Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2002:AE7971

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
28-08-2002
Datum publicatie
09-10-2002
Zaaknummer
BESLU 02/831 en BESLU 02/814
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Alkmaar

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht.

Reg.nr: BESLU 02/831 en BESLU 02/814

Inzake: A, wonende te B, verzoeker,

tegen: de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit.

Besluit van verweerder d.d. 12 juli 2002.

2. Zitting.

Datum: 27 augustus 2002.

Verzoeker is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen, bijgestaan door mr. E.M. Diesfeldt, advocaat te Alkmaar.

Verweerder is, daartoe ook ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigde A.H. Wouters-Van der Spek, medewerkster bij de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen en W. van Os, als arts aan verweerder verbonden.

3. Ontstaan en loop van het geding.

Bij brief van 2 oktober 2000, door verweerder ontvangen op 25 oktober 2000, is namens de Korpschef van het Korps Landelijke Politiediensten, divisie Mobiliteit, ingevolge het bepaalde in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de wet), aan verweerder meegedeeld dat het vermoeden bestaat dat verzoeker niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van de categorie(ën) van motor-rij-tuigen waarvoor zijn rijbewijs is afgegeven. Deze mededeling berust op, zoals in de brief is vermeld, de niet aan alcohol gerelateerde omstandigheid dat verzoeker, na op 2 oktober 2000 te zijn aangehouden, heeft "verklaard dat hij een alcoholprobleem heeft (verslaafd) en dat hij daarvoor al bij de huisarts was geweest. Ook wenste hij professionele hulp bij het afkicken van dit probleem".

Bij besluit van 5 januari 2001 heeft verweerder bepaald dat verzoeker zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid. Uit het besluit blijkt dat dit de vordering van een onderzoek naar de geschiktheid van verzoeker betreft en dat de grondslag voor het opleggen daarvan bestaat uit het vermoeden dat verzoeker de geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen mist vanwege ernstig gestoord inzicht of gedrag.

Tegen dit besluit heeft verzoeker geen bezwaar gemaakt.

Verzoeker is op 5 maart 2001 onderzocht door de door verweerder aangewezen psychiater N. van Loenen (hierna: Van Loenen), die hiervan een rapport gedateerd 10 april 2001 heeft uitgebracht. Blijkens dit rapport wordt de psychiatrische diagnose misbruik van alcohol in ruime zin, in vroege volledige remissie, gesteld.

Bij brief van 6 juni 2001 heeft verweerder de vaststelling van de uitslag van het onderzoek aan verzoeker meegedeeld. Verweerder acht verzoeker, gezien deze diagnose, niet geschikt voor het besturen van motorrijtuigen en is daarom voornemens diens rijbewijs ongeldig te verklaren.

Verzoeker is vervolgens op 17 augustus 2001 nogmaals onderzocht en wel door de door verweerder aangewezen psychiater A. Korzec (hierna: Korzec), die hiervan op 11 november 2001 een rapport heeft uitgebracht. Korzec bevestigt de diagnose van Van Loenen dat er ten tijde van de aanhouding van verzoeker sprake was van alcoholafhankelijkheid. Ook wijkt de diagnose van Korzec niet af van de diagnose van het eerste onderzoek.

Bij besluit van 28 december 2001 heeft verweerder het rijbewijs van verzoeker voor alle categorieën ongeldig verklaard met ingang van de zevende dag na die van de dagtekening van dit besluit. Reden hiervoor is dat verweerder als uitslag van de onderzoeken heeft vastgesteld dat verzoeker niet voldoet aan de eisen van geschiktheid om motorrijtuigen te besturen omdat paragraaf 8.8 van de Regeling eisen geschiktheid van toepassing is, wat in dit geval inhoudt dat er bij verzoeker sprake is van misbruik van alcohol, terwijl niet aannemelijk of aantoonbaar is dat verzoeker met het misbruik van alcohol is gestopt.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 7 januari 2002 bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 4 februari 2002 verweerders besluit van 28 december 2001 geschorst en verweerder gelast om verzoeker weer in het bezit te stellen van zijn rijbewijs.

Bij besluit van 12 juli 2002 heeft verweerder verzoekers bezwaren tegen het besluit van 4 februari 2002 ongegrond verklaard. Het rijbewijs van verzoeker is ongeldig verklaard en wordt door verweerder (opnieuw) ingevorderd.

Verzoeker is bij brief, ter griffie ontvangen op 16 juli 2002, van het besluit van 12 juli 2002 in beroep gekomen. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 27 augustus 2002.

4. Bewijsmiddelen.

De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

5. Motivering.

5.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bevoegde rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en hij van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. In het onderhavige geval ziet de voorzieningen-rechter aanleiding van deze bevoegdheid gebruik te maken. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.2.1. Het geschil betreft de ongeldigverklaring van verzoekers rijbewijs omdat verweerder hem niet langer geschikt acht voor het besturen van een motorrijtuig. Met het bestreden besluit heeft verweerder het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van 28 december 2001 gehandhaafd. De regeling tot ongeldigverklaring is neergelegd in de artikelen 130 tot en met 134a van de wet en de daarop gebaseerde regelingen.

5.2.2. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de wet doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen het vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Ingevolge artikel 2, eerste lid van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de regeling) wordt zo'n vermoeden gebaseerd op feiten en omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

5.2.3. Ingevolge artikel 131, eerste lid, van de wet besluit de minister, indien naar zijn oordeel de in artikel 130, eerste lid, bedoelde schriftelijke mededeling daartoe aanleiding geeft, dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel bepaalt de minister de aard van het onderzoek en door welke deskundige(n) het onderzoek zal worden verricht. Ingevolge het zevende lid van dit artikel worden bij ministeriële regeling nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste en vijfde lid. In de regeling zijn de feiten en omstandigheden die een vermoeden van geestelijke ongeschiktheid rechtvaardigen onderscheiden van de feiten en omstandigheden die een vermoeden van ongeschiktheid vanwege het gebruik van de drogerende stof alcohol rechtvaardigen.

5.3.1. Blijkens het bestreden besluit, zoals verweerder ook eerder heeft aangegeven, is het onderzoek dat is gedaan naar de geschiktheid van verzoeker van het begin af gericht op zijn alcoholgebruik. Dit, aldus verweerder, omdat verzoeker tegenover de politie heeft verklaard dat hij een alcoholprobleem heeft en dat hij daarvoor ook bij zijn huisarts is geweest. Verweerder heeft het onderzoek naar het alcoholgebruik van verzoeker nodig geacht, omdat het nuttigen van de door verzoeker in zijn verklaring bij de politie aangegeven grote hoeveelheden alcohol volgens verweerder hersenbeschadiging kan veroorzaken, hetgeen tot gestoord gedrag kan leiden. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat er immer sprake is van ernstig gestoord inzicht wanneer iemand met te veel drank op een motorrijtuig bestuurt; bij verzoeker komt daar nog bij, zo stelt verweerder, dat hij zelf heeft verklaard een alcoholprobleem te hebben.

5.3.2. Ook uit de rapporten van Van Loenen en van Korzec blijkt dat de onderzoeken van het begin af aan zijn gericht op het alcoholgebruik van verzoeker. Bovendien blijkt dat verzoeker ten behoeve van beide onderzoeken een bloedonderzoek heeft moeten ondergaan. Een dergelijk -onderzoek betreft het onderzoeken van een aantal bloedwaarden die verband houden met alcoholgebruik. Dat specifiek onderzoek is gedaan naar een psychiatrische stoornis bij verzoeker blijkt niet uit de rapportage, terwijl evenmin is gebleken van ernstig gestoord gedrag of inzicht vanwege een psychiatrische stoornis bij verzoeker.

5.3.3. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 2 februari 2002 ambtshalve de vraag opgeworpen of, gegeven de grondslag van het besluit om verzoeker een onderzoek te laten ondergaan, dit onderzoek ook betrekking mocht hebben op het alcoholgebruik van verzoeker. In die uitspraak is deze vraag ontkennend beantwoord. De voorzieningenrechter heeft daartoe onder meer overwogen dat vooropgesteld moet worden, dat de verplichting tot het ondergaan van een onderzoek als dit belastend is voor betrokkene, omdat daarmee een inbreuk wordt gemaakt op zijn persoonlijke en lichamelijke integriteit als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Hoewel de wet en de regeling deze inbreuk mogelijk maken, kan niet worden aangenomen dat deze inbreuk groter mag zijn dan in een specifiek geval noodzakelijk is, zodat aan de wet en de regeling een restrictieve uitleg dient te worden gegeven.

Dat een restrictieve uitleg moet worden gegeven blijkt ook uit hetgeen in de Memorie van Toelichting is vermeld over artikel 134 van de wet: "... materieel het sluitstuk van de procedure inzake het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid wordt gevormd door een oordeel van deskundigen omtrent het kennen en kunnen van de betrokken rijbewijshouder, welk oordeel is gebaseerd op een gericht uitgevoerd onderzoek" (MvT II, 22 030, nr. 3, p. 139). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient het onderzoek gericht te zijn op het vermoeden van ongeschiktheid dat de grondslag is geweest om ingevolge artikel 6 van de regeling een onderzoek op te leggen. Als er dus alleen een vermoeden - in de zin van de regeling - is van geestelijke ongeschiktheid en niet van ongeschiktheid vanwege alcoholmisbruik mag er alleen een onderzoek worden gedaan naar de geestelijke geschiktheid en niet ook naar alcoholgebruik.

5.3.4. In het bestreden besluit van 12 juli 2002 heeft verweerder vervolgens overwogen dat, anders dan de voorzieningenrechter meent, de conclusie dat geen onderzoek kon of mocht worden gedaan naar het alcoholgebruik van verzoeker, nu de aanleiding van het onderzoek naar zijn geschiktheid was gelegen in een vermoeden van geestelijke ongeschiktheid en niet van ongeschiktheid vanwege alcoholmisbruik, geen steun vindt in het recht. De feiten en omstandigheden die aanleiding voor het onderzoek hebben gevormd, beperken niet de reikwijdte van het geschiktheidsonderzoek zelf en staan niet in de weg aan het toekennen van relevantie aan al hetgeen tijdens dat onderzoek aan gegevens voor de beoordeling van die geschiktheid - gelet op de Regeling eisen geschiktheid 2000 - naar boven komt. Noch de toepasselijke regelgeving, noch enig algemeen rechtsbeginsel verzet zich tegen het gebruik van de gegevens met betrekking tot het alcoholonderzoek, aldus verweerder.

5.3.5. Ter zitting van 27 augustus 2002 heeft verweerder erop gewezen dat ook alcohol-afhankelijkheid als een vorm van geestelijke ongeschiktheid is te kwalificeren, zodat een onderzoek naar de geestelijke geschiktheid als bedoeld in de Regeling zich mede uit kan strekken tot het alcoholgebruik c.q. misbruik. Ter toelichting heeft de arts Van Os aangegeven dat het in de praktijk wel voorkomt dat tijdens een onderzoek naar -bijvoorbeeld- de lichamelijke geschiktheid, het vermoeden rijst dat er sprake is van alcoholmisbruik of -afhankelijkheid. In dat geval zal de arts verweerder adviseren dienaangaande nader onderzoek te doen plegen. Voorts is door de arts Van Os uitgelegd dat geen bloedonderzoek wordt gedaan bij een onderzoek naar psychiatrische stoornissen.

5.4.1. De voorzieningenrechter komt daarmee - opnieuw - toe aan de vraag of, gegeven de grondslag van het besluit om verzoeker een onderzoek te laten ondergaan, dit onderzoek ook betrekking mocht hebben op het alcoholgebruik van verzoeker. Daarbij is het volgende van belang.

5.4.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid van de regeling wordt het vermoeden dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, gebaseerd op feiten en omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1. In deze bijlage zijn onder "B Geschiktheid" de feiten en omstandigheden die een vermoeden van ongeschiktheid rechtvaardigen ingedeeld in drie categorieën, te weten "Lichamelijke geschiktheid", "Geestelijke geschiktheid" en "Drogerende stoffen"; de categorie "Drogerende stoffen" valt uiteen in twee subcategorieën, te weten "Alcohol" en "Andere drogerende stoffen". Onder de categorie "Geestelijke geschiktheid" staat als omstandigheid vermeld "ernstig gestoord inzicht of gedrag". In de artikelen 6 en 8 van de regeling is een aantal specifiek omschreven situaties onderscheiden voor het geval er een vermoeden is van ongeschiktheid vanwege alcoholmisbruik. Per situatie is aan verweerder de bevoegdheid gegeven om een specifiek omschreven maatregel op te leggen. Afhankelijk van de ernst van de overtreding en de frequentie waarmee eerdere overtredingen zijn geconstateerd, is een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) of een onderzoek naar de geschiktheid aan de orde.

5.4.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onder het regime van de regeling verweerder niet vrij in de keuze van die maatregelen en de regeling geeft ook geen ruimte voor een nadere belangenafweging. Gezien dit systeem van bevoegdheidstoedeling kan en mag een onderzoek naar mogelijk alcoholmisbruik naar het oordeel van de voorzieningenrechter alleen dan worden opgelegd wanneer de in de regeling voor het opleggen van die maatregel vereiste, specifiek omschreven situatie zich voordoet. Ook als, zoals de vertegenwoordiger van verweerder ter zitting van 27 augustus 2002 het uitdrukte, "naar het totale plaatje wordt gekeken", kan niet geoordeeld worden dat de specifiek in de regeling omschreven situatie zich heeft voorgedaan. Uit de stukken blijkt namelijk dat bij verzoeker na zijn aanhouding op 2 oktober 2000 een ademalcoholgehalte van 510 µg/l is geconstateerd en dat verzoeker niet eerder is aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede lid, van de wet. Het systeem van de regeling laat verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen ruimte om alleen op grond van het gegeven dat iemand met te veel drank op een motorrijtuig bestuurt, te concluderen dat bij betrokkene sprake is van ernstig gestoord inzicht of gedrag vanwege een psychiatrische stoornis. In dat verband kan verzoekers verklaring tegenover de politie, dat hij een alcoholprobleem heeft en dat hij daarvoor bij de huisarts is geweest, niet worden aangemerkt als een verklaring van een medisch deskundige waaruit blijkt dat verzoeker alcoholist is, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, van de regeling, noch anderszins als doorslaggevend worden beschouwd.

5.4.4. De voorzieningenrechter kan verweerder niet volgen in het ter zitting van 27 augustus 2002 ingenomen standpunt dat, aangezien in geval van alcoholafhankelijkheid of -misbruik sprake is van een psychiatrische stoornis het bestaan van een vermoeden van ongeschiktheid wegens het ontbreken van geestelijke geschiktheid tevens in kan houden een vermoeden van ongeschiktheid wegens het gebruik van drogerende stoffen, zodat om die reden een onderzoek naar verzoekers alcoholgebruik gerechtvaardigd is. Daar waar de regeling een zo specifiek onderscheid maakt tussen de verschillende categorieën die een vermoeden van ongeschiktheid rechtvaardigen, is ten aanzien van alcohol sprake van een "lex specialis" en dient aan het in de regeling uitdrukkelijk bedoelde onderscheid tussen enerzijds de categorie "Geestelijke geschiktheid" en anderzijds de categorie "Drogerende stoffen Alcohol", strak de hand te worden gehouden. In de regeling is bovendien niet voorzien dat, indien (uitsluitend) de betrokkene aangeeft problemen met drankgebruik te hebben, zich een geval voordoet waarin een onderzoek naar de categorie "Drogerende stoffen Alcohol" geëntameerd kan worden.

5.4.5. Het gegeven dat, indien tijdens een onderzoek naar de lichamelijke of de geestelijke geschiktheid blijkt dat de geconstateerde ongeschiktheid mogelijk een gevolg is van alcohol-afhankelijkheid, verweerder bevoegd is daarnaar nader onderzoek te laten verrichten, kan niet leiden tot de conclusie dat verweerder in het geval van verzoeker bevoegd was tot dit onderzoek te besluiten. Immers, in verzoekers geval was (nog) geen sprake van een onderzoek naar zijn lichamelijke of geestelijke geschiktheid, maar is het onderzoek direct en alleen gericht op de categorie "Drogerende stoffen Alcohol". Bovendien wordt, zoals door de arts Van Os ter zitting van 27 augustus 2002 is toegelicht, in het geval tijdens een onderzoek naar de lichamelijke of geestelijke geschiktheid het vermoeden opkomt dat sprake is van alcoholmisbruik of -afhankelijkheid, het bestaan van dat vermoeden aan verweerder medegedeeld. In geen geval wordt de eventuele alcoholafhankelijkheid direct in het lopende onderzoek betrokken.

5.4.6. Dat verzoeker tegen verweerders besluit van 5 januari 2002, waarin verzoeker wordt verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn geestelijke geschiktheid tot het besturen motorvoertuigen, geen bezwaar heeft gemaakt, kan hem thans niet worden toegeworpen. Op grond van de regeling was verweerder in het geval van verzoeker bevoegd om onderzoek naar de geestelijke geschiktheid (anders dan drogerende middelen) van verzoeker te entameren. Verzoeker behoefde aldus geen aanleiding te zien (met vrucht) tegen dat onderzoek te protesteren.

5.4.7. Evenals in de uitspraak van 4 februari 2002 komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verweerder zonder daartoe de, op de regeling gebaseerde, bevoegdheid te hebben het alcoholgebruik van verzoeker heeft laten onderzoeken. Hieruit volgt dat verweerder niet op grond van de resultaten van de onderzoeken van Van Loenen en Korzec had mogen besluiten om verzoekers rijbewijs ongeldig te verklaren omdat hij hem ongeschikt vindt voor het besturen van motorrijtuigen vanwege alcoholmisbruik. Nu verweerder dit wel heeft gedaan is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht en komt het om die reden voor vernietiging in aanmerking.

5.5. Gezien dit gebrek kan hetgeen overigens is aangedragen buiten beschouwing blijven, zal de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaren en het besluit vernietigen. Gelet op het belang dat verzoeker heeft bij het gebruik van zijn rijbewijs acht de voorzieningenrechter het treffen van een voorlopige voorziening vereist. In de gegeven omstandigheden acht de voorzieningenrechter het op zijn plaats niet alleen het besluit tot invordering van het rijbewijs te schorsen, maar ook, indien verzoeker zijn rijbewijs heeft ingeleverd, te bepalen dat verweerder verzoeker onverwijld weer in het bezit moet stellen van zijn rijbewijs.

5.6. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb is de voorzieningenrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep c.q. verzoek bij de president redelijkerwijs heeft moeten maken en worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld. Deze nadere regels zijn vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 22 december 1993, Staatsblad 763 (het Besluit proceskosten bestuursrecht).

Gelet op het hiervoor overwogene is er aanleiding verweerder te veroordelen in die kosten, welke met toepassing van het genoemde Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 322,= als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank heeft een punt toegekend vanwege de bijstand ter zitting in een zaak met een gemiddelde zwaarte.

6. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 12 juli 2002 en bepaald dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- schorst het besluit tot ongeldigverklaring van verzoekers rijbewijs tot zes weken nadat verweerder de hiervoor bedoelde nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen en aan eiser heeft bekendgemaakt;

- gelast verweerder om, indien verzoeker het rijbewijs heeft ingeleverd, verzoeker onverwijld weer in het bezit te stellen van zijn rijbewijs;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Verkeer en Waterstaat) aan verzoeker het voor de behandeling van zijn verzoek en het beroep betaalde griffierecht van in totaal € 218,-- vergoedt.

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van verzoeker redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 322,=

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 322,= dient te worden gedaan aan verzoeker.

Aldus gewezen door mr. E.M. van der Linde, als voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van C.H. Kuiper, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 28 augustus 2002.

door voornoemde voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat uitsluitend hoger beroep open, voorzover deze de hoofdzaak betreft. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's Gravenhage.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.