwwerk moet worden aangemerkt en uit dien hoofde bouwvergunningplichtig is, ter ondersteuning waarvan wordt verwezen naar jurisprudentie (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 11 juni 1998, BR 1998/754). Voorts overweegt de rechtbank dat de lichtbak wordt geplaatst ten behoeve van de supermarkt, hetgeen op dezelfde gronden als genoemd onder 4.6.1 tot en met 4.6.7 tot de conclusie leidt dat het bouwplan in strijd is met de planvoorschriften. Het beroep gericht tegen het besluit van 20 mei 2003 (weigering bouwvergunning lichtbak) (zaak 03/790) is dus ongegrond.

4.9. Ten slotte merkt de rechtbank nog op dat zij niet deelt de visie van eiseressen dat verweerder ter zitting in strijd met een goede procesorde nieuwe feiten en argumenten naar voren heeft gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting slechts een nadere onderbouwing en toelichting gegeven op de bestreden besluiten.

4.10. De rechtbank acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proces-kosten die eiseressen in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,00 als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit bedrag is het product van 2 (punten voor het opstellen van het beroepschrift en voor het verschijnen ter zitting) en € 322,00 (waarde per punt) en 1 (gewicht van de zaak: gemiddeld).

De rechtbank ziet geen grond om het gewicht van de zaak anders dan als "gemiddeld" te waarderen, waarbij de rechtbank mede in aanmerking neemt dat het beroep uitsluitend gegrond is verklaard voor zover de bestreden besluiten betrekking hebben op de fastpack. Voorts heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht de procedures met nummer 02/572 en 03/791 als samenhangend aangemerkt.

5. Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 26 april 2002 in de zaak 02/572 gegrond;

- verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 20 mei 2003 in de zaak 03/790 ongegrond;

- verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 20 mei 2003 in de zaak 03/791 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 26 april 2002 in de zaak 02/572, voor zover dit besluit betrekking heeft op

de fastpack;

- vernietigt het bestreden besluit van 20 mei 2003 in de zaak 03/791, voor zover dit besluit betrekking heeft op

de fastpack;

- bepaalt dat het besluit van 18 juni 2001 in de zaak 02/572 wordt herroepen, voor zover dit besluit betrekking

heeft op de fastpack, en dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat het besluit van 11 februari 2002 in de zaak 03/791 wordt herroepen, voor zover dit besluit

betrekking heeft op de fastpack, en dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde

besluit;

- bepaalt dat de gemeente Anna Paulowna aan eiseressen het griffierecht ten bedrage van in totaal € 450,00 (€

218,00 in zaak 02/572 en € 232,00 in zaak 03/791) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiseressen redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten

bedrage van € 644,00;

- wijst de gemeente Anna Paulowna aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 644,00 dient te worden gedaan aan eiseressen.

Aldus gewezen door mr. P.J. Jansen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van C.H. Kuiper, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 12 januari 2004

door voornoemd lid, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige kamer,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.