Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2003:AF7589

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
22-04-2003
Datum publicatie
22-04-2003
Zaaknummer
14/010315-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord op [slachtoffer] en poging tot ontvoering van het ruim één week oude kind van die [slachtoffer].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer: 14/010315-02

Datum uitspraak: 22 april 2003

TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en geboortedatum],

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen 'Breda' te Breda.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 april 2003.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 23 juli 2002 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer] in haar hals heeft gestoken en/of geduwd en/of de keel van die [slachtoffer] (met kracht) heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden en/of

met een of meer bloempot(ten) en/of een of meer beeld(jes), althans een of meer hard(e) voorwerp(en), met kracht tegen/op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 23 juli 2002 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer] in haar hals heeft gestoken en/of geduwd en/of de keel van die [slachtoffer] (met kracht) heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden en/of

met een of meer bloempot(ten) en/of een of meer beeld(jes), althans een of meer hard(e) voorwerp(en), met kracht tegen/op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 23 juli 2002 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer] in haar hals heeft gestoken en/of geduwd en/of de keel van die [slachtoffer] (met kracht) heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden en/of met een of meer bloempot(ten) en/of een of meer beeld(jes), althans een of meer hard(e) voorwerp(en), met kracht tegen/op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

zij in of omstreeks de maand juli 2002 in de gemeente Alkmaar, en/of (elders) in Nederland, ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk het kind (geboren op 15 juli 2002) van [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden, met dat opzet (onder andere) goederen ter verzorging van een baby (onder andere babyvoeding en/of luiers) heeft gekocht en/of verzameld en/of (op 22 juli 2002) ten overstaan van een ambtenaar van de burgerlijke stand een "akte erkenning ongeboren kind" heeft laten opstellen met betrekking tot haar, verdachtes, ongeboren kind(eren) [wetende dat zij, verdachte op dat moment niet (meer) zwanger was] en/of

voornoemde goederen in een auto bijeen heeft gebracht en die auto vervolgens in de buurt van de woning van die [slachtoffer] heeft geparkeerd en/of (vervolgens) zich heeft opgedrongen aan, althans zich heeft laten uitnodigen door die [slachtoffer] teneinde in de woning van die [slachtoffer] en voornoemd kind te kunnen overnachten en/of (vervolgens) in de nacht van 22 juli 2002 op 23 juli 2002 die slapende [slachtoffer] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals heeft gestoken en/of geduwd en/of met een of meer (zware) voorwerp(en) op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen, teneinde die [slachtoffer] uit te schakelen en het in die woning aanwezige kind (in voornoemde auto) mee te kunnen nemen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VOORVRAGEN

2.1

Namens verdachte heeft de raadsvrouw een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Daartoe is - zakelijk samengevat - het volgende aangevoerd.

Tijdens het gerechtelijk vooronderzoek heeft de officier van justitie op 12 september 2002 een rechtshulpverzoek gedaan aan Engeland en Ierland. De verdediging is niet op de hoogte gesteld van dit rechtshulpverzoek van het o.a. horen van een aantal getuigen in Ierland. De rechter-commissaris in deze zaak heeft slechts een concepttekst van het rechtshulpverzoek gezien in de zomer van 2002 en is verder niet op de hoogte gehouden van het verloop/de uitkomsten van het rechtshulpverzoek ex art. 177a Sv. Op 1 april 2003 ontving de raadsvrouw een proces-verbaal van de politie naar aanleiding van het rechtshulpverzoek; er is een negental getuigen gehoord in Ierland.

Omdat er tussen het rechtshulpverzoek (2 A-viertjes) en het resultaat, te weten een proces-verbaal waarin o.a. een negental getuigen wordt gehoord, een enorme discrepantie zit, kan de raadsvrouw niet anders oordelen dan dat de officier van justitie heeft beoogd verdachte buiten spel te zetten, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moet leiden.

2.2

De officier van justitie heeft dit verweer bestreden en heeft daartoe - zakelijk samengevat - het volgende gesteld.

Het rechtshulpverzoek is in overleg met de rechter-commissaris tot stand gekomen en betrof een verzoek om informatie conform de Nederlandse regels van strafvordering. Er is niet om het horen van getuigen verzocht. De Ierse politie heeft aan dit verzoek conform haar eigen regels van strafvordering invulling gegeven door middel van het horen van personen uit het verleden van verdachte. Er hebben geen (getuigen)verhoren als bedoeld in de Nederlandse strafvordering in het kader van de onderhavige strafzaak plaatsgevonden.

2.3

Naar het oordeel van de rechtbank treft het verweer van de raadsvrouw geen doel. In deze zaak heeft de rechter-commissaris op 26 juli 2002 een gerechtelijk vooronderzoek geopend. In de loop van dit onderzoek heeft de officier van justitie rechtshulpverzoeken - die ertoe strekten informatie over (de persoon van) verdachte te verkrijgen - gericht aan justitiële autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk en de Republiek Ierland.

Door de rechter-commissaris (het concept van) de rechtshulpverzoeken toe te zenden heeft de officier van justitie voldaan aan haar inlichtingenplicht ingevolge artikel 177a van het Wetboek van Strafvordering.

Het gerechtelijk vooronderzoek is geëindigd door de schriftelijke kennisgeving van de dagvaarding van de officier van justitie aan de rechter-commissaris op de voet van artikel 258, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering.

Na de (laatste pro-forma) behandeling ter terechtzitting van 20 januari 2003 zijn de stukken weer in handen van de rechter-commissaris gesteld (alleen) om de voortgang van het persoonlijkheidsonderzoek van verdachte te bewaken.

De resultaten van de rechtshulpverzoeken zijn ter kennis van de officier van justitie gebracht door middel van een aanvullend proces-verbaal d.d. 28 maart 2003 van brigadier E. Pietersma van de regiopolitie Noord-Holland Noord, ten spoedigste bij de processtukken gevoegd en in afschrift aan de raadsvrouw verstrekt, een en ander overeenkomstig de strekking van artikel 177a van het Wetboek van Strafvordering.

Op grond van het vorenstaande kan niet worden gezegd dat door of namens de officier van justitie is gehandeld in strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde. Dat de officier van justitie via de rechtshulpverzoeken of anderszins heeft beoogd de verdachte/verdediging buiten spel te zetten, is niet aannemelijk geworden.

Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie leiden.

Daarom is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

2.4

De rechtbank stelt voorts vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is van deze zaak kennis te nemen en dat er geen gronden zijn voor schorsing van de vervolging.

3. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. primair en onder 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

1. primair

zij op 23 juli 2002 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes die [slachtoffer] in haar hals heeft gestoken en de keel van die [slachtoffer] met kracht heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden en met harde voorwerpen met kracht op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

zij in de maand juli 2002 in de gemeente Alkmaar, ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk het kind (geboren op 15 juli 2002) van [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en beroofd te houden, met dat opzet goederen ter verzorging van een baby (onder andere babyvoeding en luiers) heeft gekocht en op 22 juli 2002 ten overstaan van een ambtenaar van de burgerlijke stand een "akte erkenning ongeboren kind" heeft laten opstellen met betrekking tot haar, verdachtes, ongeboren kind, wetende dat zij, verdachte, op dat moment niet (meer) zwanger was, en

voornoemde goederen in een auto bijeen heeft gebracht en die auto vervolgens in de buurt van de woning van die [slachtoffer] heeft geparkeerd en zich heeft laten uitnodigen door die [slachtoffer] teneinde in de woning van die [slachtoffer] en voornoemd kind te kunnen overnachten en vervolgens in de nacht van 22 juli 2002 op 23 juli 2002 die slapende [slachtoffer] een mes in de hals heeft gestoken en met zware voorwerpen op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen, teneinde die [slachtoffer] uit te schakelen en het in die woning aanwezige kind in voornoemde auto mee te kunnen nemen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

5. NADERE (BEWIJS)OVERWEGINGEN

5.1

Met betrekking tot het eerste feit overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte is op 15 juli 2002 tussen 13.00 en 16.00 uur bij het slachtoffer aan de deur geweest om haar te feliciteren met de geboorte van haar baby. Daarna heeft verdachte om ongeveer 16.30 uur een aantal babyspullen aangeschaft bij warenhuis Babyland, terwijl zij zelf heeft verklaard dat zij op dat moment niet meer zwanger (van een levend kind) was.

Op 22 juli 2002 heeft verdachte vervolgens, samen met haar partner, bij de gemeente Alkmaar een 'akte van erkenning van elk kind waarvan een vrouw zwanger is' laten opmaken.

Op diezelfde dag, de avond van het bezoek aan het slachtoffer, heeft verdachte haar auto niet voor de woning van het slachtoffer geparkeerd, maar aan de achterzijde, achter de achtertuin en achter een aantal bosschages. Volgens verklaring van de verdachte bij de politie was dit, omdat het vol was bij het slachtoffer in de straat. Uit de verklaring van het slachtoffer en uit politieonderzoek is echter gebleken dat er op dat moment voldoende parkeergelegenheid voor de woning was.

Nadat het slachtoffer verdachte boven haar logeerbed had gewezen, is verdachte naar beneden gegaan en heeft zij daar het licht aangelaten. Verdachte heeft op enig moment de tuindeuren van de sluitingen gedaan. Tot driemaal toe is zij naar boven, naar de slaapkamer van het slachtoffer gegaan, die toen nog steeds wakker was. Al die tijd heeft verdachte haar eigen bed niet beslapen. Toen verdachte voor een vierde keer naar boven ging, bleek het slachtoffer in slaap te zijn gevallen en heeft verdachte haar met een mes aangevallen.

Na het incident heeft de politie in de auto van verdachte onder meer een aantal babyspullen aangetroffen: babyflesvoeding, luiers, een zuigfles met speen, een babydraagzak en een babystoeltje.

Daarbij komt nog dat verdachte een schep in haar auto had, waarover zij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Tegen haar partner had zij gezegd dat die schep voor een vriend in Heerhugowaard was, terwijl zij tegenover de politie verklaarde dat zij de schep voor de verjaardag van haar vader had gekocht en dat zij deze vergeten was te geven. Ter terechtzitting verklaarde zij echter dat zij de schep nog niet aan haar vader had gegeven, omdat zij er nog een boompje bij wilde geven, dat zij nog niet had gekocht.

Tenslotte legde verdachte ook over de in haar auto aanwezige koffer tegenstrijdige verklaringen af. Deze zou volgens haar tweede verklaring bij de politie mee moeten verhuizen naar de boot, omdat die oude koffer daar zo mooi paste. Volgens haar verklaring ter terechtzitting echter lag deze koffer nog in de auto, omdat hij stuk was en zij hem naar de winkel waar zij hem gekocht had, wilde terugbrengen.

Een en ander heeft de rechtbank (mede) tot de overtuiging gebracht dat er sprake is geweest van voorbedachte raad bij de poging het slachtoffer van het leven te beroven.

5.2

Met betrekking tot het tweede feit heeft raadsvrouw aangevoerd dat de voorbedachte raad en het vooropgezet plan op de ontvoering van de baby niet past in het psychologische en psychiatrische beeld van verdachte, zoals dat naar voren komt uit de rapportages van het Pieter Baan Centrum, nu er bij verdachte blijkens die rapportages sprake is geweest van een doorbraak van de impulscontrole.

De rechtbank deelt dit standpunt niet.

In het rapport van het psychologisch onderzoek wordt onder meer het volgende vermeld:

Het (...) ontkennen van de ontbrekende signalen van heuse zwangerschap en opgaan in de 'schijn' van de zich positief ontwikkelende zwangerschap, past geheel binnen haar persoonlijkheidsstoornis. Duidelijk is, dat het uur der waarheid met het verstrijken van de tijd naderbij komt. (...) Gezien haar persoonlijkheidsstructuur (...) betekent het naar voren brengen van 'het verlies van een kind' een verdere afbrokkeling van haar identiteit. Dit werkt sterk ontwrichtend. (...) De innerlijke onrust neemt meer en meer toe en leidt uiteindelijk tot de ten laste gelegde feiten, indien bewezen.

In het rapport van het psychiatrisch onderzoek wordt onder meer het volgende vermeld:

Uiteindelijk lijkt er een periode te zijn ontstaan waarin betrokkene zowel zwanger en niet-zwanger was waarbij het niet zwanger zijn uiteindelijk de harde werkelijkheid was waaruit zij koste wat kost wilde ontkomen. (...) wordt duidelijk dat er voor betrokkene steeds meer op het spel lijkt te hebben gestaan en dat zij steeds krachtiger middelen benutte om de schijnwereld van zwangere en (toekomstig) goede moeder in stand te houden. Tegen deze achtergrond vond het ten laste gelegde sub 2 en 1 plaats -indien bewezen.

In de gezamenlijke conclusie van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum wordt het volgende vermeld:

Gedurende de periode dat betrokkene voor de buitenwereld, en daarmee in hoge mate voor zichzelf, volhield zwanger te zijn heeft betrokkene veel moeten investeren. Veel energie is gaan zitten in het volhouden van het idee van zwanger zijn terwijl dat bij het slachtoffer, echt zwanger en op een gegeven moment bevallen, natuurlijk vanzelf ging. (...)

Met het verstrijken van de voor de buitenwereld onvermijdelijke termijn van negen maanden liep de innerlijke spanning op. (...) Onder de beschreven spanning waarin betrokkene verkeerde, heeft zij niet alleen de werkelijkheid van de niet aanwezige zwangerschap kunnen 'ontkennen' maar heeft zij ook externe bevestigingen gehanteerd die deze ontkenning moesten ondersteunen. Het laten zien van een foto van een echografie, het praten over zwanger zijn, het zichtbaar dragen van een 'buikje', het aanschaffen van benodigdheden en babyvoeding, het laten opmaken van een akte van erkenning van het vaderschap van de ongeboren vrucht, laten evenredig met de moeite die het kost om het zwanger-zijn vol te houden een reeks van steeds krachtiger externe bevestigingen zien. Met het kunnen tonen van de (op gewelddadige wijze bemachtigde) baby zou deze reeks kunnen worden voltooid.

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, passen de feiten onder 1. primair en 2. naar het oordeel van de rechtbank wel in het psychologische en psychiatrische beeld dat door de deskundigen van verdachte wordt geschetst. Dat laat onverlet dat er op enig moment een doorbraak van de impulscontrole kan hebben plaatsgevonden.

5.3

Voor het geval de rechtbank zowel het eerste als het tweede feit wettig en overtuigend bewezen acht, beroept de raadsvrouw zich op strafvermindering aangezien de feiten zijn aan te merken als een voortgezette handeling.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de feiten niet worden aangemerkt als feiten van rechtens gelijksoortige aard en uitvoeringen van één (wils)besluit, maar leveren zij geheel van elkaar verschillende misdrijven op. Daarom verwerpt de rechtbank dit beroep.

6. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Poging tot moord

Ten aanzien van feit 2:

Poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

7. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

De inhoud van het in dit vonnis onder 8. genoemde rapport, opgemaakt naar aanleiding van de in opdracht van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank door de psychiater J.A. van der Linden en de psycholoog A.T. Spangenberg, beiden werkzaam bij het Pieter Baan Centrum te Utrecht, met betrekking tot de verdachte verrichte onderzoeken, geeft de rechtbank geen aanleiding tot niet-strafbaarheid van de verdachte te concluderen.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. MOTIVERING VAN DE STRAF EN DE MAATREGEL

De rechtbank heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord op [slachtoffer] en poging tot ontvoering van het ruim één week oude kind van die [slachtoffer]. Verdachte heeft daartoe op de avond van de 22e juli 2002 het slachtoffer in haar huis opgezocht, zich daarbij in strijd met de waarheid als hoogzwanger voordoend. Verdachte heeft onderdak voor de nacht aangeboden gekregen van het slachtoffer. Nadat het slachtoffer naar bed was gegaan, is verdachte tot drie maal toe in de slaapkamer van het slachtoffer verschenen met uiteenlopende vragen. Toen verdachte het slachtoffer ten slotte in slaap vond, heeft zij haar met een mes in de hals gestoken, daarbij ternauwernood de halsslagader missend. In de hierop volgende worsteling heeft verdachte geprobeerd het slachtoffer te wurgen en haar met diverse zware voorwerpen op het hoofd geslagen. Het geweld is pas gestopt op het moment dat er, door het tumult gealarmeerde, buren ten tonele verschenen. Dat het slachtoffer door de handelingen van verdachte niet is overleden, is een gelukkige omstandigheid, die echter geenszins aan de verdachte te danken is. In de weken voorafgaand aan deze bijna fatale avond heeft verdachte op planmatige wijze allerlei praktische voorbereidingen getroffen voor het ontvoeren van de baby van [slachtoffer]. Op deze wijze kon verdachte de door haarzelf op dat moment tegen beter weten in volgehouden schijnwerkelijkheid van een vergevorderde zwangerschap en ophanden zijnde geboorte in stand houden. Het uit de weg ruimen van de moeder van de baby vormde de laatste schakel in de keten van voorbereidingshandelingen die tot het bemachtigen van een kind moesten leiden.

Dit zijn zeer ernstige feiten, waardoor de rechtsorde hevig is geschokt. Dergelijke gebeurtenissen veroorzaken gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid in de maatschappij. Ze worden als zeer schokkend ervaren en betekenen voor het slachtoffer een buitengewoon angstaanjagende ervaring. Nog afgezien van het fysiek letsel, is het aannemelijk dat het slachtoffer de nadelige psychische gevolgen van deze gebeurtenissen nog lange tijd met zich mee zal dragen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 7 augustus 2002, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder terzake van enig delict tot straf is veroordeeld.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 29 oktober 2002 van M. van Wechem als reclasseringswerker verbonden aan de Reclassering Nederland, arrondissement Alkmaar.

- het rapport gedateerd 28 januari 2003, opgemaakt over verdachte in opdracht van de rechter-commissaris belast met de behandeling van Strafzaken in deze rechtbank, door de psychiater J.A. van der Linden en de psycholoog A.T. Spangenberg, beiden werkzaam bij het Pieter Baan Centrum te Utrecht.

Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

Bij betrokkene was ten tijde van het ten laste gelegde sprake van een ernstige persoonlijkheidsstoornis met theatrale en borderline kenmerken. Deze persoonlijkheidsstoornis laat aan de buitenkant een timide, agressiegeremde jonge vrouw zien, terwijl zich daaronder een zwakke persoonlijkheidsstructuur bevindt die gekenmerkt wordt door een gebrek aan eigen identiteit en innerlijke veiligheid. Een vroeg gestoorde moeder-kindrelatie kan verantwoordelijk worden geacht voor de gestoorde ontwikkeling van de persoonlijkheid. Betrokkene lijkt zich in de loop der jaren redelijk te hebben kunnen handhaven. In de maanden voorafgaand aan het ten laste gelegde werden onder druk (innerlijke spanning) de zwakheden in de structuur merkbaar waarbij betrokkene de controle verloor over het omgaan met agressieve gevoelens. Het idee zwanger te zijn heeft voor betrokkene de schijnbaar onafhankelijke en volwassen persoonlijkheid naar de achtergrond gedrongen. In plaats daarvan begon zij zich vast te houden aan het beeld zelf het ideale kind te zijn en daarmee te voldoen aan de eisen van moeder. Betrokkene kon door het aannemen van deze steunidentiteit vasthouden aan een wensvervullende schijnwereld en was bereid om hiervoor de werkelijkheid in aanzienlijke mate te ontkennen. De bereidheid vast te houden aan de zwangerschap, ten tijde van een met zekerheid vaststaand niet-zwanger zijn, was groot. Zij was bereid om de werkelijkheid op te offeren voor het zelfbeeld van ideaal in de ogen van moeder en voor het zelf de ideale moeder worden. Op deze wijze kon zij compenseren voor het uitgeholde bestaan dat zij in de ogen van haar familie was gaan leiden en vasthouden aan een andere dan haar tot dan toe gebruikelijke en, aangescherpt door haar leeftijd, verzwakte 'strategie'. Met het verstrijken van de voor de buitenwereld onvermijdelijke termijn van negen maanden liep de innerlijke spanning op. Het naderen van het moeten opgeven van het veilige zelfbeeld en de veilige wereld die met zwanger zijn opgeroepen was, lijkt dit in zichzelf onmogelijk te hebben gemaakt. Angst en woede namen, naarmate de 'uitgerekende' datum naderde, alleen maar toe. Op grond van de hier beschreven en tot de persoonlijkheidsstoornis behorende mechanismen achten wij betrokkene ten aanzien van het ten laste gelegde sub 1 verminderd toerekeningsvatbaar. Onder de beschreven spanning waarin betrokkene verkeerde, heeft zij niet alleen de werkelijkheid van de niet aanwezige zwangerschap kunnen 'ontkennen' maar heeft zij ook externe bevestigingen gehanteerd die deze ontkenning moesten ondersteunen. Het laten zien van een foto van een echografie, het praten over zwanger zijn, het zichtbaar dragen van een 'buikje', het aanschaffen van benodigdheden en babyvoeding, het laten opmaken van een akte van erkenning van het vaderschap van de ongeboren vrucht, laten evenredig met de moeite die het kost om het zwanger-zijn vol te houden een reeks van steeds krachtiger externe bevestigingen zien. Met het kunnen tonen van de (op gewelddadige wijze bemachtigde) baby zou deze reeks kunnen worden voltooid. Op grond hiervan achten wij betrokkene tevens verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van het ten laste gelegde sub 2.

Met betrekking tot de kans op herhaling van feiten zoals thans aan betrokkene ten laste gelegd heeft het onderzoekend team het volgende overwogen. De structuur van betrokkenes persoonlijkheid is zodanig dat een (wensvervullende) schijnwereld wordt gecreëerd wanneer agressieve gevoelens buiten het bewustzijn moeten worden gehouden. De schijnwereld van de zachtaardige en zorgzame persoon brokkelt af. Zowel de structuur als de meer gezonde afweerpatronen zijn in de loop van de tijd verzwakt. Het creëren van zo'n schijnwereld kan haast vanzelf gaan. De problemen die de structuur van de persoonlijkheid met zich brengen zijn niet situatief bepaald. Het kan opnieuw gebeuren ten aanzien van zwangerschap maar ook andere schijnwerelden kunnen worden opgeroepen, bedreigd en doorgeprikt waarbij opnieuw woede vrijkomt die tot geweld kan leiden. Naar de mening van het onderzoekend team is de kans hierop aanzienlijk. Op grond hiervan adviseren wij uw college betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging van overheidswege op te leggen. Een behandeling in een minder gedwongen kader is ons inziens niet toereikend. Betrokkene is zich niet of nauwelijks bewust van de mechanismen die ten grondslag liggen aan haar emoties en gedrag. Zij wil wel graag hulp maar ziet dit uitsluitend in de vorm van steun en ziet niet dat er in een behandeling substantieel iets dient te gebeuren.

Met de conclusie van dit rapport zoals hiervoor weergegeven kan de rechtbank zich verenigen.

De rechtbank zal, gelet op de genoemde rapportage omtrent de persoon van de verdachte en het verhandelde ter terechtzitting, de terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten, nu de door de verdachte begane feiten misdrijven zijn, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eisen.

De rechtbank zal voorts bevelen, dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd, nu de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen die verpleging eisen, overeenkomstig de in genoemde rapportage uitgebracht advies.

Gelet op met name de ernst van de feiten en de omstandigheid dat deze feiten de verdachte - zij het verminderd - toe te rekenen zijn, is de rechtbank van oordeel dat, naast de aan de verdachte op te leggen maatregel van terbeschikkingstelling, tevens een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te noemen duur passend en geboden is.

9. BESLAG

9.1

De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomen voorwerp, zoals onder nummer 4. vermeld op de in kopie aan dit vonnis gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen (te weten een spuitbus pepperspray), dient te worden onttrokken aan het verkeer.

Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang.

Verder is uit het onderzoek op de terechtzitting gebleken, dat het voorwerp toebehoort aan de verdachte, bij gelegenheid van het onderzoek naar door de verdachte begane feiten is aangetroffen en kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten.

9.2

De in beslag genomen voorwerpen, zoals onder nummer 25. vermeld op de in kopie aan dit vonnis gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen (te weten zes wikkels met wit poeder, zijnde cocaïne), dienen te worden onttrokken aan het verkeer op grond van artikel 13a van de Opiumwet.

9.3

De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomen voorwerp, zoals onder nummer 26. vermeld op de in kopie aan dit vonnis gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen (te weten een keuken-/broodmes met gekarteld lemmet en bruin heft), dient te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, nu uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat thans geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9.4

De rechtbank is van oordeel dat de overige in beslag genomen voorwerpen, zoals onder de nummers 1. tot en met 3. en 5. tot en met 24. vermeld op de in kopie aan dit vonnis gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen, dienen te worden teruggegeven aan de verdachte, nu uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken, dat deze als rechthebbende kan worden aangemerkt.

10. BENADEELDE PARTIJ

De benadeelde partij [slachtoffer], wonende [adres], [woonplaats], heeft door tussenkomst van mr. C. Hofmans, advocaat te Alkmaar, als haar gemachtigde vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van 10.000,- euro wegens immateriële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Daarnaast heeft de benadeelde partij pro memorie een post van 100,- euro wegens kosten voor rechtsbijstand opgevoerd. Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van de benadeelde partij aangegeven dat de werkelijke kosten voor rechtsbijstand 61,- euro belopen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder feit 1. primair en 2. bewezen verklaarde strafbare feiten, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot in ieder geval 3000,- euro, kan de vordering in zoverre worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De rechtbank begroot de tot heden gemaakte kosten op 61,- euro.

Naar het oordeel van de rechtbank is het resterende gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat dit deel van die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan het deel van de vordering dat tot niet-ontvankelijkheid zal leiden desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

11. SCHADEVERGOEDING ALS MAATREGEL

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder feit 1. primair en 2. bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht aan de benadeelde.

De toepassing van de vervangende hechtenis heft de op te leggen verplichting niet op.

12. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 282 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 13a van de Opiumwet.

13. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte onder het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

I. Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

II. Gelast voorts de terbeschikkingstelling van de verdachte en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

III. Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, zoals onder nummers 4. en 25. vermeld op de in kopie aan dit vonnis gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen.

IV. Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen voorwerp, zoals onder nummer 26. vermeld op de in kopie aan dit vonnis gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen.

V. Gelast de teruggave aan de verdachte van de overige in beslag genomen voorwerpen, onder de nummers 1. tot en met 3. en 5. tot en met 24. vermeld op de in kopie aan dit vonnis gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen.

VI. Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende [adres], [woonplaats], tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van 3.000,00 (drieduizend) euro aan de benadeelde partij [slachtoffer] voornoemd als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op 61,00 euro.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

VII. Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] voornoemd te betalen een som geld ten bedrage van 3.000,00 (drieduizend) euro, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 40 (veertig) dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H. de Klerk, voorzitter,

mr. L.J. Saarloos en mr. P. Burgers, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Helder, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 april 2003.