Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2003:AI0499

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
25-07-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
BESLU 03/846
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft aan de voorzieningenrechter verzocht de aan de Stichting Timmerdorp verleende vergunning bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Dit verzoek wordt afgewezen. De rechter acht de overlast voor verzoeker niet dermate groot dat de burgemeester de vergunning had moeten weigeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr: BESLU 03/846

Inzake: [verzoeker], wonende te Castricum, verzoeker,

tegen: de burgemeester van de gemeente Castricum en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Castricum, verweerders.

1. Aanduiding bestreden besluit

De besluiten van verweerders van 25 april 2003.

2. Zitting

Datum: 23 juli 2003.

Verzoeker is in persoon verschenen.

Verweerders zijn verschenen bij gemachtigden S.G.B. Barnhoorn-Bakker en C.A.J. van den Berg-Van Heck, medewerkers van de afdeling Bestuur en Managementondersteuning van de gemeente Castricum.

Voorts zijn namens de Stichting Timmerdorp Castricum verschenen {de secretaris], [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2].

3. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 8 februari 2003 heeft de Stichting Timmerdorp Castricum (hierna: de stichting) toestemming gevraagd om op het terrein lokaal gelegen achter de Grutto te Castricum van zondag 3 augustus 2003 tot en met zaterdag 9 augustus 2003 het "Timmerdorp 2003" (hierna: het timmerdorp) te houden.

Bij besluit van 25 maart 2003, verzonden op 25 april 2003, heeft de burgemeester van de gemeente Castricum aan de stichting vergunning verleend voor het houden van het timmerdorp. Aan deze vergunning zijn een aantal voorwaarden verbonden. Voorts heeft het college van burgemeester en wethouders bij besluit van diezelfde datum aan de stichting ontheffing verleend van het gestelde verbod in artikel 5.5.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Castricum (hierna: de APV) voor het verbranden van het gebruikte hout. Ook aan deze ontheffing zijn voorwaarden verbonden.

Tegen deze besluiten heeft verzoeker bij brief van 13 juni 2003, door verweerder ontvangen op 16 juni 2003, bezwaar gemaakt.

Bij brief van 2 juli 2003, door de rechtbank ontvangen op 8 juli 2003, heeft verzoeker aan de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 14 juli 2003, verzonden op 15 juli 2003, heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden.

Bij brief van 22 juli 2003 heeft verzoeker nadere stukken in het geding gebracht.

Vervolgens is het geschil op 23 juli 2003 ter zitting behandeld.

4. Motivering

4.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor eiser uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Het antwoord op de vraag of er sprake is van een nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening is in belangrijke mate mede afhankelijk van een - voorlopig - oordeel omtrent de vraag of op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het in de bodemprocedure bestreden besluit niet in stand kan blijven.

Voor zover het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

4.2 De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande het volgende.

4.3 Ingevolge artikel 2.2.1, eerste lid, van de APV - voorzover hier van belang - wordt onder een evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak.

Ingevolge artikel 2.2.2, eerst lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de vergunning worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. het voorkomen of beperken van overlast;

c. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen;

d. de zedelijkheid of gezondheid.

4.4 Ingevolge artikel 5.5.1, eerste lid, van de APV is het verboden in de openlucht vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het college van dit verbod ontheffing verlenen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kan de ontheffing worden geweigerd:

a. in het belang van de openbare orde en veiligheid;

b. ter bescherming van de woon- en leefomgeving;

c. ter bescherming van de flora en de fauna;

d. ter voorkoming van hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu door rook, roet, stof, walm of stank.

4.5 Verzoeker heeft aan de voorzieningenrechter verzocht de aan de stichting verleende vergunning bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Verzoeker heeft bij dit verzoek een afschrift gevoegd van het door hem ingediende bezwaarschrift. Nu verzoeker hierin tevens bezwaar maakt tegen de voorgenomen verbranding van het overgebleven sloophout, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tevens betrekking heeft op de verleende ontheffing van het verbod tot het stoken van vuur.

4.6 De vraag moet worden beantwoord of verzoeker als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb dient te worden aangemerkt. Ter zitting is vast komen te staan dat verzoeker geen zicht heeft op het te houden evenement. Het timmerdorp zal immers door middel van bomen en struiken afgeschermd zijn van de woning van verzoeker. Dit betekent dat dient te worden beoordeeld of de onderhavige besluiten van invloed zijn op de woon- en leefomgeving van verzoeker. Hoewel de woning van verzoeker is gelegen op circa 800 meter van de plaats waar het timmerdorp zal worden gehouden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit het geval is. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde staat vast dat er als gevolg van het timmerdorp extra verkeersbewegingen langs de woning van verzoeker zullen plaatsvinden. Voorts acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat het geluid van het timmerdorp tot aan de woning van verzoeker zal dragen.

4.7 Bij brief van 22 juli 2003 heeft verzoeker een handtekeningenlijst overgelegd, waaruit zou blijken dat een groep van 92 andere personen, bestaande uit bewoners van de Grutto en de Kievit en uit regelmatige bezoekers van het park, eveneens bezwaar heeft tegen het houden van het timmerdorp in het park achter de Grutto te Castricum. Gesteld noch gebleken is echter dat deze personen bij verweerders een bezwaarschrift hebben ingediend tegen de onderhavige besluiten. Evenmin is gesteld of gebleken dat deze personen bij de voorzieningenrechter een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hebben ingediend. Verzoeker is op eigen naam opgekomen tegen de verleende vergunning en ontheffing. Aan de belangen van anderen dan verzoeker kan dan ook geen gewicht worden toegekend in de onderhavige procedure.

4.8 Ter zitting heeft verzoeker nog aangevoerd dat hij is benadeeld door de timing van de vergunningverlening en de publicatie daarvan. Voorts acht verzoeker zich benadeeld doordat verweerders eerst na afloop van het evenement op het bezwaarschrift van verzoeker zullen beslissen. Ten slotte heeft verzoeker aangevoerd dat de aanduiding van de locatie in de vergunning misleidend is. De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van deze punten als volgt. Hoewel aan verzoeker kan worden toegegeven dat het ongelukkig is dat de beslissing op bezwaar pas na het houden van het timmerdorp zal worden afgegeven, is de voorzieningenrechter niet gebleken dat door verweerders misbruik is gemaakt van de procedure. Door verweerder is de gebruikelijke procedure gevoerd voor het beslissen op een aanvraag en het beslissen op een ingediend bezwaarschrift en daarbij zijn geen onredelijke lange termijnen gehanteerd. Met betrekking tot de aanduiding van de locatie van het timmerdorp is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze niet dermate vaag is dat belanghebbenden daaruit niet hebben kunnen afleiden waar het evenement zal plaatsvinden.

4.9 Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting leidt de voorzieningenrechter het volgende af. Door de burgemeester is vergunning verleend voor het houden van het timmerdorp in het park Noord End, gelegen achter de Grutto te Castricum. Het timmerdorp is een jaarlijks terugkerend evenement dat dit jaar voor de 31e keer wordt georganiseerd, maar dat dit jaar voor het eerst op deze locatie plaatsvindt. Aan het timmerdorp zullen 180 kinderen deelnemen in de leeftijd van 6 tot 15 jaar. Deze kinderen zullen in een tijdsbestek van vijf dagen hutten bouwen op het aangewezen deel van het park. Het timmerdorp zal circa een tiende deel van het park in beslag nemen. Het park zal gedurende het evenement toegankelijk zijn voor het publiek. Het timmerdorp zal door een bewoner van De Grutto worden voorzien van stroom en water. Het afvalwater, bestaande uit een kleine hoeveelheid afwaswater, zal worden geloosd in een nabij gelegen sloot. Ten behoeve van de deelnemers zullen in het park ecotoiletten worden geplaatst.

Op de eerste dag van het evenement, zondag 3 augustus 2003, zullen houten palen en timmerhout worden aangevoerd met behulp van vrachtwagens. Zonodig zal de gemeente Castricum hiertoe rijplaten ter beschikking stellen. De houten palen zullen in de grond worden geplaatst. Voorts zal er voor de organisatie een aantal wagens worden neergezet tussen het timmerdorp en de dichtstbijzijnde woonhuizen. Deze wagens zijn tevens bedoeld om als geluidswal te dienen om overlast zoveel mogelijk tegen te gaan. Gedurende het evenement zullen voorts een zestal personenauto's van de organisatie op het terrein aanwezig zijn.

De timmeractiviteiten zullen plaatsvinden van maandag tot en met vrijdag van 09.00 tot 12.00 uur en van 13.30 uur tot 16.00 uur. Op donderdagavond zal voor de kinderen een barbecue worden georganiseerd. De kinderen zullen daartoe zogenoemde vuurputjes maken door graspollen om te draaien. Op vrijdagochtend zal een playbackshow worden gehouden. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van een geluidsinstallatie. Vrijdagavond 8 augustus 2003 zal het timmerdorp worden afgesloten met het verbranden van het overgebleven sloophout. Hiertoe heeft het college van burgemeester en wethouders ontheffing verleend van het verbod tot het stoken van vuur in de APV. Het vuur zal door de brandweer worden aangestoken op een door de brandweer aangewezen plek op het terrein. Van deze verbranding zal rechtstreeks verslag worden gedaan op de radio. Ook bij deze gelegenheid zal gebruik worden gemaakt van de aanwezige geluidsinstallatie. Verder zal de geluidsinstallatie alleen voor het doen van mededelingen worden gebruikt.

Op zaterdag 9 augustus 2003 zal de locatie van het timmerdorp vrij van afval worden achtergelaten. Al het overgebleven hout zal worden opgeruimd en voor het opruimen van spijkers zal gebruik worden gemaakt van een magneetwagen. De houten palen zullen door een vrachtauto worden afgevoerd. De gaten zullen worden dichtgegooid met zand. Deze plekken zullen door de gemeente opnieuw worden ingezaaid met gras. De gemeente zal er verder voor zorgdragen dat de nodige herstelwerkzaamheden worden uitgevoerd. Op maandag 11 augustus 2003 zullen ten slotte de verbrandingsresten worden opgeruimd.

4.10 Ten aanzien van de verleende evenementenvergunning overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.10.1 Artikel 2.2.2, tweede lid, van de APV bevat een viertal limitatieve gronden op grond waarvan de burgemeester een vergunning kan weigeren. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de bezwaren die verzoeker heeft geuit over de afvoer van het afvalwater door de stichting, alsmede de gestelde aanwezigheid op het terrein van wilde orchideeën en de gestelde schade die aan het aanwezige groen wordt toegebracht niet een dergelijke grond opleveren. De voorzieningenrechter zal deze punten in dit kader dan ook buiten beschouwing laten. Voorts geldt dat is gesteld noch gebleken dat de belangen onder a (de openbare orde) en d (de zedelijkheid of gezondheid) door de onderhavige vergunningverlening in gedrang komen. Verzoeker heeft slechts gesteld dat hij van het timmerdorp geluids- en verkeersoverlast zal ondervinden en dat het normale gebruik van het park door het timmerdorp zal worden gehinderd. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat ingetrapte spijkers een gevaar zullen opleveren voor na het evenement aldaar spelende kinderen en honden. Dit betekent dat alleen de belangen onder b (het voorkomen of beperken van overlast) en c (de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen) bespreking behoeven.

4.10.2 Hoewel aannemelijk is dat verzoeker enige overlast zal ondervinden van het timmerdorp, is de voorzieningenrechter van oordeel dat die overlast niet zodanig groot is dat de burgemeester hierin, gelet op alle betrokken belangen, aanleiding had moeten zien om de gevraagde vergunning te weigeren. Op het punt van de geluidsoverlast acht de voorzieningenrechter van belang dat de woning van verzoeker circa 800 meter verwijderd is van de locatie van het timmerdorp. Voorts zal niet continu sprake zijn van geluidsoverlast. Het timmeren zal op vijf dagen plaatsvinden van 09.00 uur tot 12.00 uur en van 13.30 tot 16.00 uur. Ter zitting is verder namens de stichting aangevoerd dat alleen muziek zal worden gedraaid op vrijdagochtend, bij gelegenheid van de playbackshow, en op vrijdagavond bij de verbranding van het sloophout. Voor het overige zal de geluidsinstallatie slechts worden gebruikt voor het doen van mededelingen. Ten aanzien van de door verzoeker gestelde verkeersoverlast acht de voorzieningenrechter allereerst van belang dat volgens de aan de vergunning verbonden voorschriften autovervoer via het voet/fietspad langs het terrein alleen is toegestaan als er stapvoets wordt gereden en er waarschuwingsborden worden geplaatst. Voorts hecht de voorzieningenrechter er belang aan dat namens de stichting is aangevoerd dat 80% van de deelnemende kinderen op de fiets naar het timmerdorp zal komen. Aan de ouders die hun kind(eren) met de auto brengen en halen zal door middel van borden duidelijk worden gemaakt dat zij niet met hun auto door het park naar de locatie van het timmerdorp mogen rijden. Als ouders zich hieraan niet houden zullen zij onmiddellijk worden teruggestuurd. De stichting verwacht alleen bij de afsluiting van het evenement extra bezoekers, waardoor parkeeroverlast zou kunnen ontstaan. Volgens de stichting heeft dit in het verleden echter nooit tot grote problemen geleid. Met betrekking tot de stelling van verzoeker dat het normale gebruik van het park door het timmerdorp zal worden gehinderd, overweegt de voorzieningenrechter dat ter zitting vast is komen te staan dat het timmerdorp slechts een tiende gedeelte van het park in beslag zal nemen en dat het overige deel van het park gedurende het evenement normaal toegankelijk zal zijn voor verzoeker.

4.10.3 Met betrekking tot de stelling dat achtergebleven spijkers een gevaar zullen opleveren voor na het evenement aldaar spelende kinderen en honden acht de voorzieningenrechter van belang dat het terrein na afloop van het evenement grondig zal worden opgeruimd. Voorts zal een magneetwagen worden gebruikt om de achtergebleven spijkers te verwijderen. Hoewel de stichting ter zitting heeft erkend dat niet is uitgesloten dat er enkele spijkers achter zullen blijven op het perceel, acht de rechtbank niet aannemelijk dat daardoor een zodanig gevaar voor de veiligheid van spelende kinderen en honden zal ontstaan, dat vergunningverlening, gelet op alle betrokken belangen, achterwege had moeten blijven.

4.10.4 Gelet op het voorgaande oordeelt de voorzieningenrechter dat voor verzoeker uit de verleende vergunning geen onevenredig nadeel voortvloeit in verhouding tot de met de vergunningverlening gediende belangen. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding de aan de stichting verleende vergunning te schorsen.

4.11 Ten aanzien van de verleende ontheffing overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.11.1 Ingevolge het tweede lid van artikel 5.5.1 van de APV kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het verbod tot het stoken van vuur in de openlucht. Verweerder hanteert bij de uitoefening van deze bevoegdheid het beleid dat alleen ontheffing wordt verleend voor traditionele vuren, zulks onder de voorwaarden die ook aan de onderhavige ontheffing zijn verbonden. Dit beleid is neergelegd in de nota 'Verbranden van organische afvalstoffen in de openlucht'. Dit beleid komt de voorzieningenrechter niet onredelijk voor. Voorts staat vast dat verweerder conform dit beleid heeft gehandeld door aan de stichting een ontheffing te verlenen voor het verbranden van sloophout op vrijdagavond 8 augustus 2003 en daaraan de gestelde voorwaarden te verbinden. Verzoeker heeft immers niet betwist dat het afsluitende vuur een traditioneel vuur betreft. Verzoeker heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat er dringende redenen zijn op grond waarvan verweerder gehouden was om van dit beleid af te wijken. De voorzieningenrechter overweegt op dit punt dat aan de ontheffing onder meer voorwaarden zijn verbonden die hinder in de vorm van rook en stank tegen moeten gaan. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat zodanige overlast zal ontstaan door het verbranden van het sloophout, dat de aan de ontheffing verbonden voorwaarden niet afdoende zullen zijn ter bescherming van zijn woon- en leefomgeving. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat op de locatie van het timmerdorp wilde orchideeën aanwezig zijn. Verzoeker heeft geen bescheiden overgelegd waaruit dit blijkt. Voorts is namens verweerder ter zitting aangevoerd dat het terrein waar het vorige timmerdorp heeft plaatsgevonden juist niet meer beschikbaar is wegens de aanwezigheid van wilde orchideeën op dat terrein. Naar aanleiding hiervan is overleg gevoerd over een alternatieve locatie. Uiteindelijk is onder meer in overleg met de milieudienst besloten het timmerdorp op de onderhavige locatie te houden. Volgens verweerder is de plantsoenendienst niet bekend dat daar wilde orchideeën groeien. De voorzieningenrechter merkt overigens op dat volgens de verleende ontheffing de brandweercommandant de plaats zal aanwijzen voor de verbranding. De voorzieningenrechter gaat er dan ook van uit dat, indien de plantsoenen- of milieudienst van de gemeente Castricum constateert dat op de voorgenomen plaats van de verbranding wilde orchideeën staan, een andere plaats zal worden aangewezen voor de verbranding van het sloophout.

4.11.2 Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders, gelet op alle betrokken belangen, de ontheffing had moeten weigeren. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen reden de verleende ontheffing te schorsen.

4.12 Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen zal daarom worden afgewezen.

4.13 De voorzieningenrechter is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

4.14 Beslist is als volgt.

5. Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr. drs. W.P. van der Haak, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Boonstra, als griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.