Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2003:AH9265

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
05-06-2003
Datum publicatie
20-08-2004
Zaaknummer
14/011009-03 + 14/011020-01 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen joyriding Verdachte en zijn mededaders hebben tevoren joyriding gepland. Daarom kan gesproken worden van medeplegen van joyriding, ook al heeft verdachte niet zelf de auto bestuurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer: 14/011009-03 + 14/011020-01 (TUL)

Datum uitspraak: 5 juni 2003

TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor de behandeling van Kinderstrafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [woonplaats] op [geboortedatum] 1986,

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in Rijksinrichting voor Jeugdigen "De Doggershoek" te Den Helder.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 mei 2003.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 19 december 2002 in de gemeente Den Helder tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een bromfiets (merk Gilera, type Runner, kleur zwart), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen bromfiets onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of een valse sleutel;

2.

hij op of omstreeks 19 december 2002 in de gemeente Den Helder tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meerdere schroevendraaier(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Hema, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

3.

hij op 26 februari 2003 in de gemeente Den Helder en in de gemeente Schagen, althans in het arrondissement Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (personenauto, merk Fiat, type Bravo), toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, (als bestuurder) heeft gebruikt op de weg, waaronder de Gladiolenstraat te Den Helder en/of de N9 tussen Den Helder en Schagen en/of de Westerweg te Schagen, in elk geval op

een weg;

subsidiair, indien het vorenstaande onder 3. niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 februari 2003 in de gemeente Den Helder en/of in de gemeente Schagen, althans in het arrondissement Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een personenauto (merk Fiat, type Bravo) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1., feit 2 en feit 3. primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

1.

hij op 19 december 2002 in de gemeente Den Helder tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets (merk Gilera, type Runner, kleur zwart), toebehorende aan [slachtoffer], waarbij verdachte en zijn mededaders die weg te nemen bromfiets onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en een valse sleutel;

2.

hij op 19 december 2002 in de gemeente Den Helder tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een schroevendraaier, toebehorende aan de Hema;

3. primair

hij op 26 februari 2003 in de gemeente Den Helder en in de gemeente Schagen tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (personenauto, merk Fiat, type Bravo), toebehorende aan [slachtoffer 2], als bestuurder heeft gebruikt op de weg, waaronder de Gladiolenstraat te Den Helder en de N9 tussen Den Helder en Schagen en de Westerweg te Schagen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

4. BEWIJSVERWEREN EN NADERE MOTIVERING

Met betrekking tot feit 3 is door de verdediging betoogd dat, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 3 november 1964, NJ 1965/279, "medeplegen van het gebruik als bestuurder" niet bewezen kan worden uit de enkele omstandigheid dat verdachte zich als inzittende in de auto van [slachtoffer 2] bevond, terwijl hij samen met anderen het plan had gemaakt om deze auto zonder toestemming van [slachtoffer 2] te gebruiken.

Dit verweer wordt verworpen om de navolgende redenen.

Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting alsmede de verklaring van [dochter slachtoffer 2] blijkt dat een paar dagen voordat de joyriding heeft plaatsgevonden, tussen verdachte en zijn vrienden was afgesproken dat zij met de auto van [de dochter van slachtoffer 2 haar] vader naar Schagen zouden rijden, terwijl zij wisten dat [de dochter van slachtoffer 2 haar] vader daarvoor geen toestemming had gegeven. Volgens verdachte heeft [medeverdachte] de auto gestart en is verdachte even later met een aantal andere vrienden ingestapt en meegereden.

Uit genoemd arrest van de Hoge Raad blijkt dat het medeplegen van het gebruik als bestuurder als bedoeld in artikel 37 Wegenverkeerswet (oud; thans artikel 11 Wegenverkeerswet 1994) niet is uitgesloten voor een inzittende van een motorrijtuig, terwijl een ander dat motorrijtuig bestuurt. Dit kan het geval zijn als zijn gedragingen nauw betrokken zijn bij het besturen.

Toegegeven moet worden dat volgens de Hoge Raad dit bewijs niet kon worden geleverd uit de enkele omstandigheid van het meerijden terwijl tezamen met de bestuurder het plan voor joyriding was gemaakt. In zoverre is de casus van het arrest van de Hoge Raad vergelijkbaar met deze.

Het arrest van de Hoge Raad is evenwel gedateerd en had nog betrekking op de oude Wegenverkeerswet. Gelet op de ontwikkelingen in de jurisprudentie sinds de genoemde uitspraak met betrekking tot het begrip "medeplegen" als bedoeld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen een motorrijtuig als bestuurder heeft gebruikt. Er was immers sprake van een bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn vrienden alsmede van betrokkenheid van verdachte bij de uitvoering.

5. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1.:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en valse sleutels.

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 3. primair:

Medeplegen van overtreding van artikel 11 van de Wegenverkeerswet 1994.

6. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. MOTIVERING VAN DE STRAF

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft samen met anderen een in het uitgaanscentrum van Den Helder geparkeerd staande scooter gestolen. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van een tweetal schroevendraaiers, die hij speciaal voor dit doel samen met zijn medeverdachten heeft ontvreemd bij een warenhuis. Volgens zijn eigen verklaring is verdachte tot het besluit gekomen om de scooter weg te nemen, omdat hij deze 'wel mooi' vond. Kennelijk heeft verdachte alleen gedacht aan de onmiddellijke bevrediging van zijn eigen wensen, zonder een moment stil te staan bij de schade, overlast en frustratie die zijn handelen voor de gedupeerde heeft veroorzaakt. De rechtbank acht dit een zeer hinderlijk feit.

Daarnaast heeft verdachte zich tezamen met een groep leeftijdgenoten schuldig gemaakt aan joyriding. Ook dit acht de rechtbank een vervelend feit.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 1 februari 2003, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder terzake van onder meer vermogensdelicten tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld.

Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

- het over de verdachte uitgebrachte Rapport Raadsonderzoek Strafzaken gedateerd 30 januari 2003 van de Raad voor de Kinderbescherming, met daarbij als bijlagen een briefrapport van de Raad voor de Kinderbescherming gedateerd 24 september 2002, een verslag van de gedragsdeskundige E. Bomhof, gedateerd 17 september 2002, alsmede een 'Rapportage in het kader van de ondertoezichtstelling' van W. Meddens, als gezinsvoogd verbonden aan de Stichting Jeugd en Gezin Noord-Holland, gedateerd 29 augustus 2002.

- het over de verdachte uitgebrachte Rapport Raadsonderzoek Strafzaken gedateerd 19 mei 2003 van de Raad voor de Kinderbescherming, met daarbij als bijlagen een 'Verblijfsplan', afkomstig van (naar de rechtbank begrijpt) de RIJ "De Doggershoek" te Den Helder, ongedateerd, alsmede een brief, gedateerd 8 mei 2003, afkomstig van W. Meddens, als gezinsvoogd verbonden aan de Stichting Jeugd en Gezin Noord-Holland, inhoudende onder meer een strafadvies.

Uit genoemd Rapport Raadsonderzoek Strafzaken van de Raad voor de Kinderbescherming van 19 mei 2003 komt naar voren dat verdachte met name door zijn passieve houding telkens in de problemen komt. In "De Doggershoek" gedijt hij goed, dankzij de daar geboden structuur en duidelijkheid. Het is wenselijk dat er een stappenplan voor de toekomst komt, bijvoorbeeld in de vorm van een Scholings- en Traject Plan (STP). Geadviseerd wordt een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met aan het voorwaardelijk deel daarvan gekoppeld de Maatregel Hulp en Steun (de rechtbank begrijpt: de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van de jeugdreclassering); dit laatste om te waarborgen dat de begeleiding na verdachtes 18e jaar wordt voortgezet. Gedurende de periode van de onvoorwaardelijke jeugddetentie kan dan gewerkt worden aan het bedoelde STP.

Het strafadvies van de gezinsvoogd, zoals verwoord in genoemde brief van 8 mei 2003, heeft eenzelfde strekking. In aanvulling hierop heeft de gezinsvoogd in zijn brief en ter terechtzitting de mogelijkheid naar voren gebracht verdachte te laten begeleiden door een (Antilliaanse) coach in het kader van het coachingsproject van het CHJ te Den Helder.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke vrijheidsstraf op haar plaats is.

Bij de bepaling van de duur en de vorm van die vrijheidsstraf heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte is bij vonnis van deze rechtbank en kamer van 15 november 2001 veroordeeld tot een jeugddetentie van 180 dagen waarvan 50 dagen voorwaardelijk. Vervolgens is verdachte bij vonnis van deze rechtbank en kamer van 10 oktober 2002 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 110 dagen. Kennelijk hebben deze vrijheidsstraffen onvoldoende indruk op verdachte gemaakt, aangezien hij zich korte tijd na het uitzitten van de laatstelijk opgelegde jeugddetentie wederom aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Het onder feit 3. bewezen verklaarde feit heeft verdachte zelfs gepleegd terwijl zijn voorlopige hechtenis door de raadkamer van deze rechtbank was geschorst.

Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank een jeugddetentie van aanzienlijke duur het enige passende antwoord op de door verdachte gepleegde feiten. Overeenkomstig de uitgebrachte adviezen zal de rechtbank een deel van deze jeugddetentie in voorwaardelijke vorm opleggen, aan welk voorwaardelijk deel de rechtbank een bijzondere voorwaarde zal verbinden waaraan de verdachte zich gedurende de proeftijd zal dienen te houden, een en ander zoals hieronder in de rubriek BESLISSING zal worden aangegeven.

8. BENADEELDE PARTIJEN

De benadeelde partij [slachtoffer], wonende [adres en woonplaats] heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van 1520,- euro wegens schade die de verdachte met zijn mededaders aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij deels van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

De hoogte van de vergoeding voor de ontvreemde scooter (post nummer 1. op de vordering) wordt door de rechtbank, rekening houdend met een afschrijving van 250,- euro per jaar, naar redelijkheid vastgesteld op 985,- euro.

Daarnaast komen de opgevoerde kosten voor de helm (45,- euro) en het bromfietscertificaat (15,- euro) voor toewijzing in aanmerking.

Met betrekking tot de onder nummer 4. op de vordering opgevoerde post 'accessoires' is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd om voor toewijzing in aanmerking te kunnen komen.

Nu aldus is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder feit 1. bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte - ook al zijn andere daders daarbij betrokken - rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van 1045,- euro, kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voorzover het toewijsbare reeds door de mededader(s) aan de benadeelde partij is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9. SCHADEVERGOEDING ALS MAATREGEL

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer [slachtoffer] voornoemd naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder feit 1. bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde.

De toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de op te leggen verplichting niet op.

10. VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE STRAF

De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van deze rechtbank van 15 november 2001 in de zaak met parketnummer 14.011020-01 aan de verdachte opgelegde straf voorzover voorwaardelijk opgelegd, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, op grond van het feit dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is om over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 13 december 2001 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 30 november 2001. Bij vonnis van deze rechtbank en kamer van 10 oktober 2002 is de proeftijd met een jaar verlengd. De proeftijd was derhalve ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering gegrond, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

Daarom behoort de gevorderde tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde straf te worden gelast.

De rechtbank gaat er vanuit dat deze straf aansluitend aan het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen jeugddetentie ten uitvoer gelegd zal worden.

11. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf en last tot tenuitvoerlegging zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77dd, 77gg, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Wegenverkeersweg 1994.

12. BESLISSING

De rechtbank:

I Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder feit 1., feit 2 en feit 3. primair ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

II Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een jeugddetentie voor de tijd van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 2 (twee) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Stichting Jeugd en Gezin Noord-Holland, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt.

Verstrekt aan de genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

III Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende [adres en [woonplaats]] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van 1045,- (eenduizend vijfenveertig) euro als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voorzover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

IV Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] voornoemd, te betalen een som geld ten bedrage van 1045,- (eenduizend vijfenveertig) euro, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 6 (zes) dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voorzover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

V Gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde jeugddetentie voor de duur van 50 (vijftig) dagen, opgelegd bij voormeld vonnis van 15 november 2001 in de zaak met parketnummer 14.011020-01 aldus, dat die straf geheel wordt ten uitvoer gelegd.

VI Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.M. Schothorst, voorzitter,

mr. A.S. van Leeuwen, kinderrechter en mr. J.J. de Wit, rechter,

in tegenwoordigheid van A. Helder, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 05 juni 2003.