Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2003:AF4665

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
18-02-2003
Datum publicatie
18-02-2003
Zaaknummer
14.010378.02
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2003:AO0427
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in een druk bezocht café tijdens de Koninginnedagviering [slachtoffer] in het hoofd geschoten, tengevolge waarvan deze is overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 263

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer: 14.010378.02

Datum uitspraak: 18 februari 2003

OP TEGENSPRAAK

VONNIS van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te {geboorteplaats, geboortedatum],

gedetineerd in P.I. Utrecht, HvB Locatie Nieuwegein.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 februari 2003.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

hij op of omstreeks 30 april 2002 in de gemeente Hoorn (NH) opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, eenmaal met een vuurwapen in/door het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 april 2002 in de gemeente Hoorn (NH) opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet eenmaal met een vuurwapen in/door het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VOORVRAGEN

De verdediging heeft bepleit de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging vanwege het handelen in strijd met de wet en vanwege een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd.

1. Opzettelijk achterhouden van relevante gegevens

- De raadsvrouw stelt dat er sprake is van het achterhouden van onderdelen van de verklaring van [getuige 1], afgelegd tegenover de politie op 27 september 2002, met name van die onderdelen van zijn verklaring die van belang zouden kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van zijn echtgenote, [getuige 2].

- De raadsvrouw stelt voorts dat er sprake is van het achterhouden van het gegeven dat van het verhoor van de getuige [getuige 1] video-opnamen zijn gemaakt. In het proces-verbaal van de verbalisanten A.C.M. Groot en F.T.M. Bosman, gedateerd 25 oktober 2002 (map 2, blz 82), is gerelateerd dat tijdens het verhoor van [getuige 1] middels een audiovisuele weergave is geobserveerd door 2e verbalisant F.T.M. Bosman en dat van deze audiovisuele weergave geen opnames zijn gemaakt. Nadat de raadsvrouw per brief van 8 november 2002 aan de officier van justitie heeft verzocht videobanden van de verhoren van de getuigen en de verdachten te mogen bekijken, werd door verbalisant F.T.M. Bosman een aanvullend proces-verbaal, gedateerd 18 november 2002 (aanvullend dossier map 6, blz. 62 en 63), opgemaakt waaruit bleek dat er wel video-opnamen zijn gemaakt van het verhoor van [getuige 1].

2. Achterhouden processtukken

De raadsvrouw stelt dat er sprake is van het achterhouden van processtukken gedurende langere tijd, met name van de stukken die uit het dossier van de voorgeleiding en het dossier ten behoeve van de aanvraag gerechtelijk vooronderzoek zijn gelaten en die relevant waren voor de beoordeling van de gegrondheid van de voorlopige hechtenis.

3. Schending van de onschuldpresumptie middels publiciteit

De raadsvrouw stelt hiertoe dat de naam van haar cliënt reeds voor zijn aanhouding in de krant wordt vermeld als zijnde de verdachte van de schietpartij in De Volendammer op 30 april 2002. De raadsvrouw stelt dat uit de krantenberichten blijkt dat politiefunctionarissen - zij het vaak anoniem - contacten hebben gehad met de pers en daarbij mededelingen hebben gedaan over de zaak, welke mededelingen onder meer het feit betroffen dat [verdachte] de enige verdachte was, en dat zij zich absoluut niet hebben gehouden aan de in het proces-verbaal genoemde persberichten (map 1, ambtelijke verslagen, blz. 381 t/m 390).

4. "Gerommel" in de processen-verbaal

De raadsvrouw stelt dat het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] van 10 juni 2002 (map 3 blz. 710 t/m 712) in ieder geval niet op 10 juni 2002 is gesloten en ondertekend. Zij wijst hierbij op een proces-verbaal, opgemaakt door verbalisant F.T.M. Bosman, gedateerd 20 november 2002 (map 6, blz 64 t/m 66). De raadsvrouw stelt dat na de op ambtseed verklaarde sluiting wijzigingen in het proces-verbaal zijn aangebracht.

De raadsvrouw wijst ten aanzien van dit punt tevens op het door verbalisanten A.C.M. Groot en F.T.M. Bosman onjuist opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 25-10-2002 (map 2, blz. 82), zulks ten aanzien van de daarin opgenomen bewering dat geen video-opnamen zijn gemaakt van het verhoor van [getuige 1] op 27 september 2002.

5. Onrechtmatige huiszoekingen

De raadsvrouw stelt dat de huiszoekingen in de percelen [adres 1] en [adres 2] op 3 september 2002 onrechtmatig zijn, nu deze percelen in juni 2002 reeds voorwerp van doorzoeking waren. De politie Amsterdam/Amstelland heeft toen, tussen de datum van de schietpartij op 30 april 2002 en de datum van de aanhouding van verdachte, naar aanleiding van CIE-informatie en op basis van de Wet wapens en munitie in beide percelen doorzoekingen verricht die niets hebben opgeleverd.

6. Tunnelvisie

De raadsvrouw verwijt de officier van justitie een "tunnelvisie". Het politie-onderzoek zou slechts gericht zijn op verdachte als mogelijke dader, ondanks aanwijzingen tegen anderen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het door de verdediging gestelde als volgt:

Ten aanzien van de onthouding van stukken:

De stukken die de rechter-commissaris ten tijde van de voorgeleiding van verdachte op 6 september 2002 in zijn bezit had, waren dezelfde als die aan de raadsvrouw waren verstrekt. In het verhoor van de verdachte bij de rechter-commissaris op 6 september 2002 bevestigt de rechter-commissaris dat door hem geen stukken zijn onthouden.

Uit het dossier is gebleken dat op het moment van de voorgeleiding aan de rechter-commissaris aan de raadsvrouw in ieder geval geen ontlastende verklaringen zijn onthouden. De verklaringen die de raadsvrouw noemt in haar pleitnota zijn geen ontlastende verklaringen maar slechts verklaringen van getuigen die zeggen niets gezien te hebben. Het is alleszins redelijk dat de politie c.q. de officier van justitie in dit stadium van de procedure deze verklaringen (nog) niet aan het dossier toevoegt en dat is geenszins in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Ten aanzien van de eveneens in de pleitnota genoemde tapverslagen van telefoongesprekken van [getuige 2] (uit de periode september en oktober 2002) is de rechtbank evenmin van oordeel dat deze onredelijk laat aan het dossier zijn toegevoegd of dat anderszins sprake is van strijd met de beginselen van een goede procesorde.

De rechtbank merkt overigens op dat de raadsvrouw vóór de zitting alle stukken heeft ontvangen en dat zij in de gelegenheid is gesteld de videobanden van de verhoren te bekijken. Gelet op de inhoud van het verweer dienaangaande is de raadsvrouw kennelijk voldoende in de gelegenheid geweest de verdediging voor te bereiden, zodat de verdachte ook niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad.

Ten aanzien van de schending van de onschuldpresumptie:

Uit de stukken en uit de behandeling ter terechtzitting is niet gebleken dat de politie of het openbaar ministerie voorafgaande aan de aanhouding van verdachte bewust de naam van de verdachte naar buiten heeft gebracht. Dit onderdeel van het verweer wordt daarom gepasseerd.

Ten aanzien van de rechtmatigheid van de doorzoekingen op 3 september 2002:

De doorzoekingen op 3 september 2002 hebben plaatsgevonden na machtiging van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken te Alkmaar en hebben ook onder diens leiding plaatsgevonden. Tegen die beslissing van de rechter-commissaris kan door verdachte geen rechtsmiddel worden ingesteld.

Voorzover betoogd wordt dat de doorzoekingen moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid, omdat sprake zou zijn van strijd met de behoorlijke procesorde, faalt dit verweer reeds omdat de doorzoekingen in september 2002 niet beperkt waren tot het zoeken naar een wapen, maar zich ook uitstrekten tot andere sporen die verband zouden kunnen houden met het schietincident op 30 april 2002. De rechtbank wijst in dit verband ook op de resultaten van de doorzoekingen, weergegeven in de beslaglijsten die zich in het dossier bevinden. Dit onderdeel van het verweer treft daarom geen doel.

Ten aanzien van de "tunnelvisie":

Direct na het misdrijf op 30 april 2002 is er een recherche-bijstandsteam geformeerd en heeft een zeer uitgebreid onderzoek plaatsgevonden, onder meer naar verschillende verdachten. De weerslag van dat onderzoek is te vinden in een groot aantal processen-verbaal, dat deel uitmaakt van het dossier. Niet gesteld kan worden dat het onderzoek zich uitsluitend heeft gericht op verdachte [verdachte], zodat ook dit onderdeel van het verweer faalt.

Ten aanzien van opzettelijk achterhouden gegevens en "gerommel" in de processen-verbaal:

De verbalisant F.T.M. Bosman heeft ter terechtzitting als getuige verklaard dat hij het proces-verbaal van 25 oktober 2002 (map 2, blz. 82), betreffende de opnames van het audiovisueel geregistreerde verhoor van [getuige 1], niet juist heeft opgemaakt. Hij heeft dit hersteld bij proces-verbaal van 18 november 2002

(aanvullend dossier map 6, blz. 62 en 63).

Ter terechtzitting heeft de verbalisant A.G.J. Pannekoek als getuige verklaard dat hij na het verhoor van [getuige 2] op 10 juni 2002 een concept-procesverbaal heeft opgemaakt. In dat concept zijn op verzoek van de getuige nadien op 13 juni 2002 wijzigingen aangebracht, maar de datum van het opmaken en ondertekenen van het proces-verbaal is abusievelijk op 10 juni 2002 blijven staan. De getuige Pannekoek heeft ter terechtzitting verklaard dat het proces-verbaal door hem op 13 juni 2002 is afgesloten. Hij heeft verklaard niet te weten hoe het komt dat de datum van 10 juni 2002 is blijven staan.

Voorts heeft de verbalisant F.T.M. Bosman ter terechtzitting als getuige verklaard, het aannemelijk te achten dat de laatste bladzijde van de gecorrigeerde versie van het proces-verbaal gedateerd 10 juni 2002 is vervangen door de laatste bladzijde van de oorspronkelijke versie, met daarop de handtekeningen van [getuige 2] en de verbalisant Pannekoek.

Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat men er in het Nederlandse systeem van strafvordering op moet kunnen vertrouwen dat hetgeen verbalisanten op ambtseed verklaren ook de enige waarheid is.

Vaststaat dat de wijze waarop het proces-verbaal is ondertekend en het moment van ondertekening niet correct zijn.

Dit levert een schending van de beginselen van strafvordering op.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de inhoud van de verklaring van [getuige 2] niet wordt aangetast door de foutieve datering en de onzekerheid omtrent de ondertekening van het proces-verbaal, gelet op de overige processtukken die tot het dossier behoren. Zulks is overigens ook niet door de verdediging beweerd. Het proces-verbaal kan daarom naar het oordeel van de rechtbank bijdragen tot het bewijs, zij het als een geschrift in de zin van artikel 344 lid 1 5° van het Wetboek van Strafvordering.

Ten aanzien van het weglaten van relevante verklaringen van [getuige 1] in zijn videoverhoor op 27 september 2002:

De rechtbank is, nadat ook zij de bewuste video-opnamen heeft gezien, van oordeel dat sprake is van onzorgvuldig handelen van de verhorende opsporingsambtenaren. Uit deze video-opnamen komt naar voren dat waar [getuige 1] verklaart over de betrouwbaarheid van de verklaringen van zijn echtgenote [getuige 2] zijn verklaring niet volledig wordt opgenomen in het proces-verbaal van verhoor. Hetgeen wel in het proces-verbaal is opgenomen is niet onjuist, maar wel onvolledig.

Eveneens wekken de video-opnamen de indruk dat de verhorende opsporings-ambtenaren sommige passages bewust niet in het proces-verbaal hebben opgenomen teneinde te voorkomen dat de verdediging van verdachte hiervan gebruik zou kunnen maken.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank met de raadsvrouw van oordeel dat met name ten aanzien van het opmaken van het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] op 10 juni 2002 en ten aanzien van de verslaglegging van het videoverhoor van [getuige 1] op 27 september 2002 onzorgvuldig is gehandeld.

Voormelde onzorgvuldigheden dienen naar het oordeel van de rechtbank echter niet te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, maar tot een verlaging van de eventueel op te leggen straf.

3. VRIJSPRAAK

Naar het oordeel van de rechtbank is de voorbedachte raad niet wettig en overtuigend bewezen. Daarom moet de verdachte worden vrijgesproken van hetgeen hem primair is ten laste gelegd.

4. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

hij op 30 april 2002 in de gemeente Hoorn (NH) opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet eenmaal met een vuurwapen in het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

6. BEWIJSMIDDELEN

6.1. Het proces-verbaal met nummer PL1050/02-200008 (map 3, blz. 714 en 715), van 8 augustus 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar Abraham Geurt Jan Pannekoek.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als het relaas van verbalisant:

Op maandag 10 juni 2002 heb ik samen met collega Groot [getuige 2] in haar woning gehoord.

Het verhoor, dat geruime tijd in beslag nam, is in concept opgenomen. Collega Groot en ik hebben de verklaring op het politiebureau uitgewerkt en ik heb haar die verklaring op dinsdag 11 juni 2002 telefonisch voorgelezen. Zij deelde mij toen mede dat zij zich in die verklaring kon vinden en dat die verklaring de juiste weergave gaf van ons gesprek van een dag eerder.

Op donderdag 13 juni 2002 ben ik rond 18.00 uur naar de woning van de getuige gegaan en liep met haar de verklaring nogmaals door. Op 1 zin - op bladzijde 2 - na ging zij akkoord met de door haar afgelegde verklaring. Toen ik haar vroeg waarom die zin veranderd moest worden in een andere zin, deelde zij mij mede dat als die zin er niet uitgehaald zou worden, een ieder kon lezen dat [verdachte] geschoten zou moeten hebben. Zij deelde mij mee dat ze dan de verklaring niet wilde ondertekenen.

Ik, verbalisant, merk op dat ik de letterlijke tekst van die verwijderde zin niet meer weet doch de strekking van die zin was dat [verdachte] in het tumult een vuurwapen in een van zijn handen had.

Op die donderdagavond verklaarde de getuige mij nogmaals dat zij pas getuige werd nadat een schot was gevallen. Zij verklaarde de schietpartij niet gezien te hebben doch wel gezien te hebben dat [verdachte] onmiddellijk na het schot met een vuurwapen in een van zijn handen stond.

6.2. Een geschrift, zijnde het proces-verbaal met nummer PL1050/02-200008 (map 3, blz. 710 t/m 712) gedateerd 10 juni 2002, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren Abraham Geurt Jan Pannekoek en Edwin [verdachte]laas Groot.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 10 juni 2002 tegenover verbalisanten voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 2]:

Op 30 april 2002 om 22.10 uur kwamen wij bij de Volendammer aan. Opeens hoorde ik in het café een knal. Ik keek direct in de richting van waar ik het geluid dacht te horen en zag toen een mij onbekende, getinte, man - een buitenlander - twee stappen achteruit doen. Ik zag dat hij achterover met de linkerkant van zijn hoofd tegen de deurpost van de deur naar de toiletten viel en ineen zakte. Ik stond er een paar meter vanaf toen ik dat zag. Ik keek direct na de knal om mij heen en zag dat twee mensen daar vandaan wegliepen. Hoe dat ging en wie de schutter was, wil ik niet verklaren. Ik ben heel erg bang voor represailles. Ik zit er erg mee. Daarom wilde ik aanvankelijk ook geen verklaring afleggen. Liever leg ik nu ook geen verklaring af. Vlak na de schietpartij zag ik dat de mij bekende [verdachte] door de mij eveneens bekende [aanwezige man 1] het café uit werd geduwd. [aanwezige man 1]duwde [verdachte] voor zich uit.

6.3. Het proces-verbaal met nummer PL1050/02-200008 (map 3, blz. 720 t/m 725)van 27 september 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren Arie van der Burg en Willem Adriaan Blom.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 27 september 2002 tegenover verbalisanten voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 2]:

Ik ben hier naartoe gekomen omdat ik een gesprek heb gehad met mijn man [naam]. Ik heb besloten om nu een verklaring af te leggen over wat ik heb meegemaakt in café De Volendammer te Hoorn op Koninginnedag 30 april 2002. Ik heb eerder, kort na de schietpartij in De Volendammer, een verklaring afgelegd tegenover de politie. Ik heb toen niet alles verteld van wat ik gezien heb. Dit deed ik omdat ik bang was. Ik ken de reputatie van [verdachte]. Ik ben heel bang voor deze man. Hij is de schutter. Bovendien ben ik [naam] een week later tegen gekomen op straat. Hij zei tegen mij: "meisje mondje dicht, niet ouwehoeren, anders krijgen we gezeik ".

Kort daarna was ik in de Volendammer en toen heb ik aan [naam] gevraagd of hij nog wat gehoord had. Hij zei toen tegen mij: "Het is maar goed dat [verdachte] hem heeft neergeschoten want die donkere had een pistool bij zich en die had dan iedereen neergelegd. En dan is het maar beter dat [verdachte] hem heeft neergelegd.

Ik heb met mijn maatschappelijk werker gesproken. Ik heb haar alles verteld. Zij heeft mij toen geadviseerd om alles te vertellen. Ik twijfelde omdat ik bang was voor [verdachte] en omdat [naam] tegen mij gezegd heeft dat ik mijn mond moest houden. Dit druiste in tegen mijn eigen rechtsgevoel.

Ik heb [verdachte] links van mij langs het biljart zien lopen. Ik zat op dat moment net op het biljart en ik zat te praten met [getuige 3]. Ik zag [verdachte] lopen in de richting van het kastje waar het koffiezetapparaat normaal op staat. Op dat moment zag ik dat [verdachte] met zijn rechterhand een vuurwapen trok. Ik zag dat [verdachte] met dit vuurwapen zijn arm oprichtte in de richting van het slachtoffer. Daarna hoorde ik "pok ". Ik zag toen die donkere man naar achteren stappen. Hij knalde met zijn kop tegen de deurstijl en daarna viel hij met een klap achterover.

Direct nadat ik de man achterover zag vallen draaide ik mij om en keek in de richting van de deur om te kijken wat daar gebeurde. Ik zag toen dat [verdachte] zich had omgedraaid en dat hij weg liep in de richting van de buitendeur. Ik zag dat hij [aanwezige vrouw] omver duwde. [verdachte] liep door en [aanwezige man 1] kwam toen ook in beeld. Volgens mij kwam hij uit de richting van de bar en de stamtafel. Ik zag dat hij [verdachte] met zijn hand een duw gaf in de richting van de ingang. Ik zag hen daar naar buiten gaan. Ik heb gezien dat 1 van hen in het zwart gekleed was en de andere was in het oranje gekleed. Ze verlieten met een gang het café. U laat mij een foto (blz 729) zien. Ik herken [verdachte]. Ik schat de afstand tussen [verdachte] en het slachtoffer op 1,25 mtr. Doordat [verdachte] zijn arm strekte moet de afstand kleiner zijn geworden.

6.4. Het proces-verbaal van 4 oktober 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van [getuige 2]:

Ik was op 30 april 2002 in café De Volendammer in Hoorn. Die avond is in dat café iemand door zijn hoofd geschoten. U vraagt mij of ik weet wie dat gedaan heeft. Ik antwoord daarop dat [verdachte] dat gedaan heeft, dat weet ik heel zeker. Ik ken [verdachte] al jaren, ik ken hem van vroeger. Ik heb het schieten zien gebeuren. Ik zat op dat moment op het biljart. [Verdachte] had een wapen in zijn rechterhand.

[Verdachte] schoot met gestrekte arm op de man die in de richting van het gangetje bij de toiletten en de keuken stond. Hij heeft 1 keer geschoten. De man deed twee stappen achteruit, viel tegen de zijkant van de deur van dat portaaltje en viel toen op de grond.

6.5. Het proces-verbaal van 24 oktober 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van [getuige 1]:

Ik weet pas van mijn vrouw wat zij gezien heeft toen zij een verklaring aflegde op het politiebureau op 27 september 2002. Ik heb die avond ook zelf een verklaring aan het bureau afgelegd. Voordat wij werden gehoord zijn wij met z'n allen om de tafel gaan zitten. Mijn vrouw moest min of meer over de streep getrokken worden om een verklaring af te leggen. Wij zijn toen afzonderlijk gehoord. Tijdens mijn verhoor ging steeds een van de rechercheurs bij het verhoor van mijn vrouw kijken om te zien hoe dat verliep. Ik begreep van die rechercheur dat mijn vrouw verschrikkelijk overstuur was en er helemaal doorheen zat. Ik wist toen niet wat zij verklaard had. Mijn vrouw is toen even bij mij in de verhoorkamer gelaten. De rechercheurs die mij verhoorden bleven erbij. [Getuige 1] was erg overstuur en bang. Zij zei zachtjes tegen mij: "Ik heb het gezien, wat moet ik nou? ". Hierna heb ik tegen haar gezegd: "Dan moet je het vertellen, hier kun je anders niet verder mee leven ".

6.6. Het proces-verbaal met nummer PL1050/02-219298 (map 3, blz. 730 en 731) van 5 november 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren Willem Adriaan Blom en Arie van der Burg.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als het relaas van verbalisanten Willem Adriaan Blom en Arie van der Burg:

Op vrijdag 27 september 2002 werd [getuige 2] door ons, verbalisanten, op het politiebureau van Hoorn gehoord. Na enige tijd deelde zij mede dat zij haar man even wilde zien en spreken. Aan haar verzoek werd voldaan. Wij verbalisanten zagen dat zij huilend in de armen van haar man viel en we hoorden haar aan hem vragen of ze echt alles moest vertellen. Wij verbalisanten hoorden [getuige 1] tegen zijn vrouw [getuige 2] zeggen dat zij alles gewoon eerlijk moest vertellen wat zij toen in De Volendammer had gezien. Wij zagen dat [getuige 2] opstond en we hoorden dat zij tegen ons zei dat zij alles zou gaan vertellen wat zij in De Volendammer had gezien.

6.7. Het proces-verbaal met nummer PL1050/02-200008 (map 4, blz. 879 t/m 885)van 26 augustus 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren Carlo Pietro Alexander de Zorzi en Cornelis Adrianus Maria Knijn.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 26 augustus 2002 tegenover verbalisanten voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 4]:

Op 30 april 2002 kwamen [getuige 2] en [getuige 1] om circa 22.20 uur in Café de Volendammer binnen. Ik heb later met [getuige 2] over het incident in De Volendammer gesproken. Het gesprek vond plaats in de week van 6 mei 2002. [getuige 2] was overdag bij mij thuis en wij spraken over het incident in de Volendammer. Ik hoorde dat [getuige 2] mij vertelde dat zij gezien had dat het slachtoffer op de grond viel. Ik hoorde haar zeggen dat zij gezien had dat het slachtoffer een stap achteruit deed na de knal. Zij vertelde mij dat het slachtoffer hierna tegen de deurstijl viel en daarna op de grond viel. Verder hoorde ik haar zeggen dat zij direct hierna naar de middelste in- en uitgang keek en dat zij [aanwezige man 1] zag. Zij zag dat [aanwezige man 1] [verdachte] richting middelste uitgang duwde. Dit heeft [getuige 2] mij verteld. Ik vroeg haar of zij nog meer gezien had van het incident. Ik zag dat [getuige 2] bevestigend knikte.

6.8. Het proces-verbaal met nummer PL1050/02-219298 (map 1, blz.199 en 200) van 23 mei 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar Robin Piers.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als het relaas van verbalisant:

Ik ben samen met collega R. Bajema op 30 april 2002, omstreeks 22.50 uur, ter plaatse gekomen. Ongeveer twaalf minuten na mijn aankomst ter plaatse zag ik een meisje zitten op het terras. Zij huilde. Ze zat daar alleen. Ik vroeg haar of ze binnen was geweest en of ze wat gezien had. Ik hoorde dat ze zei: "Ja, want ik zat aan de bar er vlak naast". Ik vroeg vervolgens naar haar naam. Ik hoorde dat ze zei: "Die geef ik niet, want straks ben ik de volgende en ze zien nu ook al dat ik met de politie praat ". Ik zei tegen haar dat ik haar naam moest hebben omdat het belangrijk was voor ons en voor haarzelf. Zij gaf toen haar naam op, namelijk [getuige 3]. Ik vroeg toen wie het dan gedaan had en of ze diegene kende. Ik hoorde dat ze zei: "Ja, het is een bekende van mij. Ik wil niet getuigen, want dan weet hij ook dat ik wat heb gezegd".

Ze zei vervolgens uit haarzelf: "Geef je boekje maar". Ik vroeg waarom ze het wilde hebben. Ze zei: "Geef het nou maar gewoon". Ik heb mijn notitieboekje toen gegeven en mijn pen. Ik zag dat ze wat opschreef maar ik zag niet wat. Ze gaf het boekje terug en ik zag daar staan "[verdachte]" met een uitroepteken erachter.

Ik heb de woorden, gesproken door getuige [getuige 3], zoveel mogelijk letterlijk proberen weer te geven, voorzover ik mij de letterlijke tekst kan herinneren.

6.9. Een geschrift, zijnde de bladzijde uit het aantekenboekje van verbalisant R. Piers voornoemd waarop door [getuige 3] de naam van de verdachte is geschreven.

6.10. Het proces-verbaal met nummer PL1050/02-200005 (map 3, blz. 575 t/m 582) van 6 september 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren Walter Gerardus Jacobus Stuijt en Antonius Cornelis Maria Groot.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 september 2002 tegenover verbalisanten voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 3]:

Ik kwam op 30 april 2002, omstreeks 19.00 uur, in De Volendammer.

Toen zag ik [verdachte] vooruit bewegen en hoorde ik een poef. [Verdachte] is een lange man en ik vind hem op Sylvester Stallone lijken. Ik ken hem ongeveer 4 jaar en ik ken hem van de kroeg. U toont mij een foto. (Noot verbalisanten: wij toonden een foto van [verdachte] aan de getuige) Ja dit is [verdachte]. Afgelopen woensdag bijvoorbeeld pakte hij me nog bij mijn schouders en zei: "He [getuige 3], is alles goed ". Hij zei nog: "Maak jullie allemaal maar niet zo druk, het komt allemaal goed.

Hij pakte eerst [getuige 5] even vast en zei tegen haar ook "maak je niet druk".

Het viel me gewoon op dat [verdachte] een beweging naar voren maakte. Zijn hele lichaam bewoog naar voren toe, dus vanaf de bar richting mij. Ik zag hem een beweging naar voren maken vanuit de groep. Er zat een paar seconden tussen de beweging van [verdachte] en de knal. Ik zie hem bewegen, hoor gelijk daarna die knal en legde later de link tussen de knal en [verdachte]. Ik heb geen wapen gezien. Hij kwam staande naar voren toe en na een seconde hoorde ik ploef. Dat was dichtbij.

Tante [naam] heeft vaak tegen mij gezegd dat ik mijn bek moest houden. Tante [naam] zei eerst tegen [getuige 5] en mij dat we geen verklaring moesten afleggen.

Ik kan me alleen nog herinneren dat ik iets op papier heb geschreven maar niet dat ik iets gezegd heb tegen die agent.

6.11. Het proces-verbaal van 14 november 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van [getuige 3]:

Ik was op Koninginnedag 30 april 2002 toen er geschoten werd in café De Volendammer daar aanwezig. Ik weet nog wel dat ik iets op een briefje heb geschreven. De naam [verdachte] is in mijn handschrift geschreven.

U wijst mij op hetgeen staat in mijn verklaring van 6 september 2002 over de beweging van [verdachte]. Ik heb dat toen bij de politie voorgedaan. Ik heb toen gezegd dat zijn hele lichaam bewoog naar voren toe, dus vanaf de bar richting mij. Niet alleen zijn hoofd bewoog naar voren maar zijn hele lichaam. Ook heb ik toen gezegd: "Ik zie hem bewegen, hoor gelijk daarna die knal en legde later toen de link tussen de knal en [verdachte] ". Mijn reactie op deze passages is dat het klopt. Ik geef op de plattegrond van De Volendammer met cijfer 3, zijnde de aanduiding van een pijltje, de voorwaartse beweging aan die ik [verdachte] zag maken. Die beweging maakte hij voor het schot, want na het schot was er voor mijn gevoel opeens niemand meer. Ik heb na het verhoor bij de politie op 5 september 2002 met mijn vader gesproken en hij heeft mij gezegd dat ik naar het politiebureau moest gaan om alles op de juiste wijze te vertellen. Ik ben vervolgens op vrijdag 6 september naar de politie gegaan en kon daar mijn hele verhaal vertellen.

Ik ben [verdachte] later nog wel eens tegengekomen, zoals bij de harddraverijen. Hij zei tegen ons: "Meiden alles komt goed en maak je niet druk ". Ik schrok daarvan, had er een vreemd gevoel bij en verwachtte dat niet. Ik was daar toen met [getuige 5].

6.12. Het proces-verbaal van 25 september 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van Strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van [getuige 5]:

Ik heb [getuige 3] de volgende middag, dat was 1 mei 2002, gesproken. Uiteraard hebben we gesproken over hetgeen de vorige avond in De Volendammer is gebeurd. [Getuige 3] vertelde mij dat ze een briefje aan de politie had gegeven met de naam van [verdachte] erop. [Getuige 3] was erg bang. Zij vertelde dat [verdachte] het gedaan had, dat [verdachte] een beweging maakte, maar zij heeft mij verder geen details verklaard. Daarna zijn we naar [aanwezige man 2] gegaan. Ook tegen [aanwezige man 2] vertelde [getuige 3] dat [verdachte] een beweging maakte. Volgens mij heeft zij toen voorgedaan hoe [verdachte] dat deed maar dat weet ik niet meer helemaal zeker.

De officier van justitie vraagt over hetgeen de volgende dag is gebeurd en waarover ik tegenover de politie op 5 september heb verklaard.

Het is zo geweest dat [getuige 3] bij [aanwezige man 2] 1 keer een beweging heeft gemaakt om voor te doen wat zij [verdachte] heeft zien doen. Dat was in mijn beleving een echte schietbeweging.

Mr Slijters houdt mij een aantal passages voor uit mijn verklaring van 2 september 2002 waarin ik tegenover de politie heb verklaard dat [getuige 3] toen wij naar [aanwezige man 2] waren gegaan daar verteld heeft dat [verdachte] die man heeft doodgeschoten en dat zij toen met haar vingers in de vorm van een pistool een schietbeweging heeft gemaakt waarna ik begon te huilen. Mijn reactie daarop is dat [getuige 3] haar arm toen naar voren stak en in mijn idee met haar vingers een pistool beweging maakte.

6.13. Het proces-verbaal met nummer PL1050/02-200004 (map 4, blz. 736 en 737)van 11 juni 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren Walter Gerardus Jacobus Stuijt en Cornelis Paul Schenk.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 11 juni 2002 tegenover verbalisanten voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 6]:

Ik was van 30 april op 1 mei 2002 van 13.00 uur tot 03.00 uur werkzaam in het Hoornse Veerhuys te Hoorn. [Getuige 3] is bij ons binnen geweest. Dit was tussen 24.00 uur en 01.00 uur. Volgens mij was zij in het gezelschap van [twee personen]. [Getuige 3] heeft tegen mij gezegd dat [verdachte] iemand had neergeschoten. Ze zei ook dat ze met haar stomme kop een agent een briefje had gegeven met de naam van [verdachte] erop. [Getuige 3] heeft ook tegen mij gezegd dat ze [verdachte] heeft zien schieten. Ze was helemaal overstuur, maar ze zei duidelijk dat ze had gezien dat [verdachte] die Marokkaan had doodgeschoten.

6.14. Het proces-verbaal met nummer PL1050/02-200003 (map 4, blz. 968 t/m 970) van 27 september 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren Antonius Cornelis Maria Groot en Walter Gerardus Jacobus Stuijt.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 27 september 2002 tegenover verbalisanten voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 7]:

Ik weet nog dat ik die nacht, het was inmiddels 1 mei 2002, omstreeks 01.00 uur bij het Hoornse Veerhuys aankwam.

Ik zag dat [getuige 3] aan de bar zat, ze zat daar alleen. Ik zag dat ze zat te huilen. [Aanwezige vrouw 2] vertelde mij toen dat er een schietpartij was geweest in De Volendammer en dat [verdachte] iemand had neergeschoten. [aanwezige vrouw 2] vertelde vervolgens dat [getuige 3] getuige was geweest van die schietpartij. Ik zag dat [getuige 3] er heel slecht uit zag. Ze huilde tranen met tuiten. Ik zag aan haar houding dat zij er kennelijk heel dicht bij had gestaan. Ze was heel emotioneel. Ik hoorde dat [getuige 3] tegen mij zei dat ze de luchtdruk van de kogel had gevoeld en dat ze er pal naast had gestaan. Ze zei dat er pal naast haar iemand was neergeschoten. [Getuige 3] zei dat [verdachte] naast haar stond en dat [verdachte] langs haar heen schoot en dat zij toen de luchtdruk voelde. Zoals ze mij toen vertelde dat ze had gezien dat [verdachte] die man had doodgeschoten was het voor mij duidelijk dat het niet iemand anders kon zijn geweest die had geschoten. In mijn beleving was het voor [getuige 3] duidelijk dat [verdachte] het had gedaan. Ze was wel aangeschoten maar zeker niet dronken.

6.15. Het proces-verbaal van 21 november 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van Strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van [getuige 8]:

Nadat wij op 30 april 2002 bij café De Volendammer naar buiten waren gegaan hebben wij gewacht op een taxi. Wij zijn toen naar de hoek van de Volendammer gelopen, aan het einde van het terras. Wij zagen toen een taxi aankomen die ons voorbij reed, voor De Volendammer langs. Wij zijn vervolgens teruggelopen richting Hoofdtoren. Toen ik mij omdraaide om terug te lopen zag ik [aanwezige man 1] met een onbekende man voor de Volendammer lopen in de richting van een aantal auto's die verderop geparkeerd stonden. Die persoon werd door [aanwezige man 1] onder de arm van [aanwezige man 1] gehouden. Op deze wijze trok [aanwezige man 1] die persoon mee.

Toen ik [aanwezige man 1] zag met zijn arm om de nek van die onbekende persoon zag ik dat hij die persoon meevoerde. Zo kwam het op mij over. Hij sleurde hem mee en had hem goed vast om zijn nek. Dat was opvallend en ik vond dat raar. Ik heb het gezicht van die onbekende persoon niet gezien. [Aanwezige man 1] en die persoon liepen van mij af. [Aanwezige man 1] had iets van lichte kleding aan. Die onbekende persoon iets donkers. Ik herkende [aanwezige man 1] aan zijn haren en aan zijn grootte. Hij heeft een soort bodybuildersfiguur. Ik heb ook zijn gezicht gezien. Ik weet honderd procent zeker dat het [aanwezige man 1] was.

6.16. Het proces-verbaal met nummer PL1050/02-219298 (map 2, blz. 140 t/m 144)van 27 mei 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren Willem Adriaan Blom en Arie van der Burg.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 27 mei 2002 tegenover verbalisanten voornoemd afgelegde verklaring van [getuige 9]:

U hoort mij omtrent de schietpartij op 30 april 2002 in Café de Volendammer.

[Naam] en ik hadden al een taxi besteld en wij stonden bij het biljart te wachten. Plotseling hoorde ik een knal achter mijn rug. Ik keek over mijn linker schouder en zag nabij de ingang van de toiletruimte een mij onbekende man in elkaar zakken. Ik zag daar toen in de directe omgeving nog een aantal mensen staan, waaronder [aanwezige man 1] en [verdachte]. Het was daar heel onrustig en iedereen schreeuwde en liep door elkaar. Ik had het idee dat ze mensen bij elkaar zochten. Ik zie dan nog wel dat [verdachte] van die plaats wegloopt.

Buiten gekomen zijn we direct linksaf gelopen en daar hebben we aan het eind van het terras staan wachten in de hoop dat de taxi nog zou komen. Ik keek toen in de richting van de Hoofdtoren en ik zag daar [verdachte] en [aanwezige man 1] lopen.

6.17. Het proces-verbaal met mutatienummer 02-200001/02-200008 van 19 november 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren Frederik Theodorus Maria Bosman, Leendert den Boer en Petrus Johannes Adrianus Peerdeman.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als het relaas van verbalisanten (map 1 blz. 14):

Op dinsdag 30 april 2002 omstreeks 22.40 uur werd in café De Volendammer te Hoorn door vuurwapengeweld levensgevaarlijk gewond: [slachtoffer], geboren te [geboorteplaats] te Marokko op [geboortedatum]. Uit het ingestelde onderzoek bleek dat [slachtoffer] door een kogel uit een schietwapen boven zijn linkeroog was getroffen. Op 8 mei 2002 werd van het Medisch Centrum Alkmaar bericht ontvangen dat het [slachtoffer] op 8 mei 2002 om 06.45 is overleden.

6.18. Het pro justitia rapport, gedateerd 7 juni 2002, zijnde het sectieverslag van H.A. Tromp, arts en pathaloog, als beëdigd deskundige verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk. Dit verslag houdt onder meer in als conclusie:

Bij [slachtoffer], oud 35 jaren, is de dood ingetreden ten gevolge van complicaties, opgetreden na een inschot in het hoofd.

De hiervoor onder 6.2 en 6.9 genoemde geschriften worden slechts gebezigd in verband met de inhoud van de respectievelijk onder 6.1 en 6.8 genoemde bewijsmiddelen.

7. BEWIJSVERWEREN

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat de enige ooggetuige [getuige 2] onderling inhoudelijk tegenstrijdige verklaringen aflegt en tegenstrijdig aan andere getuigen verklaart en dat de conclusie getrokken moet worden dat zij niet op haar woord kan worden geloofd. De raadsvrouw stelt dat er te veel contra-indicaties zijn voor de betrouwbaarheid van de verklaring van de ooggetuige en dat deze getuige gedurende de procedure op geen enkel moment zeker is geweest van wat zij gezien heeft en dat zij voor zichzelf dingen invult.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Weliswaar verklaart [getuige 2] op onderdelen van haar verklaringen onderling inhoudelijk tegenstrijdig en is zij onzeker, doch de rechtbank is van oordeel, gelet ook op de inhoud van de hierboven genoemde bewijsmiddelen dat, daar waar het de verklaringen van deze getuige betreft, zij vanaf het begin consistent is geweest in de kern van de inhoud van haar verklaringen, namelijk dat zij de verdachte [verdachte] heeft zien schieten. De rechtbank acht het voorstelbaar dat zij, maanden na de gebeurtenis op 30 april 2002, twijfelt op onderdelen van haar verklaringen.

Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de onzekerheid van de getuige onder meer voortkomt uit de druk die zij voelde, die voortvloeide uit intimiderend optreden van de verdachte en personen in zijn omgeving.

8. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

9. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

10. MOTIVERING VAN DE STRAF.

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft in een druk bezocht café tijdens de Koninginnedagviering [slachtoffer] in het hoofd geschoten, tengevolge waarvan deze is overleden. Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen een persoon van het leven beroofd en de nabestaanden van het slachtoffer onbeschrijfelijk leed toegebracht, maar ook is de rechtsorde geschokt en het gevoel van veiligheid, in het bijzonder dat van de bezoekers in het café, in gevaar gebracht. Het nemen van een leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 14 september 2002, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder terzake van geweldsdelicten tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld. Een van deze veroordelingen heeft betrekking op een geweldsdelict waarbij verdachte met een vuurwapen op iemand heeft geschoten.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur op haar plaats is.

Bij de behandeling van de hiervoor onder 2. besproken voorvragen heeft de rechtbank reeds het onzorgvuldig handelen van opsporingsambtenaren besproken. De rechtbank heeft bij de straftoemeting rekening gehouden met dit onzorgvuldig handelen door de oorspronkelijk overwogen straf met twee jaar te verminderen.

11. MOTIVERING VAN DE MAATREGEL

De rechtbank is van oordeel, dat de in beslag genomen boksbeugel dient te worden onttrokken aan het verkeer.

Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang.

12. BESLISSING OMTRENT IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De rechtbank is van oordeel, dat de overige in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- een kogelvrij vest

- een holster

- een zwaailamp

- twee kogelvrije jassen

dienen te worden teruggegeven aan de verdachte.

13. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

14. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 10 jaren.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: de in beslag genomen boksbeugel.

Gelast de teruggave aan de verdachte van een kogelvrij vest, een holster, een zwaailamp en twee kogelvrije jassen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Westdorp, voorzitter,

mr. L.J. Saarloos en mr. A.J. Dondorp, rechters,

in tegenwoordigheid van G.A.M. Delis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 februari 2003.