Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2003:AN9815

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
14.010242-03
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2004:AP1690
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn 78-jarige buurman met een kandelaar doodgeslagen om, zoals hij zelf zegt, een einde te maken aan diens uitzichtloze situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer: 14.010242-03

Datum uitspraak: 10 december 2003

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en geboortedatum],

gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Flevoland, Huis van Bewaring Almere Binnen te Almere.

Bijgestaan door mr. B. Roodveldt, advocaat te Alkmaar.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 november 2003.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

hij op of omstreeks 31 mei 2003 in de gemeente Enkhuizen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] (met kracht) met een (koperen) kandelaar op het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij op 31 mei 2003 in de gemeente Enkhuizen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met kracht met een koperen kandelaar op het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Moord

5. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

De inhoud van het in dit vonnis onder 6. genoemde rapportage van drs. W.M.J. Hassing, psychiater en drs. A.E. Haan, gezondheidspsycholoog geeft de rechtbank geen aanleiding tot niet-strafbaarheid van de verdachte te concluderen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

6. MOTIVERING VAN DE STRAF

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zijn 78-jarige buurman [slachtoffer] met een kandelaar doodgeslagen om, zoals hij zelf zegt, een einde te maken aan diens uitzichtloze situatie.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [slachtoffer] sinds enige tijd onder erbarmelijke omstandigheden verbleef in zijn, voor het overige ontruimde woning. Verder is gebleken dat instanties of personen niet binnen een, in ieder geval in de ogen van verdachte, redelijke termijn met een oplossing voor [slachtoffer] zijn gekomen. Voor de rechtbank is niet te achterhalen of die instanties en personen binnen een redelijke termijn een passende oplossing voor [slachtoffer] zouden hebben gevonden.

Verdachte heeft zich de slechte situatie van zijn buurman aangetrokken en heeft diverse instanties gewezen op die slechte situatie. Toen die instanties, in de ogen van verdachte, niet adequaat reageerden en [slachtoffer] (wederom) geluidsoverlast voor verdachte veroorzaakte, heeft verdachte weloverwogen een eind gemaakt aan het leven van zijn buurman. Alternatieven heeft hij overwogen, maar zonder overleg met [slachtoffer] of derden verworpen. Hoezeer verdachte zich ook zorgen maakte over het lot van [slachtoffer], hij heeft, door aldus over het lot en leven van [slachtoffer] te beschikken, laten blijken geen respect te hebben voor het leven van anderen.

Hiermee heeft hij onherstelbare schade toegebracht aan alle betrokkenen in deze zaak, waaronder vanzelfsprekend ook de nabestaanden van het slachtoffer.

Het voorgaande rechtvaardigt een gevangenisstraf van lange duur.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 18 juni 2003, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

- het over de verdachte uitgebrachte vroeghulpinterventierapport van 11 juni 2003 van R. Delis als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland, Arrondissement Alkmaar.

- een rapport gedateerd 22 oktober 2003 en uitgebracht naar aanleiding van een onderzoek naar de persoonlijkheid en de geestvermogens van verdachte door drs. W.M.J. Hassing, psychiater, drs. A.E. Haan, Gezondheidszorgpsycholoog, alsmede inhoudende een milieurapportage van J. Potter van Reclassering Nederland, Arrondissement Alkmaar.

Het rapport van bovengenoemde deskundigen houdt onder meer het volgende in:

Betrokkene is een man met een gestoorde persoonlijkheidsontwikkeling waardoor zowel zijn intellectuele als emotionele en sociale ontwikkeling gestagneerd is geraakt. Gebleken is dat betrokkene niet lijdt aan een psychiatrische stoornis in engere zin maar dat er wel sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met gemengd schizoïde en narcistische trekken. Vanuit deze persoonlijkheidspathologie is betrokkene minder dan de gemiddelde mens in staat op intra-psychische spanningen en externe stressoren adequaat te reageren. Met zijn beperkte, rigide afweermechanismen kan hij zich doorgaans redelijk goed staande houden en is hij ook wel in staat allerlei dagelijkse spanningen het hoofd te bieden. Echter, wanneer hij zich meer persoonlijk aangevallen voelt en de externe beïnvloeding als het ware door zijn stevige afweer heen breekt, bestaat er gevaar voor depressieve maar ook agressieve decompensatie. Onzes inziens was dit het geval in de aanloop tot en bij de uitvoering van het tenlastegelegde

Hij werd voorafgaande aan het tenlastegelegde geplaagd door spanningen en vernederingen op zijn werk, hij was enigszins verzwakt door lichamelijke problemen en de gehele kwestie van de uithuiszetting van het slachtoffer kon hij door zijn eigen bemoeienis met het slachtoffer niet meer van zich af zetten. Met name vanuit zijn narcistische persoonlijkheidstrekken heeft hij de zich opstapelende frustraties en krenkingen niet meer kunnen verdragen. Door uiteindelijk zelf weer het heft in handen te nemen heeft hij als het ware deze narcistische krenking ongedaan kunnen maken.

Al met al kan onzes inziens gesteld worden dat er een bijzondere samenloop van omstandigheden is geweest waarin een aantal factoren die buiten de persoon van de verdachte waren gelegd ingegrepen hebben op de persoonlijkheidsstoornis van verdachte, leidend tot het tenlastegelegde. Hij is zich weliswaar bewust geweest van het verwijtbare van zijn handelen en hij heeft enige overweging voorafgaande aan het tenlastegelegde gehad maar zijn persoonlijkheidspathologie heeft hierin geleid tot duidelijke oordeels- en kritiekstoornissen en inperking van zijn gewetensfuncties. Alles overwegend speelt onzes inziens zijn persoonlijkheidspathologie een zodanige rol in zijn overwegingen en gedragingen met betrekking tot het tenlastegelegde dat wij adviseren om betrokkene voor het tenlastegelegde als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De kans op het zich voordoen van een dergelijke samenloop van omstandigheden die zo specifiek ingrijpen op zijn stoornis dat risico ontstaat voor feiten als thans ten laste gelegd, moet als niet groot worden beschouwd.

Gezien het relatief geringe recidiverisico voor feiten als thans ten laste gelegd is behandeling van zijn persoonlijkheidsstoornis in enig juridisch kader niet aangewezen.

Met de conclusie van dit rapport kan de rechtbank zich verenigen.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat na te noemen gevangenisstraf passend en geboden is, omdat deze zowel recht doet aan de door de ernst van het feit geschokte rechtsorde, alsook aan de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

7. BENADEELDE PARTIJ

Mr. J.C. de Goeij heeft namens de benadeelde partij, [benadeelde partij], [adres], vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van 5.653,80 euro wegens schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij met name wegens onduidelijkheden rond door [slachtoffer] afgesloten uitvaartverzekering, niet van zo eenvoudige aard is dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

9. BESLISSING

De rechtbank:

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 8 (acht) JAAR.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij], [adres], niet ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van der Perk, voorzitter,

mr. J.H. Gisolf en mr. J.J. de Wit, rechters,

in tegenwoordigheid van M. Woudman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 december 2003.