Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2002:AE7814

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
11-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
14.025164-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft onachtzaam gehandeld door de door haar bestuurde helikopter een te hoge daalsnelheid te geven en de vlieghoogte onvoldoende te bewaken. Zij heeft daardoor de levens van de inzittenden in gevaar gebracht, welk gevaar zich ook heeft gerealiseerd doordat een van de passagiers is overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Parketnummer: 14.025164-99

Datum uitspraak: 11 september 2002

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de rechtbank van het arrondissement Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]7,

wonende te [adres], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 augustus 2002.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, primair tenlastegelegd dat zij op of omstreeks 20 december 1997 tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in het luchtruim boven de Noordzee ongeveer op de positie 53 graden 36 minuten 01 seconde noorderbreedte en 04 graden 05 minuten 01 seconde oosterlengte, althans in de omgeving van het platform L7-A, als vlieger (de zogeheten pilot flying) aan boord van een luchtvaartuig, een hefschroefvliegtuig met het Nederlandse nationaliteits- en inschrijvingskenmerk PH-KHB, type Sikorsky S-76B (waarin passagiers aanwezig waren), met dat luchtvaartuig vliegende op "final" voor de landing op een aldaar in de nabijheid aanwezig platform, aanmerkelijk onvoorzichtig en/of ondoordacht en/of onachtzaam (bij het verminderen van de voorwaartse snelheid) de daalsnelheid van dat toestel veel te hoog, heeft laten oplopen, althans die daalsnelheid niet en/of niet tijdig of onvoldoende heeft verminderd, ten gevolge waarvan, althans mede ten gevolge waarvan, dat luchtvaartuig op/in zee is neergestort en is verongelukt en/of gezonken en/of vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar is gemaakt, terwijl daardoor levensgevaar voor de in dat luchtvaartuig aanwezige passagiers is ontstaan en/of terwijl dat feit de dood van een passagier, [slachtoffer] geheten, tengevolge heeft gehad.

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, subsidiair tenlastegelegd zij op of omstreeks 20 december 1997, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in het luchtruim boven de Noordzee ongeveer op de positie 53 graden 36 minuten 01 seconde noorderbreedte en 04 graden 05 minuten 01 seconde oosterlengte, althans in de omgeving van het platform L7-A, als vlieger aan boord van een luchtvaartuig, een hefschroefvliegtuig met het Nederlandse nationaliteits- en inschrijvingskenmerk PH-KHB, type Sikorsky S-76B, met passagiers aan boord, (bij het verminderen van de voorwaartse snelheid) de daalsnelheid van dat luchtvaartuig dusdanig hoog heeft laten oplopen, althans die daalsnelheid niet en/of niet tijdig of onvoldoende heeft verminderd, dat dat luchtvaartuig vervolgens in zee is neergestort/terechtgekomen en aldus op zodanige wijze aan het luchtverkeer heeft deelgenomen dat daardoor personen (de in het luchtvaartuig aanwezige passagiers) en/of zaken in gevaar werden of konden worden gebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. ONVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE

Namens de verdachte is aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging, aangezien de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens in zodanige mate is overschreden dat niet kan worden volstaan met strafvermindering.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Het onderhavige ongeval heeft plaatsgevonden op 20 december 1997. Op 23 januari 1998 is de verdachte als zodanig gehoord. Uit dat verhoor heeft zij blijkens haar verklaring ter terechtzitting niet de indruk gekregen dat tegen haar een vervolging zou worden ingesteld. Toen zij op 2 december 1998 wederom als verdachte werd gehoord, heeft zij daaraan wel de verwachting ontleend, en naar het oordeel van de rechtbank ook kunnen ontlenen, dat zij terzake van het veroorzaken van het ongeval zou worden vervolgd. De op de redelijkheid te beoordelen termijn, binnen welke de berechting dient plaats te vinden, heeft derhalve op 2 december 1998 een aanvang genomen. Nadien heeft het drie jaar en ruim acht maanden geduurd voordat de berechting in eerste aanleg tot een einde is gekomen, waardoor sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Deze is voornamelijk te wijten aan vertragingen in het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk vooronderzoek .

Bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang van de verdachte bij verval van het recht tot strafvervolging, waarbij de rechtbank in het bijzonder de ernst van het ongeval - waarbij een persoon is overleden - en de mate van overschrijding van de redelijke termijn heeft betrokken, is de rechtbank van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in casu niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Wel zal bij de beoordeling van de vraag of en, zo ja, welke straf aan de verdachte dient te worden opgelegd, rekening worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Voorts heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd, dat beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel, zijn geschonden doordat alleen de verdachte en niet tevens de gezagvoerder is vervolgd.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Het openbaar ministerie heeft een grote mate van beleidsvrijheid in de beslissing al dan niet tot vervolging over te gaan. Die beslissing wordt, voor zover hier van belang, slechts begrensd door beginselen van een behoorlijke procesorde.

Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de verdachte als Pilot Flying de primaire verantwoordelijkheid droeg voor de adequate uitvoering en afwikkeling van de onderhavige landingsmanoeuvre en dat de gezagvoerder, in casu de Pilot Non Flying, de eindverantwoordelijkheid droeg voor het uitvoeren van de vlucht als geheel. Voorts kan als vaststaand worden aangenomen dat, op het moment dat de verdachte de daalsnelheid van de helikopter te hoog had laten oplopen, de gezagvoerder te laat heeft ingegrepen om het gevaar te keren, hoewel tijdig ingrijpen wel van hem kon worden gevergd.

Onder deze omstandigheden is het zeer onbevredigend te noemen dat het openbaar ministerie ervoor heeft gekozen wel tegen de verdachte en niet tegen de gezagvoerder, die over aanzienlijk meer ervaring beschikte, vervolging in te stellen. Gelet echter op de positie en de verantwoordelijkheid van de verdachte als Pilot Flying is de rechtbank van oordeel dat die keuze niet van dien aard is dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Voorts is niet aannemelijk geworden dat enig ander beginsel van behoorlijke procesorde is geschonden, zodat het verweer wordt verworpen en het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

3. VRIJSPRAAK VAN HET PRIMAIR TENLASTEGELEGDE

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende komen vast te staan. Op 20 december 1997 in de namiddag, toen het al donker was, vloog de verdachte als Pilot Flying van de helikopter Sikorsky S-76 B, waarin zich tevens de gezagvoerder, de Pilot Non Flying, alsmede 6 passagiers bevonden, in de richting van het platform L7-A om aldaar te landen. De verdachte was van oordeel dat de helikopter een te hoge snelheid had en zich nog te hoog in de lucht bevond om een adequate landingsmanoeuvre uit te voeren, waarna zij een doorstart, een zogeheten go-around, heeft ingezet. Na een circuit linksom heeft zij op het moment dat de landingsmanoeuvre opnieuw zou moeten worden ingezet, wederom twijfel geuit omtrent de haalbaarheid daarvan. De gezagvoerder heeft toen te kennen gegeven dat het prima ging en dat zij door kon gaan. Vervolgens heeft de verdachte de daling van de helikopter in gang gezet door het drukken van de collective en het optrekken van de neus van de helikopter. De daardoor verkregen daalsnelheid werd, zoals achteraf is gebleken, hoger dan verantwoord, hetgeen op dat moment noch door de verdachte noch door de gezagvoerder is opgemerkt. De verdachte is vervolgens meer visueel dan op haar instrumenten gaan vliegen; het was de taak van de gezagvoerder de nadering van het platform aan de hand van de instrumenten te controleren en, zo nodig, te begeleiden dan wel over te nemen. Op het moment dat het de gezagvoerder uit het aflezen van de hoogtemeter duidelijk werd dat de helikopter naar een hoogte van 100 voet - de hoogte van het platform - was gedaald, heeft hij enige seconden naar buiten gekeken en pas daarna de collective getrokken om het vermogen op te voeren en de vlieghoogte te vergroten. Op vrijwel hetzelfde moment heeft ook de verdachte gemerkt dat de vlieghoogte te laag was en heeft zij eveneens de collective getrokken. Dit ingrijpen heeft niet kunnen verhinderen dat de helikopter te water is geraakt, waardoor uiteindelijk een van de passagiers is overleden.

Naar het oordeel van de rechtbank was het de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de verdachte en de gezagvoerder de nadering van het platform en de landing van de helikopter op een deugdelijke manier uit te voeren. De verdachte heeft onachtzaam gehandeld door een te hoge daalsnelheid in te zetten en vervolgens onvoldoende aan de hand van de instrumenten, in het bijzonder de hoogtemeter, te controleren of de daling van de helikopter naar wens verliep. Ook de gezagvoerder kan onvoorzichtig handelen worden verweten, aangezien hij reeds had moeten ingrijpen voordat de helikopter een hoogte van 100 voet bereikte - die daardoor immers tegen het eveneens op 100 voet gelegen platform aan zou vliegen - en hij, toen hij zag dat de helikopter op een hoogte van 100 voet vloog, heeft nagelaten meteen de collective te trekken en in plaats daarvan naar buiten is gaan kijken.

De rechtbank is echter van oordeel dat het onachtzame handelen van de verdachte op zichzelf onvoldoende is om te spreken van aanmerkelijke schuld, zoals primair is tenlastegelegd. Voorts ziet de rechtbank, gelet op de wijze waarop het ongeval heeft plaatsgevonden, geen termen aanwezig het onvoorzichtige handelen van de gezagvoerder aan de verdachte toe te rekenen. De door de verdachte ingezette daalsnelheid is door geen van beiden opgemerkt, terwijl de verdachte zich evenmin bewust is geweest van het moment waarop de gezagvoerder had moeten ingrijpen. Onder die omstandigheden kan niet gezegd worden dat de door de verdachte en de gezagvoerder begane fouten in zodanig nauwe en volledige samenwerking zijn verricht, dat hetgeen de een heeft gedaan in het kader van medeplegen aan de ander kan worden toegerekend.

Dit brengt mee dat de verdachte van het haar primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

4. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

zij op 20 december 1997 in het luchtruim boven de Noordzee in de omgeving van het platform L7-A, als vlieger aan boord van een luchtvaartuig, een hefschroefvliegtuig met het Nederlandse nationaliteits- en inschrijvingskenmerk PH-KHB, type Sikorsky S-76B, met passagiers aan boord, bij het verminderen van de voorwaartse snelheid de daalsnelheid van dat luchtvaartuig dusdanig hoog heeft laten oplopen, dat dat luchtvaartuig vervolgens in zee is terechtgekomen en aldus op zodanige wijze aan het luchtverkeer heeft deelgenomen dat daardoor personen (de in het luchtvaartuig aanwezige passagiers) en zaken in gevaar werden gebracht.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

6. NADERE BEWIJSOVERWEGING

Door de raadsman van de verdachte is aangevoerd dat zij moet worden vrijgesproken van het haar subsidiair tenlastegelegde, omdat zij zich slechts heeft schuldig gemaakt aan één normschending, hetgeen onvoldoende is om aan te nemen, dat zij concreet "gevaar" in de zin van artikel 5 (oud) van de Wet luchtvaart heeft veroorzaakt.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Door te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, te weten het veroorzaken van een hoge daalsnelheid die zonder ingrijpen zonder meer tot het te water gaan van de helikopter zou leiden, in een situatie waarin zij de primaire verantwoordelijkheid droeg voor de helikopter en de veiligheid van de inzittenden aan boord van de helikopter, heeft zij een onverantwoord risico genomen en aldus direct en concreet gevaar voor personen en goederen in het leven geroepen.

7. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 5 (oud) van de Wet luchtvaart

8. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Namens de verdachte is betoogd, dat zij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld. Volgens deskundigen zou bij de verdachte sprake kunnen zijn geweest van desoriëntatie, waardoor zij niet (voldoende) in staat was de vlieghoogte waar te nemen. Zij heeft aldus gehandeld in feitelijke dwaling ten aanzien van de vlieghoogte van de helikopter. Tevens is sprake van verontschuldigbare onmacht, aangezien de verdachte buiten haar schuld in een situatie is geraakt, waardoor zij niet in staat was naar behoren te functioneren, aldus de raadsman van de verdachte.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Aannemelijk is dat ten tijde van de onderhavige landingsmanoeuvre het zicht buiten de helikopter sterk werd bemoeilijkt door de duisternis en dat het platform slecht zichtbaar was door een gebrekkige verlichting op dat platform. Maar ook indien de verdachte daardoor zou zijn gedesoriënteerd voor wat betreft de feitelijke vlieghoogte van de helikopter, dan ontsloeg haar dit nog niet van de verplichting te controleren of de vlieghoogte die zij op basis van het zicht buiten de helikopter meende waar te nemen, overeenkwam met de op de hoogtemeters aangegeven vlieghoogte. Aangezien de verdachte heeft nagelaten haar instrumentenpaneel op voormelde wijze in haar beoordeling te betrekken en niet is aangevoerd of aannemelijk geworden dat zij daartoe niet in staat was, kan niet gezegd worden dat de verdachte verontschuldigbaar heeft gehandeld. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

9. TOEPASSING VAN ARTIKEL 9a VAN HET WETBOEK VAN STRAFRECHT

De verdachte heeft onachtzaam gehandeld door de door haar bestuurde helikopter een te hoge daalsnelheid te geven en de vlieghoogte onvoldoende te bewaken. Zij heeft daardoor de levens van de inzittenden in gevaar gebracht, welk gevaar zich ook heeft gerealiseerd doordat een van de passagiers is overleden. Op zichzelf rechtvaardigt dit de oplegging van een straf aan de verdachte.

De rechtbank overweegt voorts dat het ongeval geruime tijd geleden heeft plaats gevonden. De verdachte, die als piloot is blijven vliegen en thans commerciële passagiersvluchten in dienst van [luchtvaartmaatschappij] uitvoert, heeft zich sedertdien niet schuldig gemaakt aan een feit als het onderhavige of een soortgelijk delict.

Het vorenoverwogene in aanmerking genomen en gelet op de mate van de overschrijding van de redelijke termijn en de relatief geringe ernst van het verwijt dat aan de verdachte kan worden gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat met bestraffing van de verdachte in redelijkheid geen strafrechtelijk relevant doel meer kan worden gediend. De rechtbank zal dan ook bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

10. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing is gegrond op de artikelen 5 (oud) en 47 (oud) van de Wet luchtvaart.

11. BESLISSING

De rechtbank:

11.1 Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

11.2 Verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

11.3 Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

11.4 Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

11.5 Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van der Perk, voorzitter,

mr. A.M. van Woensel en mr. W. van der Haak, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van der Vecht, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 september 2002.