Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2002:AF1817

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
12-12-2002
Datum publicatie
12-12-2002
Zaaknummer
44810/HA ZA 00-191
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6504, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Consumentenbond heeft, onder overlegging van bijlagen en onder aanbieding van bewijs, overeenkomstig de dagvaarding op verkorte termijn van conclusie van eis gediend en gevorderd dat de Rechtbank bij vonnis:

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 68
O&A 2003, p. 83 (nr.1)
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak 12 december 2002

HP

VONNIS VAN DE RECHTBANK TE ALKMAAR

MEERVOUDIGE KAMER voor de behandeling van burgerlijke zaken

In de zaak met zaak- en rolnummer 44810/HA ZA 00-191 van:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid CONSUMENTENBOND,

gevestigd te 's-Gravenhage,

EISERES in de hoofdzaak bij dagvaardingen op verkorte termijn

van 17, 21 en 22 februari 2000;

VERWEERSTER in het incident,

procureur mr. A.R.Ph. Boddaert,

advocaten mr. J.M. Beer en aanvankelijk mr. A.J. Van te Amsterdam,

en thans mr. G.M. van Wassenaer te Amsterdam

tegen:

1. [standhouder 1],

GEDAAGDE in de hoofdzaak,

EISERES in het incident,

procureur mr. J. van Rhijn

2. [standhouder 2],

GEDAAGDE in de hoofdzaak,

EISERES in het incident,

procureur mr. A.R.Ph. Boddaert,

advocaten aanvankelijk mr. C.W.M. Lieverse en mr. K. Hanspians,

thans mr. N. Vloemans en mr. K. Hanspians

3. de stichting STICHTING WESTFRIESE FLORA BOVENKARSPEL,

gevestigd, althans kantoor houdend te Bovenkarspel,

GEDAAGDE in de hoofdzaak,

procureur mr. W.J.M. Loomans,

advocaat mr. W.J. Hengeveld te Rotterdam

4. de STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te 's-Gravenhage,

GEDAAGDE in de hoofdzaak,

procureur mr. C.H. Boll,

advocaat mr. A.C. de Die te 's-Gravenhage

De zaak is verwezen naar deze kamer van de Rechtbank.

Partijen zullen verder ook worden genoemd: de Consumentenbond, [standhouder 1], [standhouder 2], de Flora en de Staat.

De Rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder zich thans ook bevindt een afschrift van het door deze Rechtbank, Enkelvoudige Kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, tussen [standhouder 1] en [standhouder 2] als eisers en de Consumentenbond als verweerster in het incident op 9 november 2000 uitgesproken vonnis.

HET PROCESVERLOOP

In de hoofdzaak:

De Consumentenbond heeft, onder overlegging van bijlagen en onder aanbieding van bewijs, overeenkomstig de dagvaarding op verkorte termijn van conclusie van eis gediend en gevorderd dat de Rechtbank bij vonnis:

1. voor recht zal verklaren dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor vergoeding van alle vorderbare schade, zowel materieel als immaterieel, die is of zal worden geleden door alle personen (en hun nabestaanden) die na een bezoek aan de 66e Westfriese Flora die van 19 tot 28 februari 1999 te Bovenkarspel werd gehouden, besmet zijn geraakt met de legionella-bacterie en bij wie als gevolg daarvan ziekteverschijnselen zijn ontstaan, althans alle personen (en eventueel hun nabestaanden) bij wie na een bezoek aan de 66e Westfriese Flora ziekteverschijnselen zijn ontstaan die naar medisch oordeel passen bij een besmetting met de legionella-bacterie.

2. gedaagden zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 9 februari 2000 bepaald, dat gelegenheid zal worden gegeven voor concluderen van re- en dupliek.

De Staat heeft, onder overlegging van een bijlage, bij conclusie van antwoord verweer gevoerd met conclusie dat de Consumentenbond in haar vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat de vordering zal worden afgewezen, met veroordeling van de Consumentenbond in de kosten van het geding.

De Flora heeft, onder overlegging van bijlagen, bij conclusie van antwoord verweer gevoerd met conclusie dat de Consumentenbond in haar vorderingen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, althans dat de vorderingen dienen te worden afgewezen, met veroordeling van de Consumentenbond in de kosten van dit geding.

[standhouder 2] heeft bij conclusie van antwoord verweer gevoerd met conclusie dat de Rechtbank de vorderingen van de Consumentenbond af zal wijzen, althans dat de Consumentenbond in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal worden verklaard, met veroordeling van de Consumentenbond in de kosten van dit geding.

[standhouder 1] heeft, onder overlegging van bijlagen, bij conclusie van antwoord verweer gevoerd met conclusie dat de Rechtbank het gevorderde zal afwijzen onder verwijzing van de Consumentenbond in de gedingkosten.

Vervolgens is gediend van:

- een conclusie van repliek tevens houdende akte wijziging eis (onder overlegging van bijlagen en onder aanbieding van bewijs). De Consumentenbond vordert thans subsidiair, nadat zij haar eis heeft vermeerderd, dat voor recht zal worden verklaard dat ieder van gedaagden onrechtmatig heeft gehandeld, dan wel is tekortgeschoten in de nakoming van een contractuele verplichting, jegens alle personen (en eventueel hun nabestaanden) van wie na een bezoek aan de 66e Westfriese Flora die van 19 tot 28 februari 1999 te Bovenkarspel werd gehouden aannemelijk is dat zij besmet zijn geraakt met de legionella-bacterie, ofwel omdat dit onomstotelijk blijkt uit het casusregister van besmette personen dat het RIVM van de legionella epidemie heeft opgesteld en dat door onderzoekers van het AMC te Amsterdam is beoordeeld, dan wel omdat zij naar medisch oordeel tijdens de periode van 20 februari tot en met 31 maart 1999 de symptomen hebben vertoond die behoren bij het klinische beeld van een legionella epidemie.

- een akte houdende referte zijdens de Staat, waarin hij zich terzake van de eisvermeerdering van de Consumentenbond refereert aan het oordeel van de Rechtbank;

- een akte tot referte zijdens [standhouder 2], waarin zij zich terzake van de eisvermeerdering van de Consumentenbond refereert aan het oordeel van de Rechtbank;

- een conclusie van dupliek zijdens de Staat (onder overlegging van bijlagen);

- een conclusie van dupliek zijdens de Flora (onder overlegging van een bijlage en onder aanbieding van bewijs)

- een conclusie van dupliek zijdens [standhouder 1] (onder overlegging van bijlagen en onder aanbieding van bewijs)

- een conclusie van dupliek zijdens [standhouder 2] (onder overlegging van een bijlage en onder aanbieding van bewijs)

- een akte houdende uitlating producties tevens overlegging productie zijdens de Consumentenbond (onder overlegging van een bijlage).

Op 28 oktober 2002 zijn pleidooien gehouden.

Op de dag voor pleidooi bepaald heeft mr. G.M. van Wassenaer namens de Consumentenbond schriftelijk akte gevraagd dat zij een aantal bescheiden in het geding brengt. De akte is verleend.

Partijen hebben hun standpunten doen bepleiten door hun raadslieden overeenkomstig de overgelegde pleitnota's. Daarna hebben partijen in tweede termijn het woord gevoerd.

Tenslotte hebben partijen vonnis gevraagd.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

In de hoofdzaak:

1. Als tussen partijen vaststaand wordt van het volgende uitgegaan:

a) Van 19 tot 28 februari 1999 is in de in eigendom aan de Coöperatieve Nederlandse Bloembollencentrale (hierna ook te noemen: CNB) toebehorende veilinghallen in Bovenkarspel een expositie gehouden die bekend staat onder de naam "Westfriese Flora". De expositie omvatte een bolbloemententoonstelling, een Agri-beurs en een consumentenbeurs. De expositie was georganiseerd door de Stichting Westfriese Flora (hierna: de Flora).

b) Op de consumentenbeurs waren twee standhouders (van de 150) aanwezig die een

whirlpool (wervelbad of bubbelbad) tentoonstelden: [standhouder 1] en [standhouder 2]. De stand van [standhouder 1] bevond zich in hal 3, die van [standhouder 2] in hal 4.

c) Een of twee dagen voor de opening van de tentoonstelling is de whirlpool van [standhouder 1] met water gevuld uit het waterleidingnet van de veilinghallen. Tijdens de expositie heeft [standhouder 1] het water voortdurend op een temperatuur van ongeveer 37,5 graden Celsius gehouden en is er voortdurend lucht door het water geblazen (om een bubbeleffect te bewerkstelligen). Het water is gedurende de expositie niet vervangen of op enigerlei wijze gezuiverd of ontsmet.

d) Kort voor de opening van de tentoonstelling is de whirlpool van [standhouder 2] eveneens met water gevuld uit het waterleidingnet van de veilinghallen. Tijdens de expositie heeft [standhouder 2] het water voortdurend op een temperatuur van ongeveer 37 graden Celsius gehouden. Tijdens de expositie had [standhouder 2] regelmatig twee personen in de whirlpool zitten om het bubbelbad beter te kunnen demonstreren. Om te voorkomen dat het water troebel werd, heeft [standhouder 2] een vlokmiddel aan het water toegevoegd. [standhouder 2] heeft de whirlpool gedurende de expositie (bij wijze van demonstratie) een aantal malen per dag kort laten bruisen.

[standhouder 2] heeft het water halverwege de Westfriese Flora (na vijf dagen) ververst en opnieuw gevuld met water uit het waterleidingnet van de veilinghallen. Het water is gedurende de tentoonstelling niet gezuiverd of ontsmet.

e) De beurs is bezocht door ongeveer 80.000 bezoekers. De expositie was zodanig ingericht dat alle bezoekers die bloemen wilden zien zich eerst door het gedeelte van de consumentenbeurs moesten begeven. De stand van [standhouder 1] stond direct links na de ingang, tegenover de garderobe.

f) In de tweede week van maart 1999 werden in ziekenhuis het Westfriese Gasthuis in Hoorn twaalf patiënten opgenomen met een atypische pneumonie. Op 11 maart 1999 vond een inventarisatie plaats door de behandelend specialisten en op diezelfde dag werden acht patiënten getest op legionella pneumophila type 1. Bij zeven van de acht patiënten was de test positief.

g) Op 14 maart 1999 werd een onderzoeksteam samengesteld bij het Centrum voor Infectieziekten Epidemiologie (CIE) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Dit team heeft, met het oog op een mogelijk verband tussen de expositie en de geconstateerde legionella pneumonie, in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) een inventarisatie gemaakt van mogelijk verdachte apparaten op de Westfriese Flora, in het bijzonder de aërosolvormende en watervernevelende apparatuur. Ook werd een monstername georganiseerd.

h) Het onderzoek heeft geleid tot vier rapportages, respectievelijk van 16 april 1999, 21 juni 1999, 23 augustus 1999, en nadien nog van maart 2000.

i) In de conclusie van het rapport van het RIVM van 23 augustus 1999 staat onder meer:

"SLOT

In drie apparaten op de Flora werd L. pneumophila aangetroffen, van dezelfde typen die verantwoordelijk waren gebleken voor ziekte bij bezoekers aan de Flora. L. Pneumophila werd niet geïsoleerd uit de aanvoerende waterleidingen, vanwaaruit deze apparaten waren gevuld.

In de twee epidemiologische onderzoeken komt een sterke associatie van blootstelling aan één van deze apparaten, namelijk de whirlpool in hal 3, en een verhoogd risico op legionellose naar voren. In tegenstelling tot de whirlpool in hal 4 is de whirlpool in hal 3 tijdens de Flora niet ververst, steeds op een temperatuur van 37 à 38 graden Celsius gehouden en doorlopend in werking geweest.

Terwijl op grond van het eerder gerapporteerde brononderzoek beide whirlpools als mogelijke bron van besmetting konden worden aangewezen, geven de epidemiologische studies aan dat de whirlpool in hal 3 de meest waarschijnlijke bron van besmetting is. Daarbij zij opgemerkt dat niet feitelijk is vastgesteld hoe de Legionella-besmetting in deze whirlpool is geïntroduceerd".

j) In het rapport van het RIVM van maart 2000 is onder meer het volgende opgenomen:

"5.2 Bijdrage van verschillende apparaten aan de verspreiding van L.pneumophila

Uitspraken over de bijdrage van verschillende apparaten aan de verspreiding van L. pneumophila zijn afhankelijk van de validiteit van de gegevens over het gebruik ervan, die in interviews zijn verzameld.

Van whirlpools is reeds langer bekend dat zij onder baders epidemieën van legionella-pneumonie kunnen veroorzaken. Whirlpools zijn efficiënte amplificatoren en verspreiders van Legionella spp. De temperatuur van het water (37 graden Celsius) is optimaal voor de groei van Legionella spp. en het bubbelen en bruisen veroorzaakt aërosolen, waardoor Legionellae zich kunnen verspreiden en kunnen worden ingeademd. Er is tot op heden slechts één epidemie beschreven van een whirlpooldemonstratie. Daarbij kregen 23 mensen een legionella-pneumonie. Bij deze epidemie verbleven patiënten korte of langere tijd in de buurt van een whirlpool. Bij een epidemie op een cruise ship werden behalve baders ook personen ziek die zich alleen in de buurt van de whirlpool hadden bevonden. (................................)

Van vernevelaars en fonteinen is beschreven dat zij tot epidemieën kunnen leiden. Bij één van de door een fontein veroorzaakte epidemieën liep de watertemperatuur ten gevolge van opwarming door lampen op tot 29 graden Celsius. Ook bij de vernevelaar werd het water door lampen opgewarmd. In Bovenkarspel was het voorraadvat van de vernevelaar in hal 8 vier dagen na de opening van de Westfriese Flora gevuld met water van de CNB-hallen. Het apparaat werd slechts korte tijd (iedere twee uur gedurende drie seconden) tijdens de Westfriese Flora gedemonstreerd, waarbij in totaal 15 liter water verneveld werd gedurende vijf dagen. De temperatuur in de hal was tijdens de Westfriese Flora 10 tot 15 graden Celsius. Amplificatie van Legionella spp. bij dergelijke lage temperaturen is onwaarschijnlijk, terwijl opwarming van het water door warmlopen van de pomp eveneens onwaarschijnlijk is, gegeven de korte duur van de verneveling (drie seconden elke twee uur). Indien de vernevelaar Legionella spp. bevattende aërosolen verspreidde, was dit dus in een lage concentratie. Dit maakt het onwaarschijnlijk dat de vernevelaar substantieel heeft bijgedragen aan de besmetting van personen met Legionella spp. ( ......................)

6 Conclusies

1 Met het aantonen van twee aan patiëntenisolaten genotypisch identieke Legionella pneumophila omgevingsisolaten in drie apparaten die op de Westfriese Flora (hierna: WF) gebruikt werden, staat nagenoeg vast dat de bron van de epidemie van WF-geassocieerde legionella-pneumonieën zich heeft bevonden op de WF, die in de CNB-hallen te Bovenkarspel gehouden werd.

2 Van de drie apparaten heeft de whirlpool in hal 3 waarschijnlijk het meest bijgedragen aan verspreiding van L.pneumophila in de CNB-hallen, tijdens de WF. Argumenten hiervoor zijn dat de bij microbiologisch onderzoek gevonden bacteriële concentratie aanzienlijk sterker was dan die van de twee andere kweek-positieve apparaten, het water niet ververst is tijdens de WF, geen werkzame desinfectie werd toegepast, dat het apparaat in tegenstelling tot de andere apparaten overdag tijdens de Westfriese Flora continue bubbelde en bruiste en op een temperatuur van 37-39 graden Celsius werd gehouden.

3 De conclusies van dit onderzoek ten aanzien van de belangrijkste (ziekmakende)

besmettingsbron (W3) worden bevestigd door de uitkomsten van een patiënt-

controle en een cohort onderzoek, uitgevoerd om de exacte lokatie van blootstelling aan Legionella spp. op het WF-terrein vast te stellen, die aangeven dat de whirlpool in hal 3 de meest waarschijnlijke bron van infectie is (zie separate RIVM-rapporten).

4 Legionella is waarschijnlijk in de whirlpool in hal 3 binnengekomen bij de vulling van het apparaat op 17 februari. De epidemische curve geeft aan dat een amplificatie periode van enkele dagen nodig was om de concentratie te doen stijgen tot voor de mens ziekmakende hoogte.

5 Niet uitgesloten kan worden dat de whirlpool in hal 4 heeft bijgedragen aan de verspreiding van Legionella spp. Desinfectie werd bij dit apparaat evenmin toegepast. Bij deze whirlpool werd een lage bacteriële concentratie gevonden en werd het water halverwege de WF volledig ververst, terwijl het apparaat alleen tijdens demonstraties bubbelde en bruiste.

6 Verspreiding door de vernevelaar in hal 8 is eveneens niet uit te sluiten, maar niet erg waarschijnlijk gezien het beperkte gebruik van het apparaat en de temperatuur van het water in het apparaat, welke zeker lager dan 20 graden Celsius was.

7 Verspreiding door andere potentieel risicovolle apparaten, zoals de fonteinen in hal 5 en 13 en de bubbelmat-baden in hal 3 en hal 4 is evenmin uit te sluiten, maar onwaarschijnlijk gezien de temperatuur van het gebruikte water (lager dan 20 graden Celsius), het regelmatige verversen van het water en omdat twee weken na beëindiging van de WF in deze apparaten geen L. pneumophila werd aantroffen.

8 Het is waarschijnlijk dat L. pneumophila de drie kweek-positieve apparaten is binnengekomen met water uit het waterleidingnetwerk van de CNB-hallen, die de bacteriën op haar beurt mogelijk via het PWN waterleidingnetwerk heeft binnengekregen. Argumenten hiervoor zijn het isoleren van identieke genotypen van L. pneumophila in ver van elkaar verwijderde apparaten, de constatering dat twee van de drie apparaten nieuw waren (W3 en V8) en nooit eerder met water gevuld en het gegeven dat alle drie apparaten gevuld werden met water uit de waterleiding van de CNB-hallen.

9 De concentratie van de vermoedelijk in de waterleiding van de CNB-halllen voorkomende Legionella zou met name in de hallen 3 en 4 verhoogd geweest kunnen zijn, omdat de op drie meter hoogte hangende PE-leiding in deze hallen met water gevuld was en gedurende enige maanden niet gebruikt was, terwijl in het Oostelijke deel van hal 3 voorafgaande aan de WF temperaturen van tenminste 30 graden Celsius heersten. Een dergelijke situatie is gunstig voor handhaving of zelfs uitgroei van L. pneumophila, de whirlpools W3 en W4 werden vóór opening van de WF gevuld met water uit die ringleiding, op een moment dat er nog weinig doorstroming was geweest.

10 De Legionella die vermoedelijk in de waterleiding van de CNB-hallen aanwezig was zou zowel in de delen achter PWN-aansluiting "Hoofdstraat 1" als achter PWN aansluiting "Veilingweg 5" moeten hebben gezeten omdat W3 en W4 vanuit de ene en V8 vanuit de andere gevuld zijn.

11 Het is mogelijk dat de Legionella in de waterleiding van de CNB-hallen is gekomen door introductie van (vrijwel zeker zeer lage concentraties) vanuit het PWN-waterleidingnet.

12 Dat L. pneumophila niet werd aangetroffen in water van PWN-aansluitingen en in de waterleidingen van de CNB-hallen kan verklaard worden door zeer lage concentraties (PWN) en door fors gebruik en doorstroming van het CNB-waterleiding systeem tijdens de WF waardoor een initiële hoge concentratie "uitgespoeld" kan zijn."

k) [standhouder 1] en de Flora zijn eerder in een procedure in Kort Geding in rechte betrokken door een nabestaande van een overleden bezoeker en door een bezoeker van de 66e Westfriese Flora, in de procedure aangeduid als Kooi c.s., in welke procedure de Consumentenbond zich heeft gevoegd respectievelijk is tussengekomen. De door de President van deze Rechtbank gewezen vonnissen zijn in hoger beroep bestreden door [standhouder 1] en door Kooi c.s.

Bij arrest van 4 januari 2001 heeft het Gerechtshof te Amsterdam in de gevoegde zaken onder de rolnummer 74/00 SKG en 185/00 SKG de vonnissen waarvan beroep bekrachtigd. Het tegen dit arrest door [standhouder 1] ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 29 november 2002, gewezen onder rolnummer C01/060 HR, verworpen.

2. De Consumentenbond doet haar vorderingen steunen op vorenstaande feiten en op de hierna volgende stellingen:

De primaire vordering van de Consumentenbond.

2.1 De Consumentenbond vordert als onder "het verloop van de procedure" is weergegeven.

De Consumentenbond stelt dat zij als vereniging met volledige rechtsbevoegdheid - die zich volgens haar statuten ook daadwerkelijk toelegt op de behartiging van consumentenbelangen - overeenkomstig het bepaalde in artikel 305a lid 1 Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) met vrucht een rechtsvordering kan instellen ter behartiging van de belangen van de slachtoffers en nabestaanden van de slachtoffers die tijdens een bezoek aan de 66e Westfriese Flora besmet zijn geraakt met de legionella-bacterie en daardoor ziekteverschijnselen hebben opgelopen. De collectieve actie strekt ertoe dat de Rechtbank voor recht zal verklaren dat [standhouder 1], [standhouder 2], de Flora en de Staat hoofdelijk aansprakelijk zijn voor vergoeding van alle schade die is of zal worden geleden door evengenoemde slachtoffers en eventueel hun nabestaanden.

3. Gedaagden hebben bij conclusie van antwoord aangevoerd dat de Consumentenbond in deze vordering niet kan worden ontvangen, omdat deze in wezen strekt tot schadevergoeding te voldoen in geld. Zij betogen dat een collectieve actie ingevolge het bepaalde in artikel 305a lid 3 Boek 3 BW niet kan strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld.

4. De Rechtbank overweegt hieromtrent als volgt:

Vooropgesteld moet worden dat ingevolge het bepaalde in artikel 305a lid 3 Boek 3 BW een rechtsvordering als bedoeld in lid 1 van datzelfde artikel (een collectieve actie) niet kan strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld. Blijkens de parlementaire geschiedenis heeft de wetgever een tot schadevergoeding strekkende collectieve actie in artikel 305a lid 3 Boek 3 BW uitgesloten, omdat een vordering tot schadevergoeding de vaststelling vergt van diverse elementen die slechts aan de hand van individuele omstandigheden kunnen worden beoordeeld.

De Consumentenbond vordert dat voor recht wordt verklaard dat [standhouder 1], [standhouder 2], de Flora en de Staat hoofdelijk aansprakelijk zijn voor vergoeding van alle vorderbare schade die is of zal worden geleden door - kort gezegd - personen en hun nabestaanden die na een bezoek aan de 66e Westfriese Flora besmet zijn geraakt met de legionella-bacterie en bij wie als gevolg daarvan ziekteverschijnselen zijn ontstaan.

Een dergelijke, bij wege van collectieve actie ingestelde vordering moet naar het oordeel van de Rechtbank worden gelijkgesteld met een vordering die strekt tot schadevergoeding te voldoen in geld, als bedoeld in artikel 305a, derde lid, tweede zin, Boek 3 BW.

Immers, bij de beoordeling van de onderwerpelijke vordering moeten elementen zoals causaliteit en relativiteit worden onderzocht die, evenzeer als vaststelling van de omvang van schadevergoeding, een beoordeling per individueel geval vergen. Daarmee leent de vordering zoals ingesteld door de Consumentenbond zich niet voor collectieve actie.

Aan het voorgaande doet niet af het betoog van de Consumentenbond in haar conclusie van repliek sub 16 en verder dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen de "vestigingsfase" en de "omvangsfase" van de aansprakelijkheid en dat de door haar gevorderde verklaring voor recht uitsluitend ziet op de vestiging van de aansprakelijkheid waar de beoordeling van de individuele omstandigheden nog niet aan de orde is.

Dit betoog is onjuist, omdat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van aansprakelijkheid (de vestigingsfase) weliswaar buiten beschouwing kan blijven hoeveel schade is geleden, maar niet of schade is geleden. Ook dit vergt een beoordeling per individueel geval, waardoor het gevorderde zich niet leent voor een collectieve actie.

De primaire vordering van de Consumentenbond dient ingevolge het bepaalde in artikel 305a lid 3 Boek 3 BW dan ook afgewezen te worden.

De subsidiaire vordering van de Consumentenbond:

De ontvankelijkheid van de Consumentenbond in de subsidiaire vordering

5. De Consumentenbond vordert als onder "het verloop van de procedure" is

weergegeven.

De subsidiaire vordering strekt ertoe dat de Rechtbank voor recht zal verklaren dat [standhouder 1], [standhouder 2], de Flora en de Staat onrechtmatig hebben gehandeld, dan wel tekortgeschoten zijn in de nakoming van een contractuele verplichting jegens - kort gezegd - alle personen van wie aannemelijk is dat zij na een bezoek aan de 66e Westfriese Flora besmet zijn geraakt met de legionella-bacterie.

6.1 De Flora heeft in haar conclusie van dupliek aangevoerd dat de statuten van de Consumentenbond in de weg staan aan haar ontvankelijkheid, omdat onder artikel 3 van die statuten niet valt het onderhavige optreden van de Consumentenbond ter behartiging van de individuele belangen van een bekende, vastomlijnde groep Legionellose-slachtoffers. De Flora voert voorts aan dat de meerwaarde van een collectieve actie ligt in een meer effectieve en efficiënte rechtsbescherming en dat daarvan in casu geen sprake is: de individuele slachtoffers zullen ook zelf nog moeten procederen om het causaal verband en de schade vast te doen stellen, zodat de collectieve actie extra en overbodig is. Bovendien is geen sprake van gelijksoortige belangen die zich lenen voor bundeling, aldus de Flora, omdat de beoordeling van de vorderingen van de verschillende slachtoffers niet mogelijk is zonder dat zij zelf in de procedure betrokken zijn.

6.2 [standhouder 2] heeft in haar conclusie van dupliek aangevoerd dat zij betwijfelt of de verwijzing in de statuten van de Consumentenbond wel voldoende specifiek is om de belangen van alle bezoekers van de Flora in een collectieve actie te behartigen: het gaat in deze procedure immers niet om specifieke consumentenbelangen, terwijl de Consumentenbond zich in haar - ongevraagde - belangenbehartiging niet beperkt tot leden van haar bond.

7.1 De Rechtbank overweegt hieromtrent als volgt:

De Staat en [standhouder 2] hebben zich ten aanzien van de vermeerdering van eis van de Consumentenbond in hun akte houdende referte gerefereerd aan het oordeel van de Rechtbank. Nu geen der overige gedaagden zich op de in artikel 134 lid 2 (oud) Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde wijze tegen de vermeerdering van eis heeft verzet, zal de Rechtbank op de gewijzigde eis beslissen.

7.2 De Consumentenbond heeft gesteld dat zij in dit geding optreedt zowel ter bescherming van de belangen van degenen die zich bij haar hebben gemeld als ter bescherming van de belangen van anderen die dat niet hebben gedaan, doch die wel tijdens een bezoek aan de 66e Westfriese Flora besmet zijn geraakt met de legionella-bacterie en als gevolg daarvan ziekteverschijnselen hebben opgelopen.

Volgens de Consumentenbond valt het beschermen van evengenoemde belangen, in tegenstelling tot hetgeen de Flora en [standhouder 2] hebben betoogd, wel onder haar statutaire doelstelling.

In de statuten van de Consumentenbond d.d. 25 september 1991 is - onder meer - het volgende bepaald:

" III DOEL.

Artikel 3.

De Bond stelt zich ten doel als onafhankelijke organisatie, zonder binding met enige politieke of levensbeschouwelijke stroming of organisatie, de belangen van de consumenten in het algemeen en van de leden van de Bond in het bijzonder in Nederland - en voor zover mogelijk en zo nodig daarbuiten - te behartigen.

De Bond streeft daarbij naar een volwaardige economische en sociale positie van de consument ten opzichte van totstandkomen, distribueren en consumeren van particuliere en collectieve goederen en diensten.

De Bond houdt bij dit alles onder andere rekening met maatschappelijke gevolgen in ruime zin van particuliere en collectieve consumptie".

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de Consumentenbond terecht gesteld dat het behartigen van het consumentenbelang in het algemeen mede omvat het behartigen van de specifieke, individuele belangen van een vastomlijnde groep legionella-slachtoffers. Immers, de vordering van de Consumentenbond betreft de bescherming van de belangen van een groep legionella-slachtoffers (en eventueel hun nabestaanden) die eerst ziek zijn geworden nadat zij met een toegangsbewijs een voor het publiek georganiseerd evenement, een bloemententoonstelling en een daaraan verbonden consumentenbeurs, hebben bezocht. Dat de Consumentenbond de belangenbehartiging van de groep legionella-slachtoffers niet heeft beperkt tot de leden van haar bond, is niet van belang, aangezien uit de hiervoor weergegeven statutaire doelomschrijving volgt dat de Consumentenbond de belangen behartigt van consumenten in het algemeen.

Het betoog van de Flora dat de collectieve actie van de Consumentenbond extra en overbodig is en deze procedure de efficiënte en effectieve rechtspleging niet bevordert, faalt.

De collectieve actie van de Consumentenbond zal mogelijk niet kunnen voorkomen dat individuele slachtoffers later zelf nog een aparte procedure zullen moeten voeren om het causaal verband en de individuele schade vast te doen stellen. Dat neemt echter niet weg dat door de actie van de Consumentenbond wel reeds thans door de Rechtbank antwoord zal moeten worden gegeven op de rechtsvraag of er onrechtmatig is gehandeld jegens de legionella-slachtoffers en zo ja, door wie van de gedaagden. Ofschoon de uitspraak in deze procedure geen bindende kracht heeft tussen de gedaagden en de legionella-slachtoffers, zal in de eventuele door de slachtoffers individueel te voeren procedures de in deze uitspraak neergelegde beslissing over de onrechtmatigheid van het handelen van een of meer gedaagden en de daaraan ten grondslag liggende motivering tot uitgangspunt kunnen dienen.

Ook het betoog van de Flora, dat in deze procedure geen sprake is van gelijksoortige belangen die zich lenen voor bundeling, faalt. Er is sprake van een gelijksoortig belang indien het belang van alle leden van de groep ten behoeve van wie de belangenorganisatie een vordering in rechte instelt, gelijkgericht is. In deze zaak is dat het geval, omdat het hier betreft het collectieve belang van de leden van de groep legionella-slachtoffers dat in rechte wordt vastgesteld of en zo ja, wie van de gedaagden onrechtmatig jegens de slachtoffers heeft gehandeld.

Nu de Consumentenbond een rechtspersoon is die zich volgens haar statuten en ook daadwerkelijk toelegt op de behartiging van consumentenbelangen en naar algemene maatstaven voldoende representatief moet worden geacht om in voorkomende gevallen zo nodig ter bescherming van een collectief consumentenbelang in rechte op te treden, is de Consumentenbond ontvankelijk in de door haar ingestelde vordering.

De vordering van de Consumentenbond tegen de Staat

8. De Consumentenbond heeft het volgende aan haar vordering tegen de Staat ten grondslag gelegd. Na het advies inzake preventie van legionellose van de Gezondheidsraad d.d. 25 juni 1986 alsmede daarop volgende publicaties in de medische vakpers (de publicatie in het medisch vaktijdschrift The Lancet d.d. 24 februari 1996 en de publicatie in het tijdschrift Morbidity en Mortality Weekly Report d.d. 31 januari 1997) was de Staat voldoende op de hoogte van de mogelijkheid dat door een demonstratie van whirlpools bij gelegenheid van een evenement als de Westfriese Flora bezoekers een besmetting zouden kunnen oplopen met de legionella-bacterie. Niettemin heeft de Staat nagelaten adequate maatregelen te treffen.

De Consumentenbond stelt dat de Staat de legionellose epidemie onder de bezoekers van de Westfriese Flora op eenvoudige wijze had kunnen voorkomen door bijvoorbeeld whirlpools in winkels en op beurzen onder het begrip "zweminrichting" in de zin van de Wet Hygiëne en Veiligheid Zweminrichtingen (hierna te noemen: de WHVZ) te brengen dan wel door een verbod op het tentoonstellen van met water gevulde whirlpools uit te vaardigen.

De Consumentenbond wijst er in dit verband op dat krachtens artikel 22 van Grondwet alsmede krachtens Verdragsbepalingen op de Staat de verplichting rust om maatregelen te treffen ter bevordering van de volksgezondheid, zodat de Staat een zorgplicht heeft alsmede een verplichting om maatregelen te treffen, zoals in casu het stellen van wettelijke regels ter voorkoming van het ontstaan van (infectie-)ziekten. Nu de Staat heeft nagelaten dergelijke maatregelen te treffen, heeft de Staat, aldus de Consumentenbond, een gevaar voor de gezondheid van andere personen laten voortbestaan en daardoor onrechtmatig gehandeld.

9. De Staat heeft de vordering gemotiveerd bestreden (de verweren van de Staat worden - voor zoveel van belang - in rechtsoverweging 10. weergegeven).

10. De Rechtbank overweegt hieromtrent als volgt:

Vaststaat dat met de regeling in het Besluit hygiëne en veiligheid zwemgelegenheden (KB van 6 oktober 1984, Stb. 470 tot stand gekomen krachtens de WHVZ) zoals deze in 1984 was getroffen, en waarvan de werkingssfeer in 1990 belangrijk is uitgebreid, de Staat normen heeft gesteld ten aanzien van het gehalte vrij beschikbaar chloor in voor het publiek toegankelijke zweminrichtingen (en in 1990 tevens voor zweminrichtingen die niet voor het algemene publiek toegankelijk zijn doch wel voor de gasten van hotels, kampeerplaatsen en dergelijke) waardoor een reductie van het aantal legionella's wordt bereikt. De normen ten aanzien van het gehalte vrij beschikbaar chloor zijn met deze regeling toepasselijk op whirlpools, voor zover die deel uitmaken van een zweminrichting.

Vaststaat voorts dat de Staat geen regels heeft gesteld ten aanzien van installaties (waaronder whirlpools) die geen onderdeel vormen van een zweminrichting als bedoeld in artikel 1 van de WHVZ.

Het verweer van de Staat, dat hij niet de bevoegdheid had krachtens de WHVZ of enige andere wet in formele zin normen ten aanzien whirlpools in winkels of op beurzen te stellen met betrekking tot het gehalte vrij beschikbaar chloor en evenmin bevoegd was een verbod op het tentoonstellen van met water gevulde whirlpools uit te vaardigen, treft doel.

De WHVZ (en de krachtens die wet gegeven voorschriften) heeft, zoals hiervoor is overwogen, niet betrekking op whirlpools in het algemeen, doch heeft uitsluitend betrekking op whirlpools die deel uitmaken van een zweminrichting. Bovendien bevat de WHVZ geen grond voor het uitvaardigen van een verbod om een whirlpool ten toon te stellen en verleende evenmin een andere wet in formele zin de Staat daartoe die bevoegdheid.

De Staat heeft voorts terecht aangevoerd dat het niet tot stand brengen van een wet in formele zin (met een regeling ten aanzien van whirlpools buiten zweminrichtingen en met een inhoud zoals door de Consumentenbond gesteld) in casu niet als onrechtmatig in de zin van artikel 162 Boek 6 BW kan worden beschouwd. Gelet op de taak van de rechter in verhouding tot die van de wetgever komt de burgerlijke rechter in zijn algemeenheid geen oordeel toe omtrent de onrechtmatigheid van het niet uitvaardigen door de wetgever van een wet in formele zin. Van zwaarwegende bijzondere feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel nopen, is in casu niet gebleken.

Ook het betoog van de Staat dat de Consumentenbond geen beroep kan doen op het bepaalde in artikel 22 van de Grondwet treft doel, reeds omdat deze bepaling de overheid wel een zorgplicht oplegt doch de burger geen in rechte inroepbare waarborgen verschaft.

Ten overvloede merkt de Rechtbank op dat, zo haar een oordeel zou toekomen, in het oog springt dat de Staat niet zonder grond heeft aangevoerd dat aan wetgeving niet de eis kan worden gesteld dat zij voorziet in ieder mogelijk risico: wetgeving dient proportioneel te zijn in relatie tot de gebleken gezondheidsrisico's. In dit verband is van belang het advies van de Gezondheidsraad inzake preventie van legionellose: op pagina 57 staat onder meer vermeld:" Of het treffen van maatregelen voor bepaalde systemen en/of bepaalde instellingen (ziekenhuizen, bejaardentehuizen, hotels en dergelijke) feitelijk gewenst is, zal in eerste instantie van de epidemiologische noodzaak afhangen".

Verder merkt de Rechtbank in dit verband nog het volgende op.

Nu de epidemiologische gegevens in de periode 1990-1999 wezen op een betrekkelijk geringe frequentie van legionella-besmetting, gelet op het aantal van de incidenten als in rechtsoverweging 1 sub j door het RIVM genoemd, en er geen aanleiding bestond aan te nemen dat willekeurige bezoekers van een consumentenbeurs die zich langs in of in de buurt van een tentoongesteld bubbelbad begaven een aanzienlijke kans zouden lopen besmet te raken met de legionella-bacterie, is de Rechtbank van oordeel dat de Consumentenbond onvoldoende heeft gesteld om ervan uit te kunnen gaan dat het uitblijven van regelgeving met betrekking tot geëxposeerde whirlpools niet gerechtvaardigd was, zo de Staat al de bevoegdheid had om regelgeving te doen vaststellen.

De vordering van de Consumentenbond voor zover die tegen de Staat gericht is, dient, nu alle weren van de Staat doel treffen, dan ook te worden afgewezen.

De vordering van de Consumentenbond tegen de Flora.

11. De Consumentenbond heeft aan haar vordering tegen de Flora ten grondslag gelegd dat op de Flora als professioneel organisator van een consumentenbeurs een algemene zorgplicht rust ten aanzien van de veiligheid van de bezoekers van die beurs. In het kader daarvan mocht van de Flora worden verwacht dat zij bij de organisatie van het evenement uitsluitend gebruik zou maken van standhouders wier activiteiten voor de bezoekers geen onredelijke veiligheidsrisico's met zich brachten en dat zij op deze standhouders voldoende en adequaat toezicht uitoefende. Volgens de Consumentenbond heeft de Flora tijdens de 66e Westfriese Flora twee standhouders - [standhouder 1] en [standhouder 2] - tot de consumentenbeurs toegelaten die beiden op volstrekt onverantwoorde wijze een whirlpool hebben geëxposeerd, zodat de Flora tekort geschoten is in de nakoming van haar verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst die de Flora met de bezoekers heeft gesloten.

De Consumentenbond wijst erop dat dit temeer klemt, omdat op donderdag 25 februari 1999 een bezoeker de Flora erop heeft gewezen dat het verwarmde water van beide whirlpools niet was gechloreerd en dat dit een gevaar opleverde voor de gezondheid van de bezoekers. De Flora heeft naar aanleiding van deze waarschuwing geen maatregelen getroffen, aldus de Consumentenbond.

De Consumentenbond legt subsidiair aan haar vordering ten grondslag dat de standhouders [standhouder 1] en [standhouder 2] als hulppersonen in de zin van artikel 76 Boek 6 BW van de Flora moeten worden aangemerkt, omdat de consumentenbeurs een noodzakelijk en onmisbaar onderdeel vormde van de 66e Westfriese Flora en de standhouders op de consumentenbeurs contractuele verplichtingen (het contract kan worden getypeerd als huurovereenkomst) hadden ten opzichte van de Flora. Volgens de Consumentenbond vonden de door de standhouders [standhouder 1] en [standhouder 2] gemaakte fouten plaats in het kader van de uitvoering van de verbintenis die zij hadden met de Flora.

Meer subsidiair legt de Consumentenbond aan haar vordering ten grondslag dat de Flora jegens de slachtoffers aansprakelijk is, omdat de Flora geen afspraken met de standhouders heeft gemaakt over het afsluiten van een verzekering op AVB-voorwaarden, alsmede dat de Flora aansprakelijk is op grond van het bepaalde in artikel 171 Boek 6 BW en artikel 181 Boek 6 BW.

12. De Flora heeft de vordering gemotiveerd bestreden (de verweren van de Flora worden -voor zoveel van belang - in rechtsoverweging 13. weergegeven).

13.1 De Rechtbank overweegt hieromtrent als volgt:

De Flora heeft aangevoerd dat geen sprake is van een algemene zorgplicht van de organisator van een beurs om bij de individuele standhouders te controleren of zij voldoende voorzorgsmaatregelen hebben getroffen ter voorkoming van mogelijk gevaar dat het in hun stand geëxposeerde zou kunnen meebrengen voor de bezoekers van die beurs. Volgens de Flora beperkt de zorgplicht van de organisator van een consumentenbeurs, zoals deze tijdens de Westfriese Flora is gehouden, zich tot de brandveiligheid, de EHBO-voorziening, het zich veilig kunnen voortbewegen over de looppaden, de verlichting en wat dies meer zij.

De Consumentenbond heeft dit betoog in haar conclusie van repliek niet bestreden, doch zij voert aan dat de zorgplicht van de Flora zich naar eisen van redelijkheid en billijkheid bovendien uitstrekt over de klimaatcondities binnen het gebouw in de zin van voldoende ventilatie en een gezonde atmosfeer alsmede een goede hygiëne. Volgens de Consumentenbond heeft het vooral aan laatstgenoemde aspecten gemankeerd tijdens de 66e Westfriese Flora, omdat de Flora in haar zorgplicht ten aanzien van de conditie van het leidingwater en ten aanzien van de vernevelaar die door het RIVM als mogelijke bron van besmetting is aangewezen, tekort is geschoten.

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de Flora terecht aangevoerd dat niet valt in te zien dat op de Flora als huurder van de hallen - waarvan de CNB eigenaar is en die door de Flora voor de duur van de Westfriese Flora werden gehuurd tegen een normaal commerciële prijs - de verplichting zou rusten de waterleidingen voorafgaand aan de 66e Westfriese Flora door te spoelen. Immers, aan de Flora kan niet met recht het verwijt worden gemaakt dat zij de leidingen niet heeft doen doorspoelen, omdat niet is gesteld of gebleken dat zij, op grond van de toenmalige stand van zaken en de wijze waarop de hallen in de periode voorafgaande aan de Westfriese Flora zijn gebruikt, wist of behoorde te weten dat het water in de leidingen bij gebruik tijdens de Westfriese Flora onder omstandigheden een bron van legionella-besmetting zou kunnen vormen.

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de Flora voorts terecht aangevoerd dat uit de inhoud van het in rechtsoverweging 1 sub j (gedeeltelijk) weergegeven rapport van het RIVM van maart 2000 volgt dat het niet erg waarschijnlijk is dat de vernevelaar in hal 8 heeft bijgedragen aan de verspreiding van de legionella-bacterie, omdat het apparaat beperkt is gebruikt en de temperatuur van het water in het apparaat lager was dan 20 graden Celsius.

Bovendien werd de vernevelaar geëxposeerd door een van de exposanten van de eveneens tijdens de 66e Westfriese Flora georganiseerde Agri-beurs. Ook ten aanzien van deze standhouder geldt dat de Flora, zoals hiervoor door de Consumentenbond niet is bestreden ten aanzien van de consumentenbeurs, niet behoefde te controleren of voldoende voorzorgsmaatregelen waren getroffen teneinde mogelijk gevaar dat het geëxposeerde voor de bezoekers zou kunnen meebrengen, te voorkomen.

13.2 De stelling van de Consumentenbond dat de Flora in haar algemene zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van de bezoekers van de Westfriese Flora tekort is geschoten, omdat zij geen passende maatregelen heeft getroffen naar aanleiding van opmerkingen die de heer Veldhuisen op donderdag 25 februari 1999 tegen de bedrijfsleider van de Flora heeft gemaakt met betrekking tot de niet-gechoreerde conditie van het water in de geëxposeerde whirlpools van de standhouders en het gevaar dat dit opleverde voor de gezondheid van de bezoekers, moet, bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing, worden gepasseerd.

Uit de door de Consumentenbond als productie 14 bij conclusie van eis overgelegde schriftelijke verklaring van mevrouw A.P. Veldhuisen-Pronk, waarnaar de Consumentenbond ter onderbouwing van haar stelling in haar conclusie van repliek sub 49 verwijst, blijkt immers niet meer dan dat Veldhuisen aan de bedrijfsleider van de Flora, de heer Ligthart, heeft gevraagd of hij (Veldhuisen) met Ligthart kon praten omdat hem verschillende zaken waren opgevallen die voor verbetering vatbaar waren. Van enige terzake dienende waarschuwing van de zijde van Veldhuisen blijkt uit die verklaring niets.

Het bewijsaanbod van de Consumentenbond (het horen van de heer en mevrouw Veldhuisen als getuigen) zal dan ook worden gepasseerd.

13.3 De Consumentenbond heeft voorts aanvankelijk aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de Flora tekort is geschoten, omdat zij als organisator van de consumentenbeurs voorafgaand aan de 66e Westfriese Flora duidelijke afspraken met de standhouders had moeten maken over de vraag wie zorg zou dragen voor de verzekering van het risico dat bij de bezoekers van de beurs gezondheidsschade zou ontstaan als gevolg van het geëxposeerde.

De Consumentenbond heeft bij conclusie van repliek erkend dat de verantwoordelijkheid voor het afsluiten van een verzekering op AVB-voorwaarden berust bij de standhouders zelf, doch zij stelt dat het op de weg van de Flora lag om in haar afspraken met de standhouders te betrekken de vraag of, in hoeverre en tot welke hoogte de diverse standhouders verzekerd waren tegen het risico van aansprakelijkheid, indien zij hun activiteiten niet op hun eigen vestigingsadres doch op de consumentenbeurs van de Westfriese Flora ontplooiden.

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de Flora terecht aangevoerd dat zij contracteerde met professionele partijen die zelf een professioneel en economisch belang hadden bij een afdoende verzekering, zodat de Flora erop mocht vertrouwen dat de standhouders hun eigen verantwoordelijkheid zouden nemen door zorg te dragen voor een afdoende verzekering. De Flora heeft voorts terecht betoogd dat haar zorgplicht als organisator van de expositie niet zover gaat dat zij ten aanzien van alle individuele standhouders had moeten inventariseren in hoeverre door het geëxposeerde risico's voor de gezondheid zouden kunnen ontstaan die om een extra verzekering vroegen die de standhouder zou moeten afsluiten.

13.4 De Consumentenbond heeft voorts nog een beroep gedaan op het bepaalde in de artikelen 76, artikel 171 en 181 Boek 6 BW als grondslag van de aansprakelijkheid van de Flora. De Rechtbank stelt voorop dat de vorderingen van de Consumentenbond niet voorzien in het geval dat het beroep op bovengenoemde artikelen wordt gedaan en, zoals in casu, de primaire vordering wordt afgewezen.

In verband met het bepaalde in artikel 305a lid 3 Boek 3 BW is de vordering jegens de Flora op grondslag van de artikelen 76, 171 en 181 Boek 6 BW niet toewijsbaar. Immers, de beoordeling van de aansprakelijkheid van de Flora op grond van voormelde wettelijke bepalingen, vergt, evenals de aansprakelijkheid van [standhouder 1] en [standhouder 2], een beoordeling van individuele gevallen welke zich niet leent voor een collectieve actie.

Ter bevordering van een effectieve en efficiënte rechtspleging zal de Rechtbank ondanks hetgeen zij hiervoor heeft overwogen nader ingaan op het door de Consumentenbond gedane beroep op de artikelen 76, 171 en 181 van Boek 6 BW. De Rechtbank doet dit met het oog op eventuele door de slachtoffers individueel te voeren procedures, waarbij de beperking van artikel 305a lid 3 BW niet geldt en waarbij men (ook) de Flora aansprakelijk houdt voor de geleden schade.

Naar het oordeel van de Rechtbank kan artikel 76 Boek 6 BW reeds niet van toepassing zijn omdat de Consumentenbond onvoldoende feiten en/of omstandigheden naar voren heeft gebracht, die de conclusie zouden wettigen dat de Flora bij de uitvoering van haar verbintenis jegens de bezoekers gebruik heeft gemaakt van de standhouders [standhouder 1] en [standhouder 2]. De Flora heeft in dit verband terecht aangevoerd dat de verbintenis van de Flora jegens de bezoekers van de 66e Westfriese Flora bestond uit het aanbieden van een veilige en ordentelijke toegang tot de bolbloemententoonstelling, de Agri-beurs en de consumentenbeurs en dat de standhouders van de consumentenbeurs niet zijn ingeschakeld bij de organisatie van de beurs. De Flora heeft er voorts terecht op gewezen dat de bedrijfsactiviteiten van de Flora niet bestaan uit het exposeren en verkopen van producten op die beurs: dat zijn de bedrijfsactiviteiten van de standhouders. De standhouders [standhouder 1] en [standhouder 2] kunnen dan ook niet als hulppersonen van de Flora in de zin van artikel 76 Boek 6 BW worden aangemerkt.

Ook het beroep van de Consumentenbond op het bepaalde in artikel 171 Boek 6 BW faalt. De Flora heeft terecht aangevoerd dat het tentoonstellen van whirlpools door de standhouders [standhouder 1] en [standhouder 2] tijdens de 66e Westfriese Flora niet is uitgevoerd in opdracht van de Flora: tussen de Flora en de standhouders bestond een huurovereenkomst op grond waarvan de standhouders tijdens de Westfriese Flora recht hadden een bepaalde ruimte op de consumentenbeurs te gebruiken teneinde hun waren te exposeren. Van een overeenkomst op grond waarvan de standhouders in opdracht van Flora werkzaamheden zouden verrichten in de uitoefening van het bedrijf van de Flora - het organiseren van de bolbloemententoonstelling met daaraan gekoppeld een consumentenbeurs en Agri-beurs - is geen sprake.

De Flora heeft er in dit verband voorts terecht op gewezen dat geen sprake is van de in het kader van artikel 171 Boek 6 BW vereiste eenheid van onderneming tussen het bedrijf van de Flora en de standhouders, omdat op grond van de bedrijfsactiviteiten duidelijk te onderkennen is dat het om gescheiden activiteiten gaat: de bedrijfsactiviteiten van de Flora bestaan uit het organiseren van een tentoonstelling met daaraan gekoppeld twee beurzen; de activiteiten van de standhouders uit het bemannen van de stands, hetgeen voor de bezoekers van de Westfriese Flora kenbaar was uit de plattegrond van de CNB-hallen waaraan een lijst verbonden was die elke standhouder vermeldt met zijn of haar plaats van vestiging.

Tenslotte heeft de Consumentenbond nog een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 181 Boek 6 BW. Zij stelt daartoe dat de Flora aansprakelijk is voor het bedrijfsmatige gebruik van (onder meer) gevaarlijke stoffen of gebrekkige zaken (waarvoor op grond van artikel 173 of 175 Boek 6 BW aansprakelijkheid bestaat), omdat die zaken in de uitoefening van het bedrijf van de Flora werden gebruikt. Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de Flora terecht aangevoerd dat, zoals reeds hiervoor met betrekking tot artikel 171 Boek 6 BW is overwogen, de door de standhouders verrichte werkzaamheden - het exposeren van whirlpools - niet kunnen worden aangemerkt als werkzaamheden in de uitoefening van het bedrijf van de Flora. Het beroep op het bepaalde in artikel 181 Boek 6 BW dient dan ook reeds op deze grond te worden verworpen.

13.5 Uit het voorgaande volgt dat de vordering van de Consumentenbond, voor zover die tegen de Flora gericht is, dient te worden afgewezen.

De vorderingen van de Consumentenbond tegen [standhouder 1] en [standhouder 2].

14. De Consumentenbond legt aan haar vordering tegen [standhouder 1] en [standhouder 2] ten grondslag dat beide standhouders tijdens de 66e Westfriese Flora het water in de geëxposeerde whirlpools niet op een - in objectieve zin - veilig te achten temperatuur hebben gehouden en dat zij hebben nagelaten het water te chloreren (of op andere wijze te ontsmetten) en regelmatig te verversen waardoor het water in de beide whirlpools een ideale voedingsbodem vormde voor legionella-bacteriën die zich vervolgens op explosieve wijze konden vermenigvuldigen.

Volgens de Consumentenbond hebben beide standhouders daarom onzorgvuldig gehandeld jegens de bezoekers van de consumentenbeurs, terwijl zij als professionele verkopers van whirlpools op de hoogte hadden moeten zijn van de specifieke gevaren (waaronder legionella-besmetting) die verbonden zijn aan het exposeren van whirlpools zonder dat de vereiste veiligheidsmaatregelen in acht worden genomen: in het verleden is immers in verschillende publicaties gewezen op het feit dat whirlpools bij onjuiste beheersomstandigheden potentiële bronnen van legionella-besmetting kunnen zijn (advies Gezondheidsraad uit 1986, een artikel uit 1987 in het tijdschrift Installatie alsmede een artikel uit 1996 in The Lancet en een publicatie uit 1997 van het Amerikaanse Center for Disease Control). De Consumentenbond wijst er voorts op dat Pomaz B.V., een van de grootste importeurs van whirlpools in Nederland, de installateurs aan wie zij leverde uitvoerig instrueerde over de noodzaak van een goede behandeling van het water in de whirlpool: in een handleiding die bij de geleverde whirlpool werd verstrekt, was onder het kopje "Waterbehandeling" een beschrijving opgenomen hoe te handelen om bacterievorming te voorkomen (meten van Ph-waarde en chloor, regelmatig verversen van het water).

De Consumentenbond wijst er in dit verband nog op dat in het door het Gerechtshof te Amsterdam in kort geding gewezen arrest van 4 januari 2001 (hiervoor genoemd in rechtsoverweging 1 sub k) het Hof tot het oordeel kwam dat van een redelijk handelend en bekwaam handelaar ten minste mag worden verwacht dat hij op de hoogte is of behoort te zijn van de normale gevaren die zijn verbonden aan het gebruik van whirlpools en de daartegen te nemen veiligheidsmaatregelen.

De Consumentenbond legt subsidiair aan haar vordering ten grondslag dat [standhouder 1] en [standhouder 2] aansprakelijk zijn op grond van de artikelen 173 en 175 Boek 6 BW.

15. [standhouder 1] en [standhouder 2] hebben de vordering gemotiveerd bestreden (de verweren van [standhouder 1] en [standhouder 2] worden - voor zoveel van belang - in rechtsoverweging 16. weergegeven).

16.1 De Rechtbank overweegt hieromtrent als volgt:

Vooropgesteld moet worden dat in de in rechtsoverweging 1 sub i en j genoemde RIVM-rapporten is vastgesteld dat tijdens de 66e Westfriese Flora te Bovenkarspel de whirlpool in hal 4 ([standhouder 1]) de meest waarschijnlijke bron van besmetting is geweest, terwijl niet uitgesloten kan worden dat de whirlpool in hal 3 ([standhouder 2]) heeft bijgedragen aan de verspreiding van Legionella spp.

De Consumentenbond heeft terecht gesteld dat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam handelaar in whirlpools ten minste mag worden verwacht dat hij op de hoogte is of behoort te zijn van de normale gevaren die zijn verbonden aan het gebruik van whirlpools en de daartegen door de particuliere gebruiker te nemen veiligheidsmaatregelen die zijn vermeld in informatie aan de gebruiker van whirlpools, waartoe in het bijzonder handleidingen voor het gebruik behoren.

Een dergelijke handelaar is immers gehouden om die informatie aan de (potentiële) gebruikers te verschaffen.

Uit het bovengenoemde, door [standhouder 1] als productie 2 bij conclusie van antwoord overgelegde arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 januari 2001, blijkt dat ter terechtzitting van het Hof van 3 november 2000 een aantal handleidingen voor het particuliere gebruik van whirlpools door de partijen in dat geding zijn overgelegd die dateren van vóór het uitbreken van de legionella-epidemie in Bovenkarspel. [standhouder 1] en [standhouder 2] hebben het bestaan en de inhoud van die handleidingen - zoals hierna weergegeven en overgenomen uit het arrest van het Hof - niet bestreden.

Uit het arrest blijkt dat de door [standhouder 1] op de 66e Westfriese Flora geëxposeerde whirlpool van het model AP-1400 afkomstig is van de Spa Builders Support Group Inc. waarvan in de handleiding (vermoedelijk uit 1996) onder meer is vermeld:

"The spa that you have purchased (...) incorperates features designed to assure (...) healthful use if properly operated (...).

The following instructions are intended to acquaint you with important (..) procedures which will guide you in the use and neccessary case of your spa".

Onder het kopje onderhoud ("Maintenance") staat vermeld:

"The filtering cycle of your spa should be operated at least two hours or more a day (..) to prevent deposition of contaminants in your spa. (..)

Maintaining the spa's proper water chemical balance is essential to the (..) safety of the user. (..) It is important to check frequently the chlorine level, the pH level and total alkalinity of the water, then add the prescribed chemicals as necessary to maintain the proper chemical balances. (..)

The minimum chlorine level in the spa should be at least 2.0 PPM (Parts Per Million). Chlorine level should be tested frequently and the chemical added tot maintain a safe level of at least 2.0 PPM."

Uit een aantal handleidingen van andere fabrikanten van whirlpools, welke handleidingen dateren uit de desbetreffende periode, blijkt het volgende:

a) de handleiding van de Magictub vermeldt onder meer:

"Caution: maintain water chemistry in accordance with manufacturers instruction (..) in a contained re-circulating system such as a spa, water must be treated with chemicals. The main purpose of chemical treatment is to keep the water sanitary (..).

An ozon generator is designed for the purpose of supplementing the chemicals used for water maintenance. It helps to kill water born bacteria and virusses".

b) de handleiding van het model Sentry 800 van Sundance Spas uit 1994 vermeldt in het onderdeel "Water Quality Maintenance" onder meer:

"A careless attitude in regard to water maintenance will result in poor and potentially unhealthful conditions for soaking (..). (..) To destroy bacteria (..) in the spa water, a sanitizer must be used regularly (..).

The Sunzone Ozone Water Purification System is designed to work in conjunction with chemical sanitizars to keep your spa water (..) fresher (..). When this powerful oxidizer is mixed with the spa water, bacteria (..) are destroyed (..).

Although your Sunzone ozone system will substantially reduce the need for chemical sanitizers, it is recommended that either bromine or granular chlorine be used to provide additional germkilling action when the ozon system is not in operation. In addition, it is important that the chemical balance be maintained within the proper parameters for the ozone to provide maximum effectiveness".

c) In de gebruiksaanwijzing van het model Duet van Vista Spa Europe (vermoedelijk daterend uit 1995) staat onder meer:

"DOEN Let op de juiste waterkwaliteit en meet deze regelmatig (..)

Spa water onderhoud bestaat uit (..)

1. Ontsmetten (..)

(..)

Om de bacterien (..) in het water te vernietigen, dient regelmatig een ontsmettingsmiddel gebruikt te worden.

(..)

Als U er voor gekozen hebt om Uw Spa met Ozon-vormer te laten uitrusten, zal U opvallen dat U aanzienlijk minder chemische middelen nodig heeft om het water schoon te houden"

d) In de handleiding van de whirlpool Infinity, die door [standhouder 2] tijdens de WF werd gebruikt en door Pomaz B.V. wordt geïmporteerd, staat onder meer:

"De infinity whirlpool is met het volgende uitgerust:

(..)

Ozonator t.b.v. desinfectie

(..)

Waterbehandeling

Door de hoge watertemperatuur in een whirlpool is de mogelijke bacteriegroei zeer groot. De ozongenerator doodt een groot deel van de bacteriën, maar de pH en Chloor waarde blijft belangrijk. Ook grote hoeveelheden water verversen zal regelmatig moeten gebeuren. Gebruik dan ook te allen tijde een testset want "meten is weten".

Niet gesteld of gebleken is dat de gevaren en de daartegen aanbevolen maatregelen, genoemd in de overgelegde gebruiksaanwijzingen voor whirlpools, niet representatief zijn voor de gevaren die in het algemeen inherent zijn aan het gebruik van een whirlpool en de veiligheidsmaatregelen die een particuliere gebruiker van een whirlpool daartegen in het algemeen in acht dient te nemen teneinde die gevaren te voorkomen, te beperken of tegen te gaan.

[standhouder 1] heeft in haar conclusie van dupliek sub 47 nog aangevoerd dat zij er van uit mocht gaan dat de hiervoor genoemde gebruiksaanwijzingen voor whirlpools eerst van belang zijn indien in de whirlpool daadwerkelijk gebaad wordt. Dit betoog faalt, omdat bovengenoemde handleidingen geen steun bieden voor de juistheid van deze veronderstelling, doch in algemene zin wijzen op het gevaar van bacteriegroei en de noodzaak van het gebruik van chemicaliën.

Op grond van het voorgaande gaat de Rechtbank ervan uit dat [standhouder 1] en [standhouder 2] destijds -tijdens de 66e Westfriese Flora - wisten of behoorden te weten dat in het water van de door hen gedemonstreerde whirlpool bacteriegroei kon plaatsvinden en dat ter voorkoming en/of bestrijding van die bacteriegroei het water in de whirlpool moest worden ontsmet met behulp van chemicaliën (waaronder chloor) en/of het gebruik van een ozongenerator indien, zoals in het geval van [standhouder 1], de whirlpool met een dergelijk apparaat is uitgerust. Dit brengt voorts mee dat het water regelmatig gecontroleerd diende te worden met behulp van een testset en dat het water bovendien in grote hoeveelheden ververst moest worden.

Nu vaststaat dat noch [standhouder 1] noch [standhouder 2] (behoudens een eenmalige verversing van het water door [standhouder 2]) de hiervoor genoemde maatregelen hebben getroffen, zijn zij naar het oordeel van de Rechtbank tekortgeschoten in hun verplichting om al die veiligheidsmaatregelen te treffen die hun bekend waren of hadden behoren te zijn en die vereist waren met het oog op het voorkomen en bestrijden van gevaar van bacteriegroei in het water van de whirlpool. Deze bacterie-groei behelst een ernstig gevaar voor de gezondheid van mensen, terwijl de te nemen maatregelen, naar de Consumentenbond onweersproken heeft gesteld, op eenvoudige wijze en relatief goedkoop hadden kunnen worden uitgevoerd.

Daar [standhouder 1] en [standhouder 2] de hiervoor genoemde ongeschreven veiligheidsnorm hebben geschonden, is de Rechtbank van oordeel dat [standhouder 1] en [standhouder 2] toerekenbaar onrechtmatig jegens de legionella-slachtoffers van de 66e Westfriese Flora hebben gehandeld. Voor het oordeel dat [standhouder 1] en [standhouder 2] onrechtmatig hebben gehandeld is immers voldoende dat [standhouder 1] en [standhouder 2] wisten of behoorden te weten dat het nalaten om de vereiste veiligheidsmaatregelen te treffen schade van een algemene soort - in dit geval menselijke gezondheidsschade - kon veroorzaken en is niet noodzakelijk dat [standhouder 1] en [standhouder 2] wisten of behoorden te weten dat dit nalaten een besmetting met de legionella-bacterie kon veroorzaken. De specifieke aard van de schade - legionella-besmetting - en het causale verloop - verspreiding door middel van door het bruisen van het water ontstane aërosolen - behoeven in het kader van het geldend recht met betrekking tot gevaarzetting niet kenbaar te zijn geweest aan [standhouder 1] en [standhouder 2].

Aan het vorenstaande doet niet af het betoog van [standhouder 1] dat het gebruik van chloor niet is toegelaten voor het gebruik op beurzen. [standhouder 1] heeft dit betoog niet voldoende gemotiveerd onderbouwd. Overigens kan [standhouder 1], ook al zou komen vast te staan dat chlorering inderdaad niet toegelaten is op beurzen of, zoals zij ook nog heeft gesteld, chlorering de legionella uitbraak niet zou hebben voorkomen, zich hierop niet ter disculpatie beroepen: [standhouder 1] had in dat geval andere beschikbare alternatieven moeten toepassen teneinde menselijke gezondheidsschade als gevolg van bacteriegroei te voorkomen of zij had moeten afzien van de wijze van demonstratie van de whirlpool zoals zij heeft gedaan.

In het voorgaande ligt besloten dat het betoog van [standhouder 1] en [standhouder 2] dat zij niet onrechtmatig hebben gehandeld, omdat zij zich op geen enkele wijze ervan bewust zijn geweest dat een geëxposeerde whirlpool een besmetting met de legionella-bacterie zou kunnen veroorzaken bij personen die zich uitsluitend in de buurt van de whirlpool ophielden en de door de Consumentenbond genoemde publicaties niet toegankelijk waren voor handelaren in de branche waartoe [standhouder 1] en [standhouder 2] behoren, faalt. Bij overtreding van veiligheidsnormen die in de regel strekken ter voorkoming van gevaar moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van ernstige gevolgen, hoe deze zich ook in het concrete geval mogen voordoen. [standhouder 1] en [standhouder 2] hebben tenslotte geen, althans onvoldoende feiten en/of omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou volgen dat zij niet behoefden te verwachten dat door het achterwege laten van veiligheidsmaatregelen een gevaarlijke situatie zou kunnen ontstaan.

Niet van belang is dat door [standhouder 1] en [standhouder 2] geen overheidsvoorschriften omtrent het exposeren van whirlpools zijn overtreden. Door [standhouder 1] en [standhouder 2] is immers een ongeschreven veiligheidsnorm overtreden.

Uit het vorenstaande volgt bovendien dat niet van belang is of Pomaz B.V. [standhouder 1] al of niet heeft gewaarschuwd en dat [standhouder 2] nimmer een handleiding van de door Pomaz B.V. aan haar in bruikleen gegeven whirlpool heeft gekregen: een handelaar in whirlpools dient, zoals hiervoor is overwogen, op de hoogte te zijn van de normale gevaren die zijn verbonden aan het gebruik van whirlpools en de daartegen te treffen maatregelen die zijn vermeld in informatie aan de gebruiker, ook al heeft hij een dergelijke handleiding niet zelf van de fabrikant ontvangen. Overigens verdient in dit verband nog aandacht de omstandigheid dat in een publicatie in het vakblad Installatie, een maandblad van installerende bedrijven, van januari 1987, uitvoerig is ingegaan op risicofactoren ten aanzien van legionellabesmetting en - onder meer -whirlpools. Aldus moet worden geoordeeld dat men in de branche waarin [standhouder 1] en [standhouder 2] werkzaam waren op de hoogte kon en behoorde te zijn van het risico van legionellabesmetting zoals dat zich heeft voorgedaan. Dat [standhouder 1], naar zij heeft gesteld, geen installateur was, kan daaraan naar het oordeel van de Rechtbank niet af doen.

16.2 [standhouder 1] heeft betwist dat haar whirlpool de verspreider van de legionella-besmetting te Bovenkarspel is geweest. [standhouder 1] voert in dit verband aan dat zij niet in de gelegenheid is gesteld het tegen haar gebruikte bewijsmateriaal uit de diverse RIVM-rapporten (waaruit blijkt dat de whirlpool van [standhouder 1] de meest waarschijnlijke bron van besmetting is geweest) te onderzoeken. Met name het achterliggende materiaal (bloed- en urine-onderzoek) en al het wetenschappelijke materiaal dat diende ter ondersteuning van de rapporten is nog altijd niet aan [standhouder 1] ter beschikking gesteld, hetgeen in strijd is met artikel 6 van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens, aldus [standhouder 1].

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de Consumentenbond terecht gesteld dat de RIVM-onderzoeken niet verricht zijn door een partij-deskundige of een door de Rechtbank benoemde deskundige in het kader van de vaststelling van de civielrechtelijke aansprakelijkheid, doch dat deze buiten het kader van een procedure zijn verricht van de zijde van de overheid uit een oogpunt van maatschappelijk belang. Geen der partijen in deze procedure, inclusief de Consumentenbond, is in de gelegenheid gesteld bij deze onderzoeken vragen te stellen en opmerkingen te plaatsen. Hieruit volgt reeds dat het beroep van [standhouder 1] op de zogeheten Mantovanelli-rechtspraak (Europese Hof voor de Rechten van de Mens 18 maart 1997/NJ 1998,278) niet opgaat, omdat laatstgenoemde uitspraak ziet op een door het gerecht benoemde deskundige die een der partijen niet in de gelegenheid heeft gesteld tijdens het onderzoek argumenten die voor de zaak van belang zijn naar voren te brengen. Uit het voorgaande volgt dat niet enige regel van bewijsrecht is geschonden en evenmin ervan sprake is dat [standhouder 1] in een beduidend slechtere positie is komen te verkeren dan de Consumentenbond.

[standhouder 1] onderbouwt de stelling dat haar whirlpool niet de verspreider van de legionella-bacterie tijdens de WF kan zijn geweest voorts met een door haar als productie 5 bij conclusie van dupliek overgelegd rapport van het Bacteriologisch Controle Station B.V.(BCS) te Katwijk d.d. 3 oktober 2000, dat is opgesteld op verzoek van [standhouder 1].

De Rechtbank kan [standhouder 1] hierin niet volgen. Naar het oordeel van de Rechtbank moet op grond van de hierboven in rechtsoverweging 1 genoemde RIVM-rapporten voorshands worden aangenomen dat de whirlpools van [standhouder 1] en [standhouder 2] hebben bijgedragen aan de verspreiding van en besmetting met de legionellabacterie. Het rapport van BCS kan daaraan naar het oordeel van de Rechtbank onvoldoende af doen. Met name door de enkele omstandigheid dat bij een poging tot reconstructie in een laboratorium opstelling, onder niet-identieke omstandigheden, niet kon worden vastgesteld dat de bewuste whirlpool een gevaarlijke bron van de legionellabacterie opleverde, is nog niet uitgesloten dat de legionellabacterie via en door de whirlpools van [standhouder 1] en [standhouder 2] zijn verspreid.

[standhouder 1] heeft dan ook thans onvoldoende aangevoerd om het bewijsmateriaal van RIVM te ontkrachten. De Rechtbank komt in rechtsoverweging 16.4 op de causaliteitsverweren terug.

16.3 [standhouder 2] heeft aangevoerd dat de Consumentenbond niet heeft aangetoond dat

sprake is van causaal verband tussen het onrechtmatig nalaten van [standhouder 2] en de (verder niet nader onderbouwde) schade. [standhouder 2] heeft voorts in haar pleitnota sub 33 betoogd dat de legionella-besmettingen ook en in dezelfde mate zouden zijn opgetreden indien [standhouder 2] wel de maatregelen had genomen die de Consumentenbond heeft genoemd.

Zoals hiervoor in rechtsoverweging 16.2 ook reeds ten aanzien van [standhouder 1] is overwogen, acht de Rechtbank op grond van de RIVM-rapporten voorshands bewezen dat voldoende causaal verband bestaat tussen het nalaten van [standhouder 2] tijdens de 66e Westfriese Flora en de besmetting met de legionella-bacterie van de bezoekers van de Westfriese Flora om tot het hiervoor weergegeven oordeel te komen dat [standhouder 2] onrechtmatig jegens de slachtoffers heeft gehandeld, terwijl dit causaal verband ook afzonderlijk in beginsel reeds met de toepassing van de omkeringsregel is gegeven.

Voor een onderzoek naar het verweer van [standhouder 2] dat causaal verband ontbreekt, omdat de legionella-besmettingen ook en in dezelfde mate zouden zijn opgetreden indien [standhouder 2] wel de maatregelen had genomen die de Consumentenbond heeft genoemd, is in de onderhavige procedure geen plaats op grond van de hierna volgende overweging.

16.4 De Rechtbank merkt, resumerend en afrondend, met betrekking tot de hiervoor

besproken causaliteitsverweren van [standhouder 1] en [standhouder 2] nog het volgende op.

Zoals hiervoor overwogen, is de Rechtbank van oordeel, dat [standhouder 1] en [standhouder 2] een ongeschreven veiligheidsnorm hebben geschonden, omdat zij niet hadden mogen afzien van het nemen van veiligheidsmaatregelen in de mate waarin elk van beiden afzonderlijk dat heeft gedaan. Door deze normschending is het risico voor de gezondheid van bezoekers van de Westfriese Flora aanmerkelijk vergroot. Het staat vast, dat het risico van een legionellabesmetting zich heeft verwezenlijkt. Dit brengt de Rechtbank tot de slotsom, dat de gedragingen van [standhouder 1] en [standhouder 2] onrechtmatig jegens de bezoekers van de Westfriese Flora zijn geweest, op grond waarvan een nader te formuleren verklaring voor recht hieromtrent toewijsbaar is. Overige elementen voor aansprakelijkheid, waaronder causaal verband met geleden schade, zijn nu niet aan de orde.

Niettemin heeft de Rechtbank hieraan enige overwegingen gewijd, nu de causaliteit door partijen in ruime mate in het debat is betrokken en nu hiermee een effectieve en efficiënte rechtspleging kan worden gediend.

Door de gedragingen in strijd met meergenoemde specifieke ongeschreven veiligheidsnorm is op grond van de omkeringsregel in beginsel, behoudens tegenbewijs, ook het causaal verband tussen die gedragingen en het ontstaan van na te noemen schade gegeven.

Daarbij komt, dat ook op grond van de RIVM-rapporten voorshands kan worden uitgegaan van het gegeven, dat naar een per standhouder te onderscheiden mate van waarschijnlijkheid verband bestaat tussen het handelen en nalaten van de standhouders enerzijds en de besmetting van bezoekers met legionella anderzijds. Nader onderzoek hieromtrent, in het kader van toe te laten tegenbewijs, past niet in het kader van deze procedure. Immers, in eventuele te voeren procedures omtrent aansprakelijkheid voor geleden schade zullen slachtoffers van meergenoemde besmetting dienen te stellen en zonodig te bewijzen, dat zij schade hebben geleden door de in deze procedure als onrechtmatig beoordeelde gedragingen van standhouders, terwijl het alsdan op de weg van een daartoe aangesproken standhouder ligt om aannemelijk te maken dat die schade ook zou zijn ontstaan indien de verlangde veiligheidsmaatregelen zouden zijn toegepast.

16.5 Uit het vorenoverwogene volgt dat de subsidiaire vordering van de Consumentenbond tegen [standhouder 1] en [standhouder 2] toegewezen dient te worden.

[standhouder 2] en [standhouder 1] hebben evenwel terecht aangevoerd dat de door de Consumentenbond subsidiair gevorderde verklaring voor recht te ruim is geformuleerd.

De Rechtbank zal de vordering van de Consumentenbond tegen [standhouder 1] en [standhouder 2] toewijzen als na te melden.

Uit het voorgaande volgt voorts dat, nu de vordering van de Consumentenbond tegen [standhouder 1] en [standhouder 2] op de primaire grondslag - onzorgvuldig handelen/nalaten - wordt toegewezen, de subsidiaire grondslag - het beroep op het bepaalde in de artikelen 173 en 175 Boek 6 BW - van de vordering geen behandeling meer behoeft.

Het beroep van [standhouder 1] op matiging van de schade als bedoeld in artikel 109 Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek behoeft in de onderhavige procedure geen behandeling, omdat eerst in eventueel later te voeren individuele procedures van slachtoffers de volledige omvang van de wettelijke verplichting tot schadevergoeding van [standhouder 1] kan worden bepaald.

Ook het beroep van [standhouder 1] op de verkeersopvattingen en het verweer dat aansprakelijkheid van [standhouder 1] in een situatie als deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheidheid onaanvaardbaar is, behoeft - in verband met hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 16.4 is overwogen omtrent het vraagstuk van de aansprakelijkheid van de standhouders - in dit geding geen behandeling.

17. Nu de subsidiaire vordering van de Consumentenbond tegen [standhouder 1] en [standhouder 2] wordt toegewezen, dienen [standhouder 1] en [standhouder 2] als de goeddeels in het ongelijk gestelde partijen in de kosten van het geding te worden verwezen.

De vorderingen tegen de Staat en de Flora worden afgewezen, zodat de Consumentenbond als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten dient te worden verwezen.

In het incident

18. Bij vonnis van 9 november 2000 is bepaald dat de beslissing omtrent de in het incident gevallen kosten zal worden genomen bij de einduitspraak. De Consumentenbond heeft zich ten aanzien van de vordering van [standhouder 1] gerefereerd en zij heeft ten aanzien van [standhouder 2] de vordering bestreden. De vorderingen van [standhouder 1] en [standhouder 2] tot oproeping in vrijwaring zijn toegewezen. De Consumentenbond dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van [standhouder 2] te worden verwezen.

DE BESLISSING

De Rechtbank:

In de hoofdzaak

Verklaart voor recht dat zowel [standhouder 1] als [standhouder 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens personen van wie vast komt te staan dat zij als gevolg van een bezoek aan de 66e Westfriese Flora, die van 19 tot 28 februari 1999 te Bovenkarspel werd gehouden, besmet zijn geraakt met de legionella-bacterie;

Verwijst de Consumentenbond in de kosten van dit geding aan de zijde van de Staat begroot op:

Euro 181,51 aan verschotten

Euro 1.560,00 aan salaris van de procureur

Verwijst de Consumentenbond in de kosten van dit geding aan de zijde van de Flora begroot op:

Euro 181,51 aan verschotten

Euro 1.560,00 aan salaris van de procureur

Verwijst [standhouder 1] en [standhouder 2], ieder voor de helft, in de kosten van dit geding aan de zijde van de Consumentenbond begroot op:

Euro 90,76 aan verschotten

Euro 780,00 aan salaris van de procureur

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wat betreft de kostenveroordeling behoudens ten aanzien van de kosten van het geding die de Consumentenbond aan de Staat moet voldoen.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

In het incident

Verwijst de Consumentenbond in de kosten van het vrijwaringsincident aan de zijde van [standhouder 2] begroot op nihil aan verschotten en Euro 390,00 aan salaris van de procureur.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de rechters mr. P.H.B. Littooy, voorzitter, mrs. S.M. Jongkind-Jonker en W.A.J.P. van den Reek en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 12 december 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.