Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2003:AR2457

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
21-09-2004
Zaaknummer
93.148 / 00-2253
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kantonrechter stelt werkgever Rotorline voor de helft aansprakelijk voor de schade die werknemer heeft geleden, lijdt en zal lijden vanwege het hem overkomen lichamelijk letsel. De man lijdt aan het organo-psycho syndroom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector kanton

locatie Alkmaar

Woensdag 10 december 2003;

Rolnummer: 93.148 / 00-2253;

Vonnis van de kantonrechter te Alkmaar in de zaak van:

[eiser], wonende te Hoorn,

eiser, bij dagvaarding van 15 mei 2000,

nader te noemen: Top,

advocaat-gemachtigde: mr. M. Koole te Almere,

Postbus 10080 te 1301 AB Almere-Stad, tel. 036-5488000,

[toevoeging nr. 2BE1173],

tegen

de besloten vennootschap Rotorline the Blade Company B.V.,

gevestigd te Heerhugowaard aan de Stevinstraat 6,

gedaagde,

nader te noemen: Rotorline,

advocaat-gemachtigde: mr. W.J. Hengeveld te Rotterdam, Postbus 1507 te 3000 BM Rotterdam, 010-2172000.

1. Verder verloop van de procedure.

Na de rolbeschikking van 26 maart 2003 heeft de deskundige, dr. G. Hageman (als neuroloog verbonden aan het Medisch Centrum Twente) op 1 mei 2003 een nader bericht, met bijlagen, ingezonden, waarop door partijen nog tweemaal - gelijktijdig - bij akte respectievelijke antwoordakte is gereageerd.

De kantonrechter houdt zich aan hetgeen bij haar tussenvonnissen d.d. 18 juli 2001 en 24 april 2002 respectievelijk de rolbeschikking d.d. 26 maart 2003 is overwogen en beslist.

2. De deskundigenberichten.

2.1 In het rapport van dr. G. Hageman, neuroloog, ingekomen ter griffie op 19 september 2002 is vermeld - een en ander, voor zover van belang -:

"Patiënt heeft een duidelijk en reëel klachtenpatroon. ....

Voor de diagnose chronische toxische encefalopathie zijn nodig:

1. Een duidelijk klachtenpatroon;

2. Een relevante blootstelling;

3. Een duidelijke relatie in de tijd tussen de mate van blootstelling en de klachten;

4. Duidelijke neuropsychologische afwijkingen;

5. Het ontbreken van andere oorzaken voor de klachten.

Uitgaande van de bovenstaande voorwaarden voor de diagnose is het niet mogelijk om bij de heer [eiser] de diagnose CTE te stellen. De relatie in de tijd is onduidelijk. Patiënt geeft aan dat na stoppen met zijn werk de klachten zijn toegenomen. Daarnaast is het niet mogelijk om een adequaat neuropsychologisch onderzoek af te nemen. Het onderzoek is niet te beoordelen. Blijkbaar heeft patiënt al jaren lang een strijd gevoerd om erkenning van zijn klachten, hetgeen thans leidt tot onderpresteren bij het neuropsychologisch onderzoek.

Samenvattend kunnen de door u gestelde vragen als volgt worden behandeld:

1. De bevindingen bij anamnese, lichamelijk onderzoek en bloedonderzoek worden in het rapport vermeld. Er is sprake van chronische blootstelling aan oplosmiddelen, misbruik van methyleenchloride met snuiven, een paracetamol-afhankelijke hoofdpijn, maar de diagnose chronische toxische encefalopathie is niet te stellen. De voorwaarden voor de diagnose CTE (OPS) worden in de conclusie vermeld. Hoewel de diagnose CTE niet te stellen is, lijkt het zeer waarschijnlijk dat de klachten van patiënt voor een groot deel worden verklaard door zijn werk met oplosmiddelen in het verleden bij de firma Plasticall en bij Rotorline. Bij het laatste bedrijf heeft er zich ook een acuut incident voorgedaan. Patiënt is daarna door de voorman naar huis gebracht. Sinds die tijd is het klachtenpatroon ontstaan en voelt patiënt zich miskend. Er zijn tenslotte aanwijzingen voor een depressie.

2. Bovenstaande klachten zijn in 1996 begonnen. Daarvoor waren er geen problemen en was er weinig ziekteverzuim.

3. De mate van functiestoornis uitgedrukt in een percentage bedraagt 5% van de gehele mens, volgens de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie.

4. De klachten van patiënt zijn niet alleen ontstaan bij de firma Rotorline. Meestal ontstaan klachten van chronische blootstelling aan oplosmiddelen pas na minstens 5 tot 10 jaar blootstelling. De werkzaamheden bij de vorige werkgever lijken ook een rol te spelen, evenals het snuiven van methyleenchloride door patiënt in de weekenden.

5. Patiënt ondervindt vele beperkingen in zijn leven, m.n. vanwege zijn zeer depressieve stemming en vermoeidheid. Het betreft vooral beperkingen in de beroepsuitoefening en in zijn sociale activiteiten.

6. Er is sprake van een relatieve eindtoestand. Mogelijk kan er nog enige verbetering worden bereikt bij een adequate behandeling van de depressie. Van groot belang lijkt dat patiënt enige erkenning krijgt voor zijn klachten."

Drs. J.H. Geres, neuropsycholoog, voegt daaraan toe:

"De heer [eiser] maakt tijdens het onderzoek een zeer depressieve indruk. Er is sprake van een zeer sterke lijdensdruk. Uit zowel kwalitatieve als kwantitatieve testanalyses komen helaas aanwijzingen naar voren voor een suboptimale prestatie. Hierdoor kunnen de testresultaten niet betrouwbaar worden geïnterpreteerd. Er kan geen zuiver zicht worden verkregen op de aard en aanwezigheid van reële cognitieve stoornissen. Op basis van het huidig onderzoek kan geen diagnostische conclusie worden getrokken."

2.2 In het, na de rolbeschikking uitgebrachte, nader deskundigenbericht van 1 mei 2003 heeft dr. Hageman nog toegevoegd:

"De door u gestelde vragen kunnen als volgt worden beantwoord:

1. In onze rapportage van 22 augustus 2002 hebben wij aangegeven dat het zeer waarschijnlijk is dat de klachten van de heer [eiser] worden verklaard door het werken met oplosmiddelen. Uitgedrukt in een percentage betreft dit 95%. Gezien de anamnese, het beloop van de klachten, het aanvullend onderzoek zijn er geen aanwijzingen voor de ziekte van Altzheimer, schedeltraumata, overmatig alcohol- of drugsgebruik, of andere verklaringen voor het klachtenpatroon.

2. In het verleden heeft een commissie van de gezondheidsraad een uitspraak gedaan over de relatie tussen piekblootstellingen en het ontstaan van chronische toxische encefalopathie (zie bijgaand). Er is nog geen goed wetenschappelijk bewijs dat piekblootstellingen een risicofactor vormen voor het ontstaan van CTE, maar dit wordt niettemin algemeen aangenomen.

3. De relatie in de tijd tussen klachten en blootstelling wil zeggen dat de klachten tijdens de werkweek het meest op de voorgrond staan en zelfs toenemen in de loop van de week, maar afnemen in de weekends en bij vakanties. Dit was in de anamnese bij de heer [eiser] niet duidelijk te maken. Bovendien is het van belang dat na stoppen met de blootstelling de klachten stabiel blijven of verkleinen. Bij de heer [eiser] leek er zelfs nog sprake van een toename van de klachten."

Bij het antwoord op vraag 2 is gevoegd de aanbiedingsbrief en samenvatting van het rapport "Peak exposures to volatile organic solvents in relation to chronic toxic encephalopathy", opgesteld in opdracht van het Ministerie van SZW ter ondersteuning van de werkzaamheden van de door de Gezondsheidsraad ingestelde commissie "Grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling aan oplosmiddelen".

3. De standpunten van partijen.

3.1 In aanvulling op hetgeen eerder is overwogen zij het volgende vermeld.

3.2 [eiser] wijst erop dat Rotorline niet aan de op haar rustende zorgverplichting heeft voldaan. Hij legt een rapport van de Arbodienst over, waarin de door hem verrichte werkzaamheden en de mate van blootstelling aan de diverse stoffen zijn beschreven. Tevens is uit dat rapport af te leiden welke voorzorgsmaatregelen hadden moeten worden genomen; de aanwezigheid van oplosmiddelen overschreed vaak de maximaal aanvaardbare concentraties, die daarvoor zijn vastgesteld, waarbij nog komt dat hij aanmerkelijk langer werkte dan 40 uur per week. Hij legt de Registratie Richtlijn OPS van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten over; in dat verband wijst hij op de twee hem overkomen arbeidsongevallen. De piekblootstellingen moeten worden meegewogen. Al vóór 1996 was sprake van klachten.

3.3 Rotorline heeft in haar conclusie na deskundigenbericht uiteengezet dat de bewijslast aldus dient te worden verdeeld dat [eiser] aantoont dat hij schade lijdt, het causaal verband tussen de medische klachten en het werk dient aan te tonen en - als hieraan is voldaan - Rotorline dient te bewijzen dat zij aan haar zorgverplichting heeft voldaan. Zij wijst erop dat niet is voldaan aan vereisten uit het Protocol voor de Diagnostiek van OPS, zoals de duidelijke relatie in de tijd, terwijl bovendien Tops klachten in alle hevigheid zijn aangevangen. Bovendien duiden de omstandigheden erop dat de klachten van [eiser] ook door andere aandoeningen of medicijn- dan wel alcohol-, nicotine- of cafeïnegebruik kunnen worden veroorzaakt. Voorts geeft hij thans aan dat sprake was van een verslaving aan oplosmiddelen, die hij mee naar huis nam en opsnoof. [eiser] is bij haar niet aan relevante hoeveelheid oplosmiddelen blootgesteld geweest en slechts krap vier jaar actief binnen haar arbeidsproces geweest. De gegevens over de (mate van) blootstelling zijn niet betrouwbaar - onder meer - nu een hetero-anamnese ontbreekt en er een zeer sterke lijdensdruk is.

3.4 Na het nader deskundigenbericht stelt [eiser] dat op grond daarvan als vaststaand moet worden aangenomen dat zijn letsel is ontstaan ten gevolge van de blootstelling aan oplosmiddelen bij Rotorline en dat noch een andere ziekte noch overmatig alcohol- of drugsgebruik oorzaak van zijn klachten is. [Eiser] heeft bij zijn vorige werkgever - Plasticall, die thans failliet is - alleen met aceton gewerkt. Van de ongevallen in 1994 en 1995, waarbij hij aan een buitengewoon ernstige hoeveelheid methyleenchloride is blootgesteld, zijn geen rapportages opgesteld. Subsidiair neemt hij het standpunt in dat gezien de buitengewoon hoge concentraties waaraan hij door twee ongevallen bloot is gesteld, het mogelijk is dat zijn ziekte geheel is veroorzaakt door de blootstelling aan oplosmiddelen bij Rotorline. Rotorline heeft in de procedure nog geen gegevens over de blootstelling verschaft. Hij wijst voorts op de door Rotorline overgelegde risico inventarisatie- en evaluatie, waaruit blijkt dat Rotorline niet voldeed aan de normen met betrekking tot het voorkomen van gezondheidschade door gassen, dampen en stof, c.q. de wettelijke vereisten terzake zijn geschonden. Ook met betrekking tot veiligheidsmaatregelen heeft Rotorline onvoldoende gesteld. Aldus is [eiser] van oordeel dat met het deskundigenrapport het causaal verband is gegeven en gezien de gebrekkige veiligheidssituatie zal mede daarom het causaal verband kunnen worden aangenomen.

3.5 Rotorline voert na het nader deskundigenbericht (nogmaals) aan dat [eiser] niet tijdens de arbeidsovereenkomst met haar in een bakje oplosmiddelen is gevallen. Zij benadrukt dat al haar werknemers beschermende werkkleding en overige veiligheidsmiddelen in de vorm van stofkappen en volgelaatsmaskers ter beschikking hadden en er aanvullende afzuiging in de productieplaats bestond. Er was toezicht op het gebruik van de maskers door de voorlieden en de halchef. [Eiser] verrichte zijn werkzaamheden in de meest 'styreenarme' werkplek en de genoemde stoffen werden slechts in zeer kleine hoeveelheden verwerkt. Zij wijst erop dat [eiser] bij Plasticall mogelijk veelvuldig aan styreen is blootgesteld. Het is onduidelijk waarom de deskundige tot de conclusie komt dat de klachten gedeeltelijk bij Rotorline zijn ontstaan. Het rapport is bovendien innerlijk tegenstrijdig, nu de deskundige concludeert dat aan drie van de door hem genoemde vijf voorwaarden voor de diagnose CTE niet is voldaan en toch concludeert dat de klachten voor een groot deel door het werk met oplosmiddelen worden verklaard, en daaraan later bovendien nog toevoegt dat de waarschijnlijkheid van de diagnose 95% bedraagt. Het verloop van de klachten wijst juist niet op de diagnose arbeidsgebonden CTE/OPS. Ten onrechte wordt aan andere oorzaken of verklaringen voor de klachten voorbij gegaan.

3.6 In zijn antwoordakte wijst [eiser] er nog op dat ten aanzien van de causaliteit alsmede ten aanzien van het nakomen van de zorgverplichting de bewijslast op Rotorline rust.

3.7 Rotorline voert nog aan dat [eiser] slechts incidenteel werkte aan de in het rapport van de Arbo-unie genoemde mal en dat de blootstelling afhangt van de wijze en mate waarin de werknemer met de veiligheidsmiddelen omgaat. Zij wijst erop dat de deskundige de criteria voor de diagnostiek van OPS niet juist heeft toegepast en dat er mogelijke andere oorzaken voor de klachten van [eiser] zijn. Volgens haar leidt met name Tops verslaving aan oplosmiddelen tot doorbreking van het causaal verband, althans dient de schade ten gevolge daarvan voor zijn eigen rekening te blijven. De piekblootstelling kon uitsluitend plaatsvinden in de mal, waar het dragen van koolstofmaskers verplicht was. Subsidiair betwist Rotorline dat een enkele piekblootstelling OPS zou kunnen veroorzaken. Zij bestrijdt de conclusies die [eiser] aan het rapport van de Arbo-Unie uit 1995 verbindt.

4. Beoordeling.

De kantonrechter overweegt als volgt.

4.1 [eiser] heeft niet gereageerd op hetgeen Rotorline terzake van de (on)bevoegdheid van de kantonrechter heeft aangevoerd, voor het geval zijn vordering (mede) gebaseerd zou zijn op art. 6:175 van het Burgerlijk Wetboek [BW].

De kantonrechter begrijpt de door [eiser] ingestelde vordering aldus dat die haar grondslag vindt in art. 7:658 BW, zodat zij bevoegd is van de vordering kennis te nemen.

4.2 Gezien de conclusies van de deskundigen, die de kantonrechter overneemt en tot de hare maakt, moet er in rechte van worden uitgegaan dat de klachten van [eiser] worden verklaard door het werken met oplosmiddelen. Derhalve wordt geconcludeerd dat hij lijdt aan OPS (ook wel genaamd: CTE).

4.3 Vervolgens dient te worden bezien of de klachten zijn veroorzaakt door het werk bij Rotorline.

a. Tussen partijen staat vast dat [eiser] van 1975 tot 1978 medewerker is geweest bij een polyester botenfabriek, van 1978 tot 1980 productiemedewerker bij een tabaksfabriek was, van 1980 tot en met 1981 bij een meubelfabriek werkte, nadien tot en met 1983 een WW-uitkering genoot en vanaf 1983 tot en met 1992 productiemedewerker bij Plasticall was.

b. Rotorline heeft gemotiveerd bestreden dat tijdens de arbeidsovereenkomst sprake zou zijn geweest van twee ongevallen; zij heeft er met name op gewezen dat het tijdstip van het ongeval waarbij [eiser] in een bak met methyleen zou zijn gevallen niet vaststaat, mede omdat in de door [eiser] zelf overgelegde stukken - bijlagen bij productie 3 bij repliek - ten aanzien van dit incident een ander jaartal wordt genoemd. [eiser] heeft ter adstructie van zijn stelling dat - ook - eind 1994 een ongeval heeft plaatsgevonden een verklaring van de destijds eveneens bij Rotorline werkzame F. Bettinger overgelegd.

Nu Rotorline het aantal ongevallen, alsmede het tijdstip van het tweede ongeval gemotiveerd betwist en ten aanzien van dit tweede ongeval geen concreet bewijsaanbod door [eiser] is gedaan, wordt er in rechte van uitgegaan dat Top

- gedurende zijn arbeidsovereenkomst met Rotorline - op 29 november 1995 methyleen in zijn ogen heeft gekregen, waarvoor hij op de EHBO is behandeld.

Op de voet van het rapport van deskundige Hageman moet ervan worden uitgegaan dat piekblootstelling(en) een risikofactor vormt (vormen) voor het ontstaan van OPS.

c. Rotorline heeft een rapport van oktober 1995 van de landelijke arbodienst, De Twaalf Provinciën, overgelegd. Dit betreft een Risico-Inventarisatie en -Evaluatie, gebaseerd op een gesprek en rondgang bij Rotorline van 10 oktober 1995. De verplichting tot een dergelijke Risico-Inventarisatie en -Evaluatie werd, zo vermeldt (ook) het rapport, op 1 januari 1994 in de Arbeidsomstandighedenwet vastgelegd.

In het schema in dit rapport zijn de volgende aandachtspunten beschreven in geval van werkzaamheden in ruimtes met gassen, dampen en stof, waar gezondheidsschadelijke stoffen aanwezig zijn:

* blootstelling voorkomen

* werkmethodes aanpassen

* gebruik goede adembescherming bij glasvezel (glasafdeling), bij houtstof (timmerwerkplaats), bij chemische stoffen

* de juiste opslag

* op de afdeling dient bekend te zijn welke maatregelen bij kalamiteiten getroffen moeten worden

* register kompleteren

* voorlichting

* houtstof opzuigen (timmerwerkplaats)

* goede afzuiging + onderhoud afzuiging

* niet eten en roken op de werkplekken en in de buurt van de opslag

Daarbij staat vermeld als prioriteit: 1 W.

Onder arbeidsrisico's is vermeld:

"Bij de beoordeling van de risiko's is gekeken of het arbeidsomstandighedenbeleid, de uitvoering daarvan en de konkrete arbeidsomstandigheden voldoen aan de Arbo-wet en de van toepassing zijnde Veiligheidsbesluiten (Veiligheidsbesluit Fabrieken en Werkplaatsen, Restgroepen, Beeldschermbesluit etc). Prioriteiten die een wettelijke basis hebben zijn voorzien van de letter 'W'. De drie kategorieën zijn:

Prioriteit 1 Aktie noodzakelijk

grote kans op ongeval;

en/of grote kans op gezondheidsschade;

en/of grote kans op arbeidsverzuim;

en/of wettelijke verplichtingen."

[Eiser] heeft een Memo van de Arbo - hem betreffende - van 18 juni 1998 overgelegd; daarin zijn zijn werkzaamheden vermeld, alsmede (de mate van) blootstelling aan diverse stoffen. Ten aanzien van die stoffen zijn veiligheidsbladen bijgevoegd.

d. Gezien deze feiten en omstandigheden moet er in rechte van worden uitgegaan dat [eiser] in zijn werkzaamheden bij Rotorline aan diverse stoffen/oplosmiddelen was blootgesteld. Aldus is zijn ziekte het gevolg van de blootstelling aan die stoffen.

4.4 Volgens Rotorline heeft zij voldaan aan de verplichtingen, die krachtens het in art. 7:658 lid 1 BW bepaalde op haar rusten.

Volgens haar werkte [eiser] slechts incidenteel aan de mal en is de blootstelling afhankelijk geweest van de wijze waarop en de mate waarin met de ter beschikking gestelde veiligheidsmiddelen (mondkap, handschoenen, veiligheidsbril, overall, afzuiginstallatie) wordt omgegaan. In de productie hebben geen piekblootstellingen plaatsgevonden, die overigens uitsluitend in de mal, waar koolstofmaskers verplicht waren, mogelijk waren; gedurende het productieproces heeft evenmin blootstelling boven de MAC-waarde

- waarvan de meting over de gehele dag mag worden gemiddeld - plaatsgevonden. Als [eiser] zich in de bladen van de windturbines diende te begeven werd een persluchtmasker gedragen. Hij werkte op de meest styreen-arme werkplek en er was een afzuiginstallatie en ventilatie.

De kantonrechter is evenwel van oordeel, dat - hetgeen hierboven onder 4.3.c en verder is overwogen mede in aanmerking genomen - Rotorline in deze procedure onvoldoende (gemotiveerd) heeft betwist dat zij haar zorgplicht ten opzichte van [eiser] ten aanzien van de gevaarlijke stoffen steeds (voldoende) heeft nageleefd, zodat geen aanleiding is haar terzake bewijs op te dragen.

4.5 Gebleken is dat [eiser] (ook) bij Plasticall met oplosmiddelen heeft gewerkt. Door de deskundigen worden zijn klachten mede daaraan toegeschreven.

De invloed van piekbelastingen wordt - volgens het deskundigenrapport van 1 mei

2003 - algemeen aangenomen; op de voet daarvan moet het ervoor worden gehouden dat - gezien het bepaalde in art. 6:99 BW - de schade (mogelijk) geheel door de werkzaamheden bij Rotorline zou kunnen worden verklaard. Overigens constateert de kantonrechter dat partijen zich na dit deskundigenbericht niet (nader) hebben uitgelaten ten aanzien van (de toepasselijkheid van) art. 6:99 BW.

Onbestreden is komen vast te staan dat [eiser] in de weekenden ernstige hoofdpijn had die hij temperde door methyleenchloride te snuiven. De schade, c.q. zijn ziekte (OPS), dient mede als gevolg van deze - hem toe te rekenen omstandigheid - te worden aangemerkt.

Gezien vorenstaande feiten en omstandigheden, tezamen genomen, is de kantonrechter van oordeel dat de billijkheid eist dat de vergoedingsplicht van Rotorline op de voet van het in art. 6:101 BW bepaalde dient te worden verminderd, in dier voege dat wordt beslist dat zij gehouden is de schade voor de helft te vergoeden. Derhalve wordt de vordering toegewezen als na te melden.

4.6 De medegevorderde buitengerechtelijke kosten ad ƒ 3.600,-- (exclusief BTW) zullen, gelet op de toe te wijzen vordering, naar redelijkheid en billijkheid voor de helft worden toegewezen, zijnde een bedrag van 959,75 euro (inclusief 17,5% BTW).

4.7 Gelet op de uitslag van de procedure, dient Rotorline als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten te worden veroordeeld, hetgeen tevens inhoudt dat de door Rotorline voorgeschoten deskundigenkosten voor haar rekening dienen te blijven.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1 Bepaalt dat Rotorline aansprakelijk is voor de helft van de schade welke [eiser] heeft geleden en lijdt en in de toekomst zal lijden vanwege het hem overkomen lichamelijk letsel, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 maart 1997 en voor wat betreft de materiële schade vanaf het moment waarop die schade is ontstaan en veroordeelt Rotorline om deze schade - ter grootte van voormelde helft - te vergoeden aan Top, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet.

5.2 Veroordeelt Rotorline om aan [eiser] tegen kwijting te betalen de buitengerechtelijke kosten ter grootte van 959,75 euro (inclusief BTW).

5.3 Verwijst Rotorline in de proceskosten, die tot heden voor [eiser] worden vastgesteld op een bedrag van 117,21 euro [inclusief BTW] aan verschotten en op een bedrag van 1.640 euro aan salaris gemachtigde [waarover Rotorline geen BTW verschuldigd is] en veroordeelt Rotorline om daarvan te voldoen:

38,57 euro aan [eiser] en

1.718,64 euro aan de griffier op de voet van art. 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor salaris en overige verschotten, bij voorkeur te betalen door middel van de acceptgiro die wordt toegezonden.

5.4 Veroordeelt Rotorline voorts in de deskundigenkosten ter grootte van 2.500,- euro (inclusief BTW), welk bedrag reeds bij wijze van voorschot door haar is voldaan.

5.5 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

5.6 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. C.E. Polak, kantonrechter, bijgestaan door J.A.J. Kreijger, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 10 december 2003.