Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2002:AE8671

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
11-07-2002
Datum publicatie
10-10-2002
Zaaknummer
53241/HA ZA 01-424
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak 11 juli 2002

HP

VONNIS VAN DE RECHTBANK TE ALKMAAR

ENKELVOUDIGE KAMER voor de behandeling van burgerlijke zaken

In de zaak met zaak- en rolnummer 53241/HA ZA 01-424 van:

[eiseres], ten deze procederend in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarig zoontje [naam zoon], geboren op [geboortedatum], wonende te [woonplaats]

EISERES bij dagvaarding van 23 mei 2001;

Toevoeging nr. 4CS1070

procureur mr. H.R.M. Jenné

advocaat aanvankelijk mr. L.A.C. de Vaan te Amersfoort

thans mr. M.J. de Witte te Amersfoort

tegen:

[GEDAAGDE],

wonende te [woonplaats]

GEDAAGDE

procureur mr. H.B. de Regt

advocaat mr. M. Hamer te Utrecht

De zaak is verwezen naar deze kamer van de Rechtbank.

Partijen zullen verder worden genoemd: [eiseres], [zoontje eiseres] en [gedaagde].

HET PROCESVERLOOP

[Eiseres] heeft, onder overlegging van bijlagen, overeenkomstig de dagvaarding van conclusie van eis tevens akte overlegging producties gediend en gevorderd dat de Rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht zal verklaren dat [gedaagde] jegens [zoontje eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld, althans jegens haar verwijtbaar te kort is geschoten in de op [gedaagde] rustende verbintenis tot het verlenen van een juiste medische behandeling;

2. [Gedaagde] zal veroordelen om aan [eiseres] te betalen de door [zoontje eiseres] geleden en nog te lijden schade, kosten en interesten, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de regelen der wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 maart 1998, subsidiair vanaf de dag van de dagvaarding, tot die der algehele voldoening;

3. [Gedaagde] zal veroordelen om als voorschot op het smartengeld van [zoontje eiseres] te betalen de somma van f 2.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot die der algehele voldoening;

4. [Gedaagde] zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

[Gedaagde] heeft, onder overlegging van een bijlage en onder aanbieding van bewijs, bij conclusie van antwoord verweer gevoerd met conclusie dat de Rechtbank [eiseres] in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, dan wel haar deze vordering zal ontzeggen met veroordeling van [eiseres], voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis.

Bij vonnis van 4 oktober 2001 heeft de Rechtbank een verschijning van partijen gelast. De comparitie is niet gehouden, waarna de zaak naar de rol is verwezen.

[eiseres] heeft blijkens een daarvan onder zaaknummer 53241/HA ZA 01-424 door de griffier opgemaakte akte een zevental foto's ter griffie gedeponeerd.

Vervolgens is gediend van:

* een conclusie van repliek (onder overlegging van bijlagen en onder aanbieding van bewijs);

* een conclusie van dupliek (onder overlegging van bijlagen en onder aanbieding van bewijs).

Tenslotte heeft [eiseres] vonnis gevraagd.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

1. Als tussen partijen vaststaand wordt van het volgende uitgegaan:

a) [Eiseres] heeft als enig ouder van [zoontje eiseres] het ouderlijk gezag over hem en zij is zijn wettelijk vertegenwoordiger.

[Gedaagde] was op 17 maart 1998 de huisarts van zowel [eiseres] als [zoontje eiseres].

b) Op 17 maart 1998 bezochten [eiseres] en [zoontje eiseres] de praktijk van [gedaagde] in verband met een consult voor hen beiden. [Zoontje eiseres] werd eerst door [gedaagde] behandeld, aansluitend [eiseres]. De behandeling vond plaats op de onderzoeksbank in het onderzoeksgedeelte van de praktijkruimte. Vervolgens nam [eiseres] bij [gedaagde] plaats aan haar bureau in het spreekgedeelte om met [gedaagde], die achter het bureau ging zitten, een gesprek te voeren.

c) De praktijkruimte van [gedaagde] is ingedeeld zoals is aangegeven op de als productie 1 bij conclusie van antwoord overgelegde plattegrond.

Aan de linkerzijde van de praktijkruimte (bezien vanaf de onderzijde van de plattegrond) bevindt zich het onderzoeksgedeelte met daarin een behandeltafel (onderzoeksbank), een stoel en een behandelkar. Dit gedeelte is door middel van een circa 1 tot 1,5 meter hoge scheidingswand fysiek afgescheiden van het spreekgedeelte dat zich aan de rechterzijde van de praktijkruimte bevindt. Evengenoemde scheidingswand loopt links van het midden in de lengterichting van de kamer en maakt vervolgens een knik naar links voorbij het bureau van [gedaagde]. Even voorbij de knik is er geen verdere afscheiding aangebracht doch bestaat er een grote open verbinding (zonder toegangsdeur) tussen het onderzoeksgedeelte en het naastgelegen spreekgedeelte.

In het spreekgedeelte van de praktijkruimte bevindt zich voorts een kinderspeelhoek, welke is gesitueerd achter en rechts van de stoelen voor de patiënten van [gedaagde] die tegenover haar bureau kunnen plaatsnemen.

d) Op zeker moment, toen [eiseres] met [gedaagde] in gesprek was, is [zoontje eiseres] aan de aandacht ontsnapt en vanuit het spreekgedeelte het onderzoeksgedeelte van de praktijkruimte ingelopen. Aldaar heeft hij van de behandelkar (een zogenoemde Boby van 74 centimeter hoog) een 10 ml.-flesje trichloorazijnzuur gepakt, opengemaakt en de inhoud over zijn handen gemorst. [Zoontje eiseres] heeft als gevolg daarvan letsel - brandwonden op de huid - opgelopen. Eerste hulp is aan [zoontje eiseres] verleend in het Medisch Centrum Alkmaar, waarna hij is doorverwezen en behandeld in het Brandwondencentrum te Beverwijk. In een schrijven van A.F.P.M. Vloemans, medisch coördinator van het Brandwondencentrum te Beverwijk aan [gedaagde] en [eiseres] d.d. 15 maart 1999 wordt omtrent dit letsel het volgende meegedeeld:

"Uw patiëntje [zoontje eiseres], geboren (geboortedatum], wonende te [adres] te [woonplaats], zag ik op 11-03-1999 op het nabehandelingsspreekuur voor Brandwondpatiënten. De voorgeschiedenis is u bekend uit de brief d.d. 07-04-1998 en 18-03-1998. Het bleek dat uiteindelijk op twee plaatsen een litteken van de verbranding was overgebleven.

Onderzoek: aan de rechter bovenarm, dorsaal, distaal, bestond een soepel, vrijwel uitgerijpt litteken van 3 x 1 cm. Het litteken was nog in geringe mate erythemateus. Aan de linkerhand bestond aan de Webspace tussen de 4e en 5e vinger een littekenstrengetje, dat volledig uitgerijpt leek en dat niet leidde tot functiestoornissen. Verdere behandeling van deze littekens is niet nodig. Een afspraak voor verdere controle werd niet gemaakt"

e) [Eiseres] is door de Kantonrechter te [woonplaats] bij beschikking van 3 mei 2001 gemachtigd tot het voeren van een procedure ten behoeve van [zoontje eiseres] in verband met het hem overkomen ongeval.

2.1 [Eiseres] doet haar vorderingen steunen op vorenstaande feiten en op de hierna volgende stellingen:

2.2 [Eiseres] vordert als onder "het verloop van de procedure" is weergegeven.

Deze vorderingen zijn erop gegrond dat [gedaagde] jegens [zoontje eiseres] toerekenbaar te kort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst, althans dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [zoontje eiseres] heeft gehandeld, zodat zij de schade die [zoontje eiseres] als gevolg daarvan heeft geleden dient te vergoeden.

[Eiseres] stelt dat [zoontje eiseres] zich tijdens het gesprek van [eiseres] en [gedaagde] (aan het bureau in de spreekkamer) bevond in de in rechtsoverweging 1 sub c genoemde kinderspeelhoek. Volgens [eiseres] wordt door de kinderspeelhoek de indruk gewekt dat de omgeving veilig is voor kinderen en wist [gedaagde], althans moest zij weten dat een ouder, die in beslag wordt genomen door het gesprek met de huisarts, minder oplettend zal zijn ten aanzien van het kind in de spreekkamer. [Eiseres] stelt dat [gedaagde] er daarom rekening mee had dienen te houden dat [zoontje eiseres] aan de aandacht zou kunnen ontsnappen en in de onderzoeksruimte het flesje met bijtende stof, dat binnen handbereik was, zou kunnen vastpakken.

Door het flesje met bijtende stof niet op een veiliger plaats te bewaren, althans door niet de juiste voorzorgsmaatregelen te treffen teneinde het ongeval te voorkomen, heeft, aldus [eiseres], [gedaagde] een gevaarlijke situatie in het leven geroepen.

3. [Gedaagde] heeft de vorderingen betwist en - kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende doen aanvoeren:

[Gedaagde] is niet aansprakelijk voor eventueel door [zoontje eiseres] geleden en te lijden schade, omdat haar wat betreft de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst geen verwijten kunnen worden gemaakt en eventuele schade haar niet kan worden toegerekend.

In de onderzoeksruimte bevinden zich medicijnen en medische instrumenten, welke worden bewaard in een afgesloten kast waar kinderen niet bij kunnen. Op [eiseres] rust, als moeder en wettelijk vertegenwoordiger van [zoontje eiseres], de verplichting er voor te waken dat hem geen letsel overkomt. Dit geldt temeer in een praktijkruimte van een huisarts, waar zich nu eenmaal medicijnen en instrumenten kunnen bevinden. De stelling van [eiseres] dat door de kinderspeelhoek de indruk wordt gewekt dat de omgeving veilig is voor kinderen is juist, doch geldt uitsluitend in het geval het kind zich in de speelhoek bevindt. [Eiseres] diende er voor te waken dat [zoontje eiseres] zich naar andere delen van de kamer zou begeven en zij diende hem te beletten dat hij zich in de onderzoeksruimte zou begeven. Dat [eiseres] zelf met [gedaagde] in gesprek was, verdisculpeert haar niet: [eiseres] diende maatregelen te nemen die het continue toezicht op [zoontje eiseres] zouden waarborgen: zij had een derde kunnen meenemen naar het spreekuur om op [zoontje eiseres] te passen of zij had [zoontje eiseres] in de buggy kunnen houden om te voorkomen dat hij uit de kinderhoek zou weglopen. [Gedaagde] heeft niet onzorgvuldig jegens [zoontje eiseres] gehandeld, maar zij heeft in voldoende mate de van haar verwachte voorzorgsmaatregelen getroffen. Alle, althans de mogelijk gevaarlijke voorwerpen en medicatie, bevonden zich in het onderzoeksgedeelte van de praktijkruimte dat afgescheiden is van de spreekkamer met kinderspeelhoek, zodat [gedaagde] - door de inrichting van haar praktijkruimte als omschreven - [zoontje eiseres] op geen enkel moment zonder toezicht in de nabijheid van medicijnen of instrumenten heeft geplaatst.

Subsidiair en meer subsidiair voert [gedaagde] aan dat de schade van [zoontje eiseres] niet aan haar kan worden toegerekend en dat, voor zover dat anders zou zijn, [eiseres] voor een evenredig deel aansprakelijk is. [Gedaagde] betwist voorts de door [eiseres] gestelde schade.

4. [Eiseres] heeft bij conclusie van repliek gesteld dat zij, alvorens het gesprek met [gedaagde] te beginnen, [zoontje eiseres] terug wilde plaatsen in de buggy. Toen [eiseres] hem oppakte, protesteerde [zoontje eiseres], waarna [gedaagde] heeft gezegd, aldus [eiseres], dat [zoontje eiseres] vrij rond mocht lopen en met de lamellen bij de onderzoeksruimte mocht spelen. [Eiseres] stelt dat zij [zoontje eiseres] vervolgens steeds in de gaten heeft gehouden door meerdere malen naar hem toe te draaien, doch dat [zoontje eiseres] op zeker moment kans heeft gezien zich aan de aandacht te onttrekken en naar het behandelgedeelte toe te lopen. Abusievelijk staat in de dagvaarding dat [zoontje eiseres] in de kinderspeelhoek is geweest, doch dit is niet juist aangezien [zoontje eiseres] zich bij de lamellen bevond. Volgens de criteria van het zogenaamde Kelderluik-arrest (Hoge Raad 5 november 1965/ NJ 1966,136) heeft [gedaagde] niet aan haar zorgplicht voldaan, omdat zij niet de vereiste veiligheidsmaatregelen heeft getroffen. Voorts kan [gedaagde] worden verweten dat zij vlak na het ongeval onzorgvuldig jegens [zoontje eiseres] heeft gehandeld, omdat zij heeft nagelaten zijn trui uit te trekken en daartoe evenmin een advies heeft gegeven aan [eiseres].

[Eiseres] stelt dat [zoontje eiseres] als gevolg van het ongeval ernstige brandwonden heeft opgelopen aan arm en hand en dat hij daarvan gedurende een lange periode veel pijn en ongemak heeft ondervonden.

5.1 De Rechtbank overweegt hieromtrent als volgt:

In haar conclusie van eis heeft [eiseres] aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [zoontje eiseres] zich bij de aanvang van het gesprek in de kinderspeelhoek van de spreekkamer bevond en dat een dergelijke speelhoek de indruk wekt dat de omgeving veilig is voor kinderen.

In haar conclusie van repliek is [eiseres] daarop in zoverre teruggekomen dat zij thans stelt dat [zoontje eiseres] zich niet in de speelhoek bevond, doch op advies van [gedaagde] vrij rond is gaan lopen en bij de lamellen van het onderzoeksgedeelte speelde. [Eiseres] stelt dat zij aanvankelijk heeft getracht [zoontje eiseres] in de buggy te houden.

[Gedaagde] betwist dat zij op enig moment aan [eiseres] het advies heeft gegeven [zoontje eiseres] vrij rond te laten lopen en zij voert aan dat, toen [zoontje eiseres] in de buggy werd gezet en ongedurig leek te zijn, [eiseres] hem met instemming van [gedaagde] in de kinderspeelhoek heeft geplaatst.

Naar het oordeel van de Rechtbank kan in het midden blijven of de door [eiseres] bij conclusie van repliek gegeven lezing van de feiten - dat [gedaagde] het advies heeft gegeven [zoontje eiseres] vrij rond te laten lopen en hij bij de lamellen van de behandelkamer mocht spelen - juist is, omdat ook al zou [eiseres] niet slagen in het bewijs van die stelling en uitgegaan moeten worden van de lezing van [gedaagde] dat [zoontje eiseres] voor de aanvang van het gesprek in de kinderspeelhoek is geplaatst, [gedaagde] te kort is geschoten in het nemen van maatregelen in het belang van de veiligheid van [zoontje eiseres].

Daartoe wordt het volgende overwogen.

Uit de in rechtsoverweging 1 c gegeven omschrijving van de inrichting van de praktijkruimte volgt dat [gedaagde] in haar spreekkamer een niet-afgesloten kinderspeelhoek heeft gecreëerd die, zoals [eiseres] terecht heeft gesteld, de indruk wekt dat de omgeving voor kinderen veilig is, zodat de ouder, zodra het kind zich daar ophoudt, in het onderzoeksgedeelte een behandeling of onderzoek kan ondergaan ofwel in het spreekkamergedeelte een gesprek met de huisarts kan voeren.

Indien nu, zoals uit diezelfde omschrijving van de inrichting blijkt, het spreekkamergedeelte een grote open verbinding (zonder deur of andere afsluitingsmogelijkheid) heeft met het onderzoeksgedeelte, waar zich volgens [gedaagde] medicamenten en medische instrumenten en andere gevaarlijke objecten bevinden, dient ervan uitgegaan te worden dat de kans dat zich een ongeval als het onderhavige voordoet aanwezig is. [Gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat [eiseres] er niet op mocht vertrouwen dat de omgeving ook buiten de kinderspeelhoek veilig voor kinderen was, doch nu niet is gesteld of gebleken dat die speelhoek afgesloten is en ook volgens [gedaagde] een gegeven is dat jonge kinderen onberekenbaar zijn in hun gedrag en niet tijdig op mondelinge waarschuwingen reageren, is de Rechtbank van oordeel dat [gedaagde] niet mocht verwachten dat, zeker niet nu [eiseres] zich concentreerde op het gesprek met [gedaagde], [eiseres] [zoontje eiseres] zou beletten zich naar de behandelruimte te begeven. Ook het betoog van [gedaagde] dat de medicijnen en medische instrumenten zich in een afgesloten kast van de behandelruimte bevinden, waar kinderen niet bij kunnen, kan haar niet baten, nu in deze zaak vaststaat dat het flesje trichloorazijnzuur zich niet in een dergelijke kast bevond. Het flesje stond immers (nog) op de behandelkar.

[Gedaagde] heeft nog aangevoerd dat [eiseres] maatregelen had dienen te treffen teneinde een voortdurend toezicht op [zoontje eiseres] te waarborgen, zoals het meenemen van een derde naar het spreekuur om op [zoontje eiseres] te passen of [zoontje eiseres] in de buggy te houden om te voorkomen dat hij uit de kinderhoek zou weglopen. Ook dit betoog faalt. Naar het oordeel van de Rechtbank heeft [eiseres] terecht gesteld dat in de praktijk van [gedaagde] wel vaker kinderen met een ouder voor consult komen en dat [gedaagde] juist met het oog op die situatie de in de praktijk aanwezige voorziening van een aparte speelhoek voor kinderen heeft getroffen.

Uit het voorgaande volgt dat [eiseres] terecht heeft gesteld dat [gedaagde] door het flesje met trichloorazijnzuur niet op een veiliger plaats te bewaren, althans door niet de juiste voorzorgsmaatregelen te treffen (zoals bijvoorbeeld een afscheiding tussen behandelkamer en spreekkamer) onzorgvuldig jegens [zoontje eiseres] heeft gehandeld, omdat de mate van waarschijnlijkheid dat een ongeval als gevolg van dat gedrag zich zou verwezenlijken zo groot is dat [gedaagde] zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had dienen te onthouden. Voorts is juist de stelling van [eiseres] dat de gevolgen van dat gedrag ernstig (kunnen) zijn en dat het weinig bezwaarlijk voor [gedaagde] is om adequate veiligheidsmaatregelen te treffen.

Hieruit volgt dat [gedaagde] toerekenbaar onrechtmatig jegens [zoontje eiseres] heeft gehandeld en dat zij aansprakelijk is voor de door [zoontje eiseres] geleden en te lijden schade.

Aan het voorgaande doet niet af het subsidiaire en meer subsidiaire verweer van [gedaagde] dat de schade van [zoontje eiseres] haar, gelet op de verhouding tussen [eiseres] en [zoontje eiseres], niet toegerekend kan worden en dat [eiseres] in ieder geval voor een evenredig deel van de schade aansprakelijk is. [Eiseres] is geen partij in dit geding en bovendien ligt in het vorenstaande reeds besloten dat [eiseres] niet aansprakelijk is, omdat zij is afgegaan op de indruk van een kindveilige omgeving en zij tijdens het gesprek met [gedaagde] [zoontje eiseres] niet heeft kunnen beletten dat hij zich naar de behandelkamer zou begeven. Het subsidiaire en meer subsidiaire verweer dienen dan ook te worden verworpen.

.

5.2 [Eiseres] heeft in haar conclusie van repliek gesteld dat [zoontje eiseres] als gevolg van het ongeval ernstige brandwonden heeft opgelopen aan arm en hand. Volgens [eiseres] heeft [zoontje eiseres] daarvan gedurende een lange periode veel pijn en ongemak ondervonden, omdat zijn rechterarm en hand en zijn linkerhand gedurende 1 à 2 weken met verband waren ingepakt en [zoontje eiseres] meerdere keren behandeld moest worden. Bovendien hebben, aldus [eiseres], de brandwonden littekens achtergelaten.

[Gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat, zoals blijkt uit het in rechtsoverweging 1 sub d genoemde schrijven, thans een medische eindtoestand is bereikt. Uit evengenoemd schrijven, waarvan de inhoud niet door partijen is weersproken, volgt dat aan de rechterarm sprake is van een litteken van 3 x 1 centimeter en dat zich tussen de 4e en de 5e vinger een littekenstrengetje heeft gevormd. Van functiestoornissen is geen sprake en verdere behandeling van de littekens is niet nodig.

De Rechtbank overweegt op grond hiervan dat een verwijzing naar de schadestaatprocedure niet nodig is, aangezien - nu omtrent materiële schade niets is gesteld of gebleken - uitsluitend plaats is voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van de immateriële schade.

Gelet op door [eiseres] verstrekte medische gegevens over [zoontje eiseres] en haar onweersproken stellingen met betrekking tot de door [zoontje eiseres] geleden pijn en het door hem ondervonden ongemak alsmede de in de gepubliceerde jurisprudentie toegekende vergoedingen voor arm- en handletsel en alle overige omstandigheden van het geval, zal de Rechtbank de schadevergoeding voor [zoontje eiseres] naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 750,--.

[Gedaagde] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding te worden verwezen.

DE BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [zoontje eiseres] heeft gehandeld;

Veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen de door [zoontje eiseres] geleden schade van € 750,-- (ZEVENHONDERDVIJFTIG EURO), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 maart 1998 tot aan de dag der algehele voldoening;

Verwijst [gedaagde] in de kosten van dit geding tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 1.019,30 euro en veroordeelt [gedaagde] mitsdien om te voldoen:

a) aan de griffier van deze Rechtbank:

1. € 136,13 euro voor in debet gesteld griffierecht

2. € 57,29 euro voor kosten dagvaarding

3. € 780,50 euro voor salaris van de procureur

derhalve in totaal € 973,92 euro, met welk bedrag de griffier zal dienen te handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 57b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud)

b) aan [eiseres]:

€ 45,38 euro aan niet in debet gesteld griffierecht;

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. J. Blokland en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 11 juli 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.