Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2003:AI1814

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
03-09-2003
Zaaknummer
39424/HA ZA 99-380
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen in het vonnis van 5 september 2002 is overwogen en beslist.

Nadat de Rechtbank de zaak bij voormeld vonnis naar de rol had verwezen, hebben de eiser, gedaagde 3 en gedaagde 1 elk een akte genomen.

Tenslotte hebben gedaagde 3 en gedaagde 1 vonnis gevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/31.26 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak 7 mei 2003

HP

VONNIS VAN DE RECHTBANK TE ALKMAAR

ENKELVOUDIGE KAMER voor de behandeling van burgerlijke zaken

In de zaak met zaak- en rolnummer 39424/HA ZA 99-380 van:

[eiser]

EISER bij dagvaarding van 21 oktober 1998;

procureur mr. H.R.M. Jenné

advocaat aanvankelijk mr. D.M. de Knijff te Amsterdam

vervolgens mr. B. Hooimeijer te Amsterdam

thans mr. E.E. Schipper te Amsterdam

tegen:

1. [gedaagde 1]

2. [gedaagde 2]

3. [gedaagde 3]

GEDAAGDEN

procureur van gedaagde sub 1 mr. A.C. Dekker

procureur van gedaagde sub 3 mr. A.W.J. Castelijns

advocaat van gedaagde sub 3 mr. B. Munneke te IJmuiden

De zaak is verwezen naar deze kamer van de Rechtbank.

Partijen zullen verder worden genoemd: [eiser] respectievelijk [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3].

De Rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder zich thans ook bevindt een afschrift van het door deze Rechtbank, Enkelvoudige Kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, tussen partijen op 5 september 2002 uitgesproken vonnis.

HET PROCESVERLOOP

De Rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen in het vonnis van 5 september 2002 is overwogen en beslist.

Nadat de Rechtbank de zaak bij voormeld vonnis naar de rol had verwezen, hebben [eiser], [gedaagde 3] en [gedaagde 1] elk een akte genomen.

Tenslotte hebben [gedaagde 3] en [gedaagde 1] vonnis gevraagd.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

1. Bij voormeld vonnis werd overwogen dat [gedaagde 3] heeft aangevoerd dat niet bekend is of

[eiser] wel enig belang heeft bij zijn vorderingen in de onderhavige procedure, omdat nog niet onherroepelijk vaststaat dat hij als bestuurder van de coöperatie [naam bedrijf]drijf] (hierna te noemen: [naam bedrijf]) hoofdelijk aansprakelijk is voor de niet-afgedragen en niet-betaalde belastingen van [naam bedrijf]. In verband met dit verweer heeft de Rechtbank bij voormeld vonnis overwogen dat in zaak rolnummer 19/99 -die eveneens bij deze Rechtbank aanhangig is- (inderdaad) nog geen beslissing is genomen omtrent de aansprakelijkheid van [gedaagde 3] als bestuurder van [naam bedrijf] voor (een deel) van de belastingschuld van [naam bedrijf].

De Rechtbank heeft de zaak vervolgens naar de rol verwezen voor gelijktijdige (her)fournering met de zaak rolnummer 19/99.

2.1 De Rechtbank overweegt thans als volgt:

Inmiddels is, naar de Rechtbank ambtshalve bekend is, in de bij deze Rechtbank aanhangige procedure onder rolnummer 19/99 op 7 mei 2003 vonnis gewezen. In dat vonnis wordt voor recht verklaard dat -onder meer- [gedaagde 3] aansprakelijk is voor het totaal (inclusief heffingsrente, invorderingsrente en kosten) van de aan [naam bedrijf] opgelegde naheffingsaanslagen loonbelasting/premieheffing volksverzekeringen respectievelijk omzetbelasting d.d. 31 maart 1998, waarvoor [gedaagde 3] bij de beschikking van 26 juni 1998 aansprakelijk is gesteld.

Dit betekent dat het verweer van [gedaagde 3] dat [eiser] geen belang heeft bij zijn vorderingen in de onderhavige procedure, faalt. De Rechtbank zal daarom thans de vorderingen van [eiser] in deze procedure behandelen.

Voor zover [gedaagde 1] bij haar akte verweer voert tegen de toepasselijkheid van het Nederlands recht, ziet zij eraan voorbij dat in het vonnis van 5 september 2002 op dit punt reeds definitief beslist is. Behoudens bijzondere feiten en/of omstandigheden die gesteld noch gebleken zijn, kan op een dergelijk oordeel door de Rechtbank niet teruggekomen worden.

2.2 Als tussen partijen vaststaand wordt van het volgende uitgegaan:

a) De Belastingdienst heeft tesamen met de FIOD, de Economische Controledienst, de

Arbeidsinspectie, de opsporingsdienst van GAK Nederland B.V. en de regiopolitie Noord-Holland Noord, [naam bedrijf], destijds gevestigd te [vestigingsplaats], aan een onderzoek onderworpen op het vermoeden dat [naam bedrijf] zich bezighield met het illegaal uitlenen van Poolse arbeiders aan Nederlandse ondernemers in de tuinbouw, daaronder begrepen bollen- en bomenkwekerijen, gelijk dat voordien gebeurde onder de zogenaamde [naam]-constructies die door de Belastingdienst en Justitie niet meer waren toegestaan. Het Openbaar Ministerie heeft in dat kader [naam bedrijf] aan een strafrechtelijk onderzoek onderworpen.

b) Na langdurig en uitgebreid onderzoek is de [naam bedrijf]-constructie volgens de

Belastingdienst als volgt te schetsen: er werd gebruik gemaakt van fictieve koop/verkoopovereenkomsten waarbij Poolse Spolka's (rechtspersonen naar Nederlands recht) die in werkelijkheid niet bestonden, als kopers optraden van tuinbouwgewassen van de "inleners". [naam bedrijf] presenteerde zich bij de koop/verkoopovereenkomsten als bemiddelaar en was tevens contractspartner. In werkelijkheid was sprake van een uitzend-constructie waarbij Nederlandse ondernemers Poolse arbeiders inleenden van [naam bedrijf]. [naam bedrijf] beschikte niet over een uitleenvergunning van het Bureau Arbeidsvoorziening. De tuinbouwgewassen werden door Poolse arbeiders geplukt/geoogst tegen een uurtarief van doorgaans f 17,50, welk (vooraf overeengekomen) tarief de Nederlandse ondernemers/inleners verschuldigd waren aan [naam bedrijf]. De Poolse werknemers ontvingen van [naam bedrijf] een loon van f 11,-- per uur. Deze constructie was gecreëerd met het doel goedkope buitenlandse arbeidskrachten arbeid te laten verrichten en de betalingen van loon voor geleverde arbeid te camoufleren. De arbeiders waren in dienst van [naam bedrijf] die evenwel niet aan de inhoudingsplicht op grond van de Wet op de Loonbelasting 1964 (Wet LB) heeft voldaan en evenmin omzetbelasting heeft afgedragen.

c) Bestuurder van [naam bedrijf] in de periode 29 juli 1994 tot en met 23 november 1998 was [voornaam gedaagde 3] [gedaagde 3], gedaagde sub 3, die door het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 5 maart 2001 terzake van belastingfraude onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 ½ jaar. Zijn echtgenote, dochter en schoonzoon zijn eveneens tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen veroordeeld.

d) Het Gerechtshof heeft in het kader van de op te leggen straf onder meer het volgende overwogen:

Verdachte heeft samen met anderen een constructie bedacht waardoor, met voorbijgaan aan de wettelijke bepalingen ter zake, buitenlandse, meer in het bijzonder Poolse arbeidskrachten in Nederland bij Nederlandse tuinders, die personeelsgebrek hadden, te werk werden gesteld. Samen met anderen richtte hij zijn gedragingen zo in dat hij de Nederlandse tuinders interesseerde via zijn coöperatie [naam bedrijf] Poolse arbeidskrachten "te bestellen". Ook kwam het voor dat Poolse arbeidskrachten bij de coöperatie aanklopten voor werk. Hij stuurde deze Poolse arbeidskrachten naar Poolse tussenpersonen, die deze arbeidskrachten in contact bracht met Nederlandse tuinders. Deze sloten vervolgens koop/verkoopovereenkomsten, waarbij tevens partij waren [naam bedrijf] en de vertegenwoordiger van een Poolse rechtspersoon, die optrad namens de Poolse arbeidskrachten. De Poolse arbeidskrachten zouden in dienst zijn van deze Poolse rechtspersoon, die weliswaar in Polen was opgericht en aldaar ingeschreven was, maar overigens niet bekend bij de Poolse belastingdienst of organisaties inzake de uitvoering van de sociale wetgeving. Hoewel deze koop/verkoopovereenkomsten bepaalden dat de gewassen die op de velden van de Nederlandse tuinders stonden, zouden worden verkocht aan de Poolse rechtspersonen om deze op te kweken en te oogsten, waarna de oogst zou worden terugverkocht aan deze tuinder dan wel voor eigen rekening op de veiling gebracht, werd in werkelijk (de Rechtbank leest: in werkelijkheid) niet geleverd en behielde de tuinders de leiding over de kweek en de oogst. Onderwijl gaven de Nederlandse tuinders aan de administratie van coöperatie [naam bedrijf] door hoeveel uren eenheden de Poolse arbeidskrachten hadden gewerkt. Deze opgaven dienden als grondslag voor het door de coöperatie in samenwerking met het administratiekantoor [naam administratiekantoor] vast te stellen loon.

Dit loon werd vervolgens door het administratiekantoor klaargemaakt en vervolgens in de meeste gevallen, maar lang niet altijd, door de Poolse "voorman" uitbetaald (soms betaalden anderen die betrokken waren bij de organisatie zelf uit).

Verdachte is vanaf het begin van deze handelwijze begin 1994 tot het moment dat de coöperatie werd ontbonden (eind november 1998) voorzitter van [naam bedrijf] geweest en als zodanig verantwoordelijk voor de gehele gang van zaken.

Op deze wijze werd getracht te versluieren dat [naam bedrijf] Poolse arbeidskrachten liet werken bij Nederlandse tuinders die om arbeidskrachten verlegen zaten. De opzet is geweest op deze wijze geen belasting te behoeven te betalen noch als coöperatie noch voor de Poolse arbeidskrachten noch te behoeven te voldoen aan de eisen die de sociale zekerheidswetgeving aan ondernemers van uitzendbureau's stellen. Door gedurende drie à vier jaren aldus te handelen is een nadeel voor de fiscus ontstaan waarvan de hoogte niet exact valt vast te stellen, maar dat zeker meer dan één miljoen gulden bedraagt en waarschijnlijk een veelvoud daarvan zal hebben bedragen ……………"

e) De Inspecteur heeft op 31 maart 1998 voor de verschuldigde loon- en omzetbelasting

aan [naam bedrijf] naheffingsaanslagen opgelegd voor een bedrag van f 40.000.000,--

[naam bedrijf] heeft bezwaar gemaakt tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslagen loon- en omzetbelasting. De bezwaren zijn ongegrond verklaard. [naam bedrijf] heeft daartegen beroep ingesteld bij de Belastingkamer van het Gerechtshof te Amsterdam. In deze fiscale procedure is de hoogte en verschuldigdheid van de aan [naam bedrijf] opgelegde naheffingsaanslagen aan de orde.

f) [gedaagde 3] is (met een aantal anderen) als bestuurder van [naam bedrijf] op grond van het

bepaalde in artikel 36 Invorderingswet 1990 aansprakelijk gesteld voor (een deel van) de belastingschuld van [naam bedrijf].

Er lopen in dat kader twee procedures.

De eerste betreft een fiscale procedure die [gedaagde 3] op grond van artikel 50 Invorderingswet 1990 aanhangig heeft gemaakt. Daarin maakt hij bezwaar tegen de naheffingsaanslagen waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. In verband met dit bezwaar staat de hoogte van de in de aansprakelijkstelling opgenomen bedragen jegens [gedaagde 3] nog niet onherroepelijk vast.

Het tweede geding betreft de procedure onder rolnummer 19/99 bij deze Rechtbank aanhangig waarin op grond van het bepaalde in artikel 36 van de Invorderingswet 1990 de aansprakelijkheid van [gedaagde 3] als bestuurder van [naam bedrijf] voor de belastingschulden van die coöperatie (inmiddels) is vastgesteld. In laatstgenoemde procedure heeft [eiser] een verklaring voor recht gevorderd dat [gedaagde 3] aansprakelijk is voor (een deel van) de belastingschuld van [naam bedrijf]. Bij vonnis van 12 maart 2003 heeft de Rechtbank die vordering van [eiser] toegewezen (zie rechtsoverweging 5.1).

g) [gedaagde 3] heeft de woonboerderij met ondergrond, erf en verdere aanhorigheden aan de [adres en woonplaats] (hierna ook te noemen: de boerderij) op 16 maart 1994 gekocht voor een bedrag van f 300.000,--. Op diezelfde datum werd door [gedaagde 3] een hypothecaire geldlening afgesloten tot een bedrag van f 250.000,--.

Op 13 december 1994 heeft [gedaagde 3] de boerderij voor f 400.000,-- verkocht en overgedragen aan [gedaagde 2], gedaagde sub 2, Roemeense en levenspartner van [naam partner] met wie zij toen samenwoonde. [naam partner] was tot 24 maart 1997 eveneens bestuurder van [naam bedrijf]. Dit transport vond plaats ten overstaan van notaris [naam notaris] te [vestigingsplaats notaris].

Op 5 januari 1995 is de hypotheek van [gedaagde 3] doorgehaald.

Op 31 juli 1995 heeft [gedaagde 2] de boerderij voor f 402.500,-- verkocht aan [gedaagde 1].

[gedaagde 3] heeft de boerderij in de periode van maart 1994 tot en met medio augustus 1999 met zijn gezin bewoond.

De boerderij staat thans nog steeds op naam van [gedaagde 1] te [vestigingsplaats gedaagde 1].

3.1 [eiser] doet zijn vorderingen steunen op vorenstaande feiten en op de hierna volgende stellingen:

3.2 [eiser] vordert als onder "het verloop van de procedure" is weergegeven.

Deze vorderingen zijn er primair op gegrond dat de overdracht van de boerderij door [gedaagde 3] aan [gedaagde 2] op 13 december 1994 op de voet van het bepaalde in artikel 36 lid 8 van de Invorderingswet 1990 vernietigbaar is, omdat niet is gebleken dat [gedaagde 3] zich tot die overdracht had verplicht en [eiser] als gevolg van die overdracht in zijn verhaalsmogelijkheden benadeeld is en bovendien aannemelijk is dat de overdracht aan [gedaagde 2] met dat oogmerk is geschied.

[eiser] stelt in dit verband dat in het kader van artikel 36 lid 8 Invorderingswet 1990 voldoende is dat aannemelijk wordt gemaakt dat het de bestuurder er om begonnen is de mogelijkheid tot verhaal op zijn vermogen te verminderen en dat niet van belang is of degene met wie werd gehandeld ([gedaagde 2]) van de benadeling op de hoogte was of kon zijn.

[eiser] stelt voorts dat [gedaagde 1] niet als derde te goeder trouw kan worden beschouwd -de derde, aan wie de goederen door de wederpartij van de bestuurder zijn doorverkocht, wordt beschermd, mits hij/zij niet wist van de benadeling van schuldeisers door de transactie met de bestuurder- , omdat [gedaagde 1] volledig door [gedaagde 3] wordt beheerst zodat [gedaagde 1] wist of behoorde te weten dat met de overdracht benadeling van [eiser] werd beoogd.

4. [gedaagde 3] heeft de vorderingen betwist en -zakelijk weergegeven en voor zoveel van belang- het volgende doen aanvoeren:

Het staat niet onherroepelijk vast dat [gedaagde 3] als bestuurder van de coöperatie [naam bedrijf] hoofdelijk aansprakelijk is voor de niet-afgedragen en niet-betaalde belastingen van [naam bedrijf]: daarover loopt een procedure bij deze Rechtbank. Zelfs staat niet vast of [naam bedrijf] als werkgever/inlener kan worden aangemerkt en of de naheffingsaanslagen daarom terecht aan [naam bedrijf] zijn opgelegd. Nu daarom niet bekend is of [eiser] wel enig belang heeft bij zijn vorderingen in deze procedure, dient [eiser] niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Er is in verband met de overdracht van de boerderij geen sprake van een door [gedaagde 3] verrichte onverplichte rechtshandeling, omdat [gedaagde 3] tot overdracht/levering van de boerderij aan [gedaagde 2] was gehouden op grond van de met haar gesloten koopovereenkomst van 4 oktober 1994.

Evenmin is er sprake van dat door de overdracht van de boerderij de mogelijkheid tot verhaal op [gedaagde 3] is verminderd: op de boerderij rustte een hypotheek, waarbij een hypotheekhouder zich van de belastingdienst niets hoeft aan te trekken. In casu heeft [gedaagde 3] zijn hypotheekhouder voldaan uit de ontvangen koopsom en voor het restant heeft hij zijn debiteuren voldaan die vorderingen hadden ter zake van de aan de boerderij verrichte verbouwingen. De verkoop en overdracht van de boerderij is uit zakelijke overwegingen ingegeven en heeft niets te maken met vermindering van verhaalsmogelijkheden, laat staan dat [gedaagde 3] daartoe geheel of gedeeltelijk het oogmerk heeft gehad.

Dit betekent dat ook [gedaagde 1] niet heeft kunnen of behoren te weten dat [gedaagde 3] dit oogmerk had. In ieder geval heeft [gedaagde 3] [gedaagde 1] niet volledig beheerst. Onjuist is de stelling van [eiser] dat [gedaagde 3] de aankoop van de boerderij door [gedaagde 1] direct of indirect heeft gefinancierd. [gedaagde 3] heeft anders dan als "huurder (in de kwaliteit van voorzitter van de [naam vereniging] en privé als onderhuurder)" na de eigendomsoverdracht aan [gedaagde 2] niet de beschikking en zeggenschap over de boerderij behouden.

5.1 De Rechtbank overweegt hieromtrent als volgt:

[eiser] heeft terecht gesteld dat in de "[naam bedrijf]-zaak" thans een grote hoeveelheid procedures aanhangig is, doch dat in de onderhavige procedure slechts de vraag aan de orde is of [eiser] zich voor zijn vordering op [gedaagde 3] als aansprakelijke bestuurder mag verhalen op de onroerende zaak: de woonboerderij met ondergrond, erf en verdere aanhorigheden, plaatselijk bekend als [adres en woonplaats], kadastraal bekend gemeente [naam gemeente], [kadastrale gegevens] (hierna ook de noemen: de boerderij).

De vorderingen van [eiser] zijn primair gegrond op hetgeen in rechtsoverweging 6.2 is weergegeven.

In artikel 36 lid 8 van de Invorderingswet 1990 is bepaald dat indien de bestuurder van het lichaam ingevolge artikel 36 Invorderingswet aansprakelijk is en niet in staat is tot betaling van zijn schuld terzake, de door die bestuurder onverplicht verrichte rechtshandelingen waardoor de mogelijkheid tot verhaal op hem is verminderd, vernietigbaar zijn en [eiser] deze vernietigingsgrond kan inroepen, indien aannemelijk is dat deze rechtshandelingen geheel of nagenoeg geheel met dat oogmerk zijn verricht.

[gedaagde 3] heeft in verband daarmee in zijn conclusie van dupliek sub 2.21 en 2.22 aangevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vorderingen, omdat nog niet onherroepelijk vaststaat dat [gedaagde 3] als bestuurder aansprakelijk is voor de belastingschulden van [naam bedrijf].

Uit hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.1 is overwogen, volgt dat de Rechtbank in haar vonnis van 7 mei 2003 onder rolnummer 19/99 de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 3] heeft toegewezen en dat in dat vonnis voor recht is verklaard dat [gedaagde 3] voor de belastingschulden van [naam bedrijf], zoals die in de naheffingsaanslagen loon- en omzetbelasting d.d. 31 maart 1998 zijn opgelegd, aansprakelijk is. Nu [eiser] in zijn akte houdende nadere concretisering/vermindering van eis voorts zijn eis heeft gewijzigd en de vorderingen voorwaardelijk heeft ingesteld, namelijk voor het geval onherroepelijk komt vast te staan dat [eiser] een vordering op [gedaagde 3] heeft uit hoofde van artikel 36 van de Invorderingswet 1990, wordt dit verweer van [gedaagde 3] verworpen.

Het verweer van [gedaagde 3] dat [eiser] wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaard moet worden verklaard, omdat hij diverse tuinders op grond van de Invorderingswet 1990 aansprakelijk heeft gesteld, treft evenmin doel. [eiser] heeft in dit verband onweersproken gesteld dat niet zeker is in hoeverre hij zich uiteindelijk op de tuinders zal kunnen verhalen en voorts dat nauwelijks betalingen van tuinders hebben plaatsgehad, waarmee het belang van [eiser] in deze procedure is gegeven.

5.2 [eiser] stelt in zijn conclusie van repliek sub 6.2 dat aan alle criteria voor

vernietiging op grond van bepaalde in artikel 36 lid 8 Invorderingswet 1990 is voldaan.

De Rechtbank zal aan de hand van de stellingen van [eiser] thans de in evengenoemd artikel gestelde criteria bespreken.

a) het samenstel van rechtshandelingen (houdende verkoop en levering van de boerderij door [gedaagde 3] aan [gedaagde 2]) is een door [gedaagde 3] onverplicht verrichte rechtshandeling in de zin van dit artikel.

[eiser] vordert bij conclusie van repliek de vernietiging van het samenstel van rechtshandelingen van de verkoop en levering van [gedaagde 3] aan [gedaagde 2].

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft [eiser] terecht gesteld dat er geen rechtsplicht voor [gedaagde 3] aanwezig was tot het aangaan van de koopovereenkomst en de daarop volgende overdracht van de boerderij aan [gedaagde 2].

Het verweer van [gedaagde 3] dat hij zich met de koopovereenkomst van 4 oktober 1994 had verplicht tot de latere levering van de boerderij en dat dus sprake was van een verplichte rechtshandeling gaat niet op, omdat, zoals [eiser] terecht betoogt, uit de jurisprudentie volgt dat in geval van een overdracht volgend op een koopovereenkomst, bezien moet worden of de koopovereenkomst is aangegaan op grond van een rechtsplicht. Is dat niet het geval, zoals in casu ([gedaagde 3] heeft daartoe onvoldoende aangevoerd), dan geldt ook de latere uitvoering van deze overeenkomst als onverplicht.

[gedaagde 3] heeft nog aangevoerd dat [eiser] zijn vordering aanvankelijk had beperkt tot de overdracht van de boerderij en met geen woord heeft gerept over de daaraan ten grondslag liggende overeenkomst en dat hij ([gedaagde 3]) tegen die wijziging/uitbreiding van de grondslag van de eis in de conclusie van repliek bezwaar maakt (conclusie van dupliek sub 6.3). Dit bezwaar moet worden verworpen, omdat [gedaagde 3] zich niet op de in de wet voorgeschreven wijze tegen deze verandering van eis heeft verzet. Artikel 134 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) bepaalt immers dat gedaagde bevoegd is zich bij akte ter rolle tegen een verandering of vermeerdering te verzetten. Overigens is naar het oordeel van de Rechtbank, gelet op het petitum in de dagvaarding ("het samenstel van rechtshandelingen houdende verkoop en levering"), in dit verband geen sprake van een wijziging van eis.

b) de mogelijkheid tot verhaal op de bestuurder is verminderd door de onverplicht verrichte rechtshandelingen van die bestuurder.

[eiser] stelt dat de door [gedaagde 2] betaalde koopsom voor de boerderij afkomstig was uit het vermogen van [gedaagde 3], zodat per saldo niet voor de onroerende zaak is betaald. Volgens [eiser] is de boerderij uit het vermogen van [gedaagde 3] geraakt en is er geen "nieuw" vermogen in de vorm van een koopsom voor de boerderij in de plaats is gekomen. [eiser] onderbouwt zijn stellingen op dit punt met een verwijzing naar pagina 7 van de als productie 5 bij conclusie van repliek overgelegde fiscale onderzoeksrapportage betreffende [naam bedrijf] d.d. 15 januari 1999.

Uit de op pagina 7 van evengenoemde rapportage opgenomen verklaring van [naam partner] in samenhang met de daarin vermelde gegevens van de financiele afwikkeling met betrekking tot de [naam]-constructie, de voorloper van [naam bedrijf], blijkt dat [voornaam gedaagde 3] [gedaagde 3] met een bedrag van f 655.000,-- aan cheques van de [naam]-vennootschappen rondliep, welk bedrag (van de cheques) op 11 juli 1994 grotendeels is bijgeschreven op bankrekeningnummers van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] (een bedrag van

f 647.247,21 werd bijgeboekt). Vervolgens werd door [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] op 28 november 1994 een bedrag van f 644.000, -- overgeboekt naar een bankrekening op naam van [voorletter gedaagde 2] [gedaagde 2] bij de Bank Austria AG te Wenen.

Tegenover deze gemotiveerde stellingname van [eiser] heeft [gedaagde 3] aangevoerd dat niet [gedaagde 3] doch de in dezelfde productie genoemde [naam] de cheques in zijn bezit heeft gehad en dat [gedaagde 2] de aankoop van de boerderij -blijkens de afrekening van de notaris d.d. 12 oktober 1994 (als productie 4 bijlage 23 bij conclusie van repliek overgelegd)- heeft gefinancierd door middel van een hypothecaire geldlening.

De Rechtbank overweegt dat uit het feit dat [voorletter penningmeester] [naam], die penningmeester was van [naam bedrijf], opdracht heeft gegeven het bedrag van de cheques bij te schrijven op de bankrekening van bovengenoemde [naam bedrijf 1 en 2] nog niet volgt dat uitsluitend hij, [naam], de cheques in zijn bezit heeft gehad en niet [gedaagde 3]. Dat [gedaagde 2] de boerderij heeft gefinancierd door middel van een hypothecaire geldlening is onjuist: uit evengenoemde afrekening blijkt dat de hypotheekakte werd gepasseerd op 13 oktober 1994, terwijl vaststaat [gedaagde 2] de eigendom van boerderij eerst heeft verworven op 13 december 1994. De afrekening van de notaris heeft dan ook betrekking op een andere onroerende zaak: uit pagina 3 van het door [eiser] als productie 4 bij conclusie van repliek overgelegde proces-verbaal met bijlagen van het onderzoeksproject inzake de positie van [gedaagde 1] blijkt dat [gedaagde 2] op 13 oktober 1994, samen met [naam partner], het appartement te [woonplaats] op het adres [adres] heeft gekocht en dat de afrekening van de notaris en het passeren van de hypotheekakte ad f 470.000,-- op die aankoop betrekking heeft.

Naar het oordeel van de Rechtbank dient er dan ook vanuit te worden gegaan dat de door [gedaagde 2] betaalde koopsom voor de boerderij afkomstig was uit het vermogen van [gedaagde 3], zodat de mogelijkheid tot verhaal op hem is verminderd.

c) dat aannemelijk is dat de rechtshandeling geheel of nagenoeg geheel met dat oogmerk is verricht.

[eiser] stelt dat -onder meer- uit de in bovengenoemde onderzoeksrapportage inzake [naam bedrijf] d.d. 15 januari 1999 (productie 5 bij conclusie van repliek) opgenomen verklaring van [naam partner] (pagina 7 en pagina 54/55) blijkt dat de verkoop van de boerderij van [gedaagde 2] aan [gedaagde 1] verband houdt met het "ongrijpbaar" maken van de boederij en dat [gedaagde 2] in het kader van de verkoop en overdracht niet meer is geweest dan een tijdelijk parkeerstation.

Uit de als bijlage 3 (bij het onderzoeksrapport dat als productie 4 bij conclusie van repliek is overgelegd) overgelegde akte van levering d.d. 31 juli 1995 blijkt voorts dat op die datum de boerderij wordt overgedragen aan [gedaagde 1] voor een koopsom van f 402.500,-- en dat geen hypothecaire lening wordt afgesloten voor de financiering, doch dat de koopprijs op uitdrukkelijk verzoek van beide partijen, rechtstreeks en zonder storting onder de notaris [naam notaris], door koper aan verkoper wordt voldaan. Volgens [eiser] heeft in het geheel geen betaling door [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] plaatsgevonden, althans voor de daadwerkelijke betaling door [gedaagde 1] van de koopprijs bestaat geen enkel bewijs.

Tegenover deze stellingen van [eiser], die deugdelijk zijn gemotiveerd en onderbouwd, heeft [gedaagde 3] niet meer aangevoerd dan dat hij bij gebrek aan wetenschap ontkent dat in het geheel geen betaling door [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] heeft plaatsgevonden en dat de door [naam partner] in het kader van de onderzoeksrapportage afgelegde verklaringen onjuist zijn.

Nu voorts vaststaat dat [gedaagde 3] steeds -van 1994 tot en met augustus 1999- bewoner is geweest van de boerderij en uit de als bijlage 22 (van productie 4 bij conclusie van repliek) overgelegde telefoontap van maandag 22 december 1997 om 17.54 uur tussen [gedaagde 3] en de directeur van [gedaagde 1], [naam directeur], blijkt dat wordt gesproken over de boerderij en de vraag of de boerderij en overige eigendommen niet moeten worden ondergebracht in een ander bedrijf, is de Rechtbank van oordeel dat de door [eiser] genoemde passages uit de verklaring van [naam partner] op dit punt geloofwaardig zijn.

Dat [naam partner] economische eigenaar van [gedaagde 1] zou zijn en niet [gedaagde 3], zoals [gedaagde 3] aanvoert, is in het licht van het als productie 4 bij conclusie van repliek overgelegde proces-verbaal bepaald onaannemelijk: uit de daarin op pagina 7 omschreven "bankaffaire" volgt integendeel dat [gedaagde 3] economisch eigenaar is van [gedaagde 1].

[gedaagde 3] heeft nog aangevoerd dat hij geen wetenschap van benadeling had, omdat hij niet had verwacht dat een belastingschuld zou ontstaan.

Vaststaat dat door [naam bedrijf] geen aangifte van loon- en omzetbelasting werd gedaan en evenmin de verschuldigde belasting werd afgedragen. Uit de strafzaak tegen [gedaagde 3] (zie r.o. 1 sub d) is voorts gebleken dat de [naam bedrijf]-constructie slechts is opgezet met het doel belasting/premieheffing te ontduiken. Nu de materiele belastingschulden reeds in de periode 1 januari 1994 respectievelijk 11 maart 1994 tot en met 31 december 1997 zijn ontstaan (de formele belastingschulden, de aan [naam bedrijf] opgelegde naheffingsaanslagen, hebben betrekking op de belastingschuld wellke in die periode is ontstaan) dient ervan uitgegaan te worden dat [gedaagde 3], die bestuurder was van de coöperatie [naam bedrijf], er rekening mee had dienen te houden dat [eiser] hem -als voorzitter van [naam bedrijf]- voor deze schulden aansprakelijk zou houden. In dit verband is onder meer van belang hetgeen het Gerechtshof te Amsterdam in de strafzaak tegen [gedaagde 3] heeft vastgesteld omtrent zijn handelwijze en die van [naam bedrijf], waaronder het feit dat [naam bedrijf] een uitzendbureau was.

De Rechtbank is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat aannemelijk is dat de verkoop en overdracht van de boerderij door [gedaagde 3] aan [gedaagde 2] geheel of nagenoeg geheel heeft plaatsgevonden met het oogmerk de mogelijkheid tot verhaal op [gedaagde 3] te verminderen.

d) er is geen sprake van een derde te goeder trouw in de zin van artikel 45 Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, zodat de vernietiging ook jegens de derde werkt.

[eiser] stelt dat -met uitzondering van de bewoning van de boerderij van [gedaagde 1] door [gedaagde 3]- op papier geen rechtstreekse relatie bestaat tussen [gedaagde 3] en zijn familie enerzijds en [gedaagde 1] anderzijds.

[eiser] stelt voorts dat -onder meer- uit de overgelegde telefoontaps (bijlage 22 bij het als productie 4 bij conclusie van repliek overgelegde proces-verbaal) wel degelijk blijkt dat [gedaagde 3] feitelijk bestuurder is van [gedaagde 1] en dat de latere directeur van evengenoemde vennootschap, [naam directeur], niet meer is dan een stroman die de belangen van de familie [gedaagde 3] behartigt.

[gedaagde 3] heeft -onder meer- aangevoerd dat [naam directeur] blijkens de als productie 18 bij conclusie van dupliek overgelegde verklaring geen instructies aanneemt (van [gedaagde 3] of zijn dochter), doch dat hij integendeel instructies geeft.

De Rechtbank overweegt dat uit de door [eiser] overgelegde telefoontaps met betrekking tot de "bankaffaire", met name uit de als bijlage 22 bij productie 4 (bij conclusie van repliek) overgelegde uitwerking met nummer 1374 van maandag 22 december 1997 om 9.12 uur blijkt dat [naam directeur] afhankelijk is van de instructies van de familie [gedaagde 3].

Het betreft hier onder meer de navolgende passages uit een gesprek tussen [gedaagde 3] (aangeduid als C) en [naam directeur] (aangeduid als G) in verband met de bankaffaire: de poging tot afboeking door [naam partner] van een grote som geld ten laste van een bankrekening van [gedaagde 1]:

G. I tried to contact Yvon. But in the meantime I want to know what should I do because ehhh.

C. Yes that's right. I contact Yvon and she make a telephonecall to you.

G. She is not at home, because I tried home.

C. Jeh, I know where she is. I know where she is and within half an hour, she calls you back.

G. Because ehhh this, there was some agreement with this company

C. No I don't know. It is the first time in my live that I heard this name.

G. [naam bedrijf].

C. Yes

G I haven't gone to the bank jet, because they phoned me and they told me it is very urgent an the bills have got tot be paid within 24 hours.

C. I think no.Maybe it is a tric. But I ask Yvon and then we call you back.

G. Please try to call me as soon as possible. I am at [telefoonnummer] normaly, oke. …………….

C. Yes that is oke.

G. I am waiting for your call. Allright ?

C. Oke.

Op grond van het voorgaande -alsmede de overige door [eiser] overgelegde bescheiden- is de Rechtbank van oordeel dat [gedaagde 1] niet kan worden aangemerkt als derde te goeder trouw in de zin van artikel 45 Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, zodat de vernietiging ook jegens [gedaagde 1] werkt.

5.3 Zoals hiervoor is vermeld, is tegen [gedaagde 2] verstek verleend dat overeenkomstig het

bepaalde in artikel 79 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) is betekend.

De Rechtbank zal de eis tegen [gedaagde 2] beoordelen op grond van hetgeen [gedaagde 3] in deze procedure heeft aangevoerd. [gedaagde 1] heeft het verstek gezuiverd, doch heeft geen verweer gevoerd.

Uit het voorgaande volgt dat de weren van [gedaagde 3] dienen te worden verworpen en dat de primaire vorderingen van [eiser] dienen te worden toegewezen. De overige vorderingen van [eiser] behoeven derhalve geen behandeling meer.

[gedaagde 3], [gedaagde 2] en [gedaagde 1] dienen als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding te worden verwezen.

DE BESLISSING

De Rechtbank:

Voor het geval onherroepelijk komt vast te staan dat [eiser] een vordering op [gedaagde 3] heeft uit hoofde van artikel 36 lid 8 van de Invorderingswet:

Vernietigt het samenstel van rechtshandelingen houdende verkoop en levering van de boerderij [adres en woonplaats], kadastraal bekend Gemeente [naam gemeente], [kadastrale gegevens] door [gedaagde 3] aan [gedaagde 2] op de voet van artikel 36 lid 8 van de Invorderingswet 1990;

Verklaart voor recht dat [eiser] zich mag verhalen op de hiervoor genoemde boerderij;

Gebiedt dat [gedaagde 1] en zonodig [gedaagde 2] alle nodige medewerking verlenen aan het wijzigen van de tenaamstelling van de onroerende zaak in de openbare registers, in die zin dat de inschrijving van [gedaagde 1] wordt doorgehaald en [gedaagde 3] als eigenaar wordt ingeschreven, een en ander op straffe van een (door ieder van hen) direct te verbeuren dwangsom van € 45.378,02 (= f 100.000) voor iedere dag dat na betekening van dit vonnis die medewerking niet wordt verleend;

Bepaalt dat bij gebreke van bovengenoemde medewerking dit vonnis kan worden ingeschreven in de openbare registers;

Verwijst [gedaagde 3], [gedaagde 2] en [gedaagde 1] in de kosten van het geding tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op:

€ 181,51 aan verschotten

€ 780,50 aan salaris van de procureur

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. C.W.T. Vriezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 7 mei 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.