Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2003:AF5249

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
03-03-2003
Datum publicatie
06-03-2003
Zaaknummer
14/010505-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft iemand naar Curaçao gestuurd om daarvandaan als een zogenaamde "bolletjesslikker" een hoeveelheid bolletjes cocaïne voor hem mee terug te nemen naar Nederland, welke bolletjes op Curaçao door een ander aan deze persoon werden overhandigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer: 14/010505-02

Datum uitspraak: 03 maart 2003

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum],

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag te Zwaag.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 februari 2003.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is, ten laste gelegd dat

1. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2001 tot en met 10 november 2002 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben/heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, (een) onbekende hoeveelhe(i)d(en) bolletjes cocaïne, in elk geval (telkens) (een) (handels)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde

cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I;

2. hij op of omstreeks 10 november 2002 in de gemeente Den Helder opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,94 gram (verpakt in 24 bolletjes), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2001 tot en met 10 november 2002 in de gemeente Den Helder, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk hebben/heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig hebben/heeft gehad, (een) (handels)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VOORVRAGEN

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman van verdachte heeft op voorhand aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging. Hij baseert zich op het feit dat de veiligheidsfouillering waarbij de cocaïne genoemd in feit 2 is aangetroffen, heeft plaatsgevonden op de Polderweg, welke straat niet vermeld staat in de last tot uitoefenen van bevoegdheden in het kader van de Wet wapens en munitie, op grond waarvan een veiligheidsfouillering mocht plaatsvinden, zodat deze fouillering onrechtmatig is geweest en het bewijs derhalve onrechtmatig verkregen is. Daaruit vloeit voort dat ook de daarop volgende aanhouding van de verdachte onrechtmatig is geweest, omdat uit het feit dat verdachte eerder die zelfde avond ook al gefouilleerd was en toen niet is aangehouden, blijkt dat de politie geen andere grond of verdenking had om verdachte aan te kunnen houden.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

In de bovengenoemde last tot uitoefenen van bevoegdheden wordt bepaald dat tegenover personen die zich ophouden in de onmiddellijke omgeving van de Koningsstraat, derhalve binnen en of komende uit het gebied omsloten door Koningsplein, Prins Hendrikplein, Plantsoenstraat, Spoorstraat, Molenstraat en Oostslootstraat (inclusief de aan deze straten/pleinen grenzende parkeerplaatsen) fouillering mag plaatsvinden.

Uit het proces-verbaal van politie blijkt dat verdachte is staande gehouden nadat hij met zijn auto wegreed van een parkeerplaats grenzende aan het Koningsplein, de Polderweg op.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval gesproken worden van iemand die komt uit het bovengenoemde gebied, te weten van een parkeerplaats grenzende aan het Koningsplein, zodat de staandehouding en fouillering wel rechtmatig hebben plaatsgevonden en derhalve ook de aanhouding van verdachte rechtmatig is geweest.

Aangezien niet is gebleken van andere omstandigheden die tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moeten leiden, stelt de rechtbank vast dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

3. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

1. hij op een tijdstip in de periode van 1 oktober 2001 tot en met 10 november 2002 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid bolletjes cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I.

2. hij op 10 november 2002 in de gemeente Den Helder opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,94 gram, verpakt in 24 bolletjes van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3. hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2001 tot en met 10 november 2002 in de gemeente Den Helder, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of verstrekt en/of vervoerd hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

5. NADERE MOTIVERING

De raadsman heeft bij pleidooi het waarheidsgehalte van de (belastende) getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] in twijfel getrokken, aangezien het hier gaat om verklaringen van notoire junks.

De rechtbank deelt de mening van de raadsman niet.

[getuige 1] heeft na zijn aanhouding uitgebreid en gedetailleerd verklaard over de gang van zaken rondom het bolletjes slikken en over de personen die zich daarmee en met de organisatie daarvan bezig hielden. Hij heeft daarbij ook verklaard dat hij meermalen naar Curaçao is geweest om bolletjes te slikken en op die manier de cocaïne naar Nederland te brengen, waaronder eenmaal voor [verdachte]. Ook door [getuige 2] en [getuige 3] wordt de naam van [verdachte] genoemd als een van de mensen die deel uitmaakt van een groep die zich bezighoudt met "bolita's". Deze verklaringen worden door deze personen afzonderlijk van elkaar afgelegd en de rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze verklaringen te twijfelen.

Daarnaast heeft de raadsman nog aangevoerd dat verdachte altijd zijn grens heeft gelegd bij drugs, dat hij zich nooit met drugs heeft ingelaten en dat hij dat ook nooit zal doen.

Uit het onder feit 2 bewezen verklaarde blijkt echter dat verdachte er geen problemen mee had om een hoeveelheid bolletjes, waarvan hem verteld was dat het cocaïne was, te bewaren voor [naam] omdat de politie liep te controleren en hij, verdachte, toch al gecontroleerd was.

Ook deze omstandigheid sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat verdachte wel degelijk vertrouwd was met (onder meer) het voorhanden hebben van cocaïne en zich er derhalve bepaald niet verre van hield zoals hij wil doen geloven.

6. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

7. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. MOTIVERING VAN DE STRAF

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft iemand naar Curaçao gestuurd om daarvandaan als een zogenaamde "bolletjesslikker" een hoeveelheid bolletjes cocaïne voor hem mee terug te nemen naar Nederland, welke bolletjes op Curaçao door een ander aan deze persoon werden overhandigd.

Bovendien heeft verdachte een hoeveelheid bolletjes cocaïne voorhanden gehad en tot slot heeft verdachte samen met zijn broer gedurende een bepaalde periode cocaïne verkocht en verstrekt aan derden.

Dit rechtbank vindt dit zeer ernstig feiten.

Door de invoer van harddrugs in Nederland en de verkoop en het verstrekken van deze drugs wordt de verslaving van gebruikers in stand gehouden. Ook overigens wordt de volksgezondheid in gevaar gebracht. Bovendien ondervindt de samenleving veel hinder en overlast van diefstallen, gepleegd door mensen die hun verslaving moeten bekostigen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister gedateerd 11 november 2002, waaruit blijkt dat de verdachte wel eerder wegens misdrijven tot vrijheidsstraffen is veroordeeld, maar niet terzake van een soortgelijk misdrijf.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande en met name gelet op de ernst van de feiten, van oordeel dat oplegging van een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van langere duur op haar plaats is.

9. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10. BESLISSING

De rechtbank:

I. Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

II. Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

III. Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

IV. Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H. de Klerk, voorzitter,

mr. J.M. Vos en mr. J.F. Aalders, rechters,

in tegenwoordigheid van C. Vis-van Zanden, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 03 maart 2003.