Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2003:AN7934

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
11-11-2003
Datum publicatie
11-11-2003
Zaaknummer
03/100
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WSF (EU-onderdaan)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2003, 313
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:66 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr: WSFBSF 03/100

Inzake: [eiseres], wonende te Amsterdam, eiseres,

vertegenwoordigd door mr. J.A.H. Blom te Amsterdam,

tegen: De hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, verweerster.

1. Aanduiding bestreden besluit

Het besluit van verweerster van 5 december 2002.

2. Zitting

Datum: 29 augustus 2003.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.A.H. Blom te Amsterdam.

Verweerster is verschenen bij gemachtigde mr. M. Wiersma.

3. Ontstaan en loop van het geding

Met een formulier, gedateerd 11 september 2000, heeft eiseres als in Nederland werkzame EU/EER-onderdaan studiefinanciering aangevraagd in verband met haar opleiding aan de Hogeschool Holland.

Bij besluit van 16 september 2000 (bericht 2000, no.1) heeft verweerster aan eiseres studiefinanciering toegekend vanaf oktober 2000. Bij besluit van 15 oktober 2000 (bericht 2001, no.1) heeft verweerster de toelage vastgesteld voor 2001. Bij besluit van 13 oktober 2001 (bericht 2002, no.1) heeft verweerster de toelage vastgesteld voor 2002.

Bij besluit van 2 augustus 2002 (bericht 2000, nr. 5) heeft verweerster aan eiseres meegedeeld dat zij vanaf 1 oktober 2000 geen recht op studiefinanciering heeft. Hierdoor heeft eiseres teveel studietoelage ontvangen en is een OV-schuld ontstaan over de maanden oktober tot en met december 2000.

Bij besluit van eveneens 2 augustus 2002 (bericht 2001, nr. 7) heeft verweerster aan eiseres meegedeeld dat zij vanaf 1 januari 2001 geen recht op studiefinanciering heeft. Hierdoor heeft eiseres teveel studietoelage ontvangen en is een OV-schuld ontstaan over de maanden januari tot en met december 2001.

Bij besluit van eveneens 2 augustus 2002 (bericht 2002, nr. 3) heeft verweerster aan eiseres meegedeeld dat zij vanaf 1 januari 2002 geen recht op studiefinanciering heeft. Hierdoor heeft eiseres teveel studietoelage ontvangen en is een OV-schuld ontstaan over de maanden januari tot en met juli 2002.

Tegen deze besluiten is namens eiseres bij brief van 23 augustus 2002 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 december 2002 heeft verweerster het bezwaar ongegrond verklaard.

Hiertegen is namens eiseres bij brief van 16 januari 2003, bij de rechtbank op dezelfde dag ontvangen, beroep ingesteld.

Bij brief van 11 maart 2003 heeft verweerster de op het geding betrekking hebbende stukken en een verweerschrift aan de rechtbank gezonden.

Bij brief van 15 augustus 2003 zijn namens eiseres nadere stukken ingediend.

Vervolgens is de zaak behandeld ter zitting van 29 augustus 2003.

Onder toepassing van artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank de termijn voor het doen van een uitspraak met zes weken verlengd.

4. Motivering

De vraag die in dit geding dient te worden beantwoord is of verweerster terecht en op goede gronden haar besluit heeft gehandhaafd om het recht op studiefinanciering van eiseres met ingang van 1 oktober 2000 te herzien en de teveel genoten toelage alsmede een OV-schuld terug te vorderen, omdat eiseres niet tot de groep van buitenlanders behoort die ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) met Nederlanders worden gelijkgesteld. Voor de beantwoording van deze vraag is het volgende van belang.

Ingevolge artikel 2.2, onder b, van de Wsf 2000 kan een studerende voor studiefinanciering in aanmerking komen indien hij niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel in Nederland woont en ingevolge een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander wordt gelijkgesteld.

Ingevolge artikel 39 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG) heeft een studerende, die tevens migrerend werknemer is, in Nederland een verblijfsrecht.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van EG Verordening 1612/68 heeft een migrerend werknemer het recht om met betrekking tot studiefinanciering op dezelfde wijze te worden behandeld als de werknemer met de Nederlandse nationaliteit.

Op grond van deze twee bepalingen kent verweerster aan studerenden, die zij als werknemer beschouwt, studiefinanciering toe op grond van de Wsf 2000.

Verweerster hanteert bij de beoordeling van de vraag of een studerende als migrerend werknemer kan worden beschouwd als minimumeis - voor zover hier van belang - dat de student een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van 32 uur of meer per maand moet kunnen overleggen. Met dit criterium heeft verweerster invulling gegeven aan vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie EG die inhoudt dat er sprake dient te zijn van reële en daadwerkelijk verrichte arbeid, wil men aangemerkt kunnen worden als werknemer in de zin van artikel 39 van het EG Verdrag en Verordening 1612/68 (zie bijvoorbeeld HvJ EG 3 juni 1986, nr. 139/85 (Kempf) gepubliceerd in AB 1987/223). De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerster met het genoemde criterium een onjuiste invulling heeft gegeven aan het in de jurisprudentie van het Hof ontwikkelde begrip "reële en daadwerkelijke arbeid".

Ingevolge artikel 7.1, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000 kan verweerster een beschikking waarbij studiefinanciering is toegekend herzien indien een beschikking genomen is waarvan de studerende wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was.

Het bestreden besluit berust op de redenering dat in juli 2002 is gebleken dat eiseres, in tegenstelling tot hetgeen bij de toekenning van de studiefinanciering per 1 oktober 2000 werd verondersteld, niet is aan te merken als migrerend werknemer als hiervoor bedoeld. Daarbij heeft verweerster gesteld dat eiseres bij haar aanvraag studiefinanciering een verklaring heeft overgelegd, waaruit het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als enquêteur bij NIPOfoon te Amsterdam voor 8 uren per week blijkt. Achteraf blijkt echter dat zij reeds sedert 19 september 2000 niet meer bij deze werkgever werkzaam is. Verweerster meent dat eiseres hiervan ten onrechte geen melding heeft gemaakt. Verweerster heeft gemeend gebruik te mogen maken van haar bevoegdheid de oorspronkelijke toekenningsbeslissingen te herzien nu eiseres wist of in ieder geval redelijkerwijs kon weten dat deze beslissingen onjuist waren. Derhalve dient eiseres de teveel betaalde studiefinanciering terug te betalen en een vergoeding te betalen wegens het ten onrechte in bezit hebben van een OV-studentenkaart.

Namens eiseres is hiertegen in beroep aangevoerd dat zij niet wist of redelijkerwijs kon weten dat de beslissingen tot toekenning van studiefinanciering onjuist waren. Daartoe is namens eiseres betoogd dat het beleid dat verweerster voert ten aanzien van studenten uit andere Lidstaten van de Europese Unie (EU) slechts kenbaar is uit het stroomschema van verweersters brochure: "Student grants for foreign students". Bij deze categorie stelt het stroomschema de vraag: "Are you/have you been employed in the Netherlands for at least 32 hours per month?". Op het moment dat eiseres het aanvraagformulier indiende, kon zij deze vraag bevestigend beantwoorden. Later werkte zij weliswaar niet meer, maar in de wet noch in enige andere gepubliceerde en voor eiseres kenbare regeling is vermeld dat zij, om recht op studiefinanciering te hebben en te houden, 32 uur per maand moest blijven werken.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Eiseres heeft de Ierse nationaliteit. De rechtbank stelt vast dat zij op 11 september 2000, de dag waarop zij studiefinanciering aanvroeg, de krachtens het gemeenschapsrecht en verweersters beleid van haar verlangde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor minimaal 32 uur per maand heeft overgelegd. Verder staat vast dat eiseres na 19 september 2000 nog slechts gedurende enkele korte periodes in 2001 in Nederland heeft gewerkt.

Verweersters beleid ten aanzien van EU/EER-onderdanen en de wijze waarop dit wordt toegepast is, zo is door verweersters gemachtigde ter zitting bevestigd, op geen andere wijze kenbaar dan uit het door eiseres aangehaalde stroomschema. In dit stroomschema staat, naast de vraag of iemand wel/niet werkt of heeft gewerkt, vermeld dat met het aanvraagformulier een werkgeversverklaring meezonden dient te worden. Hieraan heeft eiseres voldaan door meezending van de verklaring van NIPOfoon van 16 augustus 2000. Voorts is bij dit onderdeel in het stroomschema vermeld dat er aanvullende gegevens moeten worden overgelegd, in het geval het dienstverband inmiddels is beëindigd. Deze passage kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet anders worden begrepen dan dat een beëindiging van de werkzaamheden op het moment van de aanvraag relevant is voor het recht op studiefinanciering. Uit deze passage in het stroomschema kan echter niet afgeleid worden dat een beëindiging van de werkzaamheden ook relevant is als deze na het moment van aanvraag plaatsvindt. Gelet hierop acht de rechtbank het begrijpelijk dat studenten na raadpleging van het stroomschema en het indienen van de aanvraag niet uit zichzelf opgave doen van een naderhand optredend verlies van arbeidsuren. Bovendien heeft verweersters gemachtigde ter zitting bevestigd dat in de door verweerster gehanteerde aanvraag- en wijzigingsformulieren geen vraag naar het behoud van werkzaamheden is opgenomen. De relevantie van het behoud van arbeid voor deze categorie studenten valt dus evenmin af te leiden uit verweersters formulieren. Tenslotte heeft eiseres op basis van haar eigen ervaring gesteld, hetgeen van de zijde van verweerster niet is weersproken, dat wanneer een EU-student een buitenlandse stage meldt bij verweersters informatiepunt, hier niet wordt gevraagd naar de consequenties van een dergelijke stage voor het behoud of verlies van werkzaamheden in Nederland terwijl evenmin wordt gewaarschuwd dat het verlies van werkzaamheden in Nederland tot stopzetting van de studiefinanciering kan leiden.

Uit het voorgaande trekt de rechtbank de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat eiseres wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat haar, gelet op het verlies van haar arbeid na 19 september 2000, ten onrechte studiefinanciering is toegekend vanaf oktober 2000 tot en met juli 2002. Derhalve heeft verweerster ten onrechte gebruik gemaakt van de haar in artikel 7.1, eerste lid, van de Wsf 2000 gegeven herzieningsbevoegdheid. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7.1 van de Wsf 2000.

Bij deze beslissing ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerster te veroordelen in de proces-kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,00 als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit bedrag is het product van 2,00 (punten voor het opstellen van het beroepschrift en voor het verschijnen ter zitting) en € 322,00 (waarde per punt) en 1,00 (gewicht van de zaak: gemiddeld).

5. Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerster een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de Informatie Beheer Groep aan eiseres het griffierecht ten bedrage van € 29,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerster in de aan de zijde van eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,00;

- wijst de Informatie Beheer Groep aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 644,00 dient te worden gedaan aan eiseres.

Aldus gewezen door mr. M.F.G.H. Beckers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van T.B.A. Verbey, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op:

door voornoemd lid, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige kamer,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.