Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2003:AN7867

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
23-10-2003
Datum publicatie
17-11-2003
Zaaknummer
WW44 03/1209
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

[Awb] 1. Bekendmaking door mededeling in huis-aan-huisblad. Ontbreken datum bekendmaking besluit ontslaat derden niet van plicht zelf ontbrekende informatie te achterhalen.

[materieel] 2. Niet afronden bezwaarprocedure eerste fase vormt geen reden voor aanhouding beslissing op aanvraag bouwvergunning tweede fase, nu geen sprake van schorsing eerste bouwvergunning door voorzieningenrechter.

1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het besluit van verweerder van 20 mei 2003, waarbij de bouwvergunning eerste fase is verleend, gelet op de inhoud daarvan, zich uitsluitend richt tot de aanvrager, zodat op verweerder ingevolge art. 3:41.1 Awb alleen de verplichting rustte om het besluit aan de aanvrager bekend te maken. Verweerder heeft bij brief van 26 mei 2003 aan deze verplichting gevolg gegeven. Dit betekent dat tegen het besluit van 20 mei 2003 tot en met 7 juli 2003 bezwaar kon worden gemaakt. Vastgesteld moet worden dat verzoeker eerst na afloop van die termijn – bij brief van 12 juli 2003, die bij verweerder op 14 juli 2003 is ontvangen – een bezwaarschrift bij verweerder heeft ingediend. Verzoeker is ervan uitgegaan dat bezwaar kon worden gemaakt gedurende zes weken na 4 juni 2003, de datum waarop van het besluit van 20 mei 2003 mededeling is gedaan in het huis-aan-huisblad de Duinstreek. Verzoeker heeft erop gewezen dat in de mededeling van het besluit in de Duinstreek niet is vermeld wanneer de bekendmaking heeft plaatsgevonden.

De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder door van het besluit van 20 mei 2003 mededeling te doen in de Duinstreek van 4 juni 2003 toepassing heeft gegeven aan art. 3:43.1 en 3:43.2 Awb. In de publicatie in de Duinstreek staat vermeld dat tegen de verleende bouwvergunning binnen zes weken na afgifte een bezwaarschrift kan worden ingediend. Onder de publicatie staat een telefoonnummer van de gemeente genoemd waar informatie kan worden ingewonnen over de datum van afgifte van het besluit. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker, wat er verder ook zij van zijn moeilijkheden bij het achterhalen van de publicatie in de Duinstreek, niet heeft betwist dat hij nog tijdig binnen de bezwaartermijn van die publicatie op de hoogte is geraakt. Dat hij zijn bezwaarschrift te laat heeft ingediend, is, gelet op hetgeen hij heeft aangevoerd, te wijten geweest aan een onjuiste lezing van de bezwaarmogelijkheden zoals die in de publicatie in de Duinstreek staan vermeld. Aangezien het tot de eigen verantwoordelijkheid van verzoeker behoort om publicaties goed te lezen, biedt deze omstandigheid geen grond voor het oordeel dat hij redelijkerwijs niet in verzuim is geweest bij het indienen van zijn bezwaarschrift. Aan het vorenstaande doet niet af dat verweerder in strijd met art. 3:43.3 Awb in de publicatie niet heeft vermeld wanneer het besluit van 20 mei 2003 is bekendgemaakt, omdat het naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van verzoeker had gelegen om naar aanleiding van de publicatie in de Duinstreek bij de gemeente navraag te doen naar de datum van bekendmaking van het besluit. Ook als een mededelingsverplichting niet correct is nageleefd, dan ontslaat dat derden niet van de verplichting om, wanneer hun, zoals in dit geval, andere mogelijkheden ten dienste staan om de ontbrekende gegevens te achterhalen, van die mogelijkheden gebruik te maken. Op basis van het vorenoverwogene gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 20 mei 2003 niet-ontvankelijk zal verklaren. Bij deze stand van zaken acht de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening voorzover het zich richt tegen dit besluit kennelijk ongegrond.

2. Verlenen vrijstelling (19.2 WRO) en bouwvergunning eerste fase voor oprichten woonhuis en berging alsmede mededeling dat bouwvergunning tweede fase van rechtswege is verleend. Verzoek om voorlopige voorziening tegen eerstgenoemd besluit is kennelijk ongegrond. Er wordt vanuit gegaan dat het bezwaar ertegen niet-ontvankelijk zal worden verklaard wegens termijnoverschrijding. Verzoek om voorlopige voorziening tegen tweede besluit eveneens kennelijk ongegrond. Het bezwaar van verzoeker tegen de bouwvergunning tweede fase dat verweerder deze niet had mogen verlenen, omdat nog niet is beslist op de bezwaren die zijn ingediend tegen de bouwvergunning eerste fase wordt niet gedeeld. Gelet op art. 56b.1 Woningwet vormt de omstandigheid dat de bezwaarprocedure tegen de bouwvergunning eerste fase nog niet is afgerond slechts dan reden voor de aanhouding van de beslissing op de aanvraag voor de bouwvergunning tweede fase, wanneer binnen de bezwaartermijn tegen de bouwvergunning eerste fase een verzoek om schorsing van die bouwvergunning is ingediend en op dat verzoek om schorsing positief is beslist. Vaststaat dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. Ten aanzien van de door verzoeker aangevoerde inhoudelijke bezwaren, moet worden vastgesteld dat deze alle betrekking hebben op aspecten die, gelet op art. 56a.2 en 56a.3 Woningwet, slechts van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de bouwvergunning eerste fase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr: WW44 03/1209

Inzake: A, wonende te B, verzoeker,

tegen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

De besluiten van verweerder van 20 mei 2003 en 21 juli 2003.

2. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 20 mei 2003 heeft verweerder aan C (hierna: C) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening alsmede een zogenoemde bouwvergunning eerste fase verleend voor het, na sloop van het bestaande woonhuis, oprichten van een woonhuis en berging op het perceel kadastraal bekend gemeente Bergen, sectie [...], nummer [...], plaatselijk bekend [...]straat 81 te B. Dit besluit is op 26 mei 2003 aan C verzonden.

Tegen dit besluit heeft (onder meer) verzoeker bij brief van 12 juli 2003 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 21 juli 2003, verzonden op 24 juli 2003, heeft verweerder aan C medegedeeld dat de zogenoemde bouwvergunning tweede fase van rechtswege is verleend.

Tegen dit besluit heeft (onder meer) verzoeker bij brief van 12 augustus 2003 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 23 september 2003, bij de rechtbank ontvangen op 24 september 2003, heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 1 oktober 2003 heeft C een nadere memorie ingezonden.

Bij brief van 9 oktober 2003 heeft verzoeker op deze memorie gereageerd.

Bij brief van 13 oktober 2003, nader aangevuld bij brief van 17 oktober 2003, heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Bij brieven van 16 oktober 2003 en 20 oktober 2003 heeft verzoeker nadere memories ingezonden.

3. Motivering

3.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure die mogelijkerwijs volgt.

Ingevolge artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek kennelijk ongegrond is, uitspraak doen zonder eerst een zitting te houden. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

3.2. Voorzover het verzoek om een voorlopige voorziening zich richt tegen het besluit van 20 mei 2003, waarbij de bouwvergunning eerste fase is verleend, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

3.2.1. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 3:43, eerste lid, van de Awb, voorzover hier van belang, wordt tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het besluit mededeling gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de mededeling, bedoeld in het eerste lid, indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, geschieden op dezelfde wijze als waarop overeenkomstig artikel 3:12, eerste en tweede lid, is kennis gegeven van de aanvraag of van het ontwerp van het besluit.

Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt bij de mededeling van een besluit tevens vermeld wanneer en hoe de bekendmaking ervan heeft plaatsgevonden.

3.2.2. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.2.3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het besluit van verweerder van 20 mei 2003, gelet op de inhoud daarvan, zich uitsluitend richt tot de aanvrager, zodat op verweerder ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb alleen de verplichting rustte om het besluit aan de aanvrager bekend te maken. Verweerder heeft bij brief van 26 mei 2003 aan deze verplichting gevolg gegeven. Dit betekent dat tegen het besluit van 20 mei 2003 tot en met 7 juli 2003 bezwaar kon worden gemaakt. Vastgesteld moet worden dat verzoeker eerst na afloop van die termijn - bij brief van 12 juli 2003, die bij verweerder op 14 juli 2003 is ontvangen - een bezwaarschrift bij verweerder heeft ingediend.

Bij brief van 16 juli 2003, gericht aan de gemeentelijke commissie van advies voor de bezwaarschriften, heeft verzoeker naar voren gebracht dat hij ervan is uitgegaan dat bezwaar kon worden gemaakt gedurende zes weken na 4 juni 2003, de datum waarop van het besluit van 20 mei 2003 mededeling is gedaan in het huis-aan-huisblad de Duinstreek. Verder heeft verzoeker erop gewezen dat hij vanaf 17 mei 2003 vier weken afwezig is geweest en dat na terugkomst bleek dat voornoemd huis-aan-huisblad niet was bezorgd. Vervolgens heeft het, aldus verzoeker, enige moeite gekost om het huis-aan-huisblad te achterhalen. Daarnaast heeft ook het verzamelen van argumenten voor het opstellen van het bezwaarschrift volgens verzoeker meer tijd gekost dan verwacht. Bij zijn nadere memorie van 20 oktober 2003 heeft verzoeker erop gewezen dat in de mededeling van het besluit in de Duinstreek niet is vermeld wanneer de bekendmaking heeft plaatsgevonden.

De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder door van het besluit van 20 mei 2003 mededeling te doen in de Duinstreek van 4 juni 2003 toepassing heeft gegeven aan artikel 3:43, eerste en tweede lid, van de Awb. In de publicatie in de Duinstreek staat vermeld dat tegen de verleende bouwvergunning binnen zes weken na afgifte een bezwaarschrift kan worden ingediend. Onder de publicatie staat een telefoonnummer van de gemeente genoemd waar informatie kan worden ingewonnen over de datum van afgifte van het besluit.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker, wat er verder ook zij van zijn moeilijkheden bij het achterhalen van de publicatie in de Duinstreek, niet heeft betwist dat hij nog tijdig binnen de bezwaartermijn van die publicatie op de hoogte is geraakt. Dat hij zijn bezwaarschrift te laat heeft ingediend, is, gelet op hetgeen hij heeft aangevoerd, te wijten geweest aan een onjuiste lezing van de bezwaarmogelijkheden zoals die in de publicatie in de Duinstreek staan vermeld. Aangezien het tot de eigen verantwoordelijkheid van verzoeker behoort om publicaties goed te lezen, biedt deze omstandigheid geen grond voor het oordeel dat hij redelijkerwijs niet in verzuim is geweest bij het indienen van zijn bezwaarschrift. Aan het vorenstaande doet niet af dat verweerder in strijd met artikel 3:43, derde lid, van de Awb in de publicatie niet heeft vermeld wanneer het besluit van 20 mei 2003 is bekendgemaakt, omdat het naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van verzoeker had gelegen om naar aanleiding van de publicatie in de Duinstreek bij de gemeente navraag te doen naar de datum van bekendmaking van het besluit. Ook als een mededelingsverplichting niet correct is nageleefd, dan ontslaat dat derden niet van de verplichting om, wanneer hun, zoals in dit geval, andere mogelijkheden ten dienste staan om de ontbrekende gegevens te achterhalen, van die mogelijkheden gebruik te maken.

Op basis van het vorenoverwogene gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 20 mei 2003 niet-ontvankelijk zal verklaren. Bij deze stand van zaken acht de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening voorzover het zich richt tegen dit besluit kennelijk ongegrond.

3.3. Voorzover het verzoek om een voorlopige voorziening zich richt tegen het besluit van 21 juli 2003, waarbij de bouwvergunning tweede fase is verleend, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

3.3.1. Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Woningwet (hierna: de Wet) beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning die overeenkomstig artikel 56a, eerste lid, in twee fasen wordt verleend telkens binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge artikel 56a, eerste lid, van de Wet wordt een reguliere bouwvergunning op aanvraag in twee fasen verleend.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel mag de bouwvergunning eerste fase slechts en moet worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voorzover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

Ingevolge het derde lid van dit artikel mag de bouwvergunning tweede fase slechts en moet worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel a of b, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid niet van toepassing is voorzover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

Ingevolge artikel 56b, eerste lid, van de Wet, voorzover hier van belang, houden burgemeester en wethouders in afwijking van artikel 46, eerste lid, onderdeel c, de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning tweede fase aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen het besluit, waarbij de bouwvergunning eerste fase is verleend, nog niet is verstreken. In afwijking van artikel 46, eerste lid, onderdeel c, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning tweede fase eveneens aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en indien gedurende de termijn, bedoeld in de eerste volzin, bij de voorzieningenrechter van de rechtbank een verzoek om schorsing van het besluit als bedoeld in de eerste volzin is ingediend en op dat verzoek positief is beslist. De aanhouding eindigt op de dag na de dag dat de termijn, bedoeld in de eerste volzin, is verstreken zonder dat een bezwaarschrift is ingediend, of, indien wel een bezwaarschrift is ingediend en het besluit als bedoeld in de eerste volzin is geschorst, op de dag dat de schorsing ingevolge artikel 8:85 van de Awb vervalt.

3.3.2. Als bezwaar van formele aard heeft verzoeker in zijn bezwaarschrift tegen de bouwvergunning tweede fase naar voren gebracht dat verweerder deze niet had mogen verlenen, omdat nog niet is beslist op de bezwaren die zijn ingediend tegen de bouwvergunning eerste fase. De voorzieningenrechter deelt dit standpunt van verzoeker niet. Gelet op artikel 56b, eerste lid, van de Wet vormt de omstandigheid dat de bezwaarprocedure tegen de bouwvergunning eerste fase nog niet is afgerond slechts dan reden voor de aanhouding van de beslissing op de aanvraag voor de bouwvergunning tweede fase, wanneer binnen de bezwaartermijn tegen de bouwvergunning eerste fase een verzoek om schorsing van die bouwvergunning is ingediend en op dat verzoek om schorsing positief is beslist. Vaststaat dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

Ten aanzien van de door verzoeker aangevoerde inhoudelijke bezwaren tegen het besluit van 21 juli 2003, moet worden vastgesteld dat deze alle betrekking hebben op aspecten die, gelet op artikel 56a, tweede en derde lid, van de Wet, slechts van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de bouwvergunning eerste fase. Reeds daarom bieden deze bezwaren geen grond voor het oordeel dat de bouwvergunning tweede fase niet had mogen worden verleend.

Op grond van het vorenoverwogene acht de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening voorzover het is gericht tegen het besluit van 21 juli 2003 eveneens kennelijk ongegrond.

3.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af

.

Aldus gewezen door mr. M. Zijp, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Matiasen, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op:

door voornoemde voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

??